Skip to main content

Full text of "Algemeen Nederlands tijdschrift voor wijsbegeerte"

See other formats


TIJDSCHRIFT 
OR WIJSBEGEERTE 



ONDER REDACTIE VAN: 

,. D. BIERENS DE HAAN. JULirS DE BOER. 
L. H. GRONDIJS. Dr. Ph. KOHNSTAMM. 
Dr. W. MEIJER. K. J. PEN. 

MHDtWERKlNQ TOEGEZEGD o.a. DOOR: 

Dr. H. W. Pii. VAN DEN Bergh van Eijsinga. Dr. G. A. van den 
Bergh van Eijsinga. J. van den Bergh van Eijsinga— Elias. Dr. P. 
Bierens de Haan. Prof. Dr. t. J. de Boer. L. E. j. Brouwer. H. C. 
L^iFbREt. üc. B. Faddegon Pfof. Dr. H. V. Grornewegen. Dr. A. H. 
de Hartog. Prof. Dr. G. Heijmans. Dr. K. H. E. de Jong. Mr. M. 
C. L. LOTSY. G. MannourY. Dr. J. A. der Mouw. Dr. B. J. H. Ovink. 
A. Pit. Prof. Dr. P. H. Ritter. Dr. H. Was. Prof. Dr. Jhr. B. H. C. 
K. van der WiJCK. Dr. C. J. Wijnaendts Francken. 



EERSTE JAARGANQ. 



. ^^STERDAM, 

w. n;ersluys. 



: LEIDEN, 

I Boekhandel en Drukkerij 

1 VOOKHEEN E. J. BRILL. 
1907. 



TIJDSCHRIFT VOOR WIJSBEGEERTE. 



TIJDSCHRIFT 
VOOR WIJSBEGEERTE 



ONDER REDACTIE VAN: 

Dr. J. D. BIERENS DE HAAN. JULIUS DE BOER. 

L. H. GRONDIJS. Dr. Ph. KOHNSTAMM. 

Dr. W. MEIJER. K. J. PEN. 

MEDEWERKING TOEGEZEGD o.a. DOOR: 

Dr. H. W. Ph, van den Bergh van Eijsinga. Dr. G. A. van den 
Bergh van Eijsinga. J. van den Bergh van Eijsinga— Elias. Dr. P. 
BiERENS DE Haan. Prof. Dr. T. J. de Boer. L. E. J. Brouwer. H. C. 
DiFEREE. Dr. B. Faddegon Prof. Dr. H. Y. Groenewegen. Dr. A. H. 
DE Hartog. Prof. Dr. G. Heijmans. Dr. K. H. E. de Jong. Mr. M. 
C. L. LOTSY. G. Mannoury. Dr. J. A. der Mouw. Dr. B. J. H. Ovink. 
A. Pit. Prof. Dr. P. H. Ritter. Dr. H. Was. Prof. Dr. Jhr. B. H. C. 
K. van der Wijck. Dr. C. J. Wijnaendts Francken. \ 



EERSTE JAARGANG. 



AMSTERDAM, 

W. VERSLUYS. 



LEIDEN, 

Boekhandel en Drukkerij 

VOORHEEN E. J. BRILL. 

1907. 



INHOUD. 



BIz. 

Een wijsgeerige beweging in Nederland (bij de oprichting 
van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte) door Dr. J. D. 

BiERENS DE Haan 1 

Transcendenteel Idealisme door Dr. Ph. Kohnstamm . 24 

Natuurphilosophie en Atomistiek door J. Clay ... 64 

Het primitieve levensproces door Dr. H. Rethy ... 85 

Boek-bespreking 113 

Inhoud van tijdschriften 122 

Overzicht der werkzaamheden van de vereenigingen voor 
wijsbegeerte vervuld in het eerste deel van den winter- 
cursus 190611907 127 

Het primitieve levensproces door Dr. H. Rhety (Slot) 129 

Het vraagstuk van den wereldvrede door L^H. Grondijs 162 

Het ding op zichzelf door G. J. P. J. Bolland. . . 222 
Het heroïsche: Een hoofdstuk van hoogere levensleer 

door Dr. J. D. Bierens de Haan 226 

Boek-bespreking 261 

Inhoud van tijdschriften 266 

Beschouwingen over de schoolsche logica bij Hegel en 

bij de nieuwere Duitsche logici door Dr. B. Faddegon 271 

Over Spinoza en den godsdienst door Dr. W. Meijer 316 

Het Ik en 't Psychisch Monisme door G. Heymans . . 329 

De overgang van „Gothiek" tot „Renaissance" en van 

Realisme tot Idealisme door A. Pit 343 



VIII INHOUD. 

Blz. 

Boek-bespreking 372 

Vereenigingen voor Wijsbegeerte 379 

Ontvangen boeken 384 

Psychologie en Logica door Dr. Ph. Kohnstamm . . 385 
De weg tot de idee. (Een denken dat zichzelf denkt) 

door Dr. J. D. Bierens de Haan 427 

Verweer door K. J. Pen 440 

De natuur door J. Clay 500 

Inhoud van Tijdschriften 515 

Ontvangen boeken .518 



EEN WIJSGEERIGE BEWEGING (jlM^^^ 
IN NEDERLAND 

(BIJ DE OPRICHTING VAN HET TIJDSCHRIFT VOOR WIJSBEGEERTE) 

DOOR 

Dr. J. D. BIERENS DE HAAN. 



I. 

Een Tijdschrift voor Wijsbegeerte kondigt zich niet aan 
met geschal. Het brengt in zijn eerste aflevering geen gisteren 
ontdekte waarheid aan het licht, noch tracht door de 
efemeere waarde van een ongehoorde stelling aanspra-ak te 
maken op de publieke aandacht. Doch de reden zijner 
oprichting zij gaarne vermeld. Deze is: het bestaan eener 
wijsgeerige beweging in Nederland. Vanwege deze wijsgeerige 
beweging is de oprichting van het Tijdschrift noodig ge- 
worden ; en zoo het Tijdschrift voor wijsbegeerte een orgaan 
kan heeten, is het een orgaan dezer beweging, in welke 
verschillende geestes-stroomen te zamen loopen. Geen der 
redakteurs zou zich aansprakelijk gesteld hebben voor de 
taak, welke dit Tijdschrift geeft, zoo niet in deze geeste- 
lijke strooming een moreele en oekonomische waarborg 
gelegen was voor zijn levensvatbaarheid; de werkzame 
deelname aan den inhoud en de finantieele steun van het 
abonnement moeten in de tegenwoordige wijsgeerige be- 
weging verzekerd zijn. Geen boom kan groeien dan in zijn 
grond geplant. 



2 EEN WIJSGEERIGE BEWEGING 

Maar nevens zijn grond is ook de belangstellende ver- 
zorging een oorzaak van welvaart des booms. En evenzoo 
hoopt het Tijdschrift voor Wijsbegeerte belangstelling te 
ontvangen, ook van dien breeder kring van menschen, die 
in Nederland aan het geestelijk kiiltuurleven deelnemen, al 
staat de filosofie bij hen niet in het middelpunt der aan- 
dacht. Dezulken stelt de Redaktie zich voor als degenen 
voor wie eensdeels deze oprichting is bedoeld. Een wijs- 
geerig Tijdschrift is geen vakblad, en al mocht ook eens 
een heele aflevering gevuld zijn met speciale vakstudiën, 
dan zou dit geen bewijs zijn van 't karakter van het Tijd- 
schrift. Want zoozeer als de wijsbegeerte een algemeene 
wetenschap is, die allen behoort te boeien, daar zij de 
grondslagen van alle kennis openlegt, zoozeer is ook een 
Tijdschrift voor Wijsbegeerte een werk van algemeenen aard , 
waarin evengoed over muziek als over zedekunde geschreven 
kan worden, en evengoed over geschiedenis als over politiek 
en wiskunde — zoo slechts het onderwerp wijsgeerig zij 
opgevat en doordacht. Juist de kultuurtaak der Wijsbegeerte 
is haar voornaamste opgaaf; juist de opvoeding van het 
intellekt tot zijn volheid en het overwinnen van de een- 
zijdigheden ; de overwinning dus ook van de eenzijdigheden 
der levensbeschouwing; de verkondiging ook van een volle 
en harmonieuse levensleer — ziedaar wat in het program 
van wijsgeerigen arbeid is voorgeschreven. Het wijsgeerig 
Tijdschrift is in zijn voorstanders zich van de kultuurtaak 
der wijsbegeerte bewust. 

Daar nu de verschijning van dit Tijdschrift, en zijne 
levensvatbaarheid uit de kracht eener Wijsgeerige Beweging 
volgt, richt zich bij de oprichting onze aandacht als vanzelf 
tot haar. Wat beteekent een zoo groote vermeerdering van 
wijsgeerige belangstelling, dat de oprichting van een Tijd- 
schrift noodig wordt? Wie gewoon is de tijden engelegen- 



IN NEDERLAND. 3 

heden te beschouwen, mag aan deze stille gebeurtenis ook 
wel eenige aandacht wijden en zich rekenschap geven van 
krachten, die werkzaam zijn in de tegenwoordige geestes- 
beschaving. Vóór eenige decenniën heette het, dat de 
filosofie had afgedaan, en niemand geloofde meer aan haar 
toekomst, dan haar weinige adepten. De herleving eener 
wijsgeerige belangstelling is een niet te miskennen teeken 
in, de moderne kuituur. 

Voorzeker blijkt hier de herleving van het beschouwelijk 
temperament. Dit is een faktor, rijkelijk werkzaam in de 
Middeleeuwen, zoodat de beschouwelijke mensch als een 
der typeerende figuren van dat tijdvak meetelt — maar in 
de nieuwere geschiedenis en inzonderheid in de beschavings- 
periode, die wij globaal als „de negentiende eeuw" aan- 
duiden, een verschijning, die achter de groote stroomingen 
in het verborgen treedt. 

Hoe nu het beschouwelijk temperament door onzen tijd 
wordt te voorschijn geroepen , d.i. hoe eene wijsgeerige 
beweging in dezen tijd en in dit land samenhangt met de 
geschiedenis der geestes-beschaving in het algemeen — 
ziehier een onderwerp, waarover wij thans gaarne eenige 
gedachten ten beste geven. Deze samenhang kan slechts in 
het breede uitgelegd, daar ook de geheele kuituur zich 
langs breede lijnen, voortbeweegt. Hare logika bestaat in 
een breed en algemeen historisch plan. 

IL 

De richting der negentiend' eeuwsche energie is naar het 
konkreet-voorstelbare , d.w.z. dat de hoofdzakelijke aandacht 
der beschaafde menschheid in dit tijdperk zich minder tot 
de spekulatieve vraagstukken en de niet op ervaring be- 
rustende ideeën gekeerd heeft, dan tot de praktijk des levens 



4 EEN WIJSQEERIGE BEWEGING 

en der maatschappij, en de kennis der natuur. Deze fase van 
bloei in de geschiedenis der wereld onderscheidt zich van 
vroegere tijdperken door dien nadrukkelijken toeleg op het 
konkrete en verdeelde, het bizondere en veelvormige, d. i. 
op de menigvuldigheid der verschijning, waarachter de diep- 
zinnige waarheid van het Eene en Algemeene schuil ging. De 
voortgezette verdeeling van den arbeid en van allen arbeid; 
de onnoembaar vermeerderde produktie van voorwerpen voor 
nutsgebruik en genot; de volmaking van het industriewezen 
en der verkeersmiddelen — zij zijn de teekenen van dien 
zin tot het konkreet-voorstelbare , die aan de negentiende 
eeuw zijn stempel heeft opgedrukt. De moderne tijd is 
recht „dieszeitig" en ontvlucht het Eeuwige als een onbe- 
reikbaar Jenseits. Hij vindt zijn taak daarin het aanschijn van 
„deze wereld" naar alle zijden te verkennen. 

Wijsgeerig gezien is dergelijke richting in de historie een 
der twee mogelijke richtingen, waarin de geest des men- 
schen, die tevens de geest der menschheid is, zich beweegt. 
Daar zijn het Geheel en het gedeelde, de oorspronkelijke 
(konkrete) Algemeenheid en het bizondere, de Grond en de 
verschijning. De werkelijkheid is tweezijdig. Zoozeer nu als 
het konkreet-voorstelbare aan haar eene zijde ligt, zoozeer 
ligt het Oneindige aan de andere; het eindige is de buiten-, 
het Oneindige de binnenzijde der werkelijkheid, en met elke 
eindige en bepaalde, afgebakende voorstelling is tegelijk 
de waarheid van het Oneindige aangeroepen. 

Ziehier dus twee polen voor de heenbeweging des geestes; 
en afwisselend is de aandacht meer den eenen en meer den 
anderen kant heen gekeerd. Het middeleeuwsch geestesleven 
richt zich op het Geheel , dat in het beeld der kerk-organisatie 
als in levenden lijve voor oogen staat, en eiken bewusten 
mensch, zoowel arbeider als denker, steunend nabij is in zijn 
werk. Vandaar het grootsch karakter, het geestelijk-eigenaar- 



* IN NEDERLAND. 5 

dige, het grootere dan zichzelf, de hoogere toewijding, waar- 
aan de werken uit die kultuur-periode aanstonds herkenbaar 
zijn. Een tooneel, dat in drie verdiepingen den geheelen kosmos 
beduidt; een kosmologie die het heelal begrijpt; een wijs- 
begeerte die theologie is; een schilderkunst die tegelijk 
aardsch is en bovenaardsch ; een bouwkunst, die het infernale 
en het hemelsche in de konceptie van eenzelfde kathedraal 
samenvat.... altemaal teekenen eener geestesrichting, die, 
hoezeer ook bij tijden op het bizondere verliefd, toch 
bovenal naar de idee des Geheels zich uitstrekt. 

De negentiende eeuw echter heeft zich op het verdeelde 
en bizondere geworpen en noemde deze voorliefde den 
hartstocht der werkelijkheid , welke naam aan zijn onjuist- 
heid zijn groote zeggingskracht ontleent. Want bedoelend 
dat het zwaartepunt van de aandacht verplaatst was naar 
het voorstelbare en konkrete, gaf men hieraan tegelijk dien 
titel van opperste waardij , die slechts toekomt aan het 
geheel. Hetgeen slechts verschijning is, te houden voor 
de werkelijkheid, wil zeggen dat het wezen zonder welke 
geen verschijning bestaat, het geheel, de waarheid zelve, 
is uit het gezicht geraakt. En daar is van louter eenzijdig- 
heid het denken in een blinde steeg gekomen , waaruit het 
slechts door terugkeer kan worden verlost. 

De richting naar het voorstelbare, gelijk de negentiende 
eeuw kenmerkt, is niets anders dan de geest der nieuwe 
geschiedenis zelf, die reeds in de zestiende en zeventiende 
eeuw zijn eerste periode heeft doorleefd, en toen een be- 
lofte heeft uitgesproken , die drie eeuwen later werd ver- 
vuld. Die geest heeft zijn werking wel vermeerderd maar 
niet gewijzigd. Wat Baco heeft gedekreteerd voor het 
onderzoek der natuur is door Darwin beaamd als de 
methode, langs welke zijn resultaten verkregen zijn; de 
gedachte van het mechanisme, vooral door Cartesius aan- 



6 EEN WIJSGEERIGE BEWEGING 

gewezen , sluit het program in der gelieele latere fysika. 
Het filologisch werk, gelijk het door Erasmus is opgezet 
en ingeleid, is de aanwijzing geweest van een weg, nog 
door de filologie van laatsten tijd betreden ... de eenheid 
dier twee perioden is klaarblijkelijk; het is niet slechts 
overeenstemming maar eenzelfde geest, die in beide heerscht. 
En dit blijkt ook hieruit, dat beide eenzelfde surrogaat vin- 
den voor de vervallen intellekts-aandaclit des geheels: dit 
surrogaat is de methode. Van nu af is naast den arbeid, 
die aandacht vraagt voor het bepaalde, een aandacht ge- 
geven aan de methode van den arbeid; niet slechts de 
natuur wordt onderzocht, maar ook de methode van natuur- 
onderzoek vastgesteld. De methode van psychologie of gods- 
dienstwetenschap brengt evenveel pennen in beweging als deze 
wetenschap zelve; bij de geschiedschrijving, het onderzoek 
der klassieke geschriften — overal is de vraag der methode 
aan de orde. De „Vorfragen" zijn in eer. Het gezichtspunt 
der methode bewijst een aandacht van den geest voor zijn 
eigen werk; in het verlengde hiervan ligt een nieuwe baan 
tot de oorspronkelijke algemeenheid open! maar uit eigen 
beweging blijft deze weg onbegaan. Het is om het voorstel- 
baar-konkrete te doen. 

Heeft nu de negentiende eeuw de lijnen van vroeger tijd- 
vak doorgetrokken, is er éénheid van geest met die vroegere 
periode — het neemt niet weg dat een groot onderscheid 
bestaat in de voldoening welke de geest van zijn arbeid 
ondervindt. In de zestiende en zeventiende eeuw was er nog 
iets anders dan de methode als surrogaat voor de verleden 
aandacht des Geheels; er was: de kerkelijke belijdenis. En 
zoo mocht de frischheid , welke het voorstelbare en tast- 
bare geeft, de frischheid en jeugd van het levende beeld 
een rechte oorzaak zijn van voldoening in den arbeid — de 
kerkelijke belijdenis immers vulde het ontbrekende aan ; men 



IN NEDERLAND. 7 

voelde zich niet aan de sfeer des Geheels ontvallen ; er was 
niets groots losgelaten. Zoozeer was de kerkelijke religie 
een algemeene geboortegift, dat men niet besefte naar welke 
eenzijdigheid het wetenschappelijk intellekt zich heen be- 
woog. De beteekenis van dezen kultuurfaktor onderschatte 
men niet! 

Het konflikt tusschen den geest der nieuwe historie en 
de kerkelijke belijdenis heeft eerst in de negentiende eeuw 
de gemoederen verontrust. De achttiende speelde zelfvoldaan 
met deze ontdekking en achtte haar eigen kleinheid groot 
genoeg als surrogaat voor het verlorene. In de achttiende 
eeuw werd tevens de gevoeligheid geboren, die later de 
gemoederen te meer zou vatbaar maken voor de pijn der 
tegenstrijdigheden en der geestelijke ontberingen. Wij allen 
zijn nazaten van Rousseau en zoo wij de onrust niet ken- 
den, wij zouden sinds lang met achttiende-eeuwsch zelf- 
behagen in de eenzijdigheid van onideale meeningen hebben 
berust, en er ware in ons geen hartstocht der (ware) wer- 
kelijkheid. 

Maar het konflikt moest uitbreken , daar de kerkelijke be- 
lijdenis in haar wezen gebleven was vóór-Kopernikaansch. 
Het Calvinisme dat, verhard of verzacht, de kerkelijke 
levensopvatting in de negentiende eeuw in hoofdzaak is 
blijven beheerschen — het Calvinisme is, bij al zijn ver- 
schilpunten met de middeleeuwsche theologie, geen wezen- 
lijke verandering van zienswijs geweest. Voor deze opvatting 
geldt het hoogere leven mét zijn zedelijkheid , schoonheids- 
zin en godsdienst, niet als de uitwerking eener geestelijke 
wet, die in alle bewustwording heerscht; niet als een 
universeel principe, dat zich ontplooit, overal waar het leven 
tot zekere hoogten komt, hetzij in dezen uithoek van het 
heelal, hetzij in dien — maar voor de kerkelijke belijdenis 
is het geestelijke leven een produkt van bepaalde hande- 



8 EEN WIJSGEERIQE BEWEGING 

lingen , besluiten, instellingen Gods, in rechtstreeksch verband 
met voorvallen van de geschiedenis der menschenwereld. 
De geschiedenis der menschenv^ereld geldt er als terrein 
van een goddelijk arbeidsplan; de kerkelijke belijdenis is 
niet ideëel maar historisch van inhoud; de historie is ver- 
bonden aan de aarde als haar fundament. Bij gevolg geeft het 
„positieve Christendom" den blik op een kosmos, die slechts 
aan het vóór-Kopernikaansch bewustzijn kan voldoen, vóórdat 
de geschiedenis der menschenwereld uit het middelpunt 
des heelals verschoven werd. Het is niet een fout van 
natuurwetenschappelijken, maar van spekulatieven aard, 
daar „het Geheel", dat is de werkelijkheid, waarom het te 
doen is, in de kerkelijke belijdenis wordt opgevat als een 
empirisch heelal, in middeleeuwsche uitgave, in plaats 
daarvan dat het Geheel begrepen wordt als de Idee. 

t 

Is nu de behoefte des Geheels onvoldaan , en wordt de 
mensch slechts met het gedeelde, voorstelbare en bepaalde 
gevoed , dan is hij , bij de ontoereikendheid van de kerke- 
lijke belijdenis, aangewezen op de scepsis. Ziehier het 
noodzakelijk nevenstuk naast den exakten geest, en waar- 
door de mensch zijn bewijs levert, dat hij uit het Geheel 
is geboren en tot het Geheel bestemd. Ziedaar de laatste 
ademhaling van den drang naar het Oneindige of — de 
hernieuwde aanspraak der Idee op hare eerbiediging? 
Inderdaad de scepsis is een melancholie naar de hoogste 
kennis, het voltooide denken; een bewijs van den geestes- 
adel. Zij komt niet voor bij Papoea's of in het dierenrijk , noch 
bij de zelfgenoegzame Aufklarung, of bij een prompte ont- 
kenning onzer hoogste goederen. Zij bestaat slechts daar, 
waar een mensch de idee des Geheels erkent al wijst hij 
haar af. 

De scepsis is de natuurlijke geestelijke gezindheid der 



IN NEDERLAND. 9 

negentiende eeuw. In vorige eeuwen is zij meer agnosticisme — 
tenzij bii Pascal. In hetgeen wij noemden den geest der 
nieuwe geschiedenis, past dit nevenstuk naast de aandacht 
voor het iconkrete. De energie, op het voorstelbare losge- 
laten, staat voor een ledig, niet aan het einde slechts van 
het onderzoek dat nooit ten einde is — maar bij elke 
groote triomf, bij elk keerpunt, bij elke aanleiding tot 
zelfbezinning, bij elk inzicht dat de studie der methode 
slechts een geringe vergoeding is voor de verloren erken- 
ning des Geheels. Het is de klacht van Faust , en van den 
modernen mensch. Het is de aantrekking der Idee, die in 
dezen zielestaat op nieuw de onvoldanen tot zich noodt. 

De drang tot een wereld- en levensbeschouwing uit cen- 
trale gedachte, deze drang, die in de middeleeuwen het 
groote wereldbeeld schiep , dat voor den nieuweren tijd on- 
toereikend bleek, en van lieverlede door de nieuwe ge- 
schiedenis werd verduisterd — deze drang is de aktiviteit 
onzes geestes en van den geest zelf, en hij is grond 
dat bij de vordering van het konkrete streven de mensche- 
lijke aandacht zich weer heen gaat wenden tot de idee des 
Geheels. Juist in de nieuwe geschiedenis staan eenlingen 
als Spinoza en scholen als het Duitsch idealisme als de 
bewaarders eener hooge traditie; in verband met en tegen- 
over den geest van het tijdperk, voegen zij hun wijsgeerige 
leeren in een keten van samenhang, die in geen historie 
wordt stuk gebroken. 

III. 

Het schijnt mij of de hier getrokken hoofdlijnen haar 
zuiverste figuur vertoonen in de geschiedenis der geestes- 
beschaving van ons eigen geboorteland. Zoo ergens de 
richting der energie naar het konkrete uitgegaan is, dan in 



10 EEN WIJSGEERIGE BEWEGING 

Nederland ! Men behoeft de koppen der schutters en regenten 
op onze zeventiende-eeuwsche schilderstukken er maar op 
aan te zien (en te vergelijken met de portretkoppen bijv. 
van Velazquez) om te vleten met wie men heeft te doen. 
Deze lieden zijn betere geuzen, diplomaten en handelslui, 
dan dat ze idealisten zijn; ja geuzen vooral; hun kloek 
beraad gaat met vastheid van wil te zaam en zij vinden 
hun werk in het redderen van een ontredderden staat van 
zaken , en daarna in een materieele energie , die zich niet 
zeer om gemoedsbezwaren bekreunt. Hun blik is ruim — 
maar hun geest beperkt. Dit is het bloed waaruit wij ge- 
sproten zijn. Sinds dien bloeiden de natuurwetenschappen , 
de rechtsgeleerdheid en de klassieke filologie, maar niet 
de wijsbegeerte. Zoo ergens dan was ook in deze landen de 
kerkelijke belijdenis de aanvulling van het te kort, dat de 
exakt-wetenschappelijke en praktische zin overlaat. Zoo 
ergens dan is ook in Nederland een oppositie tegen deze 
gevoerd en de scepsis, als geestelijke gemoedstoon der 
negentiende eeuw, zij is niet het minst gehoord in de 
Nederlandsche Litteratuur. 

Zoo er nu een wijsgeerige beweging in Nederland is 
aangevangen, dan heeft dit verschijnsel geen andere ver- 
klaring noodig dan de logika der kultuur-geschiedenis 
zelve, gelijk wij haar poogden te schetsen. Toch is een 
Nederlandsche wijsgeerige beweging weer iets van eigen 
karakter. Tegelijk met het internationale, dat de moderne 
bewustheid kenmerkt, en dat aan alle denkers eigen is — 
daar hier het menschelijke het vaderlandsche overweegt — 
houdt een wijsgeerige beweging verband met de taal eens 
volks. De taal is een geestelijk land zelf, waarin de geest 
der menschheid een harer algemeene en toch eigen- 
aardige woonplaatsen vindt; en zoo zal nooit een Neder- 



IN NEDERLAND. 11 

landsche wijsbegeerte, zelfs al gaat zij in vreemde school, 
de loutere overname zijn van een Duitsche, Engelsche of 
Fransche op eigen bodem — ook geen vertaald poëem is 
een herhaling van het origineel. 

Een wijsgeerige beweging in Nederland vindt hier boven- 
dien een ander verleden , dan zij in Duitschand of Engeland 
vindt. Het rechtstreeksch verleden der tegenwoordige wijs- 
geerige beweging is de „litteratuur van '80". Dit stempelt 
de tegenwoordige beweging tot een beweging der „jonge- 
ren" — dit woord in ruimsten zin genomen. Ook deze stem- 
peling worde ruim verstaan; want verscheidenen der vóór 
'80 werkende en denkende intellekten zijn deelnemers aan 
de wijsgeerige belangstelling van het heden. Maar dat deze 
belangstelling thans een beweging is, is te danken aan den 
stoot, die van de litteratuur van '80 is uitgegaan. 

De oudere filosofie was óf een vernieuwde theologie, óf 
zij was het voorname werk van eenlingen. Voor zoover zij 
een kultuurbeweging kon genoemd worden , had zij bepaald 
theologisch karakter. Immers wat hier werkzaam was, is niet 
de metafysische drang, de behoefte aan begrip der ver- 
schijnings-wereld uit de idee des geheels, maar zeer bepaald 
de behoefte om de religie te rechtvaardigen. Deze wijs- 
begeerte (1860) hing samen met de kwestie der moderne 
theologie, ja het waren de moderne theologen zelf, die de 
wijsbegeerte — op nieuw ancilla theologiae — aanwendden 
uit deze zeer zeker nobele, maar toch in haar apartheid 
onwijsgeerige bedoeling. De moderne theologie had geen 
wijsgeerige strekking. Zij lichtte de moraal en de wijsbe- 
geerte van den godsdienst uit het kader des geheels en 
beschouwde die twee als zelfstandige vakken van onderwijs 
en van overweging; alsof een botanicus zich op de studie 
der meeldraden toelegde, onbegrepen dat de meeldraad 
geen zin heeft zonder stamper, en zij te zamen slechts 



12 EEN WIJSGEERIGE BEWEGING 

organen zijn in de funktioneering der geheele plant. De 
filosofie der moderne theologie was uiteraard nog meer 
polemisch dan thetisch ; en in het hart der zaak was zij 
niet thetisch maar apologetisch; rechtvaardiging der religie 
tegenover de natuurwetenschap. Hoeveel scherpzinnigheid 
en toewijding aan dezen arbeid ten koste gelegd zij ; hoezeer 
zij de behoefte van een verleden tijd mocht wezen — met de 
onwijsgeerigheid van het tijdvak zelf is ook haar wijsgeerig 
karakter geoordeeld. Zij is geen wijsbegeerte maar theologie 
en derhalve deelt zij in het kultuur-plan als een nieuwere 
voortzetting van de kerkelijke belijdenis. Zij zelve zou geen 
wijsgeerige beweging te voorschijn roepen. Zij heeft den 
natuurwetenschappelijken, naar het voorstelbare gerichten 
geest der nieuwe geschiedenis slechts ondervonden als het 
bestrijdbaar tegendeel, maar niet als haar eigen negatieve 
praemisse, die uit kracht der onvoldoendheid de aandacht 
voor het Geheel , den geest der wijsbegeerte, wakker roept. 
Zij heeft niet de scepsis achter zich. Ook personen als van 
Vloten die haar het felst tegenstonden, behoorden in haar 
kader en werden in hun tegenstand nog niet uit wijsgeerigen 
zin gedreven! Kon van Vloten als type gelden van een 
andere fraktie van het negentiende-eeuwsche Nederlandsch 
intellekt: zoo was hij een theoloog in omgekeerden zin, een 
tegenstander der theologie, wiens denken dus door dezelfde 
anti-these werd bepaald; geen wijsgeer, maar die wapenen 
leende uit het wijsgeerig arsenaal van Spinoza, om den 
strijd tegen de theologie te voeren. Te zelfstandige persoon- 
lijkheid om Multatuliaan te wezen met de Dageraders, 
wendde hij het Spinozisme in polemisch gebruik, tegen het 
religieus bewustzijn zijner tijdgenooten aan. 

Slechts stonden in het verleden dier theologische beweging 
twee mannen, die men het meest voor de Nederlandsche 
wijsgeeren houdt: Opzoomer en Scholten. Van Scholten 



!N NEDERLAND. 13 

ZOU zeker grootere opwekking tot een wijsgeerig leven zijn 
uitgegaan, zoo zijn tijd hem vergund had het theologische 
kamp te verlaten, want hij was er de man voor; en zoo 
het lot de zaken wat anders had geregeld, zouden hij en 
Martinus des Amorie van der Hoeven de heroën geweest 
zijn eener Nederlandsche filosofie in de negentiende eeuw. 

Maar Opzoomers getemperd empirisme en zijn leer der 
kenbronnen voor de oudere wijsbegeerte in Nederland te 
houden; zelfstandige wijsbegeerte; datgene wat het Neder- 
landsch intellekt praesteerde in spekulatieve overweging, 
zoo deze niet aan het theologische vraagstuk werd opge- 
offerd .... Opzoomer als de hoofdfiguur eener Nederlandsche 
filosofie ; is het geen bewijs dat in ons geboorteland te voren 
nog geen wijsgeerlge beweging is geweest? 

Voorbereiders eener wijsgeerige beweging waren die 
weinigen , die , een jongere generatie dan Opzoomer zijnde , 
met of zonder universitairen leerstoel , de stem der wijs- 
begeerte vermochten wakker te houden, terwijl de tijd aan 
hun belangen ongunstig was gezind. Maar voor zoover zij geen 
arbeidsveld buiten het wijsgeerig leven zochten, werkten 
zij voor beperkten kring. Hun beteekenis ligt inde houding , 
die zij in het vraagstuk der kennis aannamen. Een eigen- 
lijke metafysika werd door hen nóch ontwikkeld nóch 
voorgestaan ; exakte wetenschap en historie hadden de vesting 
van het intellekt voor zich alleen en waren weinig bereid 
de poorten voor den metafysikus te ontsluiten; maar de 
eenige plaats waar zij inneembaar was, was juist het punt 
der kennis-leer. Vandaar was de kwestie tusschen apriorisme 
en empirisme het vraagstuk bij uitnemendheid, waarover 
toen werd gefilosofeerd. Aan de nieuwe metafysika , die geen 
begrippenspel, geen blinde idiologie wil zijn, moet Kant 
voorafgaan. Hij is de wegbereider van het ware metafysisch 
denken onzes tijds. Zoo was het Kantiaansche vraagstuk, 



14 EEN WIJSGEERIGE BEWEGING 

in het Nederlandsch denken overgebracht, de wegbereider 
van de metafysische belangstelling. 

Maar een wijsgeerige beweging zou niet hierna gevolgd 
zijn, zoo daar niet geweest ware de litteratuur van '80. 
Want door deze werd in het breede een intellektueele be- 
hoefte wakker, die niet door de exakte wetenschap werd 
voldaan. Zoo kon voor de wijsbegeerte ontstaan een terrein 
voor algemeener belangstelling dan der enkelen. Het lag 
bovendien in den aard der beweging van '80, dat uit haar 
een wijsgeerige behoefte ontwaakte. Immers zij was niet 
maar een aktie tot voortbrengst van litteraire werken, doch 
veeleer een kultuurbeweging, in welke zulke werken werden 
voortgebracht. De uiting was hoofdzakelijk bellettristisch , 
maar de uiting is het wezen niet. De nieuwe litteratuur 
bracht een nieuwen faktor in de geestelijke beschaving aan , 
n.1. de hartstocht der Taal. Zooals de oudere schrijvers een 
moraal, een geloof, een roeping en een godsdienst hadden, 
en bovendien schrijvers waren, zoo had de nieuwe littera- 
tuur geen moraal noch godsdienst dan den hartstocht der Taal. 
De Taal te hebben was een geloof; de eigen verbeeldings- 
waarde en het muzikaal karakter der Taal te kweeken , was 
een roeping. Het Woord was niet maar als een ongevoelde 
klank, en uitdrukkingsmiddel ten bate van voorstelling en 
begrip , doch een vrije Macht. Deze vrije vaan des Woords, 
door haar gevoerd, was aanwijzing dat zich een kuituur 
toebereidde — die breeder gebied zou omvatten dan roman 
en vers. Zoo kon de litteratuur van '80 voor het intellekt een 
aansporing zijn, die ook de wijsbegeerte ten goede kwam. 

Al scheen dus de litteratuur van '80 aanvankelijk niet in 
de richting eener wijsbegeerte heen te wijzen — zij droeg 
toch die noodzaak in zich , doordat de vrije beweging der Taal 
haar leuze was; want terwijl zij geen ethisch, maatschap- 



IN NEDERLAND. 15 

pelijk, noch politiek ideaal stelde, waaraan zij zich onder- 
schikte, en geen eisch stelde noch program, dan die in de 
Taal zelve lagen opgesloten, kon hier waarlijk de subjekti- 
viteit des kunstenaars recht aan het woord komen. Zoo 
kreeg de vrijheid van den zelfbewusten mensch haar be- 
hoorlijk recht tegenover de uitwendige wetmatigheid der 
wetenschap. Het Zolaisme en het dichterlijke voorbeeld 
van Shelley beduidden voor deze kunstbeweging hetzelfde : 
de vrijmacht des geestes door het Woord , om de objektieve 
natuur tot droom te verwazen of in passie te verteren , of 
in liefde te vergeestelijken. De kunstzinnige mensch mocht 
door de Taal over alles beschikken. Het gevoelig tempe- 
rament mocht gaan zoover de Taal vergunt. 

Maar nu zou blijken waarheen de Taal drong. Want Öe 
macht, die zij geeft over de stof, noodigt tot wijsgeerige 
bezinning. Taal en denken zijn tweelingsuitingen des gees- 
tes; en een kuituur, die de vrije beweging des woords 
tot leus heeft, kan wel beginnen bij het zinnelijke woord 
maar moet eindigen bij het geestelijke. De Taal heeft een 
voorstellings- en een muzikale wereld in zich , maar ook 
een begripswereld; want deze laatste is te gelijk met de 
taal zelve uit den aard der menschelijke subjektiviteit (den 
geest zelf) voortgevloeid. De Taal te verheerlijken is evenzeer 
een beschouwelijke als een hartstochtelijke liefde. Ja veeleer 
een beschouwelijke; zoodat gelijk te voren in Shelley's werk, 
evenzeer in de litteratuur van '80 een beschouwelijke neiging 
aan het poëtisch woord eigen was en al eigener werd. Lag 
hier geen aanwijzing tot de wijsbegeerte? en lag zij dan niet 
in het wezen dezer litteratuur? En dat de litteratuur van 
'80 haar terrein verbreeden en de grenzen der litteratuur 
overschrijden móest (waaruit blijkt dat zij inderdaad een 
kultuur-beweging en niet slechts een litteraire school was) 
volgde uit haar opzet, die voor haar litteratuur te groot 



16 EEN WIJSGEERIGE BEWEGING 

was. Want terwijl de leiders een hervorming van het 
Nederlandsche geestes-leven in vooruitzicht stelden , was hun 
litteratuur overwegend lyrisch. En alleen een dramatische 
letterkunde heeft de breedheid die een kuituur omvat. Zoo 
kon dan de beweging van '80, voor zoover zij litteratuur 
was, haar voornemens niet vervullen en werd juist in dezen 
kring de nood gevoeld om de litteraire inspiratie te voeden 
door aan het leven een breeder inhoud te geven, gelijk 
bleek in die leiders, die hun arbeid verlegden naar het 
terrein der maatschappelijke hervorming. 

Zoo wees dan deze litteratuur naar verbreeding; en zoo 
oneigenlijk als de maatschappelijke werkzaamheid in 't ver- 
lengde ligt eener litteraire beweging, zoo eigenlijk kan een 
wijsgeerige aktie als verbreeding daarvan gelden; te meer 
nu deze litteratuur zich al meer uit het passioneele naar 
het beschouwelijke boog, en deze neiging bewees door het 
formuleeren van kunstbegrip ; weldra ook doordat zij aan- 
leiding nam tot levensleer. 

De litteratuur van 80 gaf te meer aanleiding tot een 
wijsgeerige beweging, daar zij uit haar tijd was geboren. 
De oudere litteratuur, voor zoover zij zich vooraan stelde in 
den Nederlandschen schoonheidszin, stamde uit Bilderdijk, en 
stond dus tegenover den „geest der eeuw", en veeleer in 
het teeken der oppositie dan der verheerlijking van de vi- 
geerende kuituur. De litteratuur van '80 stamt niet uit Bilder- 
dijk, maar uit den geest der nieuwere geschiedenis zelf. 
Deze afstamming bewees zij eensdeels door haar negatieve 
houding tegen hetgeen wij noemden „de kerkelijke belijdenis" 
anderdeels door sceptische en pessimistische gezindheden. 
Zij gevoelde de eenzijdigheid van den geest der nieuwere 
geschiedenis als een ontbering, een gemis, als de ver- 
woesting van iets schoons (Helene Swarth's Sonnetten waren 
de zuivere spiegel van dit gevoelen). Zij zocht de over- 



IN NEDERLAND. 17 

winning onzer eenzijdigheid in het recht der subjektiviteit 
tegenover wet en regel. Een synthese werd niet gevonden 
een begrip niet gesteld, waarin wetenschap, moraliteit, 
samenleving, kunst, religie gelijkelijk recht verkregen en 
tevens als takken van één levensboom waren vereenigd. 
De litteratuur van '80 maakte door deze eenzijdigheid eene 
voortbeweging in de richting der wijsbegeerte noodig. Het 
intellekt, dat zijn vrijheid verkrijgt tegenover het speciaal 
onderzoek der natuur-wetenschappelijke methode , streeft de 
eenzijdigheid te overwinnen en vindt de alzijdigheid van het 
begrip, of: het wetenschappelijk begrip voorbijstrevend , 
vindt het de wijsgeerige idee. De geest der nieuwe geschie- 
denis zelve kwam in de litteratuur van '80 met den eisch 
eener verruiming des intellekts, die op wijsbegeerte wees. 
Is nu de wijsgeerige beweging als /?eiveo-//2^ voortgekomen 
uit de litteraire, een vertakking van deze — dan beteekent 
dit niet dat de wijsbegeerte de plaats der schoone letteren 
wil innemen, maar dat zij ook kunst is en wil zijn. Kunst- 
zinnigheid is, in tegenstelling met oudere filosofie, der jongere 
eigen. Het Duitsch idealisme, dat in verscheidene opzichten 
het model is, waarnaar een tegenwoordige wijsgeerige be- 
weging zich richt — het Duitsch idealisme heeft sterk den 
band gevoeld die tusschen kunst en wijsbegeerte bestaat. 
Dit bewustzijn des verbands bestaat ook nu. De wijsbegeerte 
is een intellektueele kunst, de kunst des intellekts bij 
uitnemendheid. 

De tijdvakken der geschiedenis zijn slechts in betrekke- 
lijken zin van elkaar gescheiden; zooals de Alpenketen 
Germaansch en Romaansch land uiteenlegt, doch geen 
wezenlijke scheiding is voor wie hem overstijgt — zoo ook 
is de geest der geschiedenis, die in het midden-eeuwsch 
Europa de aandacht richtte op de idee des Geheels, niet 

2 



18 EEN WIJSGEERIGE BEWEGING 

wezenlijk gescheiden van den geest, die in de nieuwe ge- 
schiedenis zich op de koni<reet-voorstelbare wereld wierp. 
Het is dezelfde geest in twee fazen; vandaar dat hij uit 
zijn laatste voorliefde tot zijn eerste wederkeert, niet terug- 
gaand doch voorwaarts. Zoo herinnert na langen tijd van 
nieuwen arbeid, de mensch zich een vorig tijdperk, en 
wendt de hoofdwaarde van dit herinnerd verleden aan , 
opnieuw, om de toekomst schooner te maken en beter. 

IV. 

Wat nu aangaat het karakter eener huidige wijsgeerige 
beweging: hetgeen wij in het prospektus omtrent dit Tijd- 
schrift bepaalden, geldt ook voor de wijsgeerige beweging 
in het algemeen: „het is de bedoeling niet van redaktie 
en medewerkers om in een gesloten falanx voor een be- 
paalde wijsbegeerte te strijden; zij zelven zijn bij alle 
waardeering voor eikaars werk en standpunt van verscheiden 
wijsgeerige gezindheid. Moge een school-tijdschrift zijn be- 
koring hebben voor een besloten kring, hetzij van Spinozisten , 
Kantianen of Hegelaars — wat wij meenden te moeten 
stichten, en waaraan wij levensvatbaarheid toekenden, is: 
een vrije tribune voor het wijsgeerig woord." 

Zoo mogen in de beweging ook bepaalde voorliefden 
werkzaam zijn, de beweging zelve kan echter nóch als be- 
paald Spinozistisch , nóch als bepaald Kantiaansch of Hege- 
liaansch gestempeld worden. Zij is de beweging om een in- 
tellektueelen geestes-inhoud. Men bedenke dat noch Spinoza- 
Kant, noch Kant-Hegel, noch Hegel-Spinoza voornamelijk 
een tegenstelling vormen. Hoezeer het de lust geweest is 
en blijft der filosofie-verachters, om de meeningen van 
verschillende wijsgeeren (die vaak meer tegengesteld klin- 
ken dan zijn) met elkaar in tegenspraak te zetten , er is toch 
een verwantschap aller metafysika; en waarschijnlijk beslist 



h 



IN NEDERLAND. 19 

persoonlijk temperament over de kleur-wijziging in het 
metafysisch denken der wijsgeerige belangstellers. 

Zoo éen grondtrek het karakter der wijsgeerige beweging 
in haar geheel en het streven der afzonderlijke personen, 
die in haar medewerken, kenmerkt, dan is het: de erken- 
ning van de werkelijkheid der Idee. Wij leven nog in het 
tijdperk van de heerschappij der natuurwetenschap. De 
„natuurwetenschappelijk geschoolde mensch" kent aan zich 
zelven toe een eerstgeboorterecht in het huisgezin des in- 
tellekts, daar hij gaarne naar zijn regelen en wetten alle 
anderen dwingen zou. Voor deze eenzijdigheid wil de wijs- 
begeerte in de plaats stellen: de centrale beteekenis der 
Idee. De natuurwetenschap heeft zich haar eereplaats ver- 
worven niet door logisch recht, maar door succes. Zoowel 
de toepasbaarheid harer uitkomsten voor de maatschappe- 
lijke welvaart als de voorspoedigheid van hare proefnemingen 
en de veelheid harer ontdekkingen, hebben haar in de 
negentiende eeuw een ongeëvenaard aanzien verstrekt. 
Maar het utilisme slechts kan hierin grond vinden voor zoo 
hooge waardeering. Het is de vraag of de natuurweten- 
schappelijke methode tot waarheid of si echts tot juistheid leidt. 
Het laatste is het geval. De natuurwetenschap is in breed- 

I verstanen, maar ook meest eigenlijken zin niet een theo- 
retische, doch een praktische studie. Breedverstaan — 
d, w. z. het behoeft geen praktisch resultaat te zijn waarom 
zij ondernomen wordt door een beoefenaar; de behoefte 
aan kennis is ook hier de groote drijfveer; maar op den 
bodem van deze ligt de behoefte om de menschelijke levens- 

l konditiën te verruimen en te verbeteren, niet de zuivere 
waarheidsdrang. Stel naast elkaar Spinoza en Huyghens , dan 
is de loutere drang naar waarheid het meest in den eerste 
vertegenwoordigd. Het is dezelfde antithese als tusschen 
verstand e n rede. 



20 ENE WIJSGEERIGE BEWEGING 

De natuur n.1. is de buitenzijde of keerzijde; en het 
denken, de zelfbewustheid, is de binnenzijde, het wezen 
zelf. Zoo is de natuurwetenschap steeds een verkeerde weg 
tot de waarheid; zij begint bij de menigvuldigheid, de 
konkreet-voorstelbare wereld, maar kan niet en bestreeft 
niet deze wereld te verstaan in haar Eenheid. Het Eene is 
de waarheid, en alleen het denken, dat niet het objekt 
tegenover zich, maar zichzélf als objekt denkt, denkt waarheid. 
Het denken heeft den weg der waarheid in zich. De natuur- 
wetenschap — en evenzoo een wetenschap der psychische 
verschijnselen, die zich te kwader ure voor wijsbegeerte 
mocht uitgeven — zoekt de menigvuldigheid te begrijpen 
door generalisatie. In vroeger tijd gold het soortbegrip voor 
verklarende generalisatie (zoo konden deugdhandelingen uit 
de deugdzaamheid , of zekere afscheidingen uit het afschei- 
dingsvermogen verklaard , welke generalisaties dan tot zekeren 
graad van zelfstandigheid als levensgeesten werden vastgezet.) 
Het nieuwere denken in natuurwetenschap vindt de genera- 
lisatie in het wetsbegrip en zoekt opperste wetten als hypo- 
thesen onder de verschijnselwereld te schuiven, uit welker 
gezichtspunt de verschijnselen begrijpbaar zijn. Op die 
wijze zijn de cel-theorie, de atoom-leer, de ether-hypothese 
te waardeeren; niet als benaderingen van waarheid, maar 
als beginselen van verstandelijke samenvatting der objek- 
tieve verschijningswereld. Het is niet bedoeld dat cel, atoom, 
ether het wezen der natuurverschijning zouden zijn. 

Slechts zoo het menschelijk denken beperkt moet worden 
tot sorteering en samenvatting der verschijning onder alge- 
meene gezichtspunten, zou aan de natuurwetenschappen 
de voorrang toekomen. Maar er is een denken van het 
denken mogelijk, en het is niet zonder zin dat Auguste 
Comte deze mogelijkheid heeft geloochend! De wijsbegeerte 
slaat dezen weg voor als weg der waarheid en meent 



IN NEDERLAND. 21 

dat haar methode een algemeenheid heeft, op grond waar- 
van de wetenschappelijke methode eerst mogelijk en begrijpelijk 
wordt. De natuurwetenschap werkt met de algemeenheid, 
maar begrijpt haar niet; zij veronderstelt oorzaak-begrip , wets- 
begrip als haar werktuigen en wendt deze werktuigen aan. 
Het zijn haar arbeidsmiddelen — die zij niet heeft uitge- 
vonden. Het bizondere (de verschijning) „verklaart" zij er 
mee, maar de arbeidsmiddelen, het algemeene zelf, ligt 
voor haar onverklaard. Is zij niet deswege gedwongen 
een „hoogere wetenschap" te erkennen, uit welke haar de 
arbeidsmiddelen zijn aangereikt? De algemeenheid (oorzaak- 
begrip enz.) ligt in de organisatie des denkenden geestes 
zelf vervat. De geest wiens denken tot zichzelf uitgaat, 
ziet daar de beginselen en kategorieën van het denken gelegerd, 
ziet ook hoe de natuurwetenschap een deel is der taak , 
welke de denkende geest uit kracht des denkens zelf zich stelt. 
De natuurwetenschap mag een toren zijn, van waaruit de 
vlakte der verschijningswereld wordt overzien — de wijs- 
begeerte is een berg, die heenziet over de torens. De na- 
tuurwetenschappelijk geschoolde mensch mag een voor- 
treffelijk werkman zijn, wiens arbeidsprodukten den lof van 
eiken beschouwer verdienen — de metafyzikus is de be- 
reider van het werktuig, dat van zijnentwege wordt ingericht 
tot het werk van den naturalist. 

•Of — hier zijn geen twee personen tegen elkaar verdeeld 
doch veeleer is de metafysika een notie, welke in den 
fysikus zelf als voorwaarde tot zijn eigen werk is vervat. 
Het denken is niet met zichzelf in strijd; het berust in 
diepsten aanleg op een grondplan en wezenlijke harmonie, 
waarvan alle takken van intellektueele verrichting het bewijs 
dragen ; elke tak heeft eigen verrichting, elke arbeid eigen 
taak — in het verband des Geheels. 

Het geheel is de centrale Eenheid. Het denken dat alle 



22 EEN WIJSGEERIGE BEWEGING 

intellektueelen arbeid uit zichzelven schept, is zelf het Ge- 
heel, de centrale Eenheid van al zijn werk; het is: decen- 
trale eenheid der verschijningswereld. En als zoodanig is het 
niet het individueel overpeinzen van dezen Kant of dien 
Aristoteles of gindschen Malebranche, maar het denken zelf 
is de universeele kracht, de Eeuwige Idee die zich denkt. 

En de wijsbegeerte is: het denken der menschen op de 
Idee gericht. 

Zoo blijkt dus dat een wijsgeerige beweging niet moet 
gerekend als een vernieuwde (of verouderde!) belangstelling 
voor sommige intellektueele problemen, die met de meer 
exakte in tegenstelling staan ; maar dat hier een aanleg der 
geestelijke kuituur haar recht zoekt. De geest der menschheid 
is één en dezelfde, al heeft hij in verschillende tijdperken 
verschillend accent; en deze geest is de Idee, de centrale 
eenheid der verschijningen, de grond aller intellektueele ver- 
richtingen, de grond der kuituur; en daarin is de noodwen- 
digheid gelegen eener telkens herhaalde hoogere bezinning, 
nadat een tijdlang de denkende aandacht zich aan de konkreet 
voorstelbare wereld heeft geofferd. In de Idee zelve is de 
toekomst der wijsbegeerte gewaarborgd. 

Een Tijdschrift voor Wijsbegeerte kondigt zich niet met 
groote belofte aan, noch met een verbijsterend werkpro- 
gram gelijk een partij van politieke aktie. Het zoekt geen 
anderen waarborg zijner levensvatbaarheid, dan die bestaat 
in de behoefte, uit welke de oprichting voortkwam. 

Maar evenzeer als de Redaktie door het wijsgeerig karakter 
van het Tijdschrift behoed wordt om haar belang met reklame 
aan de publieke aandacht voor te dragen — evenzeer is 
zij om dezelfde reden behoed voor groote bescheidenheid. 
Het is niet schoorvoetend dat wij dit Tijdschrift en daar- 




IN NEDERLAND. 23 

mede de wijsgeerige beweging voorstaan, alsof deze naast 
en tegenover de geweldige aktie der maatschappelijke en 
politieke praktijk en der natuurwetenschappelijke studie 
nauwelijks een plaats vermocht in te nemen in de tegen- 
woordige kuituur. Integendeel: gelijk wij in deze bladzijden 
overwogen, schijnt ons de wijsgeerige belangstelling een 
onmisbaar element der beschaving toe , en tot welke telkens 
en steeds weer de geest der historie leiden moet. Wij achten 
dus ook een vernieuwde wijsgeerige aandacht geen toevallige 
liefhebberij van sommige ontwikkelden, wellicht opgewekt 
en aangemoedigd door den aandrang van eenige voort- 
strevende mannen. Maar daar de Geest, dat is de Idee, 
grond is der historie , en de Idee zelve naar Vrijheid streeft, 
welke in hoogste instantie hierin bestaat, dat de wereld 
zich van haar bewust wordt — zoo is de bewustwording 
van de Idee, en de erkenning des Geheels en der ware 
Werkelijkheid een noodzaak, die in de historie zelf ligt 
gegeven. 

Het Tijdschrift voor Wijsbegeerte verheugt zich een eisch 
dezes tijds te zijn in Nederland. Zijn Redaktie , verwachtend 
dat de wijsgeerige belangstelling van dezen tijd ernstig zij 
en langdurig, acht deswege haar taak aanvaardbaar en 
schoon. 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME 

DOOR 

Dr. PH. KOHNSTAMM '). 



Dames en Meeren. Zeer gewenschte toehoorders. 

In een van die oogenblikken, waarin Faust's wispelturig- 
heid , zijn gebreid aan energie en standvastigheid ieder ander 
dan zijn iankmoedigen en geduldigen geleider zouden ver- 
leid hebben tot een bits en onvriendelijk antwoord, tracht 
deze hem tot het nemen van een besluit te brengen door 
hem toe te spreken o.a. met de volgende troostwoorden: 

Ihr sehet drein 

Als solltet Ihr in den Hörsaal hinein 
Als stünden grau, leibhaftig vor Euch da 
Physik und Metaphysika. 

Wanneer een zoo grondig menschenkenner als Mephisto- 
pheles klaarblijkelijk van oordeel is, dat ook sterkeren dan 
Faust afgeschrikt zouden worden door de kans op een 
betoog over „Physik und Metaphysika", dan — zoo kan 
het schijnen — mag het niet dan grove ondankbaarheid 
heeten wanneer ik Uwe belangstelling in mij en mijne 
voornemens, die U reeds den drempel van den „Hörsaal" 



1) Rede uitgesproken bij de opening zijner lessen in de Wijsbegeerte aan 
de Universiteit te Amsterdam op Maandag 21 Januari 1907. 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 25 

deed overschrijden , thans nog bovendien vergeld door tot 
U te spreiden over de vereeniging van die beide, over de 
verhouding, waarin natuurwetenschap en wijsbegeerte tot 
elkander staan. Toch heb ik de aarzeling, die ik op dit 
punt voelde, overwonnen en ben ik bij mijn eerste voor- 
nemen gebleven. Laat mij de redenen, waarom, U thans 
uiteenzetten. 

Wij hebben in de laatste jaren uit den mond van hoog- 
leeraren, die hunne intreerede hielden, herhaaldelijk ver- 
nomen ^), dat er ernstige bezwaren bestaan tegen de traditie , 
die den nieuwbenoemden hoogleeraar zijn ambt doet aan- 
vaarden met het uitspreken van een inaugureele oratie. Niet 
aan het begin, maar aan het einde van een hoogleeraars- 
loopbaan past zulk een redevoering — zoo werd betoogd. 
Nu gelden die bezwaren — in hoofdzaak hierop neer- 
komende, dat van den aftredenden hoogleeraar, den veteraan 
in de wetenschap, een rede te verwachten zou zijn rijker 
van inhoud en van ruimer blik getuigende , dan van iemand , 
die eerst het hoogleeraarsambt aanvaardt — natuurlijk in 
zeer veelvoudig versterkte mate wanneer het niet betreft de 
aanvaarding van een hoogleeraarsambt, maar slechts van 
een privaat-docentschap. Maar al zou die overweging zeker 
geschikt zijn mij den mond te snoeren , daartegenover staat 
een omstandigheid, die naar het mij voorkomt voor den 
privaat-docent plicht maakt te doen , wat voor den pas be- 
noemden hoogleeraar slechts de gewoonte meebrengt. Deze 
toch is door de daartoe bevoegde machten geroepen tot 
zijn ambt, hij aanvaardt een taak, die hem is opgedragen, 
dat hij daartoe bereid werd gevonden kan slechts vreugde 
wekken; maar de privaat-docent komt aan den disch der 



1) De hypothesen in de Natuurkunde door Dr. J. D. van der Waals Jr. Gro- 
ningen, Wolters, 1903, p. 3. Het Aesthetische bestanddeel van Geschiedkundige 
Voorstellingen door Dr.J. Huizinga. Haarlem, Tjeenk Willink en Zoon, 1905, p. 5. 



26 TRANSCENDENTEEL IDEALISME, 

Universiteit als een ongenoode gast, slechts „toegelaten" 
is hij tot zijn werkkring, door hemzelf is het initiatief ge- 
nomen , dat dien werkkring hem verschafte. Het kan daarom 
niet meer dan billijk geacht worden, dat hij er rekenschap 
van aflegt, wat hem dreef tot dien stap, waarom hij een 
taak aanvaardt, die niemand van hem begeert. En zeker 
was daartoe de aanleiding voor geen mijner collega's 
privaat-docenten grooter dan voor mij. Niet slechts, omdat 
ik voor zoover het mij bekend is een unicum ben, de eenige 
privaat-docent in de wijsbegeerte in ons land , maar voorname- 
lijk om deze reden. Dat een theoloog privaat-docent wordt in 
de theologische, een jurist in de juridische of een medicus 
in de medische faculteit, is niet een nieuw zelfs niet een 
weinig voorkomend verschijnsel. Maar dat een physicus 
opname vraagt in de literarische faculteit schijnt zoo onge- 
woon, dat menigeen, die ervan hoorde, aan een vergissing 
zal hebben gedacht. Inderdaad, de wetenschappelijke om- 
geving , waarin ik mij voortaan , althans ten deele , zal heb- 
ben te bewegen, verschilt in hooge mate van die, waarin 
ik heb verkeerd sedert ik werd opgenomen in het Album 
studiosorum dezer Universiteit, en wanneer ik in die nieuwe 
omgeving om mij heen zie dan word ik onwillekeurig her- 
innerd aan het slot van den Max Havelaar, aan Multatuli's 
woord van: „de weinige talen, die ik ken, en de vele, die 
ik leeren kan", maar ik zeg het niet met Multatuli's zelf- 
vertrouwen, maar met schrik en beschaamdheid. Meer nog 
dan aan andere privaat-docenten past het mij , een verklaring 
te geven van mijn vrijmoedigheid, een verklaring, die, naar 
ik hoop, tevens een rechtvaardiging zal inhouden. Ik zal dus 
trachten U duidelijk te maken welke de taak is, die ik mij 
voorstel aan deze Universiteit te vervullen; die uiteenzetting 
zal ons uit den aard der zaak voeren tot het onderwerp, 
dat ik in mijn aanhef noemde. 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 27 

Korten tijd na den dood van Spruyt verscheen in het tijd- 
schrift Onze Eeuw een artikel van de hand van Dr. J. D. van der 
Waals Jn ^), waarin deze naar hij ons verklaart: „trachtte 
het werk van Spruyt te karakteriseeren , aan te wijzen in 
welke richting hij in de philosophie is werkzaam geweest, 
om daarna te bespreken , wat wij geneigd zijn te wenschen 
van den man, die geroepen zal zijn zijn werk voort te zet- 
ten." De schrijver voegt er enkele beschouwingen aan toe over 
wat hij meent: „te mogen verwachten van zijn feitelijken op- 
volger Dr. M. A. van Melle, voor zoover wij dit laatste uit zijn 
Inaugureele Rede kunnen opmaken." Die beschouwingen voe- 
ren hem tot de conclusie: „dat van Melle niet werkzaam zal 
zijn in de richting, waarin Spruyt dat was , niet tot stand zal 
brengen wat wij voor een noodzakelijke aanvulling van 
Spruyt's werk houden -)." Ik zal over deze laatste be- 
schouwingen hier niet tot U spreken. Het is ons, helaas, 
niet meer vergund geweest met behulp van latere geschriften 
van van Melle's hand de vraag te beantwoorden of deze 
voorspelling met de werkelijkheid in overeenstemming is 
gebleken , maar wat mondelinge mededeeling en helaas te 
weinig gevestigde persoonlijke indruk ons leert, schijnt er 
op te wijzen, dat dat antwoord beslist ontkennend zou 
moeten luiden. De invloeden in andere richting, die zich 
in de Inaugureele Oratie zeker niet laten miskennen , schijnen 
steeds meer te zijn verzwakt, de nadering tot dat, wat ook 
Spruyt beoogde , steeds grooter te zijn geworden. Het duide- 
lijkst blijkt dit uit wat Prof. van der Wijck ons in zijn af- 
scheidscollege meedeelt, „dat van Melle hem in zijn laat- 
sten brief had verzocht zich in het openbaar uit te spreken 
over het volstrekte gezag van richtsnoeren of normen op 



1) Jaargang 1902 p. 81. 

2) 1. c. p. 107. 



28 TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 

ieder gebied van geestelijk leven." ^) Want — en ook' 
hierin verschil ik eenigermate van Dr. van der Waals — 
het is juist de erkenning van absolute normen, die als de 
quintessens van Spruyt's streven moet worden beschouwd. 
Dr. van der Waals noemt als zoodanig zijn strijd voor de 
erkenning van de activiteit van den menschelijken geest; ik 
zal de laatste zijn om het gewicht van die erkenning te 
verkleinen , maar zij schijnt mij haar waarde te ontleenen 
en dus ondergeschikt te zijn aan het andere inzicht dat ik 
zooeven noemde: het inzicht in het absolute gezag van 
normen. Dat inzicht te blijven verdedigen in den geest, zooals 
Spruyt het aan deze Universiteit heeft verdedigd , beschouw 
ik als het eerste gedeelte van mijn taak, en ik ben er mij 
van bewust, dat ik daarbij blijf op den bodem van de 
wereldbeschouwing, die den meesten en grootsten invloed 
op Spruyt gehad heeft: die van Kant. 

In zijn: Zur Geschichte der Religion und Philosophie in 
Deutschland zegt Heine, na gesproken te hebben van de 
verpletterende kritiek, die Kant gegeven had vanhetWolff- 
sche rationalisme: „ihr meint, wir könnten jetzt nach 
Hause gehn? Bei Leibe! es wird noch ein Stück aufgeführt. 
Nach der Tragödie kommt die Farce. Immanuel Kant hat 
bis hier den unerbittlichen Philosophen traciert, er hat den 
Himmel gestürmt, er hat die ganze Besatzung über die 
Klinge springen lassen , der Oberherr der Welt schwimmt un- 
bewiesen in seinem Blute, es gibt jetzt keine Allbarmher- 
zigkeit mehr, keine Vatergüte, keine jenseitige Belohnung 
fiir diesseitige Enthaltsamkeit, die Unsterblichkeit der Seele 
liegt in den letzten Zügen — das rochelt, das stöhnt — 
und der alte Lampe steht dabei, mit seinem Regenschirm 
unterm Arm, als betrübter Zuschauer, und Angstschweiss 



1) Onze eeuw 1906. afl. 8. 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 29 

und Thranen rinnen ihm vom Gesichte. Da erbarmt sich 
Immanuel Kant und zeigt, dass er nicht bloss ein grosser 
Philosoph, sondern auch ein guter Mensch ist, und er 
überlegt, und halb gutmütig und iiaib ironisch spricht er: 
„Der alte Lampe muss einen Gott haben, sonst i^ann der 
arme Mensch nicht glücklich sein — der Mensch sol! aber 
auf der Welt glücklich sein — das sagt die praktische 
Vernunft — meinetwegen so mag auch die praktische Ver- 
nunft die Existenz Gottes verbiirgen." In Folge dieses Ar- 
gumentes unterscheidetKantzwichen dertheoretischenVernunft 
und der praktischen Vernunft, und mit dieser, wie mit 
einem Zauberstabchen belebte er wieder den Leichnam des 
Deismus, den die theoretische Vernunft getötet." Ik lees 
opzettelijk U deze passage voor, omdat zij U — op veel 
geestiger wijze, dan ik zou vermogen — een beeld kan 
geven van de hoofdzaak van Kant's wijsbegeerte , zij het dan 
ook op andere wijze dan haar schrijver bedoelde. Immers, 
Heine's beschrijving is even onjuist als zij geestig is, en 
Gij behoeft dus slechts alles wat daarin gezegd wordt over 
de verhouding van praktische en theoretische Vernunft 
juist in het tegendeel te verkeeren om een in hoofdzaak 
juist inzicht in die verhouding te verkrijgen. Niet zóó is de 
samenhang, dat om overwegingen buiten het eigenlijk the- 
oretisch , wetenschappelijk denken om , ja zelfs in lijnrechten 
strijd daarmede, door de practische rede allerlei als waar 
wordt aangenomen, en zulks om te voldoen aan zekere 
„behoeften van het hart" of hoe men zulke sentimenteel- 
gevoelige overwegingen zou willen noemen ; neen, dit is de 
nieuwe opvatting van het wezen der wetenschap, die Kant 
heeft gewonnen , dat de wetenschap in haar structuur alleen 
kan worden verstaan, dat haar geldigheid alleen dan kan 
worden ingezien, wanneer men die wetenschap opvat als 
een uiting van het zedelijk- element in den mensch; dat 



30 TRANSCENDENTEEL IDEALISME, 

aan alle wetenschap slechts bewijskracht kan toekomen 
tegenover individuen, die zich van een zedelijke roeping 
bewust zijn; dat dus alle weten berust op een geweten. En 
het treft ons dan ook als een bewijs van een heel wat dieper 
indringen in Kant's gedachtengang dan wij bij Heine vonden, 
dat wij bij Schiller het volgende epigram op Kant lezen: 

Dacht' ich's doch. Wissen sie nichts Vernünftiges mehr 

[zu erwiedern , 

Schieben sie's einem geschwind in das Gewissen hinein. 

ja, nog veel verder strekt Kant's betoog; niet alleen 
onze wetenschap , maar deze geheele wereld van ontstaande 
en vergaande dingen, de geheele „natuur", waartoe ook 
wij zelve als vergankelijke sterfelijken behooren, ook zij 
leidt haar bestaan alleen af uit, dankt dat bestaan dus 
alleen aan de geldigheid van een plicht; men kan niet met 
zin zeggen, dat die natuur bestaat, zoo men niet een hooger 
beginsel dan die natuur erkent. Het spreek wel vanzelf, 
dat die erkenning niet moet, noch kan worden opgevat als 
een hypothetisch, onderstellend gebod, dat zich alleen richt 
tot hen van wie men onderstelt, dat zij zekere doeleinden 
daarbuiten begeeren te bereiken , zooals zulk een gebod 
getypeerd wordt door de woorden van het Oude Testament: 

Eer Uwen vader en Uwe moeder, opdat het U wèl ga. 
Deut. 5. 16. 

Neen, de erkenning, die Kant bedoelt is die van een 
kathegorischen imperatief, een gebod, waarvan de geldig- 
heid wordt erkend onafhankelijk vad alle bijoogmerken, 
alleen om den inhoud van het gebod zelf. Alleen wie zulk 
een absoluut, onbeperkt gezag erkent, alleen hij — meent 
Kant — kan deelnemen aan het wetenschappelijk leven, 
alleen hij kan met zin jspreken van het bestaan van een 
wereld. In Spruyt's Geschiedenis der Wijsbegeerte vinden 
wij de na-Kantiaansche philosophie gekarakterizeerd door 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 31 

het woord van Goethe: In Anfang war die That ^). Ik zal 
mij hier niet wagen aan de beoordeeling van de vraag, of 
die kenmerking juist is; maar dit meen ik te kunnen ver- 
zekeren, dat het inzicht, waartoe Kant gekomen is niet 
beter kort omschreven kan worden dan door deze woorden : 
lm Anfang war die Pflicht ^). 

Tot dat inzicht is Kant gekomen — hoe vreemd het wel- 
licht den oningewijde zal voorkomen — door een logisch 
onderzoek van de eigenaardigheden der mathematische na- 
tuurwetenschap, en dat onderzoek leidt dus tot een natuur- 
wetenschappelijke, maar beslist anti-naturalistische wereld- 
beschouwing. Maar het is niet deze samenhang tusschen 
natuurwetenschap en wijsbegeerte — zooals Gij thans wel- 
licht zoudt vermoeden waaraan ik bij den aanvang mijner 
rede dacht. Want om dien samenhang ook maar eenigermate 
nauwkeurig te schetsen, daartoe zou niet dit aanvangscol- 
lege, maar een geheele cursus nauwelijks toereikend zijn, 
en over de verdere, historische, vraag of daarmede wel 
werkelijk Kant's hoofdgedachte is weergegeven , en in hoe- 
verre andere gedachtenreeksen deze doorkruisen en modi- 
ficeeren zou men gemakkelijk — wilde men haar naar zekere 
voorbeelden behandelen: unter Berücksichtigung der einschla- 
gigen Literatur, — zeker wel tien cursussen kunnen vullen ■^). 

Maar al moge dan Kant deze waarheden aan 't licht heb- 
ben gebracht door de natuurwetenschappen te onderzoeken , 

1) p. 110 

2) Het behoeft wel nauwelijks uitdrukkelijk gezegd te worden , dat met „An- 
fang hier niet bedoeld is een begin in den tijd. Het woord staat hier voor 
een logische betrekking, niet voor een tijdsbetrekking. Verg. ons: beginsel. 

3) Hoe uitgebreid de Kantliteratuur geworden is, blijkt het best uit Vaihingers 
Commentar zur Kritik der reinen Vernunft. Van dat werk verscheen de eerste 
aflevering in 1881. Thans liggen twee deelen, van circa 500 bladz. elk, voor 
ons, waarin echter nog slechts de voorrede, de inleiding en het eerste hoofd- 
stuk der Kritik worden behandeld. Bladzijde na bladzijde is in dit werk 
gewijd aan de optelling der literatuur. 



32 TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 

dat heeft niet belet, dat het juist de natuurwetenschappen 
zijn geweest, die de lijnrecht tegenovergestelde richting, 
die uitgaat van de ontkenning van het absolute in alle 
vormen, ook in dien van alle absolute normen, die de 
naturalistische richting tot de in vele kringen heerschende 
geestesmacht hebben gemaakt. Vooral sedert het Darwinisme 
zijn zegetocht deed, houdt men zich vaster dan ooit over- 
tuigd, dat alle vastheid , alle onwrikbaarheid van norm 
vervloeit in den stroom van gestage ontwikkeling. Ik behoef 
U geen bewijzen ter adstructie te geven; het is immers van 
algemeene bekendheid, dat plicht slechts de reactie is van 
het individu op de gemeenschap , een gevoel , dat zijn in- 
trede in de wereld deed door natuurlijke teeltkeus, het uit- 
sterven van hen, die er niet mede bedeeld, en dus lang 
zoo nuttig niet waren voor de gemeenschap; — dat genie 
en v/aanzin een is, en slechts bekrompenheid kan meenen, 
dat de misdadiger zijn misdadige neigingen behoorde te be- 
dwingen; — dat de wetenschap er niet is om haar's zelfs 
wil, maar voor het heil en het welzijn der menschheid; — 
dat alle teleologie, alle streven naar doeleinden een her- 
senschim is, daar slechts causaliteit heerscht; — dat voor 
het krachtige individu met zijn krachtige emoties en sen- 
saties een bijzondere moraal geldt, of juister geen andere 
moraal, dan het „sich ausleben" dier individualiteit; kortom, 
dat het doen opgaan van alle werkelijkheid in mechanisch 
natuurbeloop de taak is van den modernen mensch. Ja zelfs 
van de kunst hebben wij moeten vernemen, dat zij niet 
waardebeoordeelend , maar natuurwetenschappelijk beschrij- 
vend heeft op te treden; gelukkig, dat de praktijk met de 
theorie zoo weinig in overeenstemming is geweest. 

Die strooming moest noodzakelijk terugwerken op de 
natuurwetenschap zelve. Immers met al de andere normen 
moest ook de norm der waarheid haar gezag en geldigheid 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 33 

verliezen, en zoo vinden wij dan ook bij de overgroote 
meerderiieid der liedendaagsche natuuronderzoekers de mee- 
ning — let wèl , ik zeg niet: dat wij voortdurend in gedachten 
moeten houden , dat de geheeie inhoud van onze weten- 
schap onjuist kan blijken , en dat dus , mochten wij ook 
op eenig punt absolute waarheid bezitten wij toch niet 
zouden kunnen bewijzen , met absolute zekerheid bewijzen , 
dat wij haar bezitten , — maar deze : dat zoo iets als abso- 
lute waarheid in 't geheel geen beteekenis bezit, dat wij 
aan wetenschappelijke theorieën op zijn best den eisch 
kunnen stellen, dat zij gemakkelijk in 't gebruik, nuttig voor 
verdere opsporing van feiten zijn , maar dat het zinledig 
is te vragen of een theorie juist of onjuist is. Zelfs mannen 
als Hertz en Boltzmann, wier zuiver natuurwetenschap- 
pelijke arbeid boven mijn lof verheven is, hebben zich 
daaraan niet kunnen onttrekken. „Hieran anknüpfend, bringt 
Hertz" — zoo lezen wij in een verhandeling over: Die 
Entwickelung der Methoden der theoretischen Physik van 
Boltzmann's hand ^) — „den Physikern so recht klar zum 
Bewusstsein, was wohl die Philosophen schon langst aus- 
gesprochen hatten, dass keine Theorie etwas Objektives, 
mit der Natur wirklich sich Deckendes sein kann, dass 
vielmehr jede nur ein geistiges Bild der Erscheinungen ist, 
das sich zu diesen verhalt, wie das Zeichen zum Bezeichneten. 
Daraus folgt, dass es nicht unsere Aufgabe sein kann, 
eine absolut richtige Theorie, sondern vielmehr ein mög- 
lichst einfaches, die Erscheinung möglichst gut darstellendes 
Abbild zu finden. Es ist sogar die Möglichkeit zweier ganz 
verschiedener Theorien denkbar, die beide gleich einfach 
sind, und mit den Erscheinungen gleich gut stimmen, die 
also, obwohl total verschieden, beide gleich richtig sind. 

1) Popuiare Schriften, Leipzig 1905 Barth p. 215. 



34 TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 

Die Behauptung, eine Theorie sei die einzig richtige, kann 
nur der Ausdruck unserer subjektiven Überzeugung sein , 
dass es kein anderes gleich einfaches und gleich gut stim- 
mendes Biid geben könne." 

En nu heeft wel gelukkig op den eigenlijk natuurweten- 
schappelijken arbeid dezer beide grooten hun desorgani- 
seerende theorie over het wezen der kennis niet veel 
invloed gehad, dit wordt geheel anders als wij komen tot 
de dii minores. Het is mij niet mogelijk U in bijzonderheden 
dit aan te wijzen , ik zou mij dan moeten begeven in allerlei 
details van natuurwetenschappelijk belang, wier bespreking 
hier om velerlei redenen onmogelijk is ^). Slechts één voor- 
beeld wil ik U geven om aan te toonen tot waarheen die 
vrees voor het absolute kan leiden. Gij hebt naar ik ver- 
moed allen op de schoolbanken geleerd, dat de zon zich 
om de aarde beweegt in den tijd van een jaar, en dat wij 
deze wetenschap danken aan Kopernikus, die zijn theorie 
over den loop der hemellichamen in de plaats stelde van 
de oude, onjuiste Ptolemaische theorie, dat de zon zich 
om de aarde beweegt. Wellicht zijn er zelfs onder U, die 
meenden, dat al mocht hun astronomische kennis klein 
zijn , zij toch op dit punt zeker niet voor den bekwaamsten 
astronoom behoefden onder te doen. Ik moet U teleur- 
stellen. Gij zijt achterlijken , die de ontwikkeling der moderne 
wetenschap niet hebt bijgehouden. Niet Kopernikus heeft 
gelijk, noch Ptolemaus; immers, te zeggen, dat de aarde 
zich beweegt om de zon, of de zon om de aarde, zou een 
uitspraak wezen over absolute bewegingen. Het eenige wat 
ons past is te zeggen: De aarde en de zon bewegen zich 
relatief ten opzichte van elkander. „Das wichtigste und 
instruktivste Beispiel für die Relativitat aller Bewegung 



1) Wie in deze quaesties belang stelt, zij verwezen naar Zeitschrift für 
physikalische Chemie 36 p. 41 en Journal de Chimie physique 3 p. 665. 



f. 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 

bilden ja die Verhaltnisse im Weltenraum , die Lagen und 
Bewegungen der Himmelskörper. Es ist daher naheliegend 
sich die Frage vorzulegen , wie es sich denn mit der gegen- 
seitigen Richtigkeit des Kopernikanisciien und Ptolemaischen 
Weltsystems verhalte. Kann man noch von einer Richtigkeit 
des einen, Unrichtigkeit des andern sprechen oder sind 
jetzt beide Systeme als gleichberechtigt anzusehen? Nun, 
so, wie man die Sachlage vor dreihundertjahren angesehen, 
wie sie der Laie und vielfach auch der Philosoph noch 
heute sieht, liegt sie allerdings nicht mehr." En verder: 
„Der Astronom kann beide Systeme brauchen; ich glaube, 
dass zu des Kopernikus Zeit das Ptolemaische System dem 
praktischen Astronomen gelegener war; hatte doch sonst 
wohl schwerlich ein Mann wie Tycho de Brahe an dem- 
selben festgehalten. Heute würde allerdings ein Festhalten 
an ihm eine neue Physik erfordern , da die Tatsachen der 
Aberration des Lichtes und der Fixsternparallachsen mit 
ihm und den sonstigen Gesetzen der Physik nicht ver- 
traglich sind. Heute ist das Kopernikanische System das 
bei weitem einfachere; einen andern Vorzug hat es aber 
nicht. Nicht die Kategorien der Richtigkeit und Unrichtig- 
keit sind es demnach , die hier zur Geltung zu bringen 
sind, sondern die der grosseren und kleineren Zweck- 
massigkeit." Zoo kunt ge lezen in een verhandeling over: 
Die Relativitat aller Bewegung, in Ostwald's Annalen der 
Naturphilosophie ^) van de hand van Kleinpeter, een der 
ijverigste verdedigers van de hier besproken richting. 

Maar niet alleen voor de natuurwetenschap , ook voor de 
wijsbegeerte zelve dreigt van de heerschende naturalistische 
strooming gevaar. Ik denk daarbij geenszins aan den achter 
ons liggenden „Materialismusstreit" ; mannen als Vogt en 
Büchner hebben tegenwoordig wel afgedaan in alle kringen, 

1) Deel III pag. 387. 



36 TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 

waar men zelfstandig wetenschap beoefent. Neen , het natu- 
ralisme heeft in onze dagen gansch andere , meer door- 
dachte vormen aangenomen, die zeker heel wat geduchter 
tegenstander zijn dan het oude materialisme; ik denk aan 
de psychologistische en positivistische stroomingen, die 
tegenwoordig een zoo groote , bijkans overheerschende macht 
zijn. Die theorieën zal ik in mijn colleges later ter sprake 
moeten brengen , thans zou mij de tijd daartoe ten eenen 
male ontbreken. Slechts dit wilde ik opmerken , dat, hoe veel 
beter doordacht en fijner uitgewerkt deze theorieën ook soms 
mogen zijn , zij in • wezen toch verwant blijven met het 
vroegere materialisme, ja soms wordt die verwantschap 
zoo groot, dat eigenlijk slechts van naamsverandering kan 
worden gesproken. Toch kan ook deze alleen voldoende 
zijn om den niet-natuuronderzoeker te misleiden en als 
nieuwe en ongekende waarheid te doen introduceeren wat 
onder den ouden naam zeker geweerd ware. Nergens heeft 
men zich daarvan beter kunnen overtuigen dan in ons land 
en in onze omgeving. 

Het was zulk een lieve , het was zulk een vriendelijke 
en rustigende gedachte geworden in den kleinen kring van 
hen, die in ons land in wijsbegeerte belang stellen, dat, 
wat ook het lot der wijsbegeerte van Kant in Nederland 
mocht zijn, één man haar onwrikbaar verknocht blijven, 
één trouwe schildknaap eiken smaad den Koningsberger 
aangedaan bloedig zou wreken. En ziet, nauwelijks heeft 
Ostwald zijn nieuwen strijdkreet : „Voor de Energetiek" laten 
weerklinken , of .... Mr. J. A. Levy verbreekt de oude ban- 
den , knielt voor het nieuwe licht en raadt ons in zijn boek 
Het Indeterminisme aan insgelijks te doen ^). Het moet een 
wreede ontgoocheling zijn geweest, toen slechts enkele 

1) 1. c. p. 20—28. 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 



37 



maanden nadat Mr. Levy's boek het licht zag, door het 
verschijnen van Ostwald's Vorlesungen über Naturphilosophie 
het ook voor den jurist w^el duidelijk moest worden — wat 
elk natuuronderzoeker van den beginne had ingezien — , 
dat de door Ostwald verkondigde leer wat haar wijsgeerig 
karakter aangaat, zich in niets onderscheidt van die leer, 
die in Mr. Levy's boek, om met woorden van hemzelf te 
spreken : „wordt geken- of liever gebrandmerkt" ^). Immers 
als die te bestrijden richting vinden wij reeds in de tweede 
alinea van het boek genoemd: „die richting, welke het 
psychische eenvoudig als uitvloeisel van het physische be- 
schouwt en zonder meer als zoodanig kenmerkt." ^) En daar- 
naast legge men nu deze uitlatingen van Ostwald^): „Ich 
habe mir die grösste Mühe gegeben, irgend eine Absurditat 
oder Undenkbarkeit in der Annahme zu finden, dass be- 
stimmte Energiearten Bewusstsein bedingen : ich habe nichts 
derartiges zu entdecken vermocht. Wir werden uns alsbald 
bei der Untersuchung der wichtigsten Bewusstseinserschei- 
nungen überzeugen, dass sie energetisch bedingt sind, und 
es macht mir nicht mehr Schwierigkeiten , zu denken, dass 
kinetische Energie Bewegung bedingt wie dass Energie des 
centralen Nervensystems Bewusstsein bedingt." Of ook deze , 
door Ostwald gecursiveerde uitspraak^): „Hiernach schlage 
ich Ihnen vor, das Bewusstsein als eine Eigenschaft einer 
besonderen Art der Nervenenergie aufzufassen, namlich 
der, welche im Centralorgan bethatigt wird." Het bewust- 



1) I. c. p. 2. 

2) Ik heb bij een vroegere gelegenheid (Ak. Proefschrift Stelling XIl) alle 
richtingen die aan deze beschrijving beantwoorden onder den naam materia- 
lisme samengevat. Van Melle kwam daartegen op; hij meende, dat men alleen 
dan van materialisme mocht spreken, als de materie het physische is, waaruit 
men al het andere wil afleiden. Ik geef gaarne toe, dat als algemeene naam 
voor de bedoelde richtingen de term naturalisme zeker beter is dan materialisme. 

3) 1. c. p. 396. 

4) I. c. p. 393. * 



38 TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 

zijn, Kant's „ursprünglich synthetische Einheit'^, gemaakt tot 
een eigenschap van het „Centralorgan" en dat onder toe- 
juiching van Mr. Levy, alleen omdat de naam materialisme 
vervangen is door dien van energetiek. „Name ist Schall 
und Rauch" zegt Faust; de dwaas, men bemerkt wel, dat 
hij te Leipzig.... slechts Auerbach's Keiler heeft bezocht. 

Maar de natuurwetenschappen zijn niet de eenige onder 
de empirische wetenschappen , van wier kant der wijsbe- 
geerte gevaar dreigt. Naast het naturalisme staat het histo- 
risme, dat, in nauw verband vaak met het Darwinisme, 
maar ook wel afgescheiden daarvan, de leer predikt, dat 
niets bestendig is, niets absolute waarde heeft, maar alles 
vervloeit en bestemd is voor zijn eigen beperkten tijd. Die 
leer, mits zij zelve niet als absolute waarheid wordt opge- 
vat, maar doorzien wordt in haar beperking, heeft zeker 
aanspraak op erkenning, en wij danken — zeker niet aan 
haar alleen, maar toch misschien voor een groot deel 
haar — den opbloei der historische wetenschappen , die de 
19e eeuw misschien evenzeer tot de historische als tot de 
natuurwetenschappelijke eeuw stempelt. De rijke schat van 
vondsten, ook voor de wijsbegeerte, de onvergelijkelijk veel 
nauwkeuriger kennis van vroegere stelsels, die zij ons ver- 
schaft heeft , wordt alom , en terecht , op hooge waarde ge- 
schat. Maar toch , bij het zien van al die goede gaven be- 
kruipt ons somtijds een gevoel, dat men wellicht met een 
geringe verandering van Virgilius' regel 

Timeo Danaos et dona ferentes 
het best zoo zou kunnen uitdrukken: Ik vrees die historici 
met al hun goede gaven. Men versta mij wel : Geen histo- 
rische detailstudie, welke ook, op het gebied der wijsbe- 
geerte schijnt mij af te keuren, maar dan dreigt gevaar, wan- 
neer men de geschiedenis der wijsbegeerte v^il stellen in 
de plaats van de wijsbegeerte zelf, naast de historische be- 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 39 

handeling geen ruimte laat voor de systematische. En dat 
gevaar is niet denkbeeldig; de tijd ligt niet zoo ver achter 
ons, dat de groote meerderheid van hen, die zich ex officio 
met wijsbegeerte bezig hielden slechts één wetenschap der 
wijsbegeerte kenden: haar geschiedenis. Daartegen nu moet 
de philosooph met kracht opkomen. De geschiedenis der 
wijsbegeerte moge voor den historicus doel zijn , voor hem 
kan zij nooit anders zijn dan middel. Zoowel tegenover 
naturalistisch dogmatisme als tegenover historischen detail- 
arbeid is het eigen wezen der wijsbegeerte te handhaven. 
Ik zal mij gelukkig rekenen, wanneer ik die taak aan deze 
Universiteit, zij het op zooveel bescheidener plaats, met 
een klein deel van den gloed, den geest en de strijdvaar- 
digheid kan vervullen , waarmede Spruyt zich van haar kweet. 

Maar — zoo zult Gij wellicht vragen — wat is dan dat 
wezen der wijsbegeerte als een afzonderlijke wetenschap 
tegenover natuurwetenschap zoowel als historie? En daar- 
mede ben ik genaderd tot het tweede deel van wat ik be- 
schouw als mijn taak. Ik heb reeds vroeger gezegd, dat in 
het genoemde artikel Dr. van der Waals ook een schets 
geeft van de voortzetting, die men naar zijn meening aan 
Spruyt's arbeid zou behooren te geven, een voortzetting, 
die hoofdzakelijk neerkomt op een strijd voor spontaneïteit 
van 's menschen wil tegen het onbeperkte determinisme. Al 
kant ik mij ook thans veel minder dan nog betrekkelijk 
kort geleden tegen die denkbeelden , toch schijnt het mij , 
dat men de wijze waarop de arbeid van Spruyt behoort 
voortgezet te worden , niet aldus moet karakterizeeren. Laat 
mij U in het tweede gedeelte van mijn rede mogen uiteen- 
zetten in welke richting, naar welke methode, naar mijn 
meening behoort voortgewerkt te worden op de door Spruyt 
hier gelegde grondslagen. 

Maar ik vrees, door dit te zeggen de gedachte bij U te 



40 TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 

wekken, dat ik, Charybdis willende vermijden, in Scylla 
terecht kom. Want terwijl ik op mij genomen heb mij te 
rechtvaardigen voor de stoutheid een privaatdocentschap in 
de wijsbegeerte te durven aanvaarden, schijn ik thans die 
rechtvaardiging te willen zoeken in het streven den arbeid 
van mijn hooggeschatten leermeester te willen verbeteren. 
Toch meen ik mij hier van elk verwijt vrij te kunnen pleiten. 
Inderdaad, er zou reden zijn voor verwijt, wanneer ik waande 
daarbij alleen op mijn eigen krachten te kunnen bouwen. 
Ik kan echter voor mijn pogingen, èn wat de richting, 
waarin, betreft, èn wat de wijze, waarop, gebruik maken 
van een hulpmiddel , dat Spruyt niet ter beschikking stond ; 
ik bedoel de van den grond af herbouwde wetenschap der 
logica, zooals zij in de laatste dertig jaren in Duitschland, 
onder den invloed voornamelijk van Sigwart en Lotze ont- 
staan is. Die verandering, die revolutie in de logica, zooals 
waarschijnlijk geen andere wetenschap in zoo korten tijd 
doorleefd heeft, vindt haar uitgangspunt wederom in het 
werk van Kant. Ik zeide reeds zooeven, dat Kant tot zijn 
belangrijkste resultaten gekomen was door een nauwkeurig 
onderzoek van de methoden der mathematische natuur- 
wetenschap. Maar hoe ver ook de consequenties gaan, die 
hij daaruit getrokken heeft, de consequenties voor de 
methodologie en de geheele formeele logica van zijn tijd 
heeft hij niet gezien. Integendeel , het is van algemeene be- 
kendheid, dat hij van oordeel was, dat de Aristotelische 
logica, die reeds sedert tweeduizend jaren bijkans onver- 
anderd van geslacht op geslacht was overgeleverd, ook 
voor de toekomst haar gezag niet zou verliezen ^). Dat in zijn 
eigen werk de kiem van ontbinding voor die logica school , 



1) Ik geef hier alleen Kant's meening weer, maar bedoel volstrekt niet te 
zeggen, dat die traditioneele logica inderdaad met de leer van Aristoteles 
vereenzelvigd zou mogen worden. 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 41 

besefte hij allerminst. Toch bleek dit al spoedig, toen men 
na de opeenvolging der na-Kantiaansche groote systemen 
en na de daarop volgende periode van uitputting zich weer 
nauwkeurig rekenschap ging geven van Kant's gedachten- 
gang. In tweeërlei richting werkte de gegeven impuls door. 
Vooreerst kwam men tot een grondige kritiek van de 
overgeleverde logica, zoo grondig, dat van de traditio- 
neele leer over begrip, oordeel, syllogisme nauwelijks iets 
bleef bestaan; vervolgens bleek de noodzakelijkheid het 
onderzoek, dat Kant ingesteld had naar de methoden der 
mathematische natuurwetenschap, ook op andere weten- 
schappen te richten. Sigwart was het, die als eerste uit- 
sprak, dat het voortaan noodzakelijk was: „die Logik unter 
dem Gesichtspunkte der Methodenlehre zu gestalten , und sie 
dadurch in lebendige Beziehung zu den wissenschaftlichen 
Aufgaben der Gegenwart zu setzen." Sedert heeft die nieuwe 
opvatting der logica zich meer en meer baan gebroken; zij 
is door een steeds toenemende schare van aanhangers be- 
vestigd , uitgebreid en verdiept. Ik noem van hen , die zich 
bij die opvatting aansluiten, vooreerst Windelband en voor- 
namelijk Heinrich Rickert. 

In ons land is van de inwerking dier gansche beweging 
zoover ik kan zien nog weinig te bespeuren geweest; aan 
Spruyt in elk geval is zij bijna geheel spoorloos voorbij- 
gegaan. Dat blijkt het best uit het Leerboek der formeele 
Logica, nog niet eens zoozeer uit de opsomming der lite- 
ratuur, waarbij geen der nieuwere werken over logica een 
plaats wordt waardig geacht, als wel uit het geheele werkje zelf, 
dat nog geheel op de traditioneele leest is geschoeid. En ook 
in de Geschiedenis der Wijsbegeerte zijn genoeg plaatsen aan 
te wijzen , die daarvan getuigen. Trouwens de oorzaak ligt voor 
het grijpen. Sigwart's verreweg belangrijkste deel , het tv/eede , 
verscheen voor het eerst juist in het jaar waarin, Lotze's werk 



42 TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 

slechts enkele jaren voordat Spruyt zijn hoogleeraarstaak aan- 
vaardde. En welk een taak. Blijkbaar, omdat het niet genoeg 
is, dat aan één man het gansche onafzienbare veld ter beharti- 
ging is opgedragen , heeft men daaraan toegevoegd nog twee ^) 
niet-wijsgeerige vakken: één natuurwetenschappelijk, de 
psychologie, en één historisch, de geschiedenis der wijs- 
begeerte, vakken, die elk op zich zelf ruimschoots het 
leven van een onderzoeker kunnen vullen. Dat onder 
deze omstandigheden er niet aan te denken viel , dat tijd 
en rust zouden overblijven om één der gedoceerde vakken 
van den grond af opnieuw op te bouwen en de resul- 
taten op de andere toe te passen, het spreekt vanzelf. 
„De zwakke bezetting onzer litterarische faculteiten" , waar- 
over Spruyt op zijn colleges klaagde ^), omdat zij de èn 
voor hoorders, èn voor docent wenschelijke „splitsing in 
tirones en veterani" onmogelijk maakte, m.oet ook hier 
aansprakelijk worden gesteld. Onder die omstandigheden 
beschouw ik het als mijn plicht, maar als een groot voor- 
recht tevens, met behulp van de door de nieuwere logica 
veroverde methoden voort te bouwen op den door Spruyt 
aan deze Universiteit gelegden grondslag, mocht het zijn 
naar gelang mijner krachten tevens mede te werken aan 
den voortgang dier theoriën zelve. Laat mij, door de methoden 
die ik bedoel toe te passen pp de vraag naar de verhouding 
van wijsbegeerte, natuurwetenschap en historie, en de con- 
sequenties daaruit te trekken, U toonen in welke richting 
ik daarbij werkzaam zal zijn '). 



1) Of zelfs drie, als men de metaphysica tot de natuurwetenschappen rekent. 
Verg. p. 35. 

2) Geschiedenis der Wijsbegeerte p. XI. 

3) Het behoeft wel nauweiiji<s gezegd, dat het volgende slechts mag be- 
schouwd worden als een korte aanduiding van de richting, waarin ik mij wil 
bewegen, geenszins ais een uitgewerkt betoog voor de daarin uitgesproken 
stellingen. 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 43 

Getrouw aan het beginsel , dat wij zouden uitgaan van 
onderzoekingen over de methoden der wetenschappen knoopen 
wij aan aan een opmerking van Kirchhoff over de methode van 
de natuurwetenschap, speciaal de meest fundamenteele natuur- 
wetenschap, de mechanica. Het heeft indertijd groot opzien 
gebaard, en nog hoort men het veelal aanprijzen als een 
bewonderenswaardige ontdekking, als een oplossing, of, wil 
men liever, een terzijdeschuiving van een allermoeilijkst pro- 
bleem , dat Kirchhoff tot de conclusie kwam, dat de mechanica 
zich niet kon voorstellen de bewegingen in de natuur te ver- 
klaren , maar ze enkel kon beschrijven. Het ligt niet in mijn 
bedoeling op het verschil tusschen verklaring en beschrijving 
hier in te gaan, al geloof ik niet, dat het zoo groot is als 
men gewoonlijk meent. Maar waarop ik Uwe aandacht wil 
vestigen , dat is het probleem , dat in Kirchhoff's woorden 
ligt opgesloten , een probleem veel geweldiger dan dat , 
hetwelk hij tracht te ecarteeren, dat echter, althans voor 
zoover mij bekend is, nooit de aandacht der natuuronder- 
zoekers heeft getroffen ondanks alle discussies, die over 
Kirchhoff's formule zijn gevoerd. Immers wat is de taak, 
die Kirchhoff de mechanica oplegt? Naar zijn eigen woorden : 
„Die in der Natur vor sich gehenden Bewegungen voll- 
standig und auf die einfachste Weise zu beschreiben." ^) 
Dames en Heeren! Wanneer ik geloofde, dat er ook maar 
één beoefenaar der mechanica was, die het als zijn taak 
zou opvatten : de (dat wil toch zeggen alle) in de natuur 
voorkomende bewegingen volledig te beschrijven, dan zou 
ik uit piëteit jegens hem afgezien hebben van het houden 
dezer rede. Want welk een onafzienbare, onmogelijke taak 
heb ik hem daardoor opgelegd. Ik wil nog afzien van het 
feit, dat Gij allen uit zeer verschillende deelen dezer stad 



1) Analytische Mechanik p. 1. 



44 TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 

hierheen zijt gekomen en dat dus die ongelukkige beoefe- 
naar der mechanica, die alle bewegingen volledig wilde 
beschrijven , voor elk Uwer volledig zou moeten aangeven , 
op welke wijze, dus langs welken vv^eg en met welke 
snelheid het zwaartepunt van zijn lichaam zich hierheen 
bewogen heeft en welke bewegingen ten opzichte van dat 
zwaartepunt daarbij werden uitgevoerd. Maar hier op dit 
oogenblik zelve, dat ik hier sta te spreken! Daar zijn de 
bewegingen van mijn stembanden , mijn tong en mijn lippen , 
en die bewegingen doen de geheele luchtmassa in deze 
kamer op de meest ingewikkelde en gecompliceerde wijze 
trillen; de luchtgolven kaatsen terug tegen de wanden van 
dit vertrek en op den vlakken wand anders dan waar twee 
wanden elkaar bereiken en weer anders in een hoek van 
het vertrek. Zij buigen zich heen om al wat zich in dit 
vertrek bevindt en dat maakt opnieuw de beweging samen- 
gestelder; zij dringen door tot U en verwekken in Uw ge- 
hoororganen weer gansche reeksen nieuwe bewegingen. 
Daarbij heb ik de slechte gewoonte met mijn vingers zoo 
nu en dan op dezen katheder te trommelen; de katheder 
geraakt er door in trilling, en die trillingen deelen zich 
mede aan al wat in dit vertrek is. Daarbij: ik adem en 
Gij ademt allen, en wij scheppen opnieuw tallooze bewegingen. 
Kortom, elke kubieke centimeter lucht in deze kamer, elk 
milligram hout of ijzer of welk ander materiaal er zich bevindt, 
verkeert in een uiterst gecompliceerden, voortdurend ver- 
anderenden en van eiken anderen verschillenden bewegings- 
toestand. En al deze bewegingen — want zij behooren toch 
alle tot „de in de natuur voorkomende bewegingen" — 
zou onze ongelukkige beoefenaar der mechanica „volledig 
en op de meest eenvoudige wijze" moeten beschrijven. 
Klinkt dat „op de meest eenvoudige wijze" niet als hoon 
op den ongelukkigen, afgemartelden man, die, zich af- 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 45 

tobbende om de bewegingen volledig te beschrijven die 
juist in dit oogenblik in gindschen hoek drie centimeters 
beneden de zoldering voorkomen, in machtelooze woede 
zich de bewegingen voelt ontgaan , die zich op datzelfde 
oogenblik in elk ander deel van het vertrek afspelen. En 
komt hij een oogenblik later, dan zijn daar weer andere 
bewegingen, en de bewegingen, die er op dit oogenblik 
waren , zijn voorgoed voor zijn inventarisatie verloren. 

Gij zult mij niet tegemoet voeren , dat dit alles onnoozele, 
misschien zelfs onwaardige „Konsequenzmacherei" is, een 
domme caricatuur, die zich hecht aan een wellicht niet 
zeer gelukkig gekozen woord. Ook ik weet zeer goed, dat 
Kirchhoff dit alles nooit bedoeld heeft, en, welke vrees of 
hoop voor mij ook met deze rede hebben samengehangen , 
de vrees dat zij aanleiding zou geven tot zoo pijnlijken 
arbeid heeft mij nooit verontrust. Maar Gij voelt immers 
reeds, waarom het mij met het voorgaande te doen was, 
welk probleem verborgen ligt op den bodem van Kirchhoff's 
formuleering. Dat probleem is de vraag naar de verhouding 
tusschen wetenschap en werkelijkheid. En hoe sterker U 
daareven het carriceerende in mijn teekening trof, hoe 
grooter Uw medelijden was met den tobber, die de on- 
. eindigheid der werkelijkheid in zijn inventarisatie wilde 
opnemen, des te sterker zal dan thans bij U het besef 
zijn, dat geen wetenschap, welke ook, een afbeelding kan 
geven van de werkelijkheid. De werkelijkheid in haar on- 
eindigheid spot met alle beschrijving; zij kan nooit conform 
worden aan eenige wetenschap, welke ook; zij laat zich 
niet vangen in een systeem van begrippen , d. w. z. begrij- 
pen; zij is irrationeel. Ik acht dit inzicht van het hoogste 
belang, afgescheiden nog van andere overwegingen daarom 
reeds omdat alleen door dit inzicht een vreedzaam samen- 
gaan van wijsbegeerte en natuurwetenschap, of liever van wijs- 



46 TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 

begeerte en alle empirische wetenschappen mogelijk is. 
Immers, wie meent, dat de werkelijkheid wèl opgaat in het 
begrip, dat de werkelijkheid ligt, of kan liggen in de rede, 
die kan het zwoegen en slaven van de beoefenaars der 
empirische wetenschappen slechts schouderophalend aanzien. 

GeheimnisvoU , am lichten Tag 

— zoo zegt hij met Goethe, die evenals zijn groote wijs- 
geerige tijdgenooten volbloed rationalist was — 

Lasst sich Natur des Schleiers nicht berauben, 

Und was sie deinem Geist nicht offenbaren mag 
Das zwingst du ihr nicht ab mit Hebeln und mit Schrauben. 

Zeker, indien de werkelijkheid rationeel ware, dan zou 
het heel wat beter zijn, — en ook heel wat gemakkelijker — 
om, in plaats van „mit Hebeln und mit Schrauben" en 
met nog heel wat gecompliceerder instrumenten zich groote 
en onnoodige moeite te geven , in de studeerkamer af te 
leiden, hoe die natuur moet zijn, en zoo hebben dan ook 
alle groote rationalisten gedaan; dat zij daardoor vroeg of 
laat in botsing komen moesten met de empirische weten- 
schappen was onvermijdelijk. En het is dan ook deze om- 
standigheid in hoofdzaak, hoewel niet deze alleen, die 
maakt, dat het grootste en wijdst omvattende der rationa- 
listische systemen , dat in ons land tegenwoordig met zooveel 
energie en talent wordt gepredikt en gepropageerd, in bot- 
sing gekomen is en steeds in botsing komen zal met de 
beoefenaars der empirische wetenschappen. 

Maar wanneer wij meenen, dat de rede de werkelijkheid 
niet kan omvatten , dat de wetenschap niet de werkelijkheid 
kan afbeelden, liever: in begrippen weergeven, wat is dan 
de wetenschap? Die wetenschap is een reeks, een systeem 
van oordeelvellingen over de werkelijkheid. Elk dier oordeel- 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 47 

vellingen heeft waarde, omdat zij waar is, of, zooals wij 
ook kunnen zeggen: met de werkelijkheid overeenstemt, 
maar toch niet alleen daaraan ontleent zij haar waarde. 
Want waren alle oordeelen over de werkelijkheid, die waar 
zijn, even veel waard, dan zou de taak van den onver- 
poosden inventarisator weer aanvangen. Uit al de naar 
oneindig veel richtingen oneindige reeks van ware oordeelen 
moeten dus sommige uitgekozen worden, die om hun ex- 
ceptioneele beteekenis waarde hebben voor de wetenschap. 
En — het spreekt van zelf — die keuze moet gedaan 
worden niet naar het behagen van U of mij; zal er weten- 
schap zijn , dan moet er over de vraag welke oordeelen 
in de wetenschap thuis hooren, welke niet, niet beslist 
worden naar subjectieve willekeur, maar objectief geldig. 
En wederom rijst voor U het vraagstuk van normen met 
bindend gezag, wederom blijkt het, dat geen wetenschap 
kan bestaan als niet normen objectief, onafhankelijk van 
persoonlijke willekeur gelden. 

Zien wij thans toe van welken aard de band is, die 'de 
natuurwetenschap samenbindt. Stellen wij ons daartoe een 
natuuronderzoeker voor, die van de gebeurtenissen in dit 
vertrek een natuurwetenschappelijke beschrijving zal geven. 
Hij zal dus niet naar Kirchhoff's formule een volledige be- 
schrijving kunnen geven; hij zal zich moeten beperken tot 
datgene wat het voor de natuurwetenschap essentieele, 
wezenlijke behelst. Dit verslag zal dan mededeelingen als 
deze bevatten: In een vertrek van die en die afmetingen 
bevond zich een luchtmassa, van zeker — door de aan- 
wezigheid van verschillende verbrandigsprocessen overmatig 
hoog — koolzuur- en watergehalte, in longitudinale trilling 
gebracht door geluidsgolven van matige intensiteit, wier 
perioden gelegen waren tusschen die en die getallen. Die 
geluidsgolven, teruggekaatst tegen de wanden, werden 



48 TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 

bovendien gestoord door allerlei lichamen van onregel- 
matigen vorm waardoor de eerst regelmatige bewegingen 
allerlei toevallige en grillige afwijkingen gingen vertoonen. 
Kortom — om U niet noodeloos met zulk een opsomming 
te vermoeien — hij zal een reeks van algemeene gegevens 
noemen, en alles wat zich niet onder algemeene regels 
laat brengen als toevallig, d. w. z. voor hem onwezenlijk, 
ter zijde laten. Of met andere woorden: de natuuronder- 
zoeker kiest voor zijn beschrijvingen onder al de te vormen 
oordeelen die uit, die betrekking hebben op het algemeene; 
hij kiest die uit, die zich niet alleen laten zeggen van dit 
eene object, maar van elk exemplaar dat tot dezelfde 
klasse behoort, en hoe algemeener zijn oordeelen gelden, 
des te liever is het hem. Daartegen laat zich de zeer voor 
de hand liggende opmerking maken, dat het natuuronder- 
zoek toch juist voortschrijdt door de meest nauwkeurige en 
gedetailleerde waarneming, en dat dus de natuuronder- 
zoeker, die deze vergadering bijwoonde, in plaats van op 
dié algemeenheden te letten wel zoo goed zou hebben 
gedaan al zijn aandacht te besteden aan een klein onder- 
deel dier gebeurtenissen, om dit zoo nauwkeurig mogelijk 
na te gaan, zooals indertijd Galileï in de kerk te Pisa de 
bewegingen van den slingerenden kroonluchter zoo nauw- 
keurig mogelijk trachtte vast te stellen. De opmerking is 
natuurlijk juist, maar — hoe aangenaam het mij persoonlijk 
ook zou wezen wanneer deze bijeenkomst tengevolge van 
die opwekking even wereldberoemd mocht worden als 
Galileï's kerkgang — ik kan ter wille van haar toch niets 
van mijn uitspraak terugnemen. Immers wat is het, dat 
Galileï uit de beweging van dien kroonluchter afleidde? 
Toch niet iets, wat alleen op dien luchter toepasselijk was? 
Neen, hij leidde er de algemeene slingerwetten uit af, die 
voor alle lichamen gelden. En alleen om die slingerwetten 



\ 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 49 

was de kroonluchter van belang. De waarneming was niet 
doel, maar middel. 

En hier hebben wij nu de eigenaardigheid vastgesteld 
van den band, die alle oordeelen, die natuurwetenschap- 
pelijke beteekenis hebben, tot een éénheid samenbindt. Die 
band is teleologisch. Alleen omdat een oordeel waarde heeft 
voor de kennis van het algemeene vindt het zijn plaats in 
de natuurwetenschap. En dat er een natuurwetenschap be- 
staat, d. w. z. een geheel van overtuigingen, dat een elk 
behoort te erkennen, kan dus alleen hij meenen, die er- 
kent, dat het verwerven van zoodanige algemeene kennis 
een deel uitmaakt van onze zedelijke roeping. 

Daaruit vloeit voort, hoe onjuist de opvatting is, dat 
natuurwetenschap en teleologie met elkaar in strijd zouden 
zijn. Die opvatting behoort tot de meest gangbare van onzen 
tijd; wij hebben haar nog onlangs — bedrieg ik mij niet 
zeer in de beteekenis der woorden — door een onzer be- 
kendste plantkundigen hooren verdedigen ^). Beteekent die 
uitspraak nu alleen , dat de plantkundige bijv. , om de alge- 
meene eigenschappen der planten te beschrijven, beter doet 
het aanwenden van het doelbegrip geheel te vermijden, dan 
is daartegen natuurlijk niets in te brengen, of juister, 
dan staat het alleen aan de plantkundigen de doelmatigheid 
daarvan te beoordeelen. Maar wenscht men, zooals meestal 
het geval is, daarmede „in naam der natuurwetenschap" 
op te komen tegen de meening, dat in de werkelijkheid 
zoo iets als doeleinden bestaan, waarnaar gestreefd wordt 
of behoorde gestreefd te worden, dan rijzen ernstige be- 
zwaren. Immers de raad komt dan hierop neer, ter wille 
van één der doeleinden, die men zich stelt, te verklaren, 
dat alle streven naar doeleinden hersenschimmig en dwaas- 



1) Prof. Went in De Gids van 1906. 



50 TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 

heid is. En die raad herinnert dan maar al te zeer aan de 
handelwijze, die de Duitschers noemen: Den Teufel mit 
Beëlzebub austreiben. 

Nu verdient het echter overweging, of de natuurweten- 
schappelijke methode om uit de oneindigheid der ware oor- 
deelen de wetenschappelijk belangrijke uit te kiezen, wel 
de eenige is? Stel eens, dat wij in stede van een natuur- 
onderzoeker, iemand anders, die zeer speciaal in mij be- 
lang stelt, uitnoodigden een beschrijving te geven van deze 
bijeenkomst. Hij zal ongetwijfeld geheel anders handelen 
dan de natuuronderzoeker. Al de oordeelen, die deze be- 
langrijk achtte, zal gene ter zijde laten, en waarom? Juist 
om dezelfde reden , waarom zij den eersten belangrijk waren , 
d. w. z, omdat het oordeelen waren, die gelden voor elke 
redevoering, waar ook gehouden. Mijn vriend daarentegen 
zal zich juist ten taak stellen die punten op te zoeken, 
waarin de rede niet met andere overeenstemt, hij zal zoo- 
veel mogelijk verzamelen al wat als bijzonder kenmerkend 
alleen haar toekomt. Daarbij echter komt hij in moeilijk- 
heden; immers het schijnt of hij nu toch weer die geheele 
oneindigheid van oordeelen zou moeten vellen, waartoe de 
werkelijkheid gelegenheid geeft. Want elke bijzonderheid, 
die zich in deze kamer heeft voorgedragen, heeft zich nooit 
in eenige andere rede juist zóó toegedragen, noch zal zij 
zich ooit weer zoo toedragen. Maar mijn vriend zal zich 
daaruit weten te redden, door alleen dat in zijn beschrij- 
ving op te nemen, waaraan hij een speciale waarde voor 
de kennis dezer gebeurtenis toekent. Zoo zal hij niet de 
inktvlekken op de tafels, maar wel de toehoorders tellen, 
en die toehoorders zullen voor hem niet, zooals voor den 
natuuronderzoeker eenvoudig „menschen" zijn, d. w. z. 
levende wezens van zoodanige gedaante en bouw, neen 
hij zal de namen opteekenen, dat juist deze menschen, deze 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 51 

bepaalde personen, hier aanwezig waren is voor hem van 
belang voor zijn einddoel. 

Het spreekt vanzelf, dat zulk een beschrijving niet een 
wetenschappelijke zal zijn, d. w. z. wat hij opnoemt heeft 
wel groot belang voor hem — en voor mij — maar er kan 
niet gezegd worden , dat deze beschrijving van de werke- 
lijkheid voor ieder, objectief geldig is. Maar dat ligt niet 
aan de methode, die de keuze geleid heeft. Immers nemen 
wij een andere redevoering dan juist deze, bijv. de rede, 
die Luther hield op den Rijksdag te Worms. Het is duide- 
lijk, dat wanneer men deze rede beschrijft naar de zooeven 
genoemde methode, die de tegenstelling is tegenover die 
der natuurwetenschappen, wanneer men dus niet opgeeft 
datgene, wat die redevoering met andere redevoeringen ge- 
meen heeft, maar juist wat haar daarvan onderscheidt, en 
wanneer men dan het onderscheidende zóó kiest, dat het 
doet uitkomen in welke betrekking die rede staat tot ob- 
jectief geldige waarden, dat men dan, zeg ik, ook evenzeer 
een objectief geldige, dat is een wetenschappelijke beschrij- 
ving verkrijgt. Of concreter, en daarom misschien duide- 
lijker uitgedrukt: Een beschrijving van Luther's rede, die 
datgene aangeeft, wat invloed geoefend heeft op het gods- 
dienstige en staatkundige leven, moet als objectief geldig, 
als wetenschappelijk beschouwd worden door ieder, die in 
de wetenschap slechts ziet een uiting van diezelfde zede- 
lijke natuur van den mensch, waarvan ook zijn religieus 
en staatkundig leven uitingen zijn. 

Gij zult mij niet de voor de hand liggende opmerking 
tegenwerpen — een opmerking, die in nauw verband staat 
met de andere, die ik reeds terugwees — dat ten onrechte 
deze twee methoden van wetenschappelijke beschrijving, 
die gericht op het algemeene, en die op het individueele, 
tegenover elkander worden gesteld, want dat in geen der 



52 TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 

bestaande wetenschappen, welke ook, uitsluitend de eene 
of uitsluitend de andere wordt toegepast, maar dat elke 
wetenschap van beide methoden gebruik maakt. De opmer- 
king is zeker juist, maar zij doet wederom niets ter zake. 
Zoo weet ook de physicus zeer wel, dat in de natuur 
zuivere stoffen niet voorkomen , en mocht hij het een oogen- 
blik vergeten , dan scherpt de tijdroovendste en langwijligste 
van alle laboratoriumsarbeid hem in, dat werkelijk zuivere 
stoffen ook op geenerlei wijze in de werkelijkheid te ver- 
krijgen zijn. Maar desondanks weet de physicus, althans 
de Nederlandsche physicus, zeer goed, dat hij, vóórdat hij 
aan de studie der mengsels begint, een nauwkeurige studie 
moet maken van de enkelvoudige, de zuivere stoffen. Op 
dezelfde wijze zal ook de beoefenaar der logica de ver- 
schillende wetenschappelijke methoden afzonderlijk moeten 
bestudeeren, al weet hij ook in de werkelijkheid geen 
wetenschap, ja geen wetenschappelijk onderzoek aan te 
wijzen, dat uitsluitend gebruik maakt van één methode, 
hetzij deze een der genoemde is of een andere. 

Een andere , want naast de twee genoemde methoden van 
wetenschappelijke beschrijving staat minstens nog een derde, 
waarmede ik uitdrukkelijk de mogelijkheid wil openlaten, 
dat er nog meerdere zijn. Immers het is duidelijk, dat men 
behalve de oordeelen, die deel uitmaken van de beschrij- 
vingen van den natuuronderzoeker en den historicus, nog 
andere objectief geldige, dus wetenschappelijke oordeelen 
moet kunnen vellen. In de eerste plaats al die oordeelen, 
die zeggen, of de inhoud mijner rede juist was of niet, de 
oordeelen , die aangeven waar ik gelijk had , waar ik dwaalde. 
Met andere woorden, ri|en kan die rede aan kritiek onder- 
werpen, men kan bepalen, welke waarde die rede heeft. 
En men behoeft zich daarbij niet aan het criterium der 
waarheid of onwaarheid te houden; men kan ook andere 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 53 

criteria aanwenden; andere maatstaven aanleggen. Mits die 
maatstaf slechts objectief geldig zij, zal de beschrijving 
wetenschappelijk moeten worden genoemd. Of met andere 
woorden; van elk voorwerp, elke handeling, kortom alles 
wat in de empirische werkelijkheid gegeven is, kunnen wij 
een beschrijving geven , die zich ten doel stelt aan te toonen , 
óf en zoo ja welke waarde dit voorwerp, deze handeling 
heeft ten opzichte van al die doeleinden, die als objectief 
geldig worden erkend krachtens de zedelijke natuur van den 
mensch. Zulk een wetenschappelijke beschrijving nu schijnt 
mij de taak der philosophie. 

Een tweeledige taak schijnt mij derhalve voor deze wegge- 
legd. Vooreerst dient zij te ontwikkelen het systeem der 
objectief geldige waarden ^). Dit is natuurlijk niet zoo te ver- 
staan, dat zij die waarden als objectief geldig zou hebben 
te bewijzen. Van hem die ingezien heeft, dat elk bewijs 
zich richt tot den zedelijken mensch, dat elke redeneering 
alleen bewijskracht bezit voor hem, die de waarheid wil, 
ligt natuurlijk niets verder verwijderd dan de poging de 
waarde van de schoonheid te demonstreeren voor hem , die 
het schoone niet zien wil, of de waarde van de vroomheid 
voor hem, die het heilige niet wil erkennen. Op den onwil 
stuit elke menschelijke macht af; het geweten blijft het 
fundamenteelste, zoo ten kwade als ten goede. Slechts dit 
vermag wetenschap, dat zij den mensch brengt tot zelfbe- 



1) In elke wereldbeschouwing, die aanspraak kan maken op wetenschappe- 
lijkheid, d. w. z. objectieve geldigheid, die dus meer wil zijn dan „Begriffs- 
dichtung" zal natuurlijk het onderzoek naar de geldigheid van kennis, en de 
nadere bepaling van het ideaal der kennis een gansch bijzondere plaats moeten 
innemen; die tak der wijsbegeerte, die zich met dat onderzoek bezig houdt, 
de kennistheorie, zal den grondslag moeten vormen van het geheele systeem, 
waaruit echter geenszins voortvloeit dat zulk een wereldbeschouwing intellec- 
tualistisch zou moeten zijn, d.w. z. dat zij aan het ideaal der kennis eenzijdig 
een hoogere waarde zou moeten toekennen dan aan de andere objectief gel- 
dige waarden. 



54 TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 

zinning, dat zij hem duidelijk bewust maakt, welke waarden 
het zijn, die hij, vaak geheel onbewust, vaak vaag gevoeld, 
door zijn handelen toont te erkennen. En daardoor zal zij 
tevens eenheid brengen in die erkenning, zal zij het duidelijk 
maken, dat men niet ter wille van de eene de andere be- 
hoeft te miskennen ; dat men de schoonheid niet om de vroom- 
heid , noch de vroomheid ter wille van de waarheid behoeft 
op zijde te zetten. Zoo zal de wijsbegeerte weer de taak 
hebben te aanvaarden, die men haar te kwader ure als 
onwetenschappelijk heeft willen ontnemen: doel en bestem- 
ming te bepalen van den mensch. 

Maar daarmede is haar taak niet afgeloopen. Van de 
geheele werkelijkheid, thans of vroeger bestaande, heeft zij 
de beteekenis, den zin, ons aan te geven; d. w. z. zij zal 
hun waarde hebben te bepalen , gemeten aan haar objectief 
geldige waarden. Naar hunnen aard zullen sommige voor- 
werpen zich alleen laten meten aan den eenen maatstaf, 
andere aan den anderen ; sommige zullen op verschillende wijze 
beteekenis hebben , vele op geen enkele. Zoo ligt de be- 
teekenis van de wet van Avogadro hoofdzakelijk in haar 
betrekking tot onze theoretische kennis; de beteekenis van 
de Hervorming ligt hoofdzakelijk op religieus gebied, die 
van Rembrandt op het gebied van de kunst. Maar toch niet 
uitsluitend : want de wet van Avogadro heeft ook „praktische" 
beteekenis; de Hervorming heeft ook beteekenis gehad voor 
het maatschappelijk en staatkundig leven; Rembrandt heeft 
ook waarde voor ons religieus bestaan. In dien zin het 
geheele historische leven , zooals het óf reeds achter ons ligt, óf 
nog ons omringt, te leeren verstaan is de taak van de 
verschillende philosophische wetenschappen. In dien zin heeft 
de rechtsphilosophie ons rechtsleven te onderzoeken , de ethica 
onze zeden en gewoonten en ons zedelijk leven (in engeren 
zin); de godsdienstphilosophie onderzoekt op die wijze het 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 55 

religieuze leven, de aesthetica dat van de kunst, de philo- 
sophie der geschiedenis stelt den zin vast van de 
geschiedkundige ontwikkeling als een geheel; in dien zin 
eindelijk onderzoekt de natuurphilosophie de natuur, de 
logica ^) het v^etenschappelijk leven , zooals het als produkt 
van historische ontwikkeling voor ons ligt. 

Laat mi] bij de laatste nog even stilstaan. Maar voor ik 
daartoe overga nog enkele opmerkingen over het gezegde. 
Men zal de levens- en wereldbeschouwing, die uit deze 
kenschetsing van de taak der wijsbegeerte spreekt, anthro- 
pocentrisch noemen. Inderdaad, zij is het; in zeker opzicht 
heeft Protagoras gelijk en blijft de mensch voor den mensch 
de maat aller dingen. Maar laat mij vragen, is er een 
andere dan een anthropocentrische wereldbeschouwing? 
Wij kennen het antwoord: „die der zuivere natuurweten- 
schap". Inderdaad? Is het zoo veel minder anthropocentrisch , 
onder alle ware oordeelen alleen die als wetenschappelijk 
geldig te erkennen die waarde hebben voor den mensch 
om hem in staat te stellen, hetzij — theoretisch — , de toekomst 
der dingen te voorspellen, hetzij — praktisch — , die dingen te 
doen gehoorzamen aan zijn wil? 

Mijn tweede opmerking knoopt zich vast aan den naam , 
dien men het best der philosophie kan geven , wier taak 



1) Het is uit den tekst in verband met de noot op bladzijde 30 wel 
duidelijk, dat de logica, zooals zij hier bedoeld is, moet zijn „kennis-theore- 
tische" logica, in dien zin althans, dat zij niet mogelijk is zonder voorafgaand 
kennis-theoretisch onderzoek. Waar ik dan ook in de volgende bladzijden 
spreek van een beperking van mijn onderzoek tot de logica, daar is de kennis- 
theorie niet uitgesloten, maar integendeel als ingesloten bedoeld. Eigenlijk- 
logische en kennis-theoretische overwegingen trouwens zullen bij de hier ge- 
schetste opvatting van beide voortdurend zóó in elkaar grijpen — deze rede 
zelve toont het — dBt het nauwelijks mogelijk is, in elk geval volkomen nauw- 
keurig te bepalen, waar de grens ligt. 

In het voorgaande ligt niet opgesloten, dat ik beslist partij zou kiezen tegen 
elke opvatting der logica, die haar als „formeele" logica kenschetst. Maar het 
is niet mogelijk, hier verder op dit punt in te gaan. 



56 TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 

ik trachtte af te bakenen. Mij dunkt, dat men ditstelsel van wijs- 
begeerte het best zal aanwijzen als het systeem van het 
transcendenteel idealisme. Transcendenteel idealisme, omdat 
het idealisme is, dat gebaseerd is op een onderzoek van 
het wezen der wetenschap , omdat zijn methode niets anders 
zijn wil dan de consequentie , de voortzetting van de „transcen- 
dentale Methode" die door Kant geïnaugureerd werd. En 
een systeem? Zeker een systeem in zooverre, dat wat hier 
tot de philosophie wordt gerekend niet is een ordelooze 
hoop wetenswaardigheden, maar één geheel, dat door één 
leidende gedachte wordt beheerscht. Maar dit „systeem" 
onderscheidt zich dan toch van alle andere philosophische 
stelsels daardoor, dat het niet is een afgesloten geheel, 
dat het niet meent — zooals Kant zelf nog geloofde — 
dat men eenig deel der philosophie ooit als kant en klaar, 
als voor alle tijden voltooid zou kunnen beschouwen. Immers 
datgene, wat ten slotte het object dezer philosophie is, is 
de werkelijkheid , de historische en ons omgevende 
werkelijkheid in haar oneindige ontplooiing en ontwikkeling. 
Die werkelijkheid — wij zagen het reeds in den aanvang 
dezer beschouwingen — is irrationeel; zij laat zich niet 
uit eenig beginsel afleiden; haar toekomst in haar indivi- 
dueele ontplooing laat zich niet voorspellen. En daarom 
zullen de beide hoofdproblemen, die wij onderscheidden, 
nooit als definitief beantwoord gelden. Want niets kan de 
onmogelijkheid aantoonen, dat bij de reeks van objectief 
geldige waarden, die de philosophie in hun samenhang 
zal aanwijzen , zich andere, nog niet vermoede, zullen komen 
voegen. Immers die waarden laten zich niet — ik zeide 
het reeds — op een of andere wijze afleiden, niet demon-, 
streeren; zij laten zich alleen als, hoe vaag dan ook erkend 
in de historie, in de handelingen der menschen aanwijzen. Ware 
er nergens eenig spoor van schoonheidsgevoel, dan zou geen 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 57 

philosophie het goed recht der kunst kunnen aantoonen ; be- 
stond nergens religieuze zin , hoe zwak ook , dan zou geen phi- 
losophie bij machte zijn, dien te wekken. De philosophie 
kan alleen aanwijzen , dat uit de handelingen der menschen 
erkenning dezer waarden spreekt, en hun samenhang aan- 
toonen , zooals die blijkt uit de historie. Maar dan kan 
ook niet ontkend worden, dat steeds nieuwe, rijkere ont- 
wikkeling nieuwe plichten kan meebrengen . dat de taak 
van den mensch veel grooter kan blijken, dan wij thans 
vermoeden. En de omschrijving van die taak, van dien 
plicht, van datgene wat de mensch behoort te vervullen, 
zal dus nooit als afgewerkt kunnen gelden. En zeker is het, 
dat dit zich steeds wijzigende en ontwikkelende leven 
steeds nieuwe verschijnselen zal voortbrengen en dus steeds 
opnieuw de vraag zal stellen: Wat is de beteekenis, de 
zin van dit alles?, die alleen de wijsbegeerte kan beant- 
woorden. 

Daarmede verandert tevens ten eenen male de verhouding 
van de wijsbegeerte tot de empirische wetenschappen. De 
wijsbegeerte, zóó opgevat, zal niet trachten den empiri- 
schen wetenschappen voor te schrijven tot welke uitkomsten 
zij moeten komen ; integendeel , zij zal vele vragen , die 
men steeds gewoon is geweest wijsgeerige te noemen ter 
beantwoording naar de empirische wetenschappen moeten 
verwijzen. Of alle natuurbeloop mechanisch is of niet? — 
hoe het levende met het levenlooze samenhangt? — wat 
de meest algemeene eigenschappen zijn der lichamen of 
van de krachten, die zij op elkander uitoefenen? — of er 
physische verschijnselen zijn zonder psychische keerzijde of 
niet ? dat zijn vragen , waarin de wijsbegeerte zich niet- 
competent zal hebben te verklaren , maar die zij moet ver- 
wijzen naar de natuurwetenschap, zij het dan ook een 
algemeene natuurwetenschap, die noch physica, noch psy- 



58 TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 

chologie mag zijn, maar die de resultaten van beide moet 
verwerken, en die men misschien het beste als metaphy- 
sica ^) aanduidt. Slechts dit kan de wijsbegeerte verlangen, 
dat de metaphysicus, als elk ander wetenschappelijk onder- 
zoeker, zich rekenschap aflegge van het doel, dat alle 
wetenschap beoogt, ja door den metaphysicus moet dit, 
om den aard der problemen die hij behandelt, meer dan 
door eenigen anderen natuuronderzoeker worden in 't oog 
gehouden. 

Dus niet in botsing komt de wijsbegeerte met de empi- 
rische wetenschappen , integendeel zonder die wetenschappen 
kan zij zelve haar taak niet vervullen , nauwelijks aanvangen. 
Want hoe zal zij de beteekenis, den zin van het bestaande 
leeren verstaan, wanneer niet eerst objectief geldig is uit- 
gemaakt wat bestaat en bestaan heeft? Ja, omdat zij zich 
zal hebben bezig te houden niet met hersenschimmen of 
algemeenheden, maar alleen met de werkelijkheid zelve, 
mag men haar ten slotte zelve een der empirische weten- 
schappen heeten. 

Keeren wij thans terug tot de logica. Want, hoe aan- 
trekkelijk ook het onderzoek moge zijn, dat wij leerden 
kennen als de taak der andere philosophische wetenschappen , 
hoe aanlokkelijk het moge zijn zich bezig te houden met 
die hoogste , tegelijk met die moeilijkste van alle vragen , 
die de ethica, de aestethica, de godsdienstphilosophie be- 
handelen, voor mij acht ik die taak — althans in afzien- 



1) Ik denk daarbij aan een metapliysica, zooals zij in ons land door Prof. 
Heymans wordt voorgestaan; ongetwijfeld zijn een aantal van de door zulk 
een metapliysica behandelde vragen zuiver natuurwetenschappelijke, maar ik 
wil volstrekt niet zeggen dat alle vragen die van ouds in de metaphysica 
behandeld worden, natuurwetenschappelijke zijn. Een groot deel van wat in 
Aristoteles' Eerste Philosophie voorkomt, en sedert in de metaphysica is be- 
handeld, behoort bij onze indeeling thuis in de kennis-theorie. 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 59 

baren tijd — niet weggelegd. Al ware het alleen , omdat ik 
meen dat nog andere arbeid dan deze mij wacht, zal ik 
mij in mijn philosophisch onderzoek beperken tot de logica, 
dien tak der philosophie die het wetenschappelijk leven 
bestudeert. 

V Maar niet alleen als tak van philosophie zal ik de logica 
kunnen opvatten. Ik legde er reeds den nadruk op, dat de 
philosophie in den zin waarin ik haar opvat, als de weten- 
schap van de waarde , de bestemming der dingen , niet kan 
buiten de empirische wetenschappen, met name de natuur- 
wetenschappen en de historie. Voordat men de waarde van 
eenig deel der werkelijkheid kan bepalen, moet men weten 
eenerzijds, welke eigenschappen het heeft als exemplaar 
van een klasse, anderzijds wat het als individu van al zijn 
klassegenooten onderscheidt. Zoo ook voor de logica. Als 
tak van philosophie is zij teleologische logica, d. w. z. zij 
zal van de hulpmiddelen van iedere afzonderlijke weten- 
schap, de begrippen, oordeelen, methoden dier wetenschap, 
een beschrijving hebben te geven met het oog op het doel , 
dat die wetenschap tracht te bereiken , of met andere woor- 
den, zij zal hebben te verstaan, hoe de structuur dier 
wetenschap samenhangt met het doel , dat die weten- 
schap beoogt. Maar daarbij zal zij zich moeten baseeren 
op de geschiedenis dier wetenschap eenerzijds, anderzijds 
op een wetenschap, die beschrijft, welke eigenschappen 
elk oordeel, elk syllogisme, elk begrip, of wel elk natuur- 
wetenschappelijk of zelfs elk chemisch begrip bezit, niet 
met het oog op zijn bestemming, maar eenvoudig als exem- 
plaar van de klasse der oordeelen, der syllogismen of der 
begrippen, of wellicht van de onderklasse der natuurwe- 
tenschappelijke, ja der physische of chemische begrippen. 
Die wetenschap schijnt mij het best aangeduid als natuur- 
wetenschappelijke logica, omdat haar onderwerp de weten- 



60 TRANSCENDENTEEL IDEALISA^E. 

schap is, en zij dit onderzoei^t op de wijze der natuur- 
wetenschappen. 

De geschiedenis der wetenschappen nu kan ii<: als gegeven 
vooronderstellen; wel wordt zij èn elders in ons land, èn 
ook aan deze Universiteit slechts weinig opzettelijk beoe- 
fend, maar ook zonder opzettelijke beoefening brengt de 
studie van elke wetenschap toch tevens altijd meerdere of 
mindere kennis van haar geschiedenis mede. En gelukkig, 
dat ik èn bij mij zelf, èn bij mijn hoorders een dusdanige, 
zij het dan ook oppervlakkige kennis van de geschiedenis 
der — althans van eenige — wetenschappen mag aanne- 
men; anders zou ik door de talrijkheid der voorstudies wel 
nooit tot mijn eigenlijk werk komen. Slechts hier en daar 
zal ik door voorbeelden , zooals ik ook heden gebruikte, een 
beroep op die kennis behoeven te doen. Alleen van de ge- 
schiedenis der wijsbegeerte en speciaal der logica zal ik, 
ter verduidelijking, systematische uiteenzetting niet geheel 
kunnen ontberen. 

Maar de „natuurwetenschappelijke logica" mag ik niet 
als bekend veronderstellen en ik zal dus daarover niet 
kunnen zwijgen. Ja, het zal vaak moeilijker zijn, er niet, 
dan er wel over te spreken. Want niet alleen, dat de schei- 
ding tusschen de beide takken der logica nog nooit in dé- 
tails is doorgevoerd, zij is nog nauwelijks aangeduid, zelfs 
in de baanbrekende nieuwere werken, die ik U noemde. 
Voor zoover ik zien kan doorkruisen zich bij Sigwart voort- 
durend teleologische en „natuurwetenschappelijke" beschrij- 
ving, ja soms gaat het teleologische karakter geheel ver- 
loren. En Lotze, die zoo sterk den nadruk legt op het 
teleologisch karakter zijner logica , bepaalt zich veel te veel tot 
datgene, wat aan alle wetenschappen eigen is, dringt te weinig 
in de afzonderlijke wetenschappen door, om zijn teleolo- 
gische methode geheel tot haar recht te doen komen. Zoo 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 61 

durf ik dan ook zeker nog niet de verzekering te geven, 
dat het mij gelukken zal overal in détails duidelijk de 
splitsing tot haar recht te doen komen, wier juistheid in 
principe mij onbetwijfelbaar voorkomt. 

Maar omdat, naar ik zooeven reeds opmerkte, voor een 
behoorlijke beoefening der logica in den geest, als ik dat 
geschetst heb, indringen in de speciale vormen en methoden 
der speciale wetenschappen noodig is, is het veld, dat ik 
afbakende, nog veel te ruim. En dat niet alleen, omdat 
voor de logische studie der staathuishoudkunde bijv. gron- 
diger kennis dier wetenschap noodig is, dan de populaire 
noties, waarover ik slechts beschik, maar omdat van te 
voren mag ondersteld worden, dat dit onderzoek niet uit- 
sluitend logisch zal blijven, maar in nauw verband zal be- 
hooren te geschieden met rechts- en staatsphilosophie, 
zooals het onderzoek der theologische wetenschappen niet 
zal kunnen geschieden zonder gelijktijdige beoefening der 
godsdienstphilosophie. Om die dubbele reden dus zal ik mij 
moeten beperken, en het ligt voor de hand, dat ik mij het 
eerst zal wijden aan de mathematische natuurwetenschappen 
en die wetenschappen, die daarnaast, hetzij door gelijkheid 
van doel hetzij door tegenstelling, het meest in aanmerking 
komen. 

In de eerste plaats dus zal ik mij wenden tot U, mijne 
Dames en Heeren Studenten in de natuurwetenschappen. 
Ik haalde in het begin dezer rede met instemming een 
epigram van Schiller aan als van blijvende waarde. Maar 
evenzeer van Schiller's hand is ook deze waarschuwing: 
An Naturforscher und Transcedental-Philosophen. 

Feindschaft sei zwischen Euch. Noch kommt das Bündnis 

[zu frühe: 

Wenn ihr im Suchen Euch trennt, wird erst die Wahr- 

[heit erkannt. 



62 TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 

Moge de toekomst bewijzen, dat dit puntdicht zijn tijd 
heeft gehad. 

Maar niet minder zal ik het op prijs stellen, mijne Dames 
en Heeren Studenten der andere faculteiten, wanneer mijn 
onderwijs Uw belangstelling mag wekken. Omzijn onderwerp 
heeft het daar, naar ik meen, recht op. Het speciale onder- 
zoek der natuurwetenschap misschien alleen daarom reeds, 
omdat het zal toonen, waarom Gij weerstand moet bieden 
aan den zoo vaak gehoorden eisch alle wetenschap te 
schoeien op de leest der natuurwetenschap. En het alge- 
meene deel, waaraan ik mij in de allernaaste toekomst zal 
wijden, zal U naar ik hoop het wezen van alle wetenschap 
beter doen verstaan. Wellicht mag het mij dan nog vergund 
zijn een van U allen op te wekken tot het speciale onderzoek 
van zijn wetenschap, dat ik thans nog niet kan ter hand 
nemen, al hoop ik ook, wanneer mij de tijd en de kracht 
niet ontbreken, in de toekomst andere wetenschappen dan 
de genoemde, met name de rechtswetenschap, in den kring 
mijner logische onderzoekingen te kunnen trekken. 

En ten slotte tot U allen dit. Gij zult wellicht van hier 
gaan met een onbevredigd gevoel, omdat velerlei is behan- 
deld, maar waarschijnlijk overal vraagteekens zijn blijven 
staan. Ik zou U willen antwoorden, dat voor een aanvangs- 
college zeker niets gewenschter is, dan dat het vele onbe- 
antwoorde vragen achterlaat. Maar ook mijne colleges 
zelf zullen, naar ik hoop, U het vragen niet doen verleeren. 
Want al behoor ik niet tot hen, die meenen, dat hij de 
beste docent in de wijsbegeerte is, die zelf niet een eigen 
meening over wijsbegeerte bezit, of althans die zooveel 
mogelijk tracht te verbergen, wel meen ik, dat mijn lessen 
zeker vruchtdragend zullen mogen genoemd worden, wanneer 
zij er toe zullen meewerken U te leeren op de rechte wijze 
vragen te stellen. 



TRANSCENDENTEEL IDEALISME. 



63 



Voor heden rest mij slechts, mijn dank te betuigen aan 
Edel Achtbare Heeren Burgemeester en Wethouders van 
Amsterdam, aan Edel Grootachtbare Heeren Curatoren dezer 
Universiteit, aan den Rector Magnificus en aan den Akade- 
mischen Senaat en inzonderheid aan de Hooggeleerde Heeren 
Professoren in de Literarische Faculteit, dat zij mij in de 
gelegenheid hebben willen stellen aan deze Universiteit de 
taak te vervullen, die ik heb geschetst. 

Ik heb gezegd. 



NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 

DOOR 

J. CLAY. 



Sinds de laatste tientallen van jaren heeft de natuurweten- 
schap zich ijverig bezig gehouden met onderzoekingen , ten 
einde het wezen der natuur beter te leeren kennen. En 
niet alleen door waarnemingen heeft zij dit doel trachten 
te bereiken, meer dan ooit bloeit de theoretische natuur- 
wetenschap. 

Gedachten en voorstellingen van den meest verschillenden, 
en soms van tegenstrijdigen aard worden als hypothesen 
ten grondslag genomen voor beschouwingen, waarvan de 
resultaten op de natuur betrekking zullen hebben. 

Deze resultaten worden echter, zelfs bij zuiver logische 
en mathematische afleiding, niet onmiddellijk vertrouwd, 
omdat wij van te voren overtuigd zijn , dat de natuurver- 
schijnselen niet volkomen met een logische ontwikkeling 
parallel gaan, en omdat er een zekere onmeetbaarheid is 
tusschen geest en natuur. 

Niettemin zien wij, dat deze beschouwingen van groote 
toepasselijkheid zijn op de natuurverschijnselen, en goed 
geschikt, onze kennis van de natuur te vermeerderen. 

De beoefening der natuurphilosophie nu is noodig, om 
de leemte aan te vullen, die de natuurwetenschap zelve 
laat, omtrent hare grondbegrippen als ruimte, tijd, beweging, 
kracht, materie, atoom enz., en het verband tusschen deze. 



NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 65 

In de volgende bladzijden is het doel , den lezer in 
overweging te geven, de waarde van de beoefening der 
natuurphilosophie naar aanleiding van de atomistische 
theorie der materie , zooals deze in de tegenwoordige natuur- 
kunde geldt. De chemische atomistiek is er buiten gelaten, 
al geldt voor haar in vele opzichten hetzelfde. 

De natuurkunde is in haar opvatting van de stof uitge- 
gaan van de zintuigelijke waarneming, en wel óf van de 
aanschouwing van vloeibare, óf van die van vaste lichamen. 
De theorie, die van de vloeistof uitgaat, komt tot de op- 
vatting van een volkomen continue vulling der ruimte, 
terwijl de andere aanneemt , dat de stof bestaat uit discrete, 
vaste deeltjes. 

Het uitgaan van de vloeistof leidt tot de continuiteits- 
theorie, het uitgaan van den vasten aggregaatstoestand, 
leidt tot de atomistische en moleculaire theorie ^). 

Beide theorieën hebben gemeen, dat ze de eigenschappen, 
resp. der vloeistof en der vaste stof tot uiterste volkomen- 
heid maken; d. w. z., de vloeistof moet zuiver bewegelijk, 
zonder wrijving, moet onsamendrukbaar zijn; het toegeven 
aan beweging moet volkomen zijn. Evenzoo gaat de mole- 
culaire theorie uit van volkomen weerstand biedende , harde , 
veerkrachtige kleine lichaampjes, gescheiden door volkomen 
ledige ruimte. 

Beide onderstellingen zijn, in verband met wat wij wer- 
kelijk waarnemen, niet toe te laten, maar noodzakelijk met 
het oog op algemeene grondregels, waarmee we in de 
natuurkunde moeten werken. De volkomen bewegelijkheid 
zonder wrijving van de vloeistof in de continuiteitstheorie, 
en de volkomen veerkracht van de moleculen in de atomis- 



1) Vergl. E. V. Hartmann. Die Weltanschauung der modernen Physik, blz. 162. 

5 



66 NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 

tische theorie, zijn noodig met het oog op de wet van het 
behoud van arbeidsvermogen, een beginsel, dat tot geen 
prijs opgegeven zal worden ^). 

Wat nn de continuiteitstheorie betreft een korte opmer- 
king. Deze voert tot groote moeilijkheden. 

Een zuiver homogene vloeistof zelf kan de eigenschappen 
der materie niet verklaren, juist om haar overal indifferent 
karakter. Bovendien is het ontstaan of verdwijnen van een 
beweging in een continu gevulde ruimte onvoorstelbaar en 
onbegrijpelijk. 

Een voorganger in deze richting is Descartes geweest, 
maar het verst heeft Lord Keivin het gebracht met de onder- 
stelling van zijn wervelringen. Hij stelt zich voor dat het 
heelal gevuld is met een volmaakte vloeistof, waarin ring- 
vormige wervels zich kunnen voortbewegen, op de wijze 
van een O van tabaksrook. De materie is in zijne beschou- 
wing niet de vloeistof zelve , maar de bewegingswijze ervan. 

Uit deze beschouwingen komen zeer aardige dingen te 
voorschijn, b.v., dat de wervels quantitatief bepaald zijn, 
en gelijk blijven , dat met de beweging der wervels zelve, 
een afstooten bij aanraking gepaard gaat ^). Maar door 
hare buitengewone ingewikkeldheid leidt deze theorie niet 
tot resultaten, en is zij eer in staat, het begrip der materie 
onduidelijker te maken, dan te verhelderen. Er zijn ten 
overvloede verschillende elementen in aanwezig, die haar 
onhoudbaar maken, b.v. hoe in een onsamendrukbare, vol- 
komen continue vloeistof de verschillende deelen een druk 
op elkaar kunnen uitoefenen, een druk, die toch voor de 
beweging noodzakelijk is ^) en b.v. de eeuwige onverander- 



1) Vergl. Boltzmann, Vorlesungen über -Gastheorie, blz: 9. Stallo, The Con- 
cepts and Theories of Modern Physics, blz. 51. 

2) Verg. Maxwell, Atoni. Encycl, Britt. 111. blz. 45, 

3) Lorentz, Inaugureele Rede, blz. 14. 



NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMfSTIEK. 67 

lijkheid der wervelringen, die verondersteld moet worden. 

Ik zal niet verder op continuiteitstheorieën ingaan , maar zal 
liever dadelijk overgaan tot de discrete, atomistische theorie. 

De atomistische theorie zooals zij tegenwoordig in de 
physica ontwikkeld wordt, gaat uit van volkomen harde, 
door ledige ruimte gescheiden lichaampjes. Maar zij gaat 
bovendien uit van de onderstelling, dat die kleine lichaampjes 
in snelle beweging zijn. Zij neemt dus twee elementen aan , 
het harde, onveranderlijke lichaampje, het bewegelijke, en 
de beweging zelve. En juist de beweging zal ten slotte in 
deze theorie veel moeten verklaren, men noemt deze theorie 
daarom ook wel de moleculairkinetische theorie der materie. 

Allereerst wijs ik er nu op, dat de theorie, die van de 
voorstelling van het vloeibare uitgaat, onmogelijk den vloei- 
stoftoestand zelf opnieuw kan verklaren, zooals het voor 
een moleculaire theorie, die* van onveranderlijke harde 
moleculen uitgaat, onmogelijk is, den vasten aggregaats- 
toestand te verklaren. ^) Wanneer ze dit toch tracht te doen , 
zal ze niets verklaren, dan hetgeen ze van te voren had 
aangenomen. In dit verband denk ik aan een citaat van 
Helmholtz,-) waar hij zegt: „Uber die Atome in der theo- 
retischen Physik, sagt sir W. Thomson sehr bezeichnend, 
dass ihre annahme keine Eigenschaft der Körper erklaren 
kann, die man nicht vorher den Atomen selbst beigelegt 
hat. Ich will mich, indem ich diesem Ausspruch bei- 
pflichte , hiermit keineswegs gegen die Existenz der Atome 
erklaren, sondern nur gegen das Streben, aus rein hypotheti- 
schen Annahmen über Atombau der Naturkörper die Grund- 
lagen der theoretischen Physik herzuleiten". De moleculaire 
theorie heeft derhalve alleen succes met het verklaren van 



1) Vffl. E. V. Hartmann, Die W. d. M. Ph. blz. 162. 

2) Helmholtz, VorlrSge und Rede. II. blz- 47. 



68 NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 

den vloeistoftoestand, en voornamelijk van den gastoestand. 

De moleculaire of kinetische gastheorie is in latere jaren 
tot grooten bloei gekomen. Uit ervaring en uit experimen- 
ten weten we, dat een gas zeer bewegelijk is, en steeds 
tracht een zoo groot mogelijke ruimte te vullen. Dit blijkt 
uit de diffusie der gassen en uit den druk, dien een gas, 
dat in zekere ruimte is opgesloten, op de afsluitende wan- 
den uitoefent. Deze druk wil de theorie om te beginnen, 
verklaren. Zij doet dit, door zich voor te stellen, dat de 
bewegende lichaampjes voortdurend tegen de wanden aan- 
botsen. Door deze voorstelling verklaart men ook de wet 
van Boyle, dat de druk omgekeerd evenredig is met het 
volume. Hoe kleiner het volume is, des te meer zullen de 
deeltjes tegen de wanden botsen. Evenzoo de wet van Gay- 
Lussac, betreffende de regelmatige toename van den druk 
met de temperatuur, wanneer men aanneemt, dat de be- 
weeglijkheid grooter wordt, naarmate de temperatuur toe- 
neemt. Het gelukt daarbij, door gelijkstelling van de hoeveel- 
heid van beweging, die de wand voortdurend tengevolge van 
de aanbotsende deeltjes ontvangt, met den druk, dien de wand 
moet uitoefenen, om denzelfden stand te behouden, de gemid- 
delde snelheid uit te rekenen , die de deeltjes moeten hebben. 
Men vindt uit deze berekening zeer groote snelheden, bv, 
voor lucht 480 M. per sec, voor een waterstofmolecuul 
1840 M. per sec, bij een temperatuur van 0° Celsius. 

Deze snelheid moet men dus aannemen, om den druk 
der gassen te verklaren. We weten echter uit ervaring, dat 
een gas zich in zijn geheel niet met deze snelheid verplaatst, 
integendeel nemen we bijv. waar, dat bij diffusie de snel- 
heid, waarmee koolzuurgas in lucht doordringt, bij 0° en 
atmosferischen druk ongeveer IJ- m.M. per sec is. ^) Om 



1) o. E. Meijer. Die kinetische Theorie der Gase, blz. 267. 



NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 69 

dit verschijnsel met de groote snelheden der moleculen in 
overeenstemming te brengen , neemt men aan , dat de mole- 
culen een zekere uitgebreidheid hebben, en er daardoor 
een voortdurende botsing plaats heeft, zoodat een molecuul 
telkens slechts een heel klein eindje in een rechte lijn kan 
afleggen, om vervolgens door een botsing in een andere 
richting gebracht te worden. Met behulp van deze botsingen 
is het gelukt, de diffusie, de inv^endige wrijving, en de 
warmtegeleiding te verklaren. Aangezien het aantal botsingen 
met de grootte der moleculen samenhangt, zal dan hieruit 
achterna de grootte der moleculen kunnen bepaald worden , 
en is het geheele systeem dat van te voren slechts qualitatief 
aangenomen kon worden, qiiantitatief bepaald. 

Het voordeel van deze beschouwing is, dat betrekkelijk 
vele en zeer verschillende verschijnselen een gemeenschap- 
pelijken verklaringsgrond hebben verkregen , waaruit die 
verschijnselen gemakkelijk in samenhang te overzien zijn. 

Aristoteles zegt in de Metaphysica ^) dat de verwondering 
het begin der kennis is. Maar slechts het begin. Immers, 
de wetenschappelijke en weetgierige mensch wil niet in 
dezen toestand blijven, maar vraagt zich af, uit welken 
grond het waargenomene geschiedt. Hij laat dus het ver- 
schijnsel niet als zoodanig, niet in zijn onmiddellijkheid 
gelden, en de dialectische aard van het begrip brengt hem 
er toe, het verschijnsel te denken als iets anders, als een 
gevolg van een niet waargenomen grond. Dit streven openbaart 
zich, als in de wetenschap een verklaring gevraagd wordt. 

Het verstand voelt zich echter bij dezen eersten grond 
slechts zóó lang tevreden , tot de grond zelf verklaard moet 
worden , met andere woorden , tot de grond als iets onmid- 



1) Aristoteles. Metaphysica. 982b. 



70 NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 

dellijk gegevens genomen wordt, dat niet op zichzelf geldt, 
en als gevolg gedacht moet worden. 

Op deze wijze doorgaande , vervalt men in een eindeloos- 
heid en in dezen gedachtengang heeft het vragen naar een 
laatsten grond zelfs geen zin. Nooit kan deze verklarings- 
zucht tevreden gesteld worden, en hoe sterker zij is, des 
te minder is zij te bevredigen. 

Slechts het redelijke of volledige begrip is in staat deze 
zucht te overwinnen. In het begrijpen wordt niet altijd één- 
zijdig naar een grond gezocht, maar de betrekkelijke gel- 
digheid begrepen van den grond, als gevolg in aanleg, en 
van het gevolg, als tot ontwikkeling gekomen grond. De 
geldigheid of waarde van den grond als zoodanig vermeer- 
dert nu, naar gelang het gevolg van meer waarde en van 
grooter geldigheid is. Zoo is de moleculair beweeglijk ge- 
dachte materie een verklaringsgrond voor een verscheiden- 
heid van verschijnselen, als druk, diffusie, warmtegelei- 
ding, inwendige wrijving. Daarom is zij als grondvoor- 
stelling van zooveel waarde. Wat men ook kwaads van 
haar moge beweren, het moet gezegd worden, dat zij als 
grondbegrip, als grondvoorstelling van zooveel verschijn- 
selen tegelijk, van groote beteekenis is. 

Zij ontgaat echter haar noodlot niet. Op verschillende 
wijze wordt haar bestaan bedreigd. 

De meest onmiddellijke, en door mijn betoog in het oog 
vallende bedreiging is b.v, wel , dat zij zelf als een gevolg 
wordt opgevat, dat men vraagt naar een verklaring voorde 
voortdurend gelijkmatige bewegelijkheid der kleinste lichaamp- 
jes, welker aantal en eigenschappen altijd gelijk blijven. 

Ik denk hierbij aan een uitlating van J. G. Vogt ^) 
waarin hij zegt: „Es gibt nichtsabsurderes, als der moderne 



1) J. G. Vogt. Das Wesen der Electrizitat und Magnetismus, blz. 7. 



NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 71 

kinetische Substanzbegriff nach welcliem die Materie aus 
Atomen oder dislcreten Massenteilchen besteht, die in der 
monotonsten Weise durch alle Ewigheiten hin und her- 
schwingen. Etwas stupideres und sinnloseres ist kaum denk- 
bar, und nur trockene, vom Büclierstaube derjahrhunderte 
verschüttete Physiker konnten eine solche trostlose Idee 
aushecken." 

In de eerste plaats zou men hier kunnen vragen , waarom 
of het wél troostvol zou moeten zijn; en waarom niet 
zinneloos? In tegenoverstelling met den geest, is juist de 
materie zonder inwendigen zin , zonder doel. Hij zou het- 
zelfde kunnen zeggen van een zwerm muggen , die wij 
doelloos en zinneloos in de lucht dooreen zien dansen en 
wirrewarren. Deze zou kunnen dienen als het zichtbare 
beeld van de kinetische theorie der materie. 

Maar hoe dit zij , zoodra wij ons richten op de grond- 
aanname zelve, en wij deze niet als een postulaat willen 
laten gelden , maar willen denken als een logisch en ge- 
rechtvaardigd resultaat, treden allerlei moeilijkheden op. 

Bestaan de moleculen in de natuur buiten ons? 

Door waarneming zijn wij niet gerechtvaardigd in onze 
atomistische opvatting. Trouwens , zoo wij dat wél waren , 
was de onderstelling niet noodig. Wij hebben, de alle aan 
elkaar gelijke kleinste deeltjes nooit gezien , en zullen ze 
nooit zien. Uit de wrijvings-diffusie- en capillariteitsverschijn- 
selen komt men door berekening tot een getal van 1 X 10"^ 
tot 3 X 10"^ m.M. voor de doorsnede van de werkingssfeer 
der moleculen van verschillende stoffen ^). De golflengte 
van het violette licht is nu ongeveer tweehonderd maal 
zoo groot, en aangezien het slechts mogelijk is deeltjes te 
onderscheiden van een afmeting, die minstens 0,3 maal de 



1) o. E. Meijer, Die kinetische Theorie der Gase, blz. 322 en vig. 



72 NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 

golflengte van het licht is, zullen wij deze kleine lichaampjes 
nooit te zien krijgen. 

Overigens merkt b. v. E. v. Hartmann op, dat het zeer 
goed mogelijk is , dat het juist het wezen der kleinste deel- 
tjes is , onwaarneembaar te zijn ^). 

Wij nemen allerlei sommatieverschijnselen waar, maar 
deze duiden niet rechtstreeks op het bestaan van een on- 
eindig groot, maar bepaald, en steeds gelijk blijvend aan- 
tal van gelijke lichamen. Dit is nl. de onderstelling, die 
de gastheorie met het oog op wiskundige uitwerking móet 
doen. Ter vereenvoudiging onderstelt zij bovendien, dat 
deze lichamen volkomen veerkrachtige bollen zijn. Maar de 
waarneming leert , dat er in in de natuur geen absoluut 
veerkrachtige lichamen voorkomen, deze zijn slechts 
denkbaar. 

De korpuskeltheorie heeft zeer veel onbevredigends, 
omdat zij ten slotte in hare grondaannamen in kleine af- 
metingen vragen onopgelost laat, die wij in groote zoeken 
te verklaren. Stallo ^)' heeft gezegd : „A phenomenon is not 
explained by being dwarfed. A fact is not transformed into 
a theory by being looked at through an inverted telescope." 

Zullen de grondaannamen verklaard worden, dan krijgt 
men aan het molecuul dezelfde problemen als aan een 
stuk waargenomen materie. De theorie wil verklaren , hoe 
de verschijnselen ontstaan door onderlinge beweging en 
verhouding en invloed van kleinste deeltjes en bij het mo- 
lecuul kan men alles van voren aan beginnen. Hoe zullen 
de krachten aangrijpen in het molecuul? Zullen ze aangrijpen 
in afzonderlijk gescheiden kleinere deeltjes van het molecuul , 
gelijkmatig verdeeld? Dan blijft voortdurend dezelfde vraag 



1) E. V. Hartmann, D. W. d. M. Ph. biz. 180. 

2) Stallo. Concepts of Modern Physics, blz. i 



NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 73 

bestaan, zoolang deze afzonderlijke deeltjes nog van een 
bepaalde afmeting zijn, en is men zoover dat de krachten 
in afmetingslooze punten aangrijpen , dan houden deze op , 
de ruimte van het molecuul werkelijk te vullen. 

Het atoom als een ondeelbaar continuüm te beschouwen , 
een werkelijk atoom van een bepaalde grootte, heeft de 
physica zelve reeds lang opgegeven. Electriciteitsverschijn- 
selen , b.v. de geleiding van geïoniseerde gassen , en licht 
verschijnselen, bijv. de dispersie, hebben het noodzakelijk 
gemaakt, deze kleine atomen in meerdere kleinere gedeeld 
te denken, ionen en electronen, en het atoom is een systeem 
geworden, een soort planetenstelsel van kleinere bewege- 
lijkheden. 

O. E. Meijer ^) zegt aan het eind van zijn boek „Die ki- 
netische Theorie der Gase": „Nu wij weten dat de atomen 
niet oneindig klein zijn, maar meetbaarmet eindige massa's, 
wordt de eigenschap der ondeelbaarheid nog onbegrijpelijker. 
Men kan zich nauwelijks voorstellen , dat zóó groote (!) 
lichamen, die maar 1000 maal kleiner zijn, dan de kleinste 
microscopisch zichtbare deeltjes, werkelijk ondeelbare 
elementair-atomen zouden zijn." 

Zijn deze systemen , zooals ik ze zooeven noemde , nu 
de eeuwige en onveranderlijke eenheden , waarvan de waar- 
neembare verschijnselen een reusachtige som is? De natuur- 
kunde zelve geeft noch door waarnemingen , noch theoretisch , 
een bevredigend antwoord. De natuurphilosophie is er, om 
deze grondbeginselen stelselmatig na te gaan. 

Herschel heeft de atomen vergeleken met „manufactured 
article." „Waaraan hij toen het meest gedacht heeft, weet 
ik niet," zegt Maxwell,^), „aan goedkoopte, aan de ge- 



1) o. E. Meijer. Die l<inetische Theorie der Gase, blz. 349 

2) Maxwell. Atom. Encycl. Britt. III blz. 49 



74 NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 

ringste moeite om te maken, of aan deugdelijkheid ten- 
gevolge van quantitatieve nauwkeurigheid, maar in ieder 
geval daaraan, dat een massa van zulke dingen niet eeu- 
wig en op zich zelf bestaande kan zijn." 

De elementen, waarin de geest de natuur analyseert 
bestaan niet in de natuur op zichzelve en afzonderlijk, 
maar zijn eenvoudig begrippen , katagorieën , die op de 
natuur van toepassing zijn, die voor de natuur gelden. Het 
is daaruit te verklaren , dat door sommige physici een toe- 
vlucht gezocht is hierin, de elementen zuiver wiskundig, 
d. i. quantitatief logisch op te vatten. 

Boscovich is in zijn „Theoria philosophiae naturalis" het 
eerste tot deze uiterste consequentie overgegaan, en heeft 
de atomen als afmetingslooze punten beschouwd, als wer- 
kelijke ondeelbaarheden. Deze punten zouden elkaar op 
grooteren afstand aantrekken , op kleineren afstand afstooten , 
en de afstooting wordt in de onmiddelijke nabijheid onein- 
dig groot. ^) Overigens zijn nog meerdere combinaties van 
aantrekking en afstooting noodig, om bijv. verschillende 
moleculaire werkingen te verklaren. Hoe is het echter mogelijk, 
dat de ruimte door deze afmetingslooze punten werkelijk 
gevuld wordt? Boscovich zegt, dat de ondoordringbaarheid 
der materie slechts een gevolg is van de afstootende krachten 
en de materie volstrekt niet a priori uitgebreidheid behoeft 
te bezitten. 

In den jongeren tijd nog is het dynamische standpunt 
door Eduard von Hartmann verdedigd. Massa en traagheid 
wil hij verklaard zien als „ein begriffliches korrelat der 
Kraftausserung in der Einheit von Wirkung und Gegen- 
wirkung" ^). Hij vindt geen „rechtsgrond en geen interesse 



1) Boscovich. Theoria philosophiae Naturalis biz. 17, aangehaald uit Fechner: 
Die atomenlehre, blz. 239 en vlg. 

2) E. V. Hartmann, Weltanschauung der modernen Physik, blz. 162. 




NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 75 

aan de existeerende stof zelve meer." En of er, behalve de 
kracht, nog stof is, kan hem niets aangaan, aangezien 
alleen de werkzaamheid der krachten hem belang inboezemt. 
Als houdbare aanname der natuurverschijnselen, wil hij 
aannemen een systeem van atomistische centraal-krachten, 
een dynamisme. 

In de eerste plaats dient er op gewezen, dat hij alle 
natuur- en materieele verschijnselen dus terug voert tot 
zuiver tijdelijke en ruimtelijke betrekkingen, welke ver- 
schijnselen zich echter zelve juist van den zuiveren tijd , 
en van zuivere wiskundige en geometrische betrekkingen 
onderscheiden door een realiteit, een tastbaarheid en een 
waarneembaarheid. De ruimtelijke en tijdelijke verhoudingen 
zijn abstracties uit de natuurverschijnselen, en op deze van 
toepassing. 

Het natuurverschijnsel zelve is echter meer. 

Bovendien is de kracht een fictie , die in tweeden aanleg 
uit de bewegingsverschijnselen der materie gevormd wordt, 
en niet eens noodzakelijk is, zoodat het zeer ongeschikt is, 
deze als uitgangspunt te nemen. 

Juist de dynamische opvatting heeft iets metaphysisch , 
wat den physicus zal afschrikken , en zij heeft het nadeel , 
de kracht te hypostaseeren, zonder ze als noodwendig uit 
het materiebegrip zelf voort te laten komen. 

Overigens is een wereld van werkzaamheid , „Thatigkeit", 
zonder meer, een wereld, die zich niet uiten en vertoonen 
kan, aangezien werkzaamheid zich pas vertoont als zij een 
werken is op iets lijdelijks. Het passieve mag ons in zekere 
omstandigheden minder belang inboezemen, het is nood- 
zakelijk als een zijde van de werkelijkheid , die de eenheid 
is van bedrijvigheid en lijdelijkheid. 

De natuurkunde gaat, in gevallen als de atoomtheorie, 



76 NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 

uit van een onbewezen onderstelling (hypothese), die bij 
logische uitwerking tot gevolgtrekkingen leidt, die met de 
waargenomen feiten in overeenstemming zijn. „Wir haben 
ja auch bisher in Bewusztsein unserer Unbekanntschaft mit 
der wahren Beschaffenheit der Moleküle niemals pratendirt, 
dasz unsere Annahmen in der Natur genau realisirt seien. 
Dagegen haben wir bisher das gröszte Gewicht darauf ge- 
legt, dasz die daran geknüpften Rechnungen exact richtig, 
d. h. logisch nothwendige Consequenzen der Annahmen 
seien" ^). Deze onderstelling heeft het nut, dat zij allerlei 
feiten kan voorspellen, terwijl zij bovendien de bevrediging 
geeft, dat de onmiddellijk waargenomen verschijnselen be- 
grepen worden als een ontwikkeld gedachtenresultaat. 

Zoolang deze onderstelling zelve echter willekeurig aan- 
genomen wordt, en „opgegeven zal worden, zoodra een 
andere aanname beter past", zooals Boltzmann het uitdrukt '^) , 
zal zij naar twee zijden onhoudbaar blijken en onbevredigd 
laten. 

Aangezien men bij een willekeurige grondaanname nooit 
recht weet, wat men er aan heeft, zal er een neiging zijn 
haar te laten gelden voor zulke verschijnselen, voor welke 
zij ontoereikend is. Als voorbeeld noemde ik reeds electrische 
en optische verschijnselen. Du Bois-Reymond '') zegt:„Zwar 
ergiebt sich, dasz die atomistische Vorstellung für den 
Zweck unserer physikalisch-mathematischen Uberlegungen 
brauchbar, ja mitunter unentbehrlich ist, dasz sie aber, 
wenn die Grenzen der an sie zu stellenden Forderungen 
überschritten werden , als Korpuskularphilosophie in unlös- 
lichen Widersprüche führt". 

Ten tweede zal geen onderzoeker zich bij deze wille- 



1) Boltzmann, Vorlesungen über Gastheorie II, blz. 3 en 4. 

2) Boltzmann, Ann. der Physik und Chemie. N.F. 60, blz. 240. 

3) Du Bois-Reymond. „Die Grenzen des Naturerkennens" Reden I, blz. 111. 



NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 77 

keurig aangenomen gegevens recht bevredigd gevoelen, 
altijd weer richt zich de geest op dit onzekere begin. 

In de atomistische theorie vatten we de materie, den 
grondslag der verschijnselen, op als een veelheid van ge- 
lijkwaardige eenheden ^). 

Deze opvatting maakt het mogelijk, de geheele getallen- 
leer en wiskunde op de materie en hare verschijnselen toe 
te passen. Het atoom is de materieele eenheid. We kunnen 
vrede hebben met het atoom , als we de eenheid in het 
Igemeen begrijpen ^). 

De eenheid zelve is de bestaande samenhang en het be- 
staande verband van twee gescheiden zijden, van twee ge- 
scheiden dingen. In de eenheid moeten we dus twee zijden 
tezamen denken, de kant van het gelijk zijn, en de kant 
van het verschillend, het gescheiden zijn, de continuïteit 
en de discretie. De eenheid op zichzelve heeft echter geen 
beteekenis, als het niet de eenheid van een aantal is. Aan 
het begrip van de eenheid verbindt zich voor ons onmid- 
dellijk de gedachte van een aantal, een veelheid van een- 
heden. De eenheid is de eenheid van een aantal. Dit is het 
standpunt der atomistiek, waar we de materie opvatten als 
een veelheid van eenheden in den ruimsten zin. 

Deze veelheid van eenheden vertoont nu weer onderling 
verband. Immers, de eenheden vertoonen, al zijn zij ge- 
scheiden, een overeenkomst, een gelijkheid, een continuïteit. 

Hetzelfde verband vinden wij in de natuur als aantrekkend 
en afstootend verband terug ^). Het ligt in het wezen der 
discrete eenheden, continuïteit te vertoonen; zoo ligt het 



1) Hegel, Encyclopaedie der philosophischen Wissenschaften. § 8, biz. 132. 
ed. Bolland. 

2) Bolland. Collegium Logicuin bIz. 302 en volg. 

3) Vgi. Hegel. Ene. § 98 biz. 132. ed. Eolland. 



78 NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 

in het wezen der afzonderlijke, op zichzelf staande, voor 
elkaar ondoordringbare atomen verband]! te houden, elkaar 
aan te trekken. 
Kant heeft in zijn „Metaphysische Anfangsgründe der 

Naturwissenschaft" gezegd ^) , dat de materie eenheid is 
van repulsie en attractie, en wel de gedachte eenheid. 
Aantrekking alleen zou de materie op één punt doen samen- 
schrompelen , afstooting alleen zou ze geheel uit elkaar doen 
vliegen. De materie wordt ons kenbaar als eenheid van 
tegendeelen, van afstooting en aantrekking. 

In de kinetische theorie hebben we een stadium in de 
ontwikkeling van het materiebegrip. De materie, de grond- 
slag der verschijnselen , is daarin een eenheid van cloode 
onveranderlijkheid en rustelooze beweging. De beweging, 
die een betrekking is tusschen tijdelijke en ruimtelijke be- 
paling, heeft aanzijn, tastbaarheid, aan „das dauernde 
Etwas" ^). „Die Materie ist das Reale an Raum und Zeit" ^). 

Zooals alle begrippen is dat der materie een zich ont- 
wikkelend begrip. Hoe meer oog en oor de menigte der 
natuurverschijnselen waarnemen, en de geest in alle stilte 
met zijn logische grondbegrippen deze waarnemingen be- 
geleidt, des te omvattender en ontwikkelder wordt het 
materiebegrip. Er komt kleur 'en toon , er [komt polarisatie 
tot magnetisme en electriciteit, er komt chemische voor- 
liefde en afkeer voor den dag. Het wordt een geheel, dat 
wij niet meer met de eenvoudige begin-aannamen kunnen 
omvatten, en het praedikaat materieel is niet meer van toepas- 
sing op al deze verschijnselen. We behoeven niet te klagen 
„Matter is explained away" *), alsof het materiebegrip als 



1) Kant. Werke VIII, blz. 480,. 496 ed. Hartenstein. 

2) Hegel, Encyclopaedie § 26, Zusatz blz. 330 ed. Bolland. 

3) Hegel, Encyclopaedie § 26, Zusatz blz. 330 ed. Bolland. 

4) DU moet een uitlating zijn van Balfour. 



NATUURPHILOSOPHIE EN ^TOMISTIEK. 79 

een leegheid zou worden weggeworpen, en de materie 
worden verklaard niet te bestaan, maar het materiebegrip 
is ontwikl^eid , vervuld maar ontoereikend , het is betrekke-' 
lijk in zijn geldigheid. 

Wat dit laatste betreft moeten we nog bedenken, dat de 
materie niet naast en behalve zijn verschijnselen en eigen- 
schappen bestaat, maar dat het de naam is voor de wezen- 
lijke eenheid der verschijnende eigenschappen ^). 

In den nieuweren tijd heeft de atomistiek de ondeelbaar- 
heid der atomen opgegeven, en heeft zich daardoor nader 
gebracht aan de zinnelijke voorstelling. Door zich aan de 
zinnelijke voorstelling te houden, heeft men zich meer en 
meer verbeeld, dat de atomen een zekere grootte hadden 
en realiteit bezaten , d. w. z. , bestonden geheel onafhankelijk 
van den menschelijken geest. Dit is echter een dwaling, die 
men zich bewust v/ordt, zoodra men tot bespiegeling komt. 

Boltzmann vertelt, verwonderd te zijn geweest, toen hij 
van Mach hoorde, dat deze niet aan een afzonderlijk be- 
staan der atomen geloofde. Meerdere physici in den tegen- 
woordigen tijd zijn aan het bestaan der atomen gaan 
twijfelen, en zij zijn zoover gegaan, alle atomistische 
theorieën te laten varen. Zij zijn hierin te ver gegaan. Wel 
mag de atomistiek geen geloof zijn, of een natuurweten- 
schappelijk dogma, en ook is zij geen feit, of een natuur- 
verschijnsel op zich zelve; maar zij behoeft zich evenmin 
te laten aanleunen, een willekeurige onderstelling te zijn, 
die zonder nadeel op zij gezet kan worden. 

Atomistische theorieën zijn van kracht en van nut als een 
geval van toepassing van de algemeene begrippen , de logica , 
op het natuurlijk waarneembare. 

De atomistische theorieën zullen en kunnen niet meer 



1) Vergl. Bolland Collegium Logicum, blz. 538. 



80 NATUURPHJLOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 

uit de wetenschap verdwijnen. Maar \k moet er nog eens 
op wijzen, dat liet atoom op ziciizelf ais een ding op zich 
zelf, voor ons geen zin en geen waarde zou hebben, als 
een ding dat niet tot ons in betrekking zou staan , en dus 
niet waargenomen en niet gedacht zou kunnen worden. . 

In de natuur op zichzelf bestaan geen atomen. Op zich 
zelve is de natuur een chaos, een wildernis. Begrenzing, 
beperking, bepaaldheid heeft de natuur voor zich zelve 
niet, alle verschijnselen komen tegelijk voor, en loopen 
door elkaar. Aan zich zelve overgelaten , verwildert de natuur 
altijd en gaat in ongeordendheid over ^). Zij vertoont geen 
eigenschappen en verschijnselen afzonderlijk. Zij heeft in 
het algemeen geen zuivere stoffen en zuivere vormen, de 
verschillende stoffen doordringen elkaar, en zij laat geen 
ledige ruimte. Voor zich zelve heeft zij geen geheelen en 
geen deelen, zij kent geen maten en heeft geen absoluut 
doel. Allerlei doeleinden doorkruisen elkaar, en zij schaadt 
en vernietigt zich zelve. Zij is de ware Proteus^), die zich 
in alle vormen en gestalten vertoont. Zij is op zich zelve 
raadselachtig, geheimzinnig, zij is van zichzelve vervreemd. 

De noodzakelijkheid, die in het chaotische natuurproces 
werkt, blijft in haar verborgen en werkt verborgen. Het 
noodzakelijke is haar wezen, dat echter niet openbaar wordt. 
De mensch echter, die geestelijk het bewuste noodzakelijke, 
het bewuste wezen, het bewuste redelijke is, staat natuur- 
lijkerwijze door zinnelijke ondervinding met haar in ver- 
band , en is in staat de verborgen noodzakelijkheid te 
ontdekken. Hij experimenteert, dat is, zondert de natuur- 
verschijnselen en eigenschappen af, dwingt de natuur voor 
zijne gemakken te dienen , en keert haar tegen zich zelve. 



1) Boltzmann, Vorlesungen über Gastheorie I, blz. 21 en 22. 

2) Hegel, Encyclopaedie § 246, Zusatz blz. 297 ed. Bolland. 



NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 81 

In de experimenten leeren wij de natuur kennen ,. zooals 
zij voor zich zelve niet is , maar zooals wij haar dwingen 
zich te vertoonen. Zuivere stoffen, b.v. fluoor, of b.v. zui- 
vere polarisatieverschijnselen zijn een triumf der wetenschap, 
iets dat met moeite aan de natuur ontworsteld wordt, maar 
dat zij uit zich zelve niet vertoont en dat zij zoo snel 
mogelijk tracht te vernietigen. 

Een enkele wetenschap, die de natuur moet nemen, zoo- 
als zij op zich zelve is, de meteorologie, heeft om die 
reden weinig resultaten. 

De natuurwetten, die in de wetenschap gelden, drukken 
het veralgemeende, d. i. gedachte, noodzakelijke verband 
tusschen de verschijnselen uit, zooals dit uit experimenten, 
d. w. z. uit afzonderlijke, door ons zelf in zekere richting 
toegelaten verschijnselen, blijkt. 

De natuur zelve is in een immer ingewikkeld, onbeperkt 
onregelmatig proces; geen proces van een veelheid van allen 
gelijke en precies bepaalde moleculen of atomen. Ook de 
kleinste deeltjes zelve zijn in proces , d. w. z. ,• bestaan niet 
eeuwigdurend in gelijke betrekkingen. Zij associeeren en 
dissocieeren , zij ontstaan , ontwikkelen en vergaan. 

De natuur kan echter in gedachte, ten behoeve der be- 
grijpelijkheid, in atomen verdeeld worden. 

Voor het atoom geldt hetzelfde, wat voor krachten en 
voor andere elementen geldt: het zijn scheppingen van den 
geest, werkelijke ordeningen in het chaotische natuurver- 
loop; het zijn verbandhoudende abstracties. 

De wetenschap analyseert het concrete , veeleenige natuur- 
proces in zijn abstracties en synthetiseert deze weder, maakt 
deze weder tot een geheel, en spreekt dit uit in de natuurwetten. 

De natuur is voor ons een probleem , waar wij van geeste- 
lijke zijde genomen, buiten staan. Er moet dus de nadruk 
op gelegd worden, dat we in de eerste plaats de natuur 

6 



82 NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 

moeten waarnemen. Maar bij de waarneming alleen kunnen 
we het niet laten. Er moet bij het waarnemen gedacht, en 
over het waargenomene gedacht worden. Schopenhauer 
heeft gezegd ^) : „Die Aufgabe ist nicht sowohl , zu sehen , 
was noch Keiner gesehen hat, als bei Dem, was Jeder 
sieht, zu denken, was noch Keiner gedacht hat". Zelfs het 
verzamelen van ervaringen, in het oneindige steeds voort 
zonder meer, zou niet tot een bevredigende kennis der 
natuur leiden. Ik behoef niet te zeggen, dat een bloote 
natuurbeschrijving zoowel voorspellende kracht, d. w. z. elk 
practisch nut, als elke bevrediging mist. 

Een bevredigende kennis kondigt zich pas aan, als er 
niet meer behoeft waargenomen te worden, als de geest 
niet meer buiten zichzelf wordt gedreven. 

De natuurwetenschap zelve gaat in hare beschouwingen 
en theoretische onderzoekingen steeds boven de ervaring 
uit. Er moet dus aan de waarnemingen iets worden toege- 
voegd, in hare willekeurige opeenvolging orde gebracht. 
Zij moeten tot een beteekenis worden gebracht, dus als 
teekenen van iets anders worden opgevat. 

Er moet een noodzakelijkheid van oorzaak en gevolg 
door den geest in worden gevonden , welke noodzakelijk- 
heid nooit zinnelijk waargenomen is en kan worden. 

Eerst een denkende beschouwing der natuur, eeneenheid 
zoekende, ordenende werkzaamheid, kan ons een bevredi- 
gende kennis der natuur verschaffen. Wij passen subjec- 
tieve werkzaamheid en bepaaldheid toe op de objectieve 
wereld der verschijnselen. Een subjectieve werkzaamheid 
echter in den zin van willekeurige, persoonlijke doelbe- 
ooging of fantasie is nog geen wetenschappelijke werk- 
zaamheid. Eerst als deze subjectieve werkzaamheid van 



1) Schopenhauer, Werke V, blz. 122 ed. Reclam. 



NATUURPHILOSOPHIE EN ATOMISTIEK. 83 

algemeenen aard, objectief, dus logisch is, is zij weten- 
schappelijk. En wanneer dan de geest ten slotte eigene be- 
paaldheid in de natuur terugvindt, is een begrijpende kennis 
der natuur tot stand gekomen. Het denken is in het object 
van het denken, tot zich zelve teruggekeerd. Voor dit doel 
bereikt is, mag en kan, of liever wil geen natuuronder- 
zoeker rusten. 

De natuurwetenschap neemt eenvoudig hare elementaire 
begrippen aan en werkt alleen het verband mathematisch 
uit. Zij wil zooveel mogelijk, bewust of onbewust, de 
geesteswerkzaamheid van den onderzoeker op den achter- 
grond schuiven, de natuur voor zich zelve laten gelden. 
Dit is haar roem, maar tegelijk haar gebrek. 

„Wir dürfen nicht vergessen, dasz wir die Grenzen der 
exacten Wissenschaften schon überschritten haben. Der 
Appell an die Natur fehlt, und Meinung steht derMeinung, 
Ansicht der Ansicht gegeniiber" zegt Hertz ^). 

De natuurphilosophie, die zal moeten en gaarne willen 
erkennen, dat zij op de natuurwetenschap moet steunen, 
geeft de noodzakelijke aanvulling op de natuurwetenschap, 
omdat zij de laatste van dwaze en willekeurige onderstel- 
lingen kan afhouden, omdat zij in staat stelt, de grond- 
begrippen te doorzien, en hunne draagwijdte te schatten, 
en omdat zij de bevrediging geeft, die de natuurwetenschap 
zelve ontbreekt. 

Waar de natuurwetenschap de subjectieve geesteswerk- 
zaamheid zelve geheel op den achtergrond schuift, en meestal 
van voor haar willekeurige onderstellingen en grondbegrippen 
uitgaat, is het de natuurphilosophie, die het noodzakelijke 
en logische verband tusschen deze, en de redenen, waarom 
bepaalde beschouwingswijzen (b.v. de atomistische) gelden, 

1) Hertz, Gesammelte Werke I, blz. 365. 



84 NATUURPHILQSOPHIE EN ATOMISTIEK. 

wil nagaan, en wil weten, waarom de natuurwetten in de 
rede liggen, en hoe ze in de rede liggen. 

Hegel heeft gezegd ^) : „Es wird eine Zeit kommen , wo 
man für diese Wissenschaft nach dem Vernunftbegriffe ver- 
langen wird". De wetten van het denken moeten worden 
in acht genomen. Dit kan onbewust gebeuren, maar ieder 
zal toegeven, dat dat niet wetenschappelijk is, en dat het 
een zuiverder en meer bevredigend standpunt is, de ob- 
jectieve wereld met eigen subjectieve werkzaamheid in over- 
eenstemming te weten. 

Professor Lorentz hoorde ik meermalen op zijne colleges 
zeggen: „Wij kunnen kiezen tusschen een meer levendige, 
maar niet zuivere voorstelling en een meer zuivere abstracte 
en moeilijker gedachtengang". 

De physische theorieën zullen altijd tusschen deze twee 
polen blijven zweven. 

Aan de eene zijde moeten we onze voorstellingen en 
beelden voortdurend verfrisschen en zuiveren door waar- 
neming en experimenten, maar aan de andere zijde even 
noodwendig het logisch denken scherpen en verfijnen. 

„In der gereiften Erkenntnis ist die logische Reinheit in 
erster Linie zu berüchsichtigen", zegt Hertz ^). 

In verband met het eerste zijn wij in staat onze weten- 
schap ten nutte te maken aan de gemakken des levens, 
door het laatste krijgen wij wetenschappelijke zekerheid en 
bevrediging. 



1) Hegel, Encyclopaedie, § 270 Zusatz, blz. 366 ed. Bolland. 

2) Hertz, Werke III blz. 11. 

Leiden, Jan. '07. 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES.^) 



xal TÓv xósfiov ëfA^tffV^ov xal óaifióvcov TiX'^qri. 
(Diog. Laert. 127.) 

Kal yuQ oï Md-ot elalv ê'fitpvxot, (Hippol. de 
Haer. V. 7.) 

Van alle verschijnselen die wij in de gelegenheid zijn in 
de natuur waar te nemen, blijven zonder eenigen twijfel 
diegene, die de natuur in hare kwaliteit als „levende" 
praesteert de wonderlijkste en belangwekkendste. 

Het is alsof de natuur die leeft , in al haar wezen van de 
niet levende natuur afwijkt, alsof de wetten van de onge- 
georganiseerde natuur in het rijk van het leven alle geldig- 
heid verloren hadden , alsof in dit rijk alle natuurlijke 
machten voor bovennatuurlijke normen plaats hebben moeten 
maken, of wij met andere woorden in de levende natuur 
een geheel andere natuur hadden te denken , dan die wij in 
de niet-levende natuur leeren kennen. 

Het groote verschil moet wel den meest primitief den- 
kenden mensch frappeeren en de bewuste verdeeling van 
de natuur in een levend en niet-levend gedeelte zal daarom 
zonder twijfel reeds een daad zijn van den meest verwijder- 
den oorsprong onzer cultuur. 



1) Voordracht gehouden op den 17den Januari 1907 voor de Afdeeling 
'sGravenhage van de „Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Ge- 
neeskunst." 



86 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

Die daad ligt ook bij ons nog steeds in de rede. Ook wij 
nemen nog het Leven als het kriterium voor een natuur- 
verdeeling aan en onderscheiden zeer scherp eene organische 
en eene anorganische Natuur. 

Een onderscheiding zonder meer kan de rede echter niet 
bevredigen. 

„Natura non facit saltus" is de uitdrukking van het be- 
wustzijn dat de grensen die de Natuur tusschen hare mani- 
festatiewijzen stelt, voor den onderzoeker eer een verband, 
dan eene scheiding bewerkstelligen. 

Hoe hangt het levende met het levenlooze samen? 

Hoe komt in het levenlooze de levensvonk? Op welke 
wijze is het georganiseerde met het ongeorganiseerde tot 
het natuurgeheel verbonden? 

Sedert de mensch waarlijk denkt zal hij zich nauwelijks 
een intressanter probleem gesteld hebben en het is ook 
niet onaannemelijk, dat de oorsprong van dit probleem zich 
verliest in de allerprimitiefste stadiën van het menschelijk 
bewustzijn. 

.De oudste documenten van het menshclijk geestesleven 
geven blijk van deels zeer verwarde en deels uiterst naïve 
voorstellingen omtrent het leven , als wij tenminste moeten 
oordeelen naar het schriftelijke nalatenschap onzer verre 
Kultuur-voorouders. 

Wij zullen ze maar niet eens bij wijze van curiositeit 
aanhalen, laat staan er alteveel achter zoeken of er met 
alle geweld veel diepzinnigs in leggen. 

Als piëteit met overdreven veel toegevendheid moet ge- 
paard gaan , wordt deze een deugd die overal elders , behalve 
in de nuchtere wetenschap thuishoort. 

In de wetenschap betoonen wij slechts piëteit voor geestes- 
produkten die voor ons nog in onverwelkte frischheid gelden. 

Van dergelijke geestesprodukten levert pas het helleensche 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 87 

denken voorbeelden op. Is men in de gelegenheid geweest 
na te gaan wat al schoons en vernuftigs in de helleensche 
brein tot rijpheid is gekomen omtrent het levensproces in 
de Natuur dan kan men niet nalaten zijn verbazing te uiten 
over het nooit volprezen genie van den schoonsten tijd die 
de menschheid ooit had beleefd. 

Hoewel de opmerkingen van Aris.toteles helaas slechts 
fragmentarisch zijn overgeleverd, vormen zij niettemin een 
grootsche ruïne die nog zeer bruikbare bouwstenen voor 
onze natuursystemen vermag op te leveren. 

Waarom er voor een natuurwetenschap naar onze moderne 
begrippen in de helleensche denkwereld niet de geschikte 
bodem is geweest, hoe de zoo ten onrechte gesmade 
middeleeuwen een noodzakelijk overgangsmoment voor de 
menschelijke geest hebben moeten uitmaken opdat ons denken 
tegenover de werkelijkheid ons modern standpunt heeft 
kunnen innemen, is een vraag, die op het moment ons te 
ver van ons eigenlijk onderwerp zoude afbrengen. 

Een feit is, dat slechts een tijdvak als de Renaissance 
aan onze moderne onderzoekingsmethoden het uitgangspunt 
heeft kunnen vormen en in deze periode hebben wij ook 
te zoeken het ontstaan der wetenschappelijke biologie. 

Diegene nu, die het eerst scherp zijn meening over den 
samenhang van het levende en bet levenlooze in de natuur 
had verkondigd is geweest de vader van de nieuwere wijs- 
begeerte: Descartes. 

Willen wij zijn opvatting omtrent dien samenhang in een 
woord formuleeren dan past hiertoe de term „mechanistisch" 
het allerbest. 

Descartes en zijn school heeft omtrent het verband van 
het georganiseerde en ongeorganiseerde natuur eene „mecha- 
nistische" opvatting gehuldigd. 



88 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

Het verband of de samenhang van deelen tot een geheel 
wordt „mechanisch" genoemd indien de deelen hunne eigene 
zelfstandigheid tegenover het geheel niet verliezen. 

Mechanisch verband in een slechts geheel toevallig, uiter- 
lijk verband: alleen door geweld te bewerkstelligen. 

De samenhang van genoemde twee deelen van de natuur 
op deze wijze opgevat, levert een geheel op, wiens deelen 
niets met elkander uit te staan hebben. Deze opvatting 
schept een niet te overbruggen kloof tusschen organismen 
en anorganen, ontkent het bestaan van overgangen of con- 
tinuïteit tusschen het levenlooze en het levende, maakt 
alzoo het levende tot een, in natuurwetenschappelijken zin 
onverklaarbaar wonder. 

Tot deze kathegorie is ook de opvatting van diegenen 
te rangschikken die aan hun denktrage wantrouwen tot het 
vermogen van de menschelijke geest een hoogere recht- 
vaardiging willende geven, ons uitdrukkelijk aanmanen, te 
berusten in het feit, dat het leven een onbegrijpelijk mysterie 
is voor het verstand. 

De spontaneiteit, die voor en bovenal het kenmerk is van 
al wat leeft, is naar de school van Descartes slechts door 
eene bovennatuurlijke macht te bewerkstellingen. Het is een 
bovenwereldsch intellect dat in het hart de „spiritus animales" 
moet inblazen opdat het leven tot stand komeK, 

Zonder „concursus Dei" geen leven mogelijk. 

God windt het uurwerk op , en het leven loopt af als een 
automaat. 

Heeft de school van Descartes in deze vraag zooals we 
zien geen oplossing gebracht waar ons modern, zeer naar 
monisme neigend denken vrede mee kan hebben , de belang- 
stelling ervoor is toch door haar opgewekt, en de denkende 
menschheid is aan het mediteeren en experimenteeren ge- 
gaan, deels met de bedoeling om de oplossing die Descartes 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 89 

gegeven had te rechtvaardigen, maar deels ook om aan 
diepere opvattingen den weg te banen. 

De theoriën zuiver onder den invloed van de Cartesi- 
aansche school opgesteld, zullen wij maar stilzwijgend 
voorbijgaan, om een hooger stadium van de oplossing te 
overwegen , welk stadium mutatis mutandis zal blijken vrij- 
wel onze opvatting te repraesenteeren. 

De vader van deze opvatting is geweest Leibnitz. De 
monadologie van dezen wijsgeer vat de natuur op als een 
zich steeds ontwikkelend geheel , waarin het organische niet 
essentieel maar gradueel van het anorganische verschilt. 
Alles in rerum natura kan slechts betrekkelijk als levenloos 
worden aangemerkt en ieder monade draagt in zich de 
tendentie tot hoogere potentiatie. 

De opvatting van Leibnitz, naar onze moderne begrippen 
omgewerkt, is zeker de eenige die eene bevredigende op- 
lossing van het groote vraagstuk omtrent den samenhang van 
zuiver mechanisch-dynamische acties met het levensproces 
kan brengen. 

Het leven blijkt een natuurverschijnsel wel van hoogere 
orde dan mechanisme en dynam.isme doch niets bovennatuur- 
lijks tot wier voortbrenging een „concursus Dei" noodzakelijk 
is. Waarom moeten chemisch-dynamische werkingen het 
zonder de hulp van God stellen en waarom komt de schep- 
pingshypothese juist bij het leven tot geldigheid?^) 

Het levenswonder brengt de natuur zelf tot stand en dat 
wonder is in zijn wezen niets onbegrijpelijker of onver- 
klaarbaarder dan mechanisme, chemisme of dynamisme. 

Leven is een bepaald en bijzonder natuurverschijnsel, even 

1) „Wenn man annimmt, dass iebendige Wesen überhaupt eiiimal aus 
unorganischen Stoffen cntstanden sind, so ist meines Dafürhaltens, die Schöp- 
fungshypotfiese die einzige, die den Anforderungen der Logii< und der Cau- 
saiitat und damit einer besonncnen Naturforsciiung entspricht". (Reinke: Einl. 
in die theor. Biologie 1905), 



90 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

ZOO bijzonder als mechanisme — beide zijn verscliijnselen 
van dezelfde natuur, zonder daarom dezelfde natuurver- 
schijnselen te zijn. 

Het streven nu van het modern materialistisch monisme 
is aan te toonen, dat het leven niets „bijzonders" is en 
daarom niets „wonderlijks." 

Het leven is in den grond der zaak mechanisme en „het 
is in groote mate waarschijnlijk dat alle natuurverschijnselen, 
physiologische, chemische en physische zich tot mechanische 
laten terugbrengen". (Zie Prof. Heymans Gids 1896 p. 94). 

Niemand zal er zeker zijn die de mogelijkheid van vrij 
vergaande relatieve reduceerbaarheid der levensverschijnselen 
tot mechanische , chemische of physische verschijnselen zoude 
willen ontkennen. 

Waartoe de menschelijke rede eenmaal in staat zal zijn 
of liever welke openbaringen de mensch in de toekomst 
met zijne technische hulpmiddelen aan de natuur zal af- 
dwingen is tevoren niet te zeggen. 

Een andere vraag is echter of die mechanische, chemische 
verklaarbaarheid van het leven samen zal vallen met zijne 
begrijpelijkheid en of de overtuiging van de continuïteit en 
eenheid in rerum natura staan of vallen moet met het geloof 
aan de mechanisch chemische verklaarbaarheid van het leven. ^) 

In het kort gesteld vraagt het zich of de continuïteit in 
rerum natura nog voor andere opvattingen ruimte laat. 

Het woord „ontwikkeling" zal hier blijken „Ie mot de 
l'énigme". 



1) „Begreifen können wir von den Lebenserscheinungcn nur das was sich 
physico-chemisch erklaren lasst." 

(Bütschli. Mechanismus und Vitaiismus. (Verli. d. Ve Internat. Zooiogen Kon- 
gress Berlin 16 Aug. 1901.) 

„Die Physiologie kann nie etwas anderes sein als Physik und Chemie d. h. 
Mechanik der lebenden Körper". 

(Verworn: Einl. zur Zeitschr. f. allg. Physiologie. Bd. I.) 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 91 

Dit woord en begrip met hetwelk wij in de biologie 
zoozeer bevriend zijn geworden moet onze draad van Ariadne 
zijn die ons in het labyrinth van de natuurverschijnselen 
den weg aanduidt en waardoor wij ons veilig zullen voelen. 

Dit begrip zal ons ook moeten helpen de kloof te dempen 
die er bestaat tusschen het levende en levenlooze. Dit begrip 
maakt ons mogelijk het Heelal als een groot organisch sy- 
steem ^) op te vatten waarin het georganiseerde en het niet 
georganiseerde te beschouwen zijn als de verschillende , 
elkander wederzijds beïnvloedende stadiën, niveaus en 
manifestatiewijzen van de aleene zich aldoor ontwikkelende 
levende natuur. 

De natuur leeft voortdurend en ontwikkelt zich eeuwig. 
Zij brengt zich voort ; zij is de Creatrix en Creata in eene. ^) 

In het levende hebben wij wel een tegenstelling met het 
levenlooze te zien maar die tegenstelling wordt door het 
Leven zelf opgeheven en geproduceerd in de voortdurende 
assimitatie en dissimilatie; bij de voortdurende wijziging 
der niet-levende energievormen in dien zin, dat zij telkens 
aan het leven deelachtig worden om even spoedig weer tot 
mechanisme of dynamisme te worden gedoemd. 

In het leven hebben wij te zien de zich voortdurend 
manifesteerende macht over de mechanische en chemisch 
dynamische energievormen die ze voor zich vindiceert en 
naar zijn behoefte wijzigt als zijne „levensvoorwaarden." 

Het leven „infecteert" ^) naar Hegels uitdrukking het 



1) Een pleonasme. 

2) „Man kann den Satz aufstellen „Alles iebt in der Natur" — das ist crhaben 
und soll speculativ sein. Ein Anderes ist aber der Begriff des Lebens, d. Ii. das 
Leben an sich', das freilich allentiiaiben ist; ein Anderes das reale Leben, 
die Subjectivitaet des Lebendigen, worin jeder Theil ais belebter existiert." 

(Hegei. Encyltl. Herausgabe Bolland p. 588). 

3) Infectie wordt hier bedoeld in dien zin als Cicero dit woord gebruikt: 
„Puer jam infici debet iis artibus quas si, dum esttener, combiberit ad majora 
veniet paratior" of Apullejus in: „Carnes lasere infectae" (doortrokken). 



92 HET PRIA1ITIEVE LEVENSPROCES. 

levenlooze overal waar het zich kan verwerkelijken ; richtend 
alles naar zijne specifieke behoeften aangrijpend, vernielend en 
transsubstantieerend wat in zijn werkingssphaer zich bevindt. 

Alle natuurverschijnselen zijn te beschouwen als pogingen 
van het levensprincipe om zich te manifesteeren en de sub- 
stantie of materie is als het zich meer en meer organi- 
seerende stoffelijke aan te zien. Van deze opvatting was ook 
Burdach toen hij dit neerschreef: 

„Das Leben ist nicht etwas, das erst hin und wieder zu- 
stande gebracht wird, sondern das Ursprüngliche, welches 
aan den organischen Körpern nur, in unsern Gesichtskreis tritt." 

De materie blijkt voor ons dus niet meer de geheel pas- 
sieve en inerte massa zonder eenige spontaneïteit, maar 
datgene, wat in hare pogingen tot zelforganisatie alle voor- 
stadiën van het leven doorloopt. 

„La substance est un être capable d'action" (Leibnitz).- 
Alle voorstadiën. van de zichzelf vormende , organiseerende 
en trapsgewijs ontwikkelende materie vertoonen ons de 
wordingsgeschiedenis en verdere ontwikkeling van het Leven. 

Aan de materie is het leven inhaerent en pas door de 
verwerkelijking van het Leven door de organismen, doet de 
materie blijken welke geest in haar woont. 

De reusachtige duizelingwekkende massa's der hemel- 
lichamen, de gedachte aan de natuurkrachten die de gedaante 
van onze aardoppervlakte in de Oertijden veranderd hadden , 
mogen bij ons zeer verheven stemmingen op het gevoel 
onzer kwantitatieve nietigheid teweegbrengen; de kroon der 
schepping blijft toch het leven. 

Om zelfs de nietigste uitingen van het leven in de ge- 
daante van een bacil of een hoopje protoplasma (amoebe) 
te bewerkstelligen, moet de materie heel wat intensievere 
energie tentoonspreiden dan om een heel planetensysteem 
in beweging te houden of op die tallooze verre zonnen 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 93 

titanische krachten te ontketenen. De volmaaktheid en het 
waarlijk belangwekkende voor den geest uit zich niet in de 
groote massa's en afmetinglooze energieën. 

Ons planeet, die, vergeleken bij andere massa's, een 
stofdeeltje kan worden genoemd is misschien van heel wat 
meer beteekenis in het heelal , dan het heele planetensysteem 
inclusieve de zon en alle andere vaste sterren die waar- 
schijnelijk niets dan gloeiende nevelen zijn en waar alleen 
chemisch dynamische krachten hun eindeloos spel drijven 
zonder eenig belang. 

Zoo geheel onmogelijk is het zeker niet dat het Leven 
slechts op ons planeet ontkiemd is. De phantasie moge zich 
op andere planeten bloeiende rijken en hoogere wezens voor 
tooveren. Uitkomst van exact onderzoek zijn die phantasie- 
beelden voorloopig zeker niet. 

Millioenen van niet meer lichtende hemellichamen kunnen 
als ons trawant, slecht starre materie zijn, waar chemische 
werkingen reeds uitgevoerd zijnde, hunne slakken achter 
hadden gelaten en waar ook geen athmospheer en dus geen 
georganiseerd leven tot stand is kunnen komen. 

„Auf der Grosse der in Rede stehenden Massen und ge- 
waltigen Eutfernungen beruht die Ehrfurcht der Menge." 

(Schopenhauer). 

De ware belangwekkendheid vertoont de Natuur in de 
materie die zich reeds tot een planetensysteem vormt in veel 
hoogere mate dan in die diffuus blijvende materie, in dat 
„Licht in seiner ersten unverarbeiteten Roheit" in die onver- 
schillig buiten elkaar blijvende sterren. ^) 

1) Dass sie in unermesslichen RSumen eine Vielheit ist sagt für die Vernunft 
gar nichts, dat ist das aiisserliche Leere, die negative Unendliclilceit. 

Darüber weiss sicli die Vernunft ertioben; es ist dies eine blosse negative 
Bewunderung, ein Erlieben das in seiner Beschranktlieit stehen bleibt. 

Das vernünftige Intresse bei den Sternen kann sicii jetzt nur in der Geo- 
metrie derselben zeigen". (Hegel. Encyiti. Herausg. Bolland pg. 347). 



94 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

Zoolang voor onze aanschouwing het systeem dat in die 
wereld den sterren mag gelden niet geopenbaard is, is het 
respect voor die slechte oneindigheid uiterst misplaatst ter- 
wijl wij door heel wat waardiger geestesobjecten omringd zijn. 

De animaliteit is ons meest waardige object in de natuur. 

Naast deze verdwijnen in belangrijkheid alle verschijnselen 
die de materie in hare planetaire, mechanische en dynamische 
manifestaties ons vertoont. 

In planten en dieren toont de materie pas wat zij vermag 
te praesteeren. — Niet in vulkanische uitbarstingen en aard- 
bevingen vertoonen de natuurkrachten het wezenlijke aan 
zich, maar in het voortbrengen en onderhouden van het 
leven. Slechts in dienst van de animaliteit en vegetatie 
bekomen zij recht van bestaan en het streven van de heele 
wereldenergie bereikt zijn einddoel in het voortbrengen van 
het leven dat denkt. 

Of het voortbrengen van het leven nu op slechts zeer 
kleine schaal gebeurt, doet betrekkelijk voor de werkelijk- 
heid van dit feit niets af. De „albezieling" van de materie, 
moet onderscheiden worden van het voortbrengen van het 
leven. — Niet het eerste is het doel van de natuur, maar 
het laatste. Evenmin als het levensproces ten doel heeft al 
wat leeft eenmaal tot menschelijkheid te doen ontwikkelen, 
evenmin zal het leven overal tot stand komen. Zelfs op onze 
aarde zijn zand en ijswoestijnen , terwijl bijna de geheele 
innerlijke massa van ons planeet aan het leven absoluut 
geen deel heeft. 

Voor het tot stand komen van het leven moeten zeer vele 
factoren samenkomen en v/aar dat factorencomplex eenmaal 
aanwezig is, daar ontwaakt de materie tot leven. 

De eerste pogingen tot leven zijn zonder twijfel primitief 
doch dat duurt slechts kort, dat tijdvak van het primitieve. 

Weldra is door die eerste levenswezens de bodem voor- 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

bereid voor de grillige en kwistige vormenrijkdom van de 
hoogere manifestaties. 

Meer en meer komt men tot de overtuiging dat de groote 
tijdruimten die men tusschen de verschillende ontwikkelings- 
stadiën van het planten en dierenrijk aannam, belangrijk 
ingekort dienen te worden. 

„Sobald der Blitz des Lebendigen in die Materie einschlagt 
ist sogleich ein bestimmtes vollstandiges Gebilde da, wie 
Minerva aus Jupiters Haupte bewaffnet springt. (Hegel 
Encykl. § 339). 

Toen de voorwaarden voor het leven eenmaal vervuld 
waren , heeft het zich in zulk eene intensiteit gemanifesteerd 
in zijn laagste vormen, dat de aarde weldra over een zeer 
groote uitgestrektheid voor hoogere vormen vruchtbaar is gewor- 
den en geschikte bodem opleverde voor hunne ontwikkeling. 

Zooals de lagere levensvormen in vroegere tijden de 
mogelijkheid voor het bestaan en ontstaan der hoogere vor- 
men opleverden, zoo zijn zij in dien zin nog steeds werkzaam. 
Het hoogere moet steeds met het lagere in contact blijven 
en kan zich ervan niet losmaken. 

Zoo moeten wij in de plantenwereld een bemiddelaar 
tusschen de dierenwereld en de wereld der mineralen zien. 

Dierleven is zonder plantenleven onbestaanbaar en het 
plantenorganisme heeft het geologisch organisme tot bestaans- 
voorwaarde. 

De plantenwereld kon eerst ontstaan nadat de groote 
chemische processen die ons planeet in beroering hielden 
opgehouden zijn en de mineralen op de hiertoe gunstige 
temperatuur hebben kunnen uitkristalliseeren. Toen is de 
mogelijkheid voor plantenleven ontstaan welk leven dan de in 
het geologisch organisme gebonden energiën in een rustiger 
proces verwerkt voor zich en voor de hoogere manifestatiën 
van het leven in de animaliteit. 



96 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

De heele natuur blijkt een ontwikkelingsproces waar de 
eenvoudigste, abstractere vormen van de energie, in de meer en 
meer concrete vormen tot aan het leven toe, voortdurend betrok- 
ken zijn en wel beschouwd mede die concrete vormen zijn. 

In het „Systeem van de natuur" heeft het leven als een 
ontwikkelingsstadium zijn bepaalde plaats in verband met 
andere ontwikkelingsstadien. 

Leven, chemisme, dynamisme blijken geen absoluut te 
nemen begrippen die elkander geheel uitsluiten maar zij 
zijn met elkaar in redelijk, organisch, systematisch verband 
en noodzakelijk uit het Idee der Natuur voortkomende ver- 
schijningswijze van deze. 

De wereld ontwikkelt zich ook noodzakelijk tot leven. 
Het ligt in de rede dat het leven ontsta. 

Het ligt in het Idéé der natuur dat niet blijvend „die 
rohen Krafte sinnlos walten" zullen, maar dat het ongeor- 
ganiseerde een zin krijgt doordat het tot leven komt. ^) 

Het leven komt niet uit de anorganische krachten voort, 
het leven komt uit de natuur die zich hier organiseert om 
elders zich als chemisme of mechanisme te vertoonen. 

De natuur differentieert zichzelf tot hare verschijnselen, 
tot verscheidenheden die innig samenhangen niettegenstaande 
zij zich ook over en weer uitsluiten. Wel moet, opdat het 
leven tot stand kome de natuur eerst zich ook tot dynamica 
en chemie gedifferentieerd hebben , want onafhankelijk van 
deze differentiatievormen ontstaat het leven niet, net zoo 
min als een dier in de slechts door aether gevulde ruimte 
zou kunnen ontstaan. 

1) „Der lebendige Substanz ist lediglich ein Teil der Erdmaterie. Die 
Kombination dieser Erdmaterie zu lebendiger Substanz war ebenso das noth- 
wendige Produkt der Erdentwickelung wie etwa die Entwickelung des Wassers: 
eine unausbleibliche Folge der fortschireitenden Abkühlung jener Massen , welche 
die Erdrinde bildeten." 

(Verworn Ailgem. Physiologie » (1901.) 333 ff. 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 97 

De anorganische n.1. de physische en chemische krachten 
zijn de „conditiones sine quibus non" van het leven, doch 
het leven ontstaat daarom niet uit deze krachten maar brengt 
zichzelf voort geheel spontaan. 

Willen wij onderzoekingen omtrent de manifestaties van 
het leven beginnen, dan dienen wij ons in de allereerste 
plaats rekenschap te geven van het Object van ons onder- 
zoek ons zelf scherp duidelijk te maken wat wij met het 
begrip „leven" bedoelen, aan welk soort van natuurver- 
schijnselen het praedicaat van „levend" toekomt en waardoor 
de levensverschijnselen zich van de andere natuurverschijn- 
selen onderscheiden. 

Op deze vragen een volledig antwoord trachten te geven 
naar den stand van onze wetenschap is misschien niet eens 
het meest recente volledige werk over de Physiologie en Pa- 
thologie in staat. Doch een volledig antwoord verlangen 
wij ook niet. Ons is voldoende een voorloopig en doch juist 
kriterium, waaraan wij al wat zich als levend manifesteert 
zullen moeten herkennen, eene voorwaarde, waaraan elk 
verschijnsel moet voldoen om door ons als behoorende tot 
de verschijnselen van het leven, aangemerkt te worden. 

Het Kriterium nu van het leven is de spontaneïteit: de 
opgeheven eenzijdige noodzakelijkheid van de chemisch- 
dynamisch-mechanische wereld. 

Slechts het waarlijk spontane is het waarlijk levende. 

Verklaard is het leven met deze definitie volstrekt niet; 
hier is slechts de meest algemeene eigenschap van alle 
levensverschijnselen geformuleerd. 

Of nu de levensverschijnselen voor het reflecteerend ver- 
stand in hun wezen geheel en al door de strenge of minder 
strenge causaliteit van de mechanische natuurverschijnselen 
worden beheerscht raakt deze definitie niet, want ook het 
reflecteerend verstand moet toch maar van leven gewagen 

7 



98 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

als het aan het onderzoeken gaat in hoeverre „leven", bij- 
voorbeeld „chemisme" is. 

Als het leven onderzoekt op „chemisme" of „mechanisme", 
moet het verstand zich toch eerst overtuigen of hetgeen het 
onderzoekt werkelijk ook leeft en om dit te onderzoeken, 
moet het een kriterium hebben waaraan hij het levende herkent. 

Moet datzelfde verstand chemisme tot mechanisme of 
elektro-magnetisme reduceeren, dan moet het zich scherp 
rekenschap geven waaraan bepaalde verschijnselen als 
„chemische" kunnen worden herkend. 

Gaan wij nu de voorwaarden waaraan bepaalde natuur 
verschijnselen moeten voldoen om als chemische te worden 
aangemerkt onder de kathegorie van de „affiniteit' samen- 
vatten , dan moge de physicochemicus ons nog zooveel over 
de wenschelijkheid dat dit begrip uit de natuurwetenschap 
zal verdwijnen voorredeneeren , de affiniteit blijft het kenmerk 
en kriterium van elk chemisch proces. 

Zoo moet ieder onderzoeker voorloopig berusten in het 
feit dat slechts datgeene leeft, wat ^ijn spontaneiteit te toonen 
vermag, slechts daar vermoeden wij leven, waar wij spon- 
taniteit bespeuren. 

Nu moge in den loop der tijden blijken dat al de spontaniteit 
maar zinsbegoocheling is en dat de levensverschijnselen in 
hun wezen bijvoorbeeld streng causale elektro-magnetische 
verschijnselen zijn; merkwaardig zal het toch maar blijven, 
hoe dat elektro-magnetisme als wezen, in staat is al dat 
schijn ons te produceeren , en de vraag zal toch steeds open 
blijven hoe en onder welke omstandigheden dat wezen al 
die levensverschijnselen voortbrengt. 

Die geheele „verklaarde" natuur moet dan toch dunkt mij 
aan ons als heel wat grooter wonderlijkheid blijken dan zij 
nu nog is in hare „duisterheid". 

Voorloopig, daar het leven nog niet geheel „uitverklaard" 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 99 

is, zullen wij het begrip van de spontaneiteit vasthouden 
en nagaan in welke vormen die spontaneiteit zich aan de 
levensverschijnselen vertoont. 

Die vormen zijn nu zeer velerlei en toch kan men ze 
gevoegelijk in drie kathegoriën rangschikken met name: 
de zelfindividualisatie , 
de zelfhandhaving en 
het zelfgevoel. 

De spontanieteit in hare primitiefste vorm is de zelf- 
individualisatie. Al wat leeft is in de eerste plaats een 
individu en slechts het levende bezit individualiteit. 

De Natuur streeft naar het leven, dat is «gaar de indivi- 
dueele, innerlijk zelfbewerkte en niet toevallig van buiten 
verkregen , zelfstandigheid. 

De vorm die aan een stofcomplex individualitiet verschaft 
is de vorm die dat stofcomplex door en uit zich zelf heeft 
voortgebracht, de vorm, waardoor het zich geheel spontaan 
van de omgeving afgrenst en scherp onderscheidt. 

Het leven, als bloote zelfindividualisatie, zien wij het 
meest zuiver in het kristal verwerkelijkt. 

Zelfhandhaving is de tweede, hoogere gedaante van het leven. 
Het individu, dat zich zelf heeft gevormd, handhaaft zijne vorm 
door een voortdurend proces met de omgeving. Het levende 
kan namelijk zijn individualiteit, en integriteit slechts op die 
voorwaarde handhaven , dat het altijd bezig is zijn omgeving 
met zich te assimileeren en zich tegelijk te dissimileeren^ 
Het is de voortdurende „zelfverzaking en zelfbeaming" van 
het levend individu hetgeen wij sfofwisseling noemen. 

Een hoogere graad van zelfbeaming is de propagatie of 
zelfvoortplanting. 

Al deze genoemde kathegoriën zijn in het vegetatieve 
organisme verwerkelijkt. — Stofwisseling en voortplanting 
zijn kenmerken bij uitstek van de plant. — 



100 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

Kenmerkend voor het dier is het zelfgevoel, dat de 
bodem voor de geestelijkheid of menschelijkheid voorbe- 
reidt. 

Het levende individu is het natuurlijke subject. Bij het 
kristal vertoont de subjectiviteit of spontaneiteit zich op de 
meest frappante en eenzijdige wijze als de zich slechts 
vormgevende subjectiviteit. In de plant is de subjectiviteit 
zich vormend, zich propageerend en zich handhavend. — 
Het hoogste waartoe de natuurlijke subjectiviteit echter kan 
komen is de zich vormende, propageerende handhavende 
en voelende dierlijke subjectiviteit in het aminale orga- 
nisme. 

In redelijkheid en werkelijkheid zal in de eerste plaats 
moeten blijken, dat de hoogere stadiën van het leven de 
lagere uitingen, als opgeheven momenten in zich bevatten 
en in de tweede plaats dat het hoogere in het lagere als 
kiem of aanleg aanwezig is. 

Zoo blijkt het animale leven veel plantaardigs aan zich 
te hebben en aan het vegetatieve leven zijn vele momen- 
ten die pas in het dierlijk leven tot volle ontwikkeling blijken 
te komen. Zoo zullen wij aan het kristallisatieproces vele 
momenten ontdekken door welke het kristal boven zich 
uitwijst naar de hoogere levensmanifestaties van het vege- 
tatief en animale organisme. Ons doel is de hoogere le- 
venskathegoriën zoowel als de lagere mechanische dyna- 
mische momenten in de kristallisatie aan te toonen. Want 
juist in het kristallisatieproees blijkt de natuur een over- 
gang te maken van de mechanisch-dynamische tot de levens- 
verschijnselen. 

ledere uiting van het leven is in den grond van de zaak 
het heele leven. De levensniveaus verschillen in wezen 
slechts wat betreft de accentuatie der boven reeds ge- 
noemde kathegoriën der zelf-individualisatie, zelfhandhaving 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 101 

en zelfgevoel. Zoo valt bij de kristallisatie het accent op 
de zelfvormatie. De zelfindividualisatie treedt hier op, over- 
wegend met het accent op de typische gedaantevorming. 
Het leven vertoont zich hier bijna alleen als zelfafgrensing 
van de omgeving. Van zelfgevoel is hier nog niet de ge- 
ringste spoor. Het levensproces van het kristal is met de- 
zelfde afgrensing eigenlijk voltooid en in hoofdzaak blijft 
het hierbij ook. — Het kristal heeft alleen geleefd in zijn 
wordingsproces. — Het verstijft na afloop van dit proces 
en de krachten worden latent om pas te ontwaken bij 
bepaalde stoornissen die de integriteit van het kristal- 
individu bedreigen. Het ware leven is hier nog lang niet. 
Want het ware leven is het voortdurende wordingsproces, 
het zich zelf bestendigende te midden van allerlei stoor- 
nissen die het leven trouwens voor het grootste deel zelf 
produceert. Het kristal is in zekeren zin iets wat vast, af- 
gewerkt is, — de hoogere manifestaties van het leven, in 
de waarlijk levende individuen zijn echter nooit voltooid, 
zoolang het individu leeft. 

Het dier en de plant is eene voortdurende zelfbestendi- 
ging. Zij hebben hunne typische vorm slechts op voor- 
waarde dat de stofwisseling met de omgeving nooit ophoudt. 
Het kristal eenmaal gevormd, behoeft niets meer aan de 
omgeving aftegeven , en behoeft ook niets van de omgeving 
op te nemen om zijn vorm te behouden. 

II. 

De meeste chemische verbindingen nemen , indien zij 
van de vloeibare in de vaste toestand overgaan, de kristal- 
vorm aan. 

Wat is nu die kristallisatie? — Is een kristal resultaat 
van mechanische, van physische of van chemische inwer- 



102 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

king of hebben wij in het kristal wat anders te zien? 

E. Salisbury Dana, de schrijver van een zeer gezagheb- 
bend werk over mineralogie definieert het kristal als : „a 
regular polyedral form, bounded by smooth surfaces, which 
is assumed bij a chemical compound, under the action of 
its intermolecular forces when passing under suitable con- 
ditions from the state of liquid or gas to that of a solid-" 

Van alle opvattingen omtrent het wezen van kristal is 
deze opvatting van Dana het allermeest verwijderd van 
vitalisme. 

Dana beschouwt kristal alleen als eene aggregaatstoe- 
stand van de stof, anders niets. 

Kristallisatie is dus volgens hem een eenvoudig physisch 
proces dat wordt teweeggebracht door de moleculaire 
krachten. 

Deze opvatting wordt weerlegd door het feit dat amorphe, 
niet voor kristallisatie vatbare stof, die men aan zich zelf 
overlaat en geheel aan uitwendige invloeden onttrekt, zuiver 
tengevolge van de in hem werkzame moleculaire krachten 
den bolvorm aanneemt. Hetzelfde is het geval met een voor 
kristallisatie vatbare stof, indien men door bepaalde inwer- 
kingen de kristallisatie belet. Zuiver physisch moleculaire 
krachten brengen nooit kristalvormen teweeg. Bij „suitable 
conditions" wordt aan heel andere krachten dan alleen 
„moleculaire" gelegenheid gegeven zich te manifesteeren. 

Hebben wij dan het tot stand komen van kristalvormen 
aan chemisme toe te schrijven? 

Resultaat van chemisme is scheiding en verbinding, en 
nergens gedaante. 

Het product kan gasvormig zoowel als vloeibaar of vast 
zijn. Het gaat bij chemisme om de affiniteit en het stoechio- 
metrische quantum der betrokken factoren die een verbinding 
moeten vormen. 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 103 

Het mineralogisch karakter en de kristallisatie der ver- 
bindingen is iets wat geiieel buiten chemisme staat. 

Werkelijke gedaante is alleen in de organische wereld 
mogelijk. Slechts het leven brengt gedaante voort, slechts 
het leven vormt zich zelf tot individuen met bepaalde typi- 
sche gedaante. 

Kristallisatie is nu het meest primitieve levensproces, het 
levensproces zooals het gefixeerd en verstijfd is in het sta- 
dium van zelfindividualisatie, in het stadium van auto- 
morphie. ^) 

Het kristal brengt uit het moederloog zich geheel spon- 
taan voort. 

De eerste daad van al het leven is het zich als individu 
te stellen. Dit is het eerste begin van de „nisus formativus" 
dat het primitiefst zich in het kristal , volkomener en inten- 
siever in plant en dier en het intensiefst en volmaakst in 
den denkenden mensch zich realiseert. 

De kristalvorm is in aanleg regelmatig, in het plantenrijk 
heerscht symmetrie terwijl in het dierenrijk het harmonische 
tot realisatie komt. 

Kristallographie is aan de eene kant toegepaste stereo- 
metrie, maar aan den anderen kant ook toegepaste chemie. 

Bij ieder kristalindividu intresseert ons niet alleen de 
vorm maar ook de chemische samenstelling. 

De samenstelling van een kristal laat zich tot op een 
zekere hoogte chemisch opvatten en door eene chemische 
formule aanduiden. 

De Systematiek der kristalwereld, is om die reden nog 



1) Lapparent vindt dat het kristallyne stadium beschouwd kan worden als 
de normale vaste toestand van de materie daar die toestand slechts ontstaat 
indien de materie is: „complètement übre de ceder aux plus délicates de ses 

actions internes". Zeer juist als wij maar als de meest „delicate des 

actions internes de la matière" het leven beschouwen. 



104 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

altijd gegrond op de chemisch elementaire samenstelling 
der individuen. 

De zes rubrieken waarin men de kristalvormen indeelt 
naar de onderlinge lengteverhoudingen der assen, hebben 
slechts op stereometrische verhoudingen betrekking. Ieder 
der zes vormen komt bij de in chemischen zin meest uit- 
eenloopende zoowel, als ook de meest verwante soorten voor. 

Wel zijn er mineralogen die met de zuiver stereome- 
trische opvatting der kristalvormen met recht geen vrede 
kunnen hebben. Voor de hand ligt trouwens voor een onder- 
zoeker met evolutionistische opvattingen de vraag (niet of 
eene grondvorm uit de anderen door bemiddeling van in 
hoogere levensvormen geldende factoren zouden kunnen zijn 
ontstaan maar) of die vormen in dien zin te rangschikken 
zijn dat wij in een bepaalde reeks , lagere of hoogere stadiën 
van de zelfvormende werkzaamheid van de materie voor 
onze oogen hadden. De vraag, welke de meest eenvoudige, 
de amorphe toestand het meest nabijkomende kristalvorm 
ware, heeft onder anderen Hirschwald ^) uitvoerig besproken 
en tot oplossing trachten te brengen. 

Hij wees op het feit dat indien men de kristalvormen 
rangschikt naar de meer of mindere graad van cohaesie- 
differentiatie van de stof in de verschillende richtingen bij 
de differente kristalvormen, dan blijkt de Hexakisoktaeder 
met zijn 24 gelijkwaardige assen de vorm te zijn die van 
alle volkomen kristalvormen het meest aan de amorphe 
vloeibare agregaatstoestand grenst. Lehman blijft hierbij niet. 
Hij kan het niet aannemen dat de belangrijke kloof die tusschen 
de hexakisoktaeder en de totaal amorph vloeibare aggre- 
gaatstoestand bestaat in de natuur niet door overgangsvormen 
zoude zijn gevuld. Als die overgangsvormen meent Lehman 

1) Verh. Kön. Geol. Reichsamt Bd. 23. 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 105 

te moeten houden, de kogelvormige individuen met stralige 
structuur, die men op de wijze van den Porphyr, ingesloten 
vindt in de glasachtige mineralen, vooral bij de Perlithen. 
Dergelijke vormen zouden dan het verband bewerken tus- 
schen de amorphe vloeibare stof aan den eenen en de vol- 
komene kristalvormen aan den anderen kant. De overgang 
tot de laatsten zoude dan plaats vinden door bemiddeling 
van de onvolkomen kristallen met gekromde vlakken. 

Dankbaar aanwaarden wij biologen, deze belangrijke uit- 
spraken der mineralogen doch nog meer reden hadden wij 
tot dankbaarheid, indien men ons inlichtingen kon verstrekken 
omtrent het verband tusschen chemische samenstelling van 
een stof en de structuur waarin deze in gegeven omstandig- 
heden kristalliseert. 

Is dit ons eenmaal duidelijk geworden , dan is er eenig 
kans toe dat de opvatting van Pflüger volgens welke met 
het optreden van bepaalde eiwitlichamen tevens de eigenschap 
aanwezig is van groei en organisatie , een veel hechtere basis 
zal krijgen dan de wetenschap nu nog instaat is haar te 
geven. Want er moet toch een zeer belangrijk onderscheid 
zijn tusschen eiwit dat leeft en eiwit dat net op het punt 
is van te gaan leven maar nog niet heeft geleefd en eiwit dat 
net afgeleefd is — afgezien nog van het feit dat de samen- 
stelling van het protoplasma geen oogenblik dezelfde kan zijn. 

Wij zien hieruit reeds dat bij het leven heel andere 
factoren overwegend zijn dan chemische. 

Bij de kristallen speelt de chemische samenstelling zonder 
twijfel eene nog zeer overwegende rol. 

Die overwegende rol van het chemisme verdwijnt bij de 
planten en dieren bijna geheel. Daar wordt meer dan bij kris- 
tallen alles door den „nisus formativus" beheerscht. — Immers 
toch de dieren hebben door elkander vrijwel dezelfde chemi- 
sch-elementaire samenstelling en het is hetzelfde stofcomplex 



106 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

dat daar in het planten en dierenrijk aan die verbazings- 
wekkende vormenrijkdom tiet substraat afgeeft. 

Vormenrijkdom van een en hetzelfde stofcomplex zijn wij 
echter ook reeds bij het mineratenrijk gewoon. De elementaire 
opbouw van een kristal uit een bepaald moederloog onder 
bepaalde physische verhoudingen is dan ook geen werk van 
zuiver chemisme meer. Welke chemische verbindingen, 
metalen , dubbelzouten bij de vorming van een kristalindividu 
zullen betrokken worden, hoeveel kristalwater een bepaald 
individu tot opbouw verbruikt, hoe met een woord, de ver- 
schillende chemische elementen die een kristalmolecule 
samenstellen zich zullen groepeeren; dat te bepalen, is reeds 
buiten het kader van chemische werking. , 

Chemisme brengt bijvoorbeeld de verbinding van de alkali 
calcium-hydroxyde met het zuur koolzuur tot koolzure kalk 
teweeg. Het is echter de organiseerende plastiek die uit 
deze verbinding hier de kalkspaath en daar de arragoniet 
vormt. 

In de chemie zelf zijn wij eenigszins ook in de gelegenheid 
aanduidingen van plasticiteit te herkennen. — Heel wat 
lichamen zijn er van dezelfde elementaire samenstelling met 
geheel verschillende physische eigenschappen. De chemicus 
onderscheidt daarom altijd van een stof de empyrische 
formule en de structuur formule. 

Deze polymerie van het nog „gedaantelooze" chemisme 
kan men als het voorstadium beschouwen van de kristal- 
liseerende plastiek. 

Het voorstadium is echter nog lang niet identisch met 
het kristallisatieproces zelf en diens resultaten al moge onze 
fantasie in kristalvorm gegroepeerde atomen en radikalen 
de structuur van verschillende chemische isomeeren trachten 
voor te stellen. — Een bepaald chemisch mengsel of ver- 
binding van dezelfde aggregaatstoestand en samenstelling 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 107 

als een bepaald kristal verschillen zeer beduidend van 
eli<ander. 

Ostwald eischt van de stof in chemischen zijn: „dass er 
in allen seinen abtrennbaren Teilen die gleichen Eigen- 
schaften aufweist". Aan dezen eisch voldoet een stof in 
kristallijnen toestand volstrekt niet. — In verschillende 
richtingen vertoont het kristalindividu geheel verschillende 
cohaesie-verhoudingen. In bepaalde richting is een kristal 
lichter splijtbaar dan in eene andere richting. Bij een 
homogeen, alleen op chemischen weg tot stand gekomen 
stof, bestaat dat verschil voor bepaalde richtingen niet. — 
Snijden wij staven uit een homogene stof dan leveren al 
die staven in elk opzicht dezelfde physische eigenschappen 
op. Staven uit kristallen gesneden in verschillende richtingen , 
vertoonen, al naar de richting, waarin zij zijn uitgesneden in 
elasticiteit, breekbaarheid, samendrukbaarheid, geheel andere 
graden. — De voortplanting van warmte is door eene 
kristallijne stof anders dan door eene homogene amorphe. 

Overtrekt men een plaat uit een amorphe stof met was 
en raakt men die plaat aan, met de verhitte top van een 
metaalkegel , dan zien wij , ten teeken dat de warmte zich 
in alle richtingen gelijkmatig voortplant, de was over een 
cirkelvlak weggesmolten. Doen wij hetzelfde experiment bij 
een plaat uit een kristal gesneden, dan zullen wij de 
warmte over een ellipsvlak zich zien voortplanten en de 
assen van die ellipsen zullen ten opzichte van elkander, 
lengte verhoudingen vertoonen, afhankelijk van het kristal- 
stelsel waartoe het betrokken kristal behoort en van de vlakte 
van doorsnede waaruit de plaat in kwestie gesneden is. — 
De uitzetting, die een homogene stof door warmte onder- 
gaat, is ook geheel anders, dan dit het geval is bij een kris- 
tallijne stof. 



108 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

Verhitten wij, eene in bolvorm gesneden homogene amorphe 
stof, dan blijft de vorm, niettegenstaande de hoogere 
temperatuur, dezelfde. Doen wij hetzelfde met een bol uit 
een kristal gesneden, dan zal de bol in vele gevallen bij 
zijne uitzetting tot ellipsoid worden. De assen van die el- 
lipsoid hebben ook eene bepaalde betrekking tot de assen 
van het kristalstelsel waartoe de grondstof behoort. 

De voortplanting van het licht en de verschillende ver- 
anderingen die de lichtstralen ondergaan, zijn in een kristal- 
lijn medium van geheel anderen aard dan in een doorzichtig 
amorph medium. — Die veranderingen hier te behandelen 
zou ons te ver voeren. — Van veel meer belang is voor 
ons de gedragingen na te gaan van een kristalindividu ten 
opzichte van chemische inwerkingen. 

Deze zijn eveneens geheel anders dan bij homogene 
amorphe stoffen. — Terwijl in eene homogene stof, de che- 
mische inwerking gelijkmatig veld wint en alzoo zich in de 
vorm van een bol uitbreidt, zien wij bij kristallijne stoffen 
de uitbreiding op een zeer typische wijze plaats vinden. 

De vormen waarin de chemische inwerking zich een 
weg baant, zijn in de kristallographie onder de benaming 
van „etsfiguren" bekend die typisch zijn zoowel voor het 
kristalstelsel als ook voor de plek waar die inwerking op 
het kristal individu plaats vindt. Belangrijk is ook het 
experiment van Lavizzari die een bolvormige stuk kalkspaath 
in geconcenteerd salpeterzuur legde. — Het is hem gelukt 
op deze wijze door de inwerking van het zuur de typische 
hexagonale pyramide van de kalkspaath te verkrijgen. ^) 

Een omgekeerde proef kan men doen met een in bolvorm 
geslepen aluinkristal. Deze in een aluinoplossing geplaatst 



1) Wer in den Mineral nur eine Substanz anerkennt, der ist demjenigen 
zu vergleichen, weicher in einer Marmorstatue nur Kohlensauern kalli sieht. 
(Zirkel. Elem. der Mineralogie p. 281.) 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 109 

en op doelmatige wijze tekens omgewenteld , kan zich tot 
hare oktaedrische gedaante herstellen. 

Een bol uit eene amorphe stof samengesteld zal nooit tot 
haren typischen kristalvorm uitgroeien. Zij verhoudt zich in 
haar moederloog hetzij indifferent, hetzij lost ze op, tot in 
de moederloog verzadiging is ingetreden. 

Deze feiten leeren ons meer dan andere, hoe een kristal 
niet een eenvoudig aggregaat is van chemische molekels 
maar een door en door georganiseerd geheel. — De chemische 
inwerking wordt beheerscht en ten teeken dat het beheerscht 
wordt, zien wij het kristal aan die inwerking op eene typische 
wijze weerstand bieden en in bepaalde banen laten verloopen. 

Een kristal door een chemische formule voor te stellen is 
daarom nog een uiterst onvolledige voorstelling van zijn 
structuur, want het kristal is reeds door en door vorm. 

Gelijk bij het leven, toont zich ook hier door de uiterlijke 
vorm heen, de innerlijke structuur. Ieder molecule van 't 
kristal is van de vorm van het geheel doordrongen gelijk 
iedere cel van het organisme slechts beteekenis heeft door 
het geheel. ^) Het morphologisch element is bij het kristal 
mede een belangrijke constitueerende factor. — Zoo blijkt 
dus het kristal zelfs in hare meeste innerlijkheid, hare 
individualiteit te, bewaren en daardoor bewijzen hoe, al is 
het op rudimentaire wijze, leven in haar woont. — 

De gedragingen tegenover bepaalde chemische inwerkingen 
toonen hier een vermogen tot vormbestendiging aan, en 
bewijzen, dat het chemisme in het kristal „gevitaliseerd" is 
geworden. Evenals de stoffen n. 1. die een chemische ver- 
binding met elkander aangaan hunne particuliere physische 
eigenschappen door die verbinding inboeten, zoo verliezen 



1) Die ideelle Form, die das seelenhafte ist, diirchdringt aligegenwartig das 
Ganze. (Hegel. Encykl. p. 459). 



110 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

de stoffen in eene „vitale" verbinding hunne chemische 
eigenschappen. — De elementen van de „levenstof" vertoonen 
pas hunne chemische eigenschappen als het leven ze niet 
meer bij eikander houdt en zij tot „chemische" lichamen 
uiteen zijn gevallen. Dan heeft men echter niet meer het 
leven voor zich, maar een aggregaat van stoffen. Het leven 
is slechts ais een heel individu te vatten, als iets ondeel- 
baars. — Heeft men „die Teile in der Hand" dan „fehlt der 
geistige Band" en men heeft niet meer met leven te doen. — 

Schwann schrijft: „Der an den Zeilen vor sich gehende 
Prozess enthalt, so lange man ihn nicht in seine einzelnen 
Al<te zerlegt, das Magische, was dem Begriff Leben anl<:iebt." 

Een i<ristal is ook zulk een levend geheel en dat bewijst 
het door niets beter dan door de vormbestendiging bij me- 
chanische of chemische stoornissen. 

Mutileert men een kristal, hetzij door mechanisch, hetzij 
door chemisch geweld, en plaats men dat kristal in een 
adaequate moederloog, dan zal dat kristal zijne gedaante 
veelal meer of min volkomen herstellen of in ieder geval 
duidelijk het streven hiertoe vertoonen. Nog frappanter dan 
door bovengenoemde verschijnselen, leveren de kristal-indi- 
viduen ons analogieën met de hoogere uitingen van het 
leven op, in hunne gedragingen tegenover andere kristal- 
individuen. Door de groeiende kristallen wordt in de moeder- 
loog een soort „strijd om het bestaan" gevoerd. Het in 
betere omstandigheden ten opzichte van voedsel verkeerend 
kristal, is in staat het minder begunstigd individu van zijn 
soort of van een ander soort met zich te assimileeren of in 
zijn substantie in te sluiten. ^) 



1) Haben sich aus der aufgelagerten Substanz andere Krisstalle entwickelt, 
Kristalle derselben oder einer verschiedenen Art, so bemerken wir beim Fort- 
wachsen ein wechselseitiges Bedrangen des jüngern und des altern Krystalls. 
Er ist derselbe Kampf weelben wir aucli in andern Reichen der Natiir beob- 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 



Diegene onder de „exacte" onderzoekers ^) die het eerst uit- 
voerig de analogie van vitaliteit met kristalisatie behandeld 
heeft is Theodor Schwann. In zijne „Mikroskopische Unter- 
suchungen ueber die Uebereinstimmung in der Structur und 
dem Wachsthum der Thiere und Pflanzen", vergelijkt hij 
het ontstaan en groei der cellen met dat van de kristallen. 
Op grond van zijne redeneeringen vraagt Schwann zich af 
of wij niet gerechtigd zijn te beweeren „dass die Bildung 
der Elementartheile der Organismen nichts als eine Krys- 
tallisation imbibitionsfahiger Substanz, das Organismus nichts 
als ein Aggregat solcher imbibitionsfahiger Substanzen ist." 

Hij waarschuwt echter zeer tegen voorbarige conclusies 
en zegt uitdrukkelijk dat „nicht behauptet wird, dass die 
Grundkraft der Zeilen wirklich etwas gemeinsam habe mit 
der Kraft , wodurch sich die Krystalle bilden. Hat man doch 
immer das Wachsthum der Organismen, weil dabei feste 
Substanzen aus einer Flüssigkeit sich absetzen, mit einer 
Krystallisation verglichen ohne desshabb die Identitgt der 
Grundkrafte zu behaupten. Bisher sind wir auch ueber diesen 
Boden des Gegebenen, ueber diese blosse Vorstellungsweise 
der Thatsachen nicht hinausgegangen." 

Haeckel verlaat dezen veiligen bodem en schrijft, ongeveer 
vijftien jaar na het verschijnen van Schwann's bovengenoemd 
boek, de volgende merkwaardige beweringen omtrent de 
kristalvorming die hij in zijn veel gelezen werk „Prinzipiën 
der Generellen morphologie der Organismen" uitvoerig be- 
handelt. 

„Ein Kristall besitzt eine innere Structur wie der Orga- 



achten können. Allein die Krystalle sitzen fest, mussen es abwarten, ob ihnen 
und wie viel Nahriing zugeführt wird. Fehit diese dem aufsitzenden jüngeren 
Kristalle, so wird er vom altera, dem besten genahrten Stammkrystall allmah- 
Ijch umschlossen. CScharff. N. Jahrb, de Mineralogie, geciteerd uit Lehman: 
Molecularphysik). 
1) De „Natuurphilosophen" hebben het al lang bedacht voor Schwann. 



112 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

nismus." „Wenn auch die chemische Natur ihner Molecule 
gleichartig ist, so gilt dies keineswegs von der Lagerung 
und Verbindungsweise. 

Sowohl das wachsende Moner als der wachsende Kris- 
tall zieht, wie jede andere Cytode und wie jede Zelle, aus 
der umgebenden Ernahrungsflüssigheit nur diejenigen Sub- 
stanzen an, welche es zu seinem individuellen Wachsthum 
braucht, und trifft daher, wenn viele verschiedene ernahrende 
Substanzen in der Flüssigheit gelost sind, eine bestimmte 
Auswahl." 

Tot dusverre bevond Haeckel zich zonder eenigen twijfel 
op den bodem der exacte feitenwereld maar daar blijft hij 
niet stil staan en weldra neemt hij zoo hooge metaphysische 
vlucht dat de feitenwereld hem geheel ontsnapt. — 

(Wordt vervolgd). 



BOEK-BESPREKING. 



Hegel. Ein Überblick über seine Gedankenwelt in Aus- 
zügen aus seinen Werken, zusammengestellt und mit einer 
Einleitung versehen von Georg Lasson (Pastor an S. 
Bartliolomaus. Berlin). Verlag von Robert Lutz in Stuttgart. 

De schrijver van dit handige boekske, verschenen in de 
verzameling: „Aus der Gedankenwelt grosser Geister," uit- 
gegeven door Lothar Brieger-Wasservogel , betreurt het dat 
Hegels wijsbegeerte, na slechts een 20 jaar in Duitschland 
invloed te hebben gehad, sedert als volstrekt onverstaan- 
baar en vol van onvruchtbare spitsvondigheden is veroor- 
deeld en ter zijde gelegd. Hij is overtuigd dat nog heden 
ten dage de groote meerderheid der denkers in Duitschland 
tegen Hegel gekant is, omdat diens idealisme weinig strookt 
met den praktischen geest die tegenwoordig in zijn vader- 
land den boventoon voert, maar zijn ingenomenheid met 
Hegels denkbeelden is zoo groot dat hij desniettegenstaande 
een poging wil wagen tegen dien stroom in te gaan en den 
beschaafden mensch weer tot Hegels wereldbeschouwing 
terug te brengen. 

Het boekje handelt over Idealismus, Gott und Welt, Mensch 
und Bildung, Staat und Gesellschaft, Weltgeschichte, Kunst, 
Religion und Christentum; en bestaat uit aanhalingen, ont- 

8 



114 BOEK-BESPREKING. 

leend aan Hegels werken. — Hierdoor toont het reeds hoezeer 
de schrijver met Hegel vertrouwd is, en draagt het een 
stempel van echtheid, die het aantrekkelijk maakt. 

Vermoedelijk zullen de Hegelaren bij ons te lande dit 
boekje met blijdschap begroeten, omdat het, zonder veel 
omhaal van woorden , Hegels gedachten over de voornaamste 
wijsgeerige vraagstukken binnen het bereik der beschaafde 
menicfte brensit. M, 



Open Brief aan Prof. G. J. P. J. Bolland door Dr. G. 
Jelgersma, Hoogleeraar aan de Rijks-universiteit te Leiden. 
Leiden, Gebr. v. d. Hoek, 1906. 

Het Tijdschrift voor Wijsbegeerte behoort nota te nemen 
van den „Open Brief" dien de Hoogleeraar in de Psychiatrie 
den Hoogleeraar in de Philosophie schreef. 

In 1899 vergunde zich de heerjelgersma. Arts en speciali- 
teit in de Psychiatrie, doctor honoris causa, die zich wegens 
zijn psychiatrische en anatomische studiën een welverdienden 
naam als vakgeleerde in de medische wereld verworven 
had, in zijn inaugureele rede als Hoogleeraar, de uitspraak, 
ten gehoore gebracht in het groot auditorium van het oude 
universiteitsgebouw te Leiden: „Zonder eenigen twijfel, de 
natuurwetenschappelijk geschoolde mensch ziet neer op 
systemen van Plato, van Descartes, vanSpinoza, van Kant, 
om geen minderen te noemen." Deze woorden riepen mij, 
student die zich vormde in die natuurwetenschappelijke school, 
indertijd het beeld te voorschijn van een modernen automo- 
biel-berijder, die het Parthenon te Athene, de Notre-Dame 
te Parijs, den Dom te Reims etc. passeerende, uitroept: zonder 
eenigen twijfel , de moderne mensch ziet neer op de bouw- 
werken van Ictenus etc. om geen minderen te noemen! 

Deze houding van den uitnemenden vakgeleerde ten 



BOEK-BESPREKING. 115 

opzichte van de Philosophie, die als zuivere algemeene 
wetenschap het gemeenschappelijl< verband der bijzondere 
wetenschappen , vinculum scientiarum , genoemd kan worden, 
of het ideëele centrum, waaruit de wetenschappelijke peri- 
pherie licht ontvangt, schijnt al die jaren dezelfde gebleven 
te zijn ; neen , nog uitdagender te zijn geworden , toen hij 
in zijn „Open Brief" een attitude aannam, die, behalve het 
aangematigde van de vroegere, blijk gaf van een geprikkelden 
toestand van het gemoed , waarbij de geest aan klaarheid en 
bezonnenheid moest verliezen. 

Aan het einde van zijn Open Brief zegt Prof. Jelgersma: 
„Ik was overkropt van ergernis en ik moest mij uiten. Nu 
is het eruit en ik voel mij opgelucht. Langen tijd heb ik 
geaarzeld een open brief als deze te schrijven." (pag. 46). 

Een affect of hartstocht of lijding verwart den geest en 
maakt de idee troebel. Affectus, qui animi pathema dicitur, 
est confusa idea (Spinoza, Ethica, Pars III. Aff. gen. def.). 
De hartstocht is een verwarde idee. De psycholoog in den 
geleerden openbrief-schrijver zegt in gelijken zin , dat „vooral 
die geestesprocessen , die met groote emotie gepaard gaan, 
een sterke werking hebben in dien zin , dat zij den geheelen 
geestesinhoud kunnen vervalschen." (pag. 34). 

Deze bewogen gemoedstoestand heeft Prof. Jelgersma er 
toe gebracht met onvoldoende kennis , met een belezenheid , 
door hem zelf „slechts gering" (pag. 6) genoemd, te oor- 
deelen over, hetgeen hier gelijk stond met, te veroordeelen 
een Philosophie; — de Philosophie van Hegel, welke men 
dood waande, doch door Prof. Bolland tot een hernieuwd leven 
opgeroepen, in Nederland tot een werkelijke geestelijke be- 
weging gegroeid , alle wetenschappen zal doordringen. Deze 
philosophie heeft geen ander dan een zuiver wetenschap- 
pelijk beginsel en doel. De specialiseering der verschillende 
vakwetenschappen heeft het geestelijke verband verbroken 



116 BOEK-BESPREKING. 

eener algemeene zuivere wetenschap der Rede, die als 
philosophie de grondbeginselen, begrippen en waarheden 
der bijzondere wetenschappen inhoudt. De philosophie wil 
het verbrolcen verband herstellen, en in 't algemeen den geest 
uit alle bekrompenheid vrij maken. 

De voornaamste reden waarom Prof. J. zijn brief schreef 
is deze: dat hij „den invloed , dien (Prof. Bolland's) onderwijs 
op de studenten uitoefent, een noodlottigen" (pag. 5) vindt. 
Door dat onderwijs „wordt bij hen eene eenzijdigheid ge- 
kweekt" (pag. 5). Het is „voor hen zeer gevaarlijk, het zou 
op den duur een eenzijdige en bekrompen geestesrichting 
kweeken" (pag. 6). Zonder deze beweringen, met de wer- 
kelijke waarheid zoo geheel in strijd, te bewijzen, ver- 
liest de schrijver zich in een aantal persoonlijk bedoelde 
opmerkingen, en geeft hij zich moeite Hegel's en Bolland's 
philosophie te bestrijden. In deze bestrijding komt duidelijk 
de zelf erkende geringe belezenheid en kennis der philosophie 
aan den dag; maar ook, merkwaardig genoeg, voldoende 
wijsheidszin, om Prof. J. op enkele belangrijke plaatsen, in 
den goeden zin een onbewusten metaphysicus, zelfs een 
onbewusten Hegeliaan te kunnen noemen. Op die plaatsen 
dacht de uitnemende vakgeleerde ook zuiver philosophisch. 

In zoover de menschen leven onder leiding der Rede, in 
zoover alleen komen zij van nature altijd noodzakelijk overeen : 
Quatenus homines ex ductu rationis vivunt, eatenus tantum 
natura semper nesessario conveniunt. (Spinoza. Ethica. Pars 
IV. Propos. XXXV). 

D. B. 



BOEK-BESPREKING. 117 

Verslag van de Rede, door Prof. Bolland in het gebouw 
„Odeon" te Amsterdam tot opening zijner colleges den 
25sten September 1906 uitgesproken. 

Leiden, A. H. Adriani, 1906. 

Deze eerste les van Prof. Bolland, buiten zijn medeweten 
stenographisch opgeteekend, niettemin daarna met zijn toe- 
stemming door den druk openbaar gemaakt, is voor een 
deel een indirect antwoord op den Open Brief van Prof. 
Jelgersma, voor een ander deel een praeludium van hetgeen 
in het cursusjaar ten gehoore zou worden gebracht. 

De drie in elkaar grijpende deelen der Encyclopaedie van 
Hegel worden gekenschetst door evenveel zinnetjes, die, 
rijk van zin, kunnen gelden als de oermotieven van het 
harmonisch ontwikkelde stelsel: ten eerste de vraag, in het 
Johannes-evangelie ook door Pilatus geuit: „Wat is Waar- 
heid", ten tv/eede: „Wat is de natuur" en ten derde: 
„Ken Uzelf!" — 

De paradijs-mythe wordt, allegorisch verhelderd door den 
ideëelen zin ervan te belichten, in redelijk verband gebracht 
met een dictum van Goethe's Mephistopheles: „Folg' nur 
dem alten Spruch und meiner Muhme der Schlange: dir 
wird gewiss bei deiner Gottahnlichkeit bange!" Dit ligt in 
het wezen der kennis en der hoogere bewustheid, waarin de 
mensch niet slecht boven zijne dierlijkheid, maar zelfs boven 
zijne menschelijkheid uit komt. 

Zeker, „een dichterwoord op zijn best is dan ook een 
woord van wijsheid". Het schoone en de kunst bespreekt 
Bolland in verband met de idee van het Verhevene. 

De hooge bewustheid van den verheven geest is een 
voorrecht en een vloek tevens; gelijk de „held" in het 
drama er zelfs mede ten onder gaat. 

Een aantal pag. (12 — 23) zijn belangwekkend om de 
persoonlijke factoren die te berde gebracht worden , en niet 
alleen psychologisch maar ook philosophisch licht werpen 



118 BOEK-BESPREKING. 

op den weg waarlangs Bolland tot Hegel gekomen is, welke 
verklaring wel indruk moet maken. 

De inhoud der volgende pag. betreft het verband tusschen 
physica en metaphysica, metaphysica en philosophie, en 
tusschen religie en philosophie. 

D. B. 



Verstandig Misverstand. Kritiek van den „Open Brief" 
enz. door Mr. A. J. van den Bergh. 
Uitrecht, J. de Kruyff, 1906. 

In zijn brochure, antwoord op den Open Brief van Prof. 
Jelgersma, noemt Prof. van der Bergh §1: „De eereschuld 
tegenover toenemend misverstand", § 2 : „De speldeprikken 
van Prof. Jelgersma". Van geen zuiver philosophisch belang 
zijnde , geven deze met enthusiasme geschreven § § geen 
aanleiding tot nadere beschouwing in dit Tijdschrift. Het 
zelfde geldt voor § § 6 en 7. 

In § 3 worden „de bewijsmiddelen tegen Prof. Bolland" 
in strikt juridischen trant logisch doordacht weerlegd. De 
Heer Van den Bergh is daarbij zeer uitvoerig, neemt alles 
wat de openbriefschrijver aanvoert ernstig op, behandelt 
de stof der gegevens nauwkeurig en oordeelt met het be- 
trachten der hierbij vereischte rechtvaardigheid. In het betoog, 
waarbij ook § 4 behoort, wordt tevens het goed recht der 
wijsgeerige terminologie betrokken. 

Ook § 5: „Prof. Jelgersma een onbewuste Hegeliaan" is 
de wijsgeerige aandacht waard. Eén dictum van Prof. J. 
blijve ook hier bewaard: „Men kan het bestaande niet van 
éen enkel standpunt uit begrijpelijk maken. (pag. 25). 

D. B. 



BOEK-BESPREKING. 119 

De „Open Brief" van Prof. Dr. G. Jelgersnia aan Prof. 
Q. J. P. J. Bolland, kritisch toegelicht door L. H. Grondijs, 
Phil. Docts. 

Leiden, Voorheen E. J. Brill, 1906. 

Dit polemisch geschrift, met stylistisch en nu en dan 
zelfs woordkunstig vernuft samengesteld, laat zich, hoewel 
met philosophie doortrokken, moeilijk in weinig regels in 
wijsgeerigen zin kenschetsen. 

Het citaat uit Lewes' hoofdwerk : „Have we any idea 
independent of experience", dat Prof. Jeigersma o. m. voor zijn 
brief plaatst, wordt tot uitgangspunt voor een beschouwing 
over het verband tusschen empirie en wetenschap, subjec- 
tiviteit en objectiviteit, physica en metaphysica. De causa- 
liteit, het atomisme en Kant's gedachte van het Ding-an-sjch 
worden daarin betrokken. 

Belangrijk in dit verband, van natuurwetenschappelijk 
zoowel als van wijsgeerig standpunt, is de aanwijzing 
in de Encydopaedie van een plaats waar Hegel met bijzon- 
deren nadruk aan de empirie alle recht doet wedervaren, 
in § 246. 

Nog belangrijker zou de verwijzing zijn naar de geheele 
Einleitung tot de Encydopaedie , in 't bijzonder naar § 12. 
Ook de zin dat de Philosophie „die Erfahrung zum Aus- 
gangspunkte (hat)" , dien de Heer Grondijs citeert (pag. 
4), staat niet in § 246, zooals hij vermeldt, maar in § 12. 
Elders zegt Hegel nog: „Ohne die Ausbildung der Erfah- 
rungswissenschaften für sich hatte die Philosophie nicht 
weiter kommen können als bei den Alten" (XV. 258). 

Tot zuiyer begrip worde opgemerkt dat Hegel (Ene. § 8) 
de oude scholastieke stelling: „nihil est in intellectu , quod 
non fuerit in sensu" , — waarop zich ook de ervarings- 
wetenschap grondt, en die de basis is van de philosophie 
van Locke, — ook in omgekeerden zin waar acht: nihil est 



120 BOEK-BESPREKING. 

in sensu, quod non fuerit in intellectu", — in dien zin 
n.1. waarin de vovg, het principe van Anaxagoras' wereld- 
beschouwing , begrepen als Geest , of de Jlóyog van Herakleitos 
in de hooge beteekenis van Rede, de substantie der wereld 
is, waaruit dus ook al het bestaande ontstaat. 

D. B. 



Antwoord aan Prof.Jelgersma, van Dr. J. M. Fraenkel. 
Leiden, A. H. Adriani, 1906. 

Dit antwoord op den bekenden brief is vol waardigheid. 
Er is hier en daar zelfs iets hooggestemds in. De Heer 
Fraenkel is een van de weinige geleerden die stijl heeft. 

Wijsgeerig het belangrijkst is de beantwoording der vra- 
gen betreffende de Rede, op pag. 37 van den brief, die in 
den vorm van een catechismus voor een goede philoso- 
phische propaedeusis kan gelden. Een voorbeeld. Op de 
vraag: „Is de Zuivere Rede een primum movens en als 
zoodanig voor naderen uitleg onvatbaar?" — luidt o. m. 
het antwoord, nadat gewezen is op de eenzijdigheid van 
zulk een wereldverklarend beginsel : „Wat aan de ge- 
dachte van een primum movens de waarheid is, heeft de 
zuivere Rede zelf uit te maken en zoo kan zijzelf niet 
alleen een primum movens, maar ook een perpetuum mo- 
bile genoemd worden, — wat Plato van de ziel zegt. 
(Phaedrus 245 C, D.)." 

Belangwekkend zijn ook de „stellingen", die de Heer 
Fraenkel den tijdgeest in natuuwetenschappelijke kringen 
laat uitspreken. De tijdgeest is eenzijdig en spreekt als 
zoodanig in stellingen. Twee ervan zijn : 

1. „Onze kennis betreft verschijnselen, niet het wezen 
der dingen." 

2. „Alleen de stomme feiten moeten spreken." — 



BOEK-BESPREKING. 121 

De Philosophie vraagt naar waarheid — en geeft er het 
antwoord op. Ook Pilatus vraagt, in het vierde Evangelie: 
„Wat is waarheid." De mensch, neen de menschelijke 
geest — of de mensch die uit zijne menscheiijkheid tot geestelijk- 
heid gestegen is — vraagt steeds : Wat is waarheid ? Het ant- 
woord erop is de Philosophie, is de Encyclopaedie der Idee. 

Dit antwoord zal ook de natuurwetenschap leeren ver- 
staan als zij zich tot natuurphilosophie omhoog werkt. 
Maar voorloopig blijft voor haar, die de waarheid „bena- 
deren" wil op een eindelooze baan, het woord van Schiller 
gelden, dat hij richt tot Die Förscher: 

„Wahrheit, wo rettest du dich hin vor der wutenden 

[Jagd? 

Dich zu fangen , ziehen sie aus mit Netzen und Stangen ; 

Aber mit Geistestritt schreitest du mitten hindurch." 

D. B. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 



Zeitschrift für Philosophie iind philosop/iisc/ie Kritik. 
(Leipzig Voigtlander). 

Bd. 128 Heft 2. 

R. Reimann, Einige Gedanken iiber die Organisation des 

Ideenreichs mit kurzem Hinblick auf die platonisch- 

aristotelische Idee. 
B. Mities, Das Wirkungsprinzip der Reklame. 
H. Pudor, Von den asthetischen Formen der Rauman- 

schauung. 
A. Bastian, Quellen und Wirkung von Jacob Böhmes 

Gottesbeweis. 

Bd. 129 Heft 1. 

A. Domer, Eduard Hartmann. 

A. Bastian, Quellen und Wirkung von Jacob Böhmes 

Gottesbeweis (Schluss). 
A. Meinong, Ueber die Stellung der Gegenstandstheorie 

im System der Wissenschaften I. 
Chr. Pflaum, Bericht über die Italienische Philosophische 

Litteratur des Jahres 1905. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 123 

Archiv für Pliilosophie , I Abteilung (Berlin Reimer). 

Bd. 19 Heft 4 (N. F. XII, 4). 

L. Robinson, Untersuchungen über Spinoza's Metaphysik II. 

M. Clodius Piat, L'être et Ie Bien d'après Piaton. 

A. Leclère, L'esquisse d'une Histoire générale et com- 

parée des Philosophies médiévales de M.Frangois Picavet. 
Andreas Freiherr di Pauii, QuadratusMartyr, derSkoteino- 
loge. James Lindray, Plato and Aristotle on tlie problem 

of efficiënt causation. 

Bd. 20 Heft 1 (N. T. XIII, 1). 

K. Joëi , Die Auffassung der Kynisciien Sokratik. 

O. Gilbert, Der öal[.icov des Parmenides. 

H. Maier, Zur Syilogistik des Aristoteles. 

Br. Petronievics , Zenos Beweise gegen die Bewegung. 

Eberz, Die Einkleidung des platonischen Parmenides. 

L. Kunz, Die Erkenntnisstheorie d'Alemberts. 

Vierteljahrsschrift für wissenschaftlicfie Pliilosophie und 
Soziologie. 

30 Jhrg. Heft III (Sept. 1906). 
Georg Wernick, Die Wirkiichkeitsgedanke II. 
Max Frischeisen-Köhler: Die Lehre von der Subjektivitat 
der Sinnesqualitaten und ihre Gegner. 

30 Jhrg. Heft IV (Dec. 1906). 
Georg Wernick, Die Wirkiichkeitsgedanke III. 
E. v. Aster, Ueber die erkenntnis-theoretischen Grund- 

lagen der biologischen Naturwissenschaften. 
P. Barth, Die Geschichte der Erziehung in soziologischer 

Beleuchtung V. 
Karl Marbe, Beitrage zur Logik und ihren Grenzwissen- 

schaften. 



124 INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

Kantstudien (Berlin, Reuther u. Reichard). 

XI Heft I. 

G. Huber, Graf von Benzel-Sternau und seine „dichte- 
rischen Versuche über gegenstande der kritischen Phi- 
losophie." 

M. Rubinstein , Die logischen Grundlagen des Hegelschen 
Systems und das Ende der Geschichte. 

T. Behrend, Der Begriff des reinen Wollens bie Kant. 

W. Lütgert, Hamann und Kant. 

XI Heft 2. 

B. Bauch, Chamberlains „Kant". 

P. Hauck, Die Entstehung der Kantischen Urteilstafel. 

W. Meinecke, Die Bedeutung der Nicht-Euklidischen 

Geometrie in ihrem Verhaltniss zu Kants Theorie der 

mathematischen Erkenntniss. 
E. Sulze, Neue Mittheilungen über Fichtes Atheïsmusprozess. 
A. Görland, Natorps Einführung in den Idealismus durch 

Platos Ideenlehre. 
E. Ebstein und J. Jünnemann , Ein unbekannter Brief 

Kants an Nicolovius. 
A. Höfler, Zu Kants metaphysischen Anfangsgründen der 

Naturwissenschaft. 

E. von Aster, Der zweite Band der Akademie-Ausgabe. 

Revue Philosopliiqiie. 
Septembre 1906. 

P. Gaultier, Qu'est ce que l'art? 

F. Ie Dantec, Les objections au monisme (II). 

R. de la Grasserie, Les moyens linguistiques de conden- 
sation de la pensee. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 125 

Octobre 1906. 

G. Dumas, Les conditions biologiques du remords. 

F. Paulhan, L'échange économique et 1'échange affectif: 
Ie sentiment dans la vie sociale. 

Kozlowslci, L'„a priori" dans la science. 

Rignano, La transmissibilité des caractères acquis, par 

F. Ie Dantec. 
P. Lacombe , La psychologie des individus et des sociétés: 

chez Taine, par F. Paulhan. 

Novembre 1906. 
H. Bergson, L'idée du néant. 
C. Bos, Des éléments affectifs de la conception. 
E. Rignano, Une nouvelle theorie mnémonique du déve- 

loppement. 
Probst-Biraben , L'extase dans Ie mysticisme musulman 

Les étapes du Soufi. 

Revue de Philosophie. , 

Septembre 1906. 
Philosophie: E. Mallet, La philosophie de l'action. 
M. Baudin, La philosophie de la foi chez Newman (III). 
Philosophie des sciences: F. Mentré, La philosophie des 
sciences d'après Cournot. 

Octobre 1906. 

Esthétique: P. Gaultier, La critique d'art. 

Psychologie: N. Vaschide et R. Meunier, La mémoire des 

rêves et la mémoire dans les rêves. 
Philosophie: E. Baudin, La philisophie de la foi chez 

Newman (IV). 

Novembre 1906. 
Philosophie: J. Gardair, La connaissance de Dieu. 

G. Guentin, Le libre arbitre. 



126 INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

Mind (London, Williams and Norgate). 
New Series No. 60 (Oct. 1906). 

J. H. Bradley, On floating ideas and the imaginery. 
S. Vailati , A study of platonic terminology. 
H. Foston, The constitution of thought. 
Hugh Mac Coll, Symbolic reasoning. 



OVERZICHT DER WERKZAAMHEDEN 

VAN 

DE VEREENIQINQEN VOOR WIJSBEGEERTE 

vervuld in het eerste deel van den winiercursus 190617. 



Vereeniging voor Wijsbegeerte te Amsterdam. 

Dr. Ph. Kohnstamm, Voorzitter. 
J. Verkerk, Ie Secretaris. 

Lezingen gehouden 13 Dec. 1906 door Dr. D. G. Jelgersma, 
over Kant als schrijver en deni<er. 

9 Jan. 1907 door Dr. J. D. Bierens de Haan, over: De 
Eenheid des geestes in de drie fakuiteiten van het praktisch 
bewustzijn (moraliteit, aesthese, religie). 

18 Febr. door den Heer Julius de Boer over: Hegel 
en Spinoza. 

Cursussen dezen winter gehouden door Dr. J. D. Bierens 
DE Haan: Inleiding tot de Wijsbegeerte; 

door Mej. E. Vas Nunes: Voorbereiding fot de studie 
van Hegels Wijsbegeerte; 

door Dr. A. J. Resink: Systematische Cursus over Wijs- 
begeerte en wijsgeerige behandeling van Politieke vragen 
van den Dag. 



128 OVERZICHT DER WERKZAAMHEDEN. 

Vereeniging voor Wijsbegeerte te Leiden. 

J. Claij, Voorzitter. 

J. C. DE Haan, 1ste Secretaris. 

Lezingen gehouden door K, J. Pen over: Geschiedenis 
der nieuwe Wijsbegeerte 20 Nov. en 6 Dec. 1906. 

25 Jan. J. Claij over: Natuurphilosophie en Atomistielc. 

31 Jan. Dr. J. D. Bierens de Haan over: De Eenheid 
des geestes enz. 

Vereeniging voor Wijsbegeerte te Utrecht. 

(Geen bericht ingei<omen). 

Phiiosophische Studenten-Vereeniging te Amsterdam. 

F. R. Klaverweide, Pres. 
Mej. A. Zernike, Secr. 

Lezing gehouden door Prof. Straub over: het lichameiijlc 
zien. Plato-studieclub onder leiding van Prof. Kuiper. 

Vereeniging voor Wijsbegeerte te Arnhem. 

Opgericht 1 Jan. 1907. Aantal leden 32. 

F. J. W. Drion, Voorz. 
J. L. A. Kremer, Secr. 

Vereeniging voor Wijsbegeerte te 's-Qravenhage. 

Opgericht 21 Febr. 1907. 

Bestuursleden: Mr. J. J. van Geuns, Dr. W. Meijer, 
Dr. WijNAENDTS Francken, Dr. DER Mouw, Dr. K. H. E. 
de Jong, R. Casimir, F. J. van Paasschen. 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES 

DOOR 

Dr. H. RETHY. 



(Slot) 

„Bei der Kristallisation der Anorgane zeigt sich ganz einfach 
dass, wenn in einer Mutterlauge viele verschiedene Salz- 
lösungen unter einander gemischt sich befinden, beim Ab- 
dampfen derseiben alle einzelnen Salze gesondert heraus- 
kristallisieren, indem das gleiche stets das Gleiche anzieht." 

„Offenbar beruht diese wichtige Erscheinung, welche die 
Gleichartigheit der chemischen Substanz ganz ebenso in der 
structurlosen Monere, wie in dem Kristalle bedingt auf denselben 
Gesetzen der molecularen Anziehung und Abstossung. Die- 
selben Gesetze der chemischen Verwantschaft und physi- 
kalischen Massenanziehung, bewirken zusammen in gleicher 
Weise das Wachsthum der Organismen und der Anorgane." 

Hier is een klassiek voorbeeld voor onze oogen hoe, om 
een vooropgevatte meening te verdedigen zelfs door zich 
„exact" noemende onderzoekers aan de feitenwereld geweld 
kan worden aangedaan. 

Leven moet, het koste wat het wil, identisch worden 
gemaakt met mechanisme, dynamisme en chemisme. Het 
feit dat aan levensverschijnselen heel wat mechanische, 

9 



130 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

physische en chemische verschijnselen voorkomen bewijst 
voor de „monisten" van Haeckel's richting dat een levend 
individu eigenlijk niets anders is dan (wel is waar gecom- 
pliceerde) physisch mechanisch chemische machine. 

„Es spricht nichts gegen die Möglichheit dass den tech- 
nischen oder experimentellen Naturwissenschaften gelingen 
wird auch die künstliche Herstellung lebender Maschinen." ^) 

Om deze vooropgevatte meening te verdedigen moet men 
aan den eenen kant aan de chemisch-dynamische verschijnselen 
zooveel mogelijk „leven" aantoonen en aan den anderen 
kant aan alle verschijnselen van het leven zoolang tornen, 
tot het gelukt al wat naar leven en spontaneïteit lijkt, weg 
te redeneeren. 

■ 

Kristal staat nu zeer dicht bij de anorganische wereld. 
Met zeer veel juistheid heeft Haeckel waargenomen echter, dat 
het kristal een innerlijke structuur bezit gelijk een organisme. — 

Haeckel heeft ook echter een theoretische Protozoon die 
hij Monere noemt, als grondslag voor de georganiseerde 
Natuur aangenomen. 

Dit betrekkelijk bewegelijke organisme, dat ook in staat moet 
zijn zich door aanpassing enz. tot een hooger levensstandaard 
te ontwikkelen, moeten wij echter met alle geweld lager voor- 
stellen als een kristal. Immers de Monere moet volgens 
Haeckel als „structurlos" gedacht worden terwijl het rigide 
kristal „eine innere Structur besitzt gleich der Organismus." 

Doch dit alles zoude men cum grano salis kunnen opvatten 
denkende dat hij het zoo erg niet meent. 

Onmogelijk is echter de verklaring van Haeckel van de 
vorming zijner Monere en die van het kristal te verdedigen. 

Volgens Haeckel komt de kristallisatie en monerencel- 
vorming tot stand „indem das Gleiche stets das Gleiche 



1) Loeb. Dynamik der Lebenserscheinungen. 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 131 

anzieht." Dit is in de eerste plaats eene eenigszins onbe- 
holpen formuleering van het organisatie en kristallisatie proces 
al is het niet geheel onjuist. Maar geheel onjuist is de 
attractie van het gelijke door het gelijke als, „eine physika- 
lische Massenanziehung" en als „chemische Verwandtschaft" 
te decreteeren. 

De mechanische attractie komt tot stand tusschen zeer 
ongelijksoortige stoffen en geschiedt uitsluitend uithoofde 
van de verschillende massagrootheden. Adhaesie en capil- 
lariteitsverschijnselen komen ook tusschen stoffen van geheel 
verschillende soort tot stand. 

In de wereld van de elektrische verschijnselen stoot het 
gelijke juist het gelijke af; de kationen trekken juist de 
anionen aan. 

Chemische verwantschap bestaat juist in de aantrekking 
van geheel tegengestelde radicalen, van geheel ongelijk- 
soortige stoffen. 

Dat nu in het kristallisatieproces en monerenvorming 
juist het gelijke door het gelijke wordt aangetrokken , is een 
bewijs temeer dat deze processen juist zoo onidentisch 
mogelijk zijn met mechanische, chemische of physische 
massenattractie. 

Waar in eene chemische verbinding of mengsel het kristal 
en de monere ontstaat, daar houdt de uitsluitende heerschappij 
van chemie en physica op, daar treedt het leven op, dat 
chemisme en physica beheerscht. — In het ontstaan van 
het kristal hebben wij te zien de „generatio aequivoca" en 
de rangschikking der stoffen volgens vaste typen is niet 
meer het werk van chemische krachten maar van den „nisus 
formativus." 

In chemischen en physischen zin bestaat er niet de minste 
reden voor de aantrekking van analoog samengestelde stoffen 
door het groeiende kristal. 



132 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

De verschillende stoffen vormen wel voortdurend nieuwe 
verbindingen en vertoonen daardoor iets analoogs aan het 
leven doch tot gedaante Icomt het niet. ^) 

Het feit dat in een zekeren zin aan de voortdurende 
wisseling der ionenverbindingen een einde wordt gemaakt 
door het kristal, wordt door den nisus formativus bewerkt 
die bepaalde verbindingen fixeert. 

De nisus formativus heft den chemisch-dynamischen drang 
der affiniteiten of potentiaalverschillen der verschillend 
geladen radikalen op, om dat arbeidsvermogen in andere 
banen te sturen. 

Dat Haeckel cum suis huiverig is voor zoo iets als „nisus 
formativus" is zeer verklaarbaar, uit zijn vooroordeel dat 
het monisme staan of vallen moet met het geloof aan de 
volkomene reduceerbaarheid van alle levensverschijnselen 
tot mechanische en dynamische krachtsuitingen. 

De eenheid van de natuur kan echter slechts ware een- 
heid zijn door dat zij in zich het onderscheid verdraagt en 
voortbrengt. 

De natuurverschijnselen zijn wel degelijk van elkander 
onderscheiden zonder dat die onderscheiding daarom in 
redelijkheid als scheiding behoeft te blijken. 

De geheele natuur laat zich zeer goed mathematisch me- 
chanisch opvatten, doch een uitsluitende mechanische natuur 
opvatting is eene eenzijdige. 

Wij moeten terwijl wij chemisch, physisch, biologisch 
of physiologisch de natuur leeren denken ons duidelijk 

1) In geen chemisch mengsel heerscht volkomen evenwicht en iedere reactie 
is theoretisch als omkeerbaar te beschouwen. Men is zeer geneigd tegenwoordig 
om aan te nemen, dat de verbinding niet tusschen de volledige chemische 
lichamen plaats vindt maar tusschen de gedissocieerde ionen. Blijkbaar ge- 
dragen zich ongedissocieerde chemische verbindingen reeds als individuen, 
kristallen, die toch ook niet op elkander inwerken naar de oude regel: 
„Corpora non agunt nisi soluta." Naar moderne opvatting is „soluta" niet vol- 
doende meer, het moet zijn „dissoluta" of „dissociata". 



I 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 133 

maken dat in al dit denken, dezelfde werkelijkheid en het- 
zelfde denken, voor zich object wordt. 

Physische en chemische werkingen zijn voor het reflec- 
teerend verstand, dat in zijne reflecties eenzijdig bevangen 
blijft en die reflecties fixeeren en objectiveeren wil, al even 
onbegrijpelijk als de biologische of psychologische. 

Gewicht, ondoordringbaarheid, cohaesie, elasticiteit zijn 
eigenlijk evenveel en evenweinig geheimzinnig als vis vitalis, 
affiniteit of psyche. 

Schopenhauer zegt: „Begreiflich und rein ergründlich ist 
immer nur das Mathematische: weil es das im Subject, in 
userm eigenen Vorstellungsapparat wurzelnde ist; sobald aber 
etwas eigentlich Objectives auftritt, etwas nicht apriori be- 
stimmbares, da ist es sofort in letzter Instanz unergründlich." 

Ondoorgrondelijk zeker, maar alleen voor het verstand 
dat slechts met verklaringen vrede kan hebben maar niet 
voor de Rede , die de relatieve waarde van verklaringen 
inziet en niets onbegrijpelijk acht wat in de rede ligt. 
Het leven ligt in de rede, en zeker ligt niets zoo in de 
rede, niets is in de Natuur aan de rede meer verwant dan 
het leven. 

Nergens bespeurt de geest in de natuur zooveel redelijk- 
heid als juist in de levensverschijnselen. Dit is hetgeen 
een Spinoza bedoelt als hij het leven aanduidt als het 
„adaequate begrip." 

Constateer aan het leven zooveel mechanisme, physicaen 
chemisme als ge wilt, (zelfs hoe meer hoe liever) maar 
erken het leven ook als eene redelijke integriteit. 

Laten wij in ons het vermogen ontwikkelen het leven 
ook organisch, „more biologico" te denken en op het ge- 
bied van de organische natuurkategoriën ons even veilig 
voelen als op dat der physische en mechanische. 

„Het ware in de Natuur kondigt zich eerst in de levende 



134 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

natuurlijkheid aan , het levenlooze is allerminst het ware 
en waarheid is eerst, waar leven voorondersteld is." ^) 



III. 

Tot voor korten tijd heeft men het ontstaan der kristallen 
als een plotselinge rangschikking der molekels in bepaalde 
groepen voorgesteld. 

Men zag een kristal in een bepaalde moederloog als het 
ware aanschieten en het kleinst waargenomen individu 
bleek geheel gelijken vorm te bezitten met het met bloote oog 
zichtbare. De kristallisatie dacht men uit twee stadiën 
bestaande: de plotseling ontstaande kerngedaante en de 
allengskens met meer of minder snelheid plaats vindende 
groei. 

Het is aan den Napolitaanschen patholoog Schrön gelukt, 
ook eene praekristallinische phase onder de mikroskoop te 
observeeren. 

Door speciale projectieapparaten en onder andere ook 
met behulp van de Zeis'sche donkere kamer heeft hij eene 
800.000 voudige vergrooting weten te bereiken. 

Die sterke vergrooting heeft embryonale kristalvormen aan 
het licht gebracht: sub of praekristallinische individuen. 

Die kristalembryonen hebben naar Schröns beschrijving 
de meest mogelijke verscheidenheid van vormen al naar het 
kristalstelsel en al naar het stadium van ontwikkeling waarin 
ze verkeeren. 

Waar een kristal zou ontstaan is eerst een troebeling zicht- 
baar in het moederloog, welke troebeling, nader bezien, uit fijn 
gegranuleerde massa die netvormig geordend is , bestaat. — 

Die troebeling krijgt later eene meer bepaalde en scherpere 



1) Bolland Collegium Logicum p. 970. 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 135 

begrenzing en op die manier zien wij verscheidene, op gang- 
liëncellen of osteoblasten gelijkende celindividuen ontstaan 
van de meest variabelen vormenrijkdom. Deze intressante 
praekristallinische vondsten brachten Schrön er toe om zijne 
terminologie te „vitaliseeren". 

In plaats van moederloog spreekt hij bijv. van Petro- 
plasma. — Met de term plasma of blasteem duidt men n.1. 
in de biologie den vloeistof aan, waarin organismen ontstaan 
en waaraan zij de voor hunne voeding noodige bestanddeelen 
onttrekken. Bij Prof. Benedikt, den geestdriftigen promotor 
van Schrön's denkbeelden en onderzoekingen kan die gevita- 
liseerde terminologie echter zeer weinig genade vinden. 

„Es ware gewiss für den epochemachenden Studiën 
Schrön's vortheilhafter gewesen , wenn er seine Bezeich- 
nungsweisen nicht aus der Biologie entlehnt hatte. Durch 
Anlehung an die Bezeichnungsweise der Physiker wird die 
Verstandigung gefördert." 

Dat die „Verstandigung" bevorderd wordt neem ik gaarne 
aan maar of hiermede het „Verstandniss" dier verschijnselen 
beter wordt is eene andere vraag. — Ik zie het volstrekt 
niet in , waarom de bioloog verplicht moet zijn egards 
tegenover den physicus te betrachten, en schromen moet 
zijn terminologie te „biologiseeren". 

Schrön beschrijft ook hoe uit die petroblastindividuën kris- 
talindividuën ontstaan. Men ziet eerst een der hoeken van het 
kristal zich vormen. Dezen eerst ontstaanden hoek, noemt 
Schrön angulus dominans. — Daarop komt de angulus diago- 
nalis die met den angulus dominans door de hoofdas wordt ver- 
eenigd. — Die hoofdas, tot dusverre door de kristallographen 
als eenvoudige hulplijn opgevat, blijkt gedurende de kristal- 
vorming eene realiteit te hebben om te verdwijnen, nadat 
het kristalindividu zich voltooid had. De hoeken na de 
angulus diagonalis ontstaan, noemt Schrön secundaire 



136 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

hoeken. — De troebele substantie, oorspronkelijk het plasma 
der kristalcellen uitmakende, wordt meer en meer hyaline 
totdat zij met het voltooien van het kristal geheel door- 
zichtig is. In dien embryonalen toestand vertoonen de 
kristalcellen of petroblasten allerlei verschijnselen , die aan 
het planten- en dierenrijk herinneren. 

In de eerste plaats kon Schrön bewegelijkheid waar- 
nemen. — Dan was hij in de gelegenheid drie vormen van 
vermeerdering te observeeren. 

De eerste vorm is die door deeling, waarbij wij een 
individu zich eenvoudig in twee deelen zien splitsen en die 
twee deelen zich actief van elkander verwijderen. 

De tweede vorm is de propagatie door knopvorming 
waarbij wij binnen een petroblast ontstaande kleinere in- 
dividuen zich naar de periferie zien begeven om daar zich 
van de moederkristalcel los te maken. 

De derde vorm vertoont zich op die wijze, dat in het 
moederlijke petroplasma een dochterkristal geheel tot ont- 
wikkeling komt en bij volle rijpheid door een partus zich 
afzondert. 

Tot mijn spijt zijn mij de feiten door Schrön geconstateerd 
niet uit eigen waarneming bekend. 

De interessante verhandeling van Prof. Benedikt getiteld 
„Kristallisation und Morphogenesis" bracht dit feitenmate- 
riaal onder mijn bereik. 

Men oppert bezwaren die zeer gerechtvaardigd zijn dat 
de al te sterke vergrootingen, die Schrön had aangewend, 
beelden leveren , die niet absoluut betrouwbaar kunnen zijn. 

De photographische afbeeldingen, die ik gezien heb, maken 
echter op mij den indruk , dat het bestaan der celvormige 
praekristallijne individuen reeds meer dan eene hypothese is. 

Doch ook als hypothetische vormen hebben die prae- 
cellulaire individuen reden van bestaan. 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 137 

Het behoeft ons volstrekt niet als irrationeel voor te 
komen , dat een kristal een embryonaal stadium doormaakt 
waarin het meer aan „leven" doet denken dan in zijn toestand 
van voltooid individu. 

Veelvuldig zijn wij toch in de gelegenheid bij vele lagere 
dieren in het embryonale stadium eigenschappen te obser- 
veeren, die aan individuen van hoogere diervormen tot volle 
ontwikkeling komen , doch bij die lagere dieren na het' 
embryonale stadium verdwijnen. 

De ascidiënlarven zijn bijvoorbeeld in het bezit van de 
chorda dorsalis, die bij de volwassen individuen oblitereert 
zonder zich tot skelet te ontwikkelen. 

Vele protozoën boeten in volwassen toestand de bewege- 
lijkheid in, die ze in embryonalen toestand bezaten en ver- 
stijven tot plantaardige individuen. 

De zwermsporen der algen, dus de algenembryonen , zijn 
van wimperharen voorzien. Zij vertoonen zeer levendige 
dierlijke bewegelijkheid in het water. Naarmate echter door 
het optreden van de cellulose in hunne celwanden het 
plantaardige zich begint te laten gelden, wordt die dierlijke 
bewegelijkheid steeds geringer om bij de volwassen indivi- 
duen geheel op te houden. 

Zoo verstijven ook de petrocellulae tot kristallen. 

Kristal heeft geleefd bij zijn ontstaan. 

In die subkristallinische individuen hebben wij te zien de 
ware generatio spontanea, de allerlaagste organismen zonder 
albumen als substraat.^) Het is dan ook niet ondenkbaar, 
dat in een behoorlijk samengesteld moederloog onder 
geschikte omstandigheden, die te bestudeeren zijn, prae- 



1) Het is trouwens nog lang geen uitgemaakte zaak dat liet eiwit een 
onvermijdelijk noodzakelijk bestanddeel van het protoplasma is. Sommige 
algen (b.v. de Vaucheria) schijnen absoluut zonder eenig eiwitbestanddeel in 
hun protoplasma, alle levensfuncties te verrichten. 



138 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

cellulaire individuen ontstaan zonder dat er van buiten 
kiemen in moeten vallen. 

Rokitansky bijvoorbeeld, was geheel vertrouwd met de 
gedachte dat de cellen van het levend organisme behalve 
„e cellula" ook nog door generatio spontanea uit cytoblas- 
teem kunnen ontstaan. 

Als Blasteem detineert Rokitansky „die gesammten Arten 
von austretendem Gefassinhalte , so die Ernahrungsflüs- 
sigkeit im normalen Zustande, die Exsudate, die haemorrha- 
gischen Ergüsse, und selbst die Erstarrungen innerhalb 
der Gefasse" i). 

In dat Blasteem als moederloog komen die cellen van 
lager tot hooger stadium, soms echter blijven ze ook 
duurzaam op dat lager stadium en vormen zelfs weefsels. — 
De weefsels door dergelijke embryonale individuen of cel- 
kiemen gevormd, duidt Benedikt met den naam aan van 
„unterzelligen Gewebe" (hypocellulaire weefsel). Het bestaan 
van praekristallijne weefsels is ook hoogstwaarschijnlijk.— 

Wij zien toch vaak genoeg dat de individuen van een 
groep kristallen niet in een uitsluitend toevallig of mechanisch 
verband staan. 

De ijsbloemen, sneeuwkristallen, loodboomen moeten wel 
in embryonalen weefseltoestand eerst praeexistent zijn om 
al die veelvuldige en toch typische vormen ons voor te 
tooveren. Ook de constante samenstelling van een ge- 
steente zooals Graniet uit kwarts, veldspaath en glimmer 
zal niet het gevolg zijn van een toevallig mechanischen 
neerslag. Daar is al zoo iets als een organiseerende factor, 
werkende reeds in den embryonalen toestand, die kristallen en 
mineralen tot gesteente vereenigt. Een gesteente is wat meer 
dan een eenvoudig en toevallig ontstaan kristalaggregaat. — 



1) (Benedikt: Wiener KI. Wochenschr. 1906 No. 8). 



HET PRIMITFEVE LEVENSPROCES. 139 

De associatie der verschillende soorten is naar een vast 
systeem tot stand gekomen, en is beslist niet toevallig. 
Ook de aggregaatsindividuen, lagen, en conglomeraten zijn 
pogingen tot geognostische individualisatie. Hier mogen wij 
gerust van geognotische individualisatie spreken, want niemand 
minder dan Haeckel erkent de gesteenten als „Höhere Anor- 
gane bei welchen die complicierteGestalt des Ganzen aus der 
gesetzmassigen Vereinigung untergeordneter Teile resultirt". 

Benedikt noemt een kristal „die erstarrte Leiche eines 
Salzes" daarmede wil hij aanduiden dat het kristal wel 
eigenlijk dood is, maar eenmaal geleefd had. Deze formu- 
leering vind ik echter niet geheel passend. 

Een dierenlijk is niet meer in staat na verminking zijn 
integriteit te herstellen , al plaatst men het in zijn specifiek 
bloedserum. Het lijk gedraagt zich als een complex van 
elementen , die met de elementen rondom , chemische ver- 
bindingen kunnen aangaan. 

Kristallijken kunnen wij maken door verhitting en plotse- 
linge afkoeling van kristalindividu's. Die zijn niet meer in 
staat op de wijze van etsfiguren tegen chemische agentia te 
reageeren, ook zullen dezen in hun moederloog terug- 
geplaatst, noch verder aangroeien, noch bij eventueele 
defecten de tot herstel noodige elementen uit dat moederloog 
tot zich trekken en met zich assimileeren. 

Intressant is anders het feit dat op de plaats van de 
verminking van een kristalindividu , de weerstand tegen een 
oplosmiddel sterker is en de oplosbaarheid van de kristal- 
substantie geringer blijkt dan op andere normale deelen 
van de kristaloppervlakte. Er is niet veel phantasiever- 
mogen toe noodig, in dit belangrijk verschijnsel de intensie- 
vere reactie van het kristalorganisme op de bedreigde 
plaats te zien, analoog aan de reactie van het vegetatief of 
animaal organisme op plaatsen van een continuiteitsdefect. 



140 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

Hier zien wij de „vis medicatrix natiirae" in haren meest 
primitieven vorm. — Het vaste type waarin de lichamelijlcheid 
bij het kristal optreedt, laat zich door alle storende omstan- 
digheden heen gelden. Het leven toont hier al dat wonderlijke 
vermogen van de aanpassing, gepaard met de taaie vol- 
harding in gewichtige soortkenmerken. Het leven heeft op 
dit niveau zooveel regeneratievermogen, dat het zich niet 
alleen uit een fragment maar ook uit de algeheele oplossing 
kan reproduceeren door generatio spontanea. 

Uit al het bovenstaande is voor ons zeker duidelijk ge- 
worden, dat wij de eerste vormen des levens, de eerste 
vormen, die de zich organiseerende materie aanneemt, bij de 
embryonale kristallen hebben te zoeken. Chemisch zuiver 
aluin, pikrinezuur, salicylzuur, urinezuur, zwavelzure baryt 
en verdere doorSchrön onderzochte chemische producten, ver- 
mogen de ware generatio spontanea voor onze oogen tooveren. 

Wij zien in geheel homogene chemische stoffen primitieve 
levensvormen ontstaan en levensfuncties zich afspelen. Doch 
weldra komt het tot een zich verstijvend product waar het 
leven latent blijkt: het kristaM). 

De organisatietendentie is verstijfd, want in deze sfeer 
en met dit materiaal, is het leven niet bij machte zich als 
proces voort te zetten; daartoe zijn veel gecompliceerdere 
verhoudingen vereischt. 

Pogingen om de kristallisatie uit zuiver physisch mecha- 
nische werkingen te verklaren hebben niet ontbroken. 

De verklaring van Haeckel hebben wij reeds als totaal 
onbruikbaar en ongerijmd veroordeeld. 

Belangrijker zijn de denkbeelden van den physicus Quincke, 
die ze neergelegd had in de „Annalen der Physik. Bd. IX" 
en in de „Verhandlungen der deutschen physikalischen 
Gesellschaft Jaarg. V 1905." 

1) „'t Kristal is een eeuwig verleden." (Bolland). 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 141 

Quincke heeft de gedragingen van alkohol en colloiden 
in waterige oplossing tot object van studie gemaakt. Hij 
lieeft daarbij het feit kunnen constateeren , dat alcohol, 
colloid en zout niet in gelijkmatige suspensie in het water 
blijven, maar dat die waterige oplossing gesplitst blijkt 
in verschillende deelen van ongelijke alkohol en zoutconcen- 
tratie ^). 

De splitsing geschiedt onder den invloed van de grens- 
spanningen, die tusschen zoutoplossing, alcohol , en colloid 
tot stand komen. Op deze wijze ontstaan dan blazen, wier 
wand van colloid is en wier inhoud uit eene alkoholisch- 
waterige zoutoplossing bestaat. Ook is merkwaardig, dat het 
zoutgehalte van die blaasjes naar het centrum toe steeds 
geringer wordt terwijl het grootste zoutgehalte in den blaas- 
wand zelf is die door Quincke als meer „Oelartig" wordt 
aangeduid. — In die blazen ziet Quincke het voorstadium 
van de kristallisatie , want volgens zijn theorie gaat dan in 
iedere voor kristallisatie vatbare oplossing aan het stadium 
van kristallisatie een stadium van algemeene blaasjesvorming 
in het vloeistof vooraf. — „Die Kristalle entstehen aus 
einer Gallerte oder aus unsichtbaren Schaumzellen, mit 
ursprünglich flüssigen Wanden, welche von der ölartigen 



1) Wij weten eigenlijk niet precies wat de vloeibare aggregaalstoestand 
van de stof is. Daardoor ontsnapt liet wezen van een oplossing ook aan onze 
verklaringen. 

Zoolang de zwevende deeltjes in een vloeistof nog zoo groot zijn, dat zij 
voor het ongewapend oog zichbaar zijn, spreken we nog niet van eene oplossing. 
Doch in een ware chemische oplossing mogen niet alleen voor het sterkst 
gewapende oog geen deeltjes zichtbaar zijn maar zelfs niet voorondersteld 
worden. 

Hieruit blijkt dat iedere stof in ieder oplosmiddel slechts betrekkelijk oplosbaar 
dus ook slechts betrekkelijk onoplosbaar is. 

Arrhenius had aangetoond, dat oplosmiddel dissocieerend werkt op de 
molekels van de opgeloste stof. Zoude men daarom liever niet pas die deelen 
van de stof waarlijk „opgelost" beschouwen, die als ionen in het raedium 
rondzweven ? . < 



142 * HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

Flüssigkeit gebildet werden, gefüllt mit salzarmen Flüssigkeit. 
Beide erstarren spater unter Abgabe von Wasser". 

Aan die schuimcellen hebben wij ook leeren gelooven 
door de onderzoekingen van Schrön. Aan hun ontstaan 
liggen echter geheel andere momenten dan physische grens- 
spanningen ten grondslag. Hoe in een rustig gelaten homogene 
oplossing grensspanningen en tengevolge daarvan differenti- 
aties in die homogeniteit kunnen ontstaan en daardoor 
kristallisatie tot stand komen, mag toch wel gevraagd worden. 
Ook zal de vraag niet misplaatst zijn aan welke oorzaken 
Quincke die „Erstarrung unter Abgabe von Wasser" toeschrijft 
en gaarne hadden wij vooral ook vernomen welk verband 
Quincke zich denkt tusschen de chemische samenstelling 
van een kristal en de vormen die het aanneemt. — Wij 
mogen toch van eene redelijke verklaring wat meer eischen 
dan het eenvoudig decreteeren van osmotische drukver- 
schillen, grensspanningen en gecompliceerde chemische 
verhoudingen. 

Aangenomen het feit, dat door de onderzoekingen van 
Schrön ons ad oculos gedemonstreerd is, dat aan de kristal- 
vorming in engeren zin, een stadium voorafgaat waar het 
toekomstig kristalindividu zich veel „levendiger" gedraagt dan 
bij zijne voltooidheid ; ligt het voor de hand op grond hiervan 
ons af te vragen, of een bepaald petrocellula vatbaar is voor 
het praesteeren van andere, dan die regelmatige kristal- 
vormen. 

Moet m. a. w. een bepaald embryonale kristal altijd zich 
tot zijn bepaalden typischen kristalvorm ontwikkelen, of 
zijn er omstandigheden mogelijk waarbij de ontwikkeling 
in andere banen plaats heeft? Speciaal onderzoek in 
deze richting is geheel overbodig te doen. Een kost- 
baar en intressant materiaal is voor ons verzameld door 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 143 

onzen beroemden en hoogbegaafden landgenoot Harting. 

Bekend zijn geweest sinds lange tijden het onnoemelijk 
aantal variaties en vormen, waarin zich het calciumcarbonaat 
kan vertoonen , zoowel op het gebied van de kristalvormige 
mineralen als in de producten en engere bestanddeelen van 
georganiseerde levende wezens. — Harting was nu de eerste 
die uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar de uitwendige 
omstandigheden, die de vorming van verschillende gedaanten 
van het calciumcarbonaat bewerken. 

Hij heeft kunnen constateeren dat, indien hij de verbinding 
calciumcarbonaat onder bepaalde omstandigheden tot stand 
liet komen, naast de kristallijne individuen in engeren zin, 
ook individuen zich vormen, wier uitwendige gedaante in 
het geheel niet aan de gewone kristalvormen herinnert, maar 
zeer veel gelijkenis vertoont met hoogere organismen of 
celelementen en weefseldeelen der hoogere organismen. — 
De omstandigheden tot vorming van die verschillende variaties 
schijnen het gunstigst te zijn, indien men het calciumcarbonaat 
in een medium van dierlijk eiwit Iaat ontstaan. — Harting 
nam voor dierlijk eiwit: galvloeistof , kippeneiwit, gelatine, 
bloed, slijm van Arion Rufus en dergelijke stoffen meer; 
en het calciumcarbonaat liet hij ontstaan door de inwerking 
van Natriumcarbonaat op Calciumchloride. De gelatineuse 
massa, die zooals bekend is, het neerslag van calciumcarbonaat 
pleegt te vormen, breidt zich in het albumineuse medium 
uit tot een dun membraan en na verloop van tijd ziet men 
in dat membraan sterk lichtbrekende corpuscula zich ver- 
toonen. 

Die corpuscula zag Harting aangroeien tot individuen van 
allerlei gedaante, die hij zeer schoon liet afbeelden in een 
zijner publicaties : Recherches de morphologie synthétique sur 
la production artificielle de quelques formations calcaires 
organiques. (Verh. d. Koninkl. Akad. d. Wetensch. Dl. XIII). 



144 HET PRIMITIETE LEVENSPROCES. 

De meeste dier individuen zijn schijfvormig met getande 
randen, hebben radiairen bouw, en mooie concentrische ringen. 
Naast die schijfvormen Icomen nog de door Harting genoemde 
„konostaten" voor, waarbij men aan de periferie van de schijf 
een omgekeerd kegelvormig aanhangsel ziet uitsteken. — 
In een vroeger stadium kunnen die individuen samengroeien of 
misschien kan er een soort van celdeeling onder plaats vinden 
in den embryonalen toestand. In ieder geval zien wij ook 
heele weefsels en celcomplexen ontstaan, die zeer aan klier 
en spierweefsels herinneren. 

Aan al deze individuen, die Harting in dat medium van 
eiwit uit calciumcarbonaat had verkregen, gaf hij den naam 
van calcosphaeriten. — Harting heeft door zijne vondsten 
den grondslag gelegd tot de z.g. „experimenteele plasmogenie" 
die ondertusschen ook vele interessante feiten aan het licht 
heeft gebracht. 

De tweede zeer verdienstelijke baanbreker is geweest 
Traube, een wijnkooper uit Bresslau, vooral beroemd om 
zijne onderzoekingen omtrent osmotische spanningen en 
omtrent halfpermeabele wanden. Ook Traube heeft or- 
ganoide vormen verkregen door de inwerking van koper- 
sulphaat op ferrocyaankali. Traube heeft zijn eersten itk- 
omsten in het jaar 1867 in de „Archiv. für Anatomie u. 
Physiologie" geplubliceerd terwijl de eerste publicatie van 
onzen Harting omtrent plasmogenie reeds uit het jaar 1840 
dateert. 

Leduc te Nantes heeft de inwerking van ferrocyaankali 
op kopersulphaat in een vehiculum van gelatine doen plaats 
vinden en zag dat het neerslag zich rangschikte in den vorm 
van een heel weefsel uit polyaedrische cellen met duidelijke 
kernen, bestaande. Dergelijke vormen verkreeg Leduc ook 
door de diffusie van stoffen met verschillende concen- 
tratiegraad in elkander. De figuren hierbij verkregen maakte 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 145 

hij zichtbaar en photographeerbaar door aan een der op- 
lossingen een kleurstof toe te voegen. Men is ook in de 
gelegenheid karyokinetische figuren te zien en heel wat 
ander schoons. Doch helaas duurt dit slechts, zoolang er 
tusschen de verschillende oplossingen een zekere osmotische 
spanningsverschil bestaat. 

Renaudet en Herera maakten voornamelijk de organoide 
vormen die in de silicaten ontstaan, tot voorwerp van 
onderzoek. 

De silicium-colloiden zijn op zich zelf reeds zeer interessante 
lichamen. Siliciumoxyde kan zoo fijn gesuspendeerd zijn, 
dat het door filtreerpapier gaat. Onttrekt men water 'aan die 
emulsie, dan contraheert ze zich en vormt een slijmig weefsel 
dat eindelijk zoo hard wordt als steen. 

De zuiverste opaal bevat echter steeds nog tien procent, 
dat is een vierde van zijn volumen, aan water, dat niet 
chemisch gebonden is, maar in zijn netwerk is ingesloten. 

Silicaten in eene emulsie vormen schuimblaasjes met vrij 
resistente wanden en vloeibaren inhoud, ze vormen als het 
ware anorganische cellen. Deze cellen kunnen nu door de 
inwerking van zoutoplossing ten gevolge van osmotische 
spanningsverschillen tusschen de oplossing binnen de cellen 
en daarbuiten, allerlei gedaantewisselingen vertoonen. Zij 
bootsen gangliencellen, myceliumdraden, bacillen, spier- 
veezels, diatomeën, infusorien , medusen, wormen en andere 
niet verder te omschrijven vormen na. — Doch laten wij 
even Herera zelf aan 't woord. 

„Toute substance excessivement divisée au sein d'un 
liquide se rapproche plus ou moins au protoplasma: certains 
silicates, phosphates, oleates, savons, mélanges de sucre 
et huile, sel et huile, xylol et savon, ainsi que Ie carbonate 
calcaire des chaudières, ayant un toucher graisseux. 
Mais tout naturellement la ressemblance se confond avec 

10 



146 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

Tidentité dans les silicates, les seuls corps existant dans 
tout Ie monde inorganisé et ayant les propriétés plastiques 
OU plasmatiques supprèmes. Le corps Ie plus abondant dans 
la planète, le silicium (après l'oxygène) forme des structures 
organoides extraordinaires et contribue dans une large pro- 
portion a la constitution des mondes: C'est le protoplasma 
du régne minerale et peut être est ce aussi la base inorga- 
nique du protoplasma vivant". ^) 

Deze zeer intressante vondsten van de Plasmogenie hebben 
in bepaalde kringen grooten geestdrift gewekt. — Hier had 
de mensch langs zuiver experimenteelen weg organoide 
vormen gemaakt. De brug tusschen het organische en het 
ongeorganiseerde was geslagen en de tijd zou niet meer ver 
zijn dat langs experimentelen weg men niet alleen de meest 
willekeurige vormen, maar ook geheel willekeurig gecon- 
strueerde organismen te voorschijn zou kunnen roepen. — 

Het onderzoek van vele, zoowel organische als anorganische 
colloïden door Bütschli , Quincke en andere heeft ook aan- 
getoond, dat de door onze diverse histologische kleurmethodes 
verkregen figuren in het gefixeerde celprotoplasma, terug te 
vinden zijn in gewone colloid neerslagen. 

Door deze vondsten is het natuurlijk zeer kwestieus 
geworden of de cel en kernfiguren , die wij in onze mikros- 
kopische praeparaten waarnemen, gevolgen zijn van de 
physisch chemische eigenschappen van het celprotoplasma 
samenstellende colloïde eiwit substantie, dan wel of zij 
typische vormen voorstellen aan welke eene adaequate functie 
beantwoordt. 

Nu is het ook een feit, dat het protoplasma dat wij kleuren , 
door de maatregelen die het tot mikroskopisch onderzoek 



1) A. Herera. Notions générales de biologie et de plasmogène comparée 
traduct de G. Renaudet. Berlin 1906. 



MET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 147 

geschikt moeten maken zoo geheel is „ontzield" als het ware , 
dat het haast als een colloid substantie zonder meer kan 
worden aangemerkt. — 

In elk geval heeft de vraag een zeer redelijken grond, 
of de differentiatie, die wij door onze kleurmgsmethoden in 
die doode colloid-substantie weten aan te toonen, beant- 
woorden aan de differentiaties, die het levende protoplasma 
op het oogenblik vertoond had, toen wij met geweld aan 
zijne functies een einde hadden gemaakt. Het levend proto- 
plasma is zonder eenigen twijfel nog iets meer dan eene 
colloidale stof waarin osmotische grensspanningen of elektro- 
magnetische potentiaal verschillen aantoonbaar zijn. — Al 
deze physische factoren mogen er natuurlijk aanwezig zijn 
doch gewijzigd door den factor xaz'eiox^p dien wij het 
Leven noemen. 

„Es wird nicht genügen Eiweiss synthetisch darzustellen , 
es wird auch nicht genügen in Gelatine oder sonstigen 
Colloïden , Gebilde hervorzurufen , die eine aussere , morpho- 
logische Aehnlichkeit mit Coccen, Bakterien oder sonstigen 
lebenden Organismen haben. Der wesentliche Umstand der 
in einem Stoffgemisch vorhanden sein muss, damit dasselbe 
als lebend gelten kann, sind die automatischen Regulations- 
vorgange die für Selbsterhaltung , Wachsthum und Fortpflan- 
zung — die aussere Form is Nebensache. (Löb. Vorl. ueb. 
Dynamik d. Lebenserscheinungen). 

De onderzoekingen en de uitkomsten die de Plasmogenie 
had opgeleverd heeft hier en daar natuurlijk ook kritiek 
uitgelokt. De opmerkingen van Prof. Borodin, als zijnde 
de meest skeptische , haal ik hierbij aan. Ik ontleen zijn 
woorden uit het werk van Bechteren „Energie des lebenden 
Organismus". 

„Von mancher Seite wird triumphierend auf jene künst- 
lichen Amöben hingewiesen, welche durch Verreiben von 



148 HET PRIMITIEVE PEVENSPROCES. 

Oei mit Potasche etz. dargestellt werden können. Selbst 
erfahrene Mikroskopiker sind beim Anblicke dieser öligen, 
bestandig ihre Contouren vvechselnden Körper nicht im 
Stande, dieselben ohne weiteres von einfachsten Organismen 
zu unterscheiden iind sind auf den ersten Bliek nicht ab- 
geneigt, in denselben lebende Körper zu erkennen. Ich 
persönlich möchte jedoch, auf die Gefahr hin, bei Vielen 
Unwillen zu erregen, es wagen bezüglich den künstlichen 
Amöben andern Anschauungen Raum zu geben. Ichfürchte, 
zukünftige unbefangene Historiker der biologischen Wissen- 
schaft werden jene Kunstprodukte mit dem berümhten 
Automaten von Vancanson zu einer gemeinschaftlichen 
Gruppe zusammen fassen. Das selbstbewuste XVIII'' Jahr- 
hundert konnte die Aufgabe von ihrer schwierigsten Seite 
anfassen und den Versuch wagen, die Krone der Schöp- 
fung mechanisch zu reproducieren. Das XX" Jahrhun- 
dert beginnt bescheiden mit der einfachsten Seite des 
Rathsels und zeugt statt des künstlichen Menschen eine 
künstliche Amöbe. Die angewandten mittel freilich sind in 
beiden Fallen ganzlich verschieden: dort ein überaus com- 
plicierter System von Radern , welches selbst den erfahrenen 
Mechaniker nachdenklich macht, hier eine einfache Emulsion 
von Oei und Potasche. Das Wesen der Sache ist in beiden 
Fallen das Gleiche: künstliche Reprodution ausserer Lebens- 
erscheinungen mit Hilfe von Stoffen die mit Lebenssubstrat 
nichts Gemeinschaftliches haben. Erschaffung von etwas dem 
Leben gleichen aus notorisch todtem Material." 

(Protoplasma und Vitalismus). 

Zonder bepaald in de huidige uitkomsten van de Plas- 
mologie den machtigen steun te zien voor de chemisch- 
dynamische opvatting der levensverschijnselen, kan men ze 
uit een biologischen standpunt belangrijk achten. — Dat er 
onder bepaalde omstandigheden in een totaal ongeorganiseerd 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 149 

medium , zonder samenwerking van eenig organisme , orga- 
noide gedaanten zich vormen is een geconstateerd feit dat 
toont, hoe het i^ristallisatieproces een hoogere vlucht ver- 
mag te nemen dan uitsluitend het voortbrengen van regel- 
matige, door platte vlakken begrensde, stereometrische 
figuren. Het mineralenrijk blijkt te wemelen van gedaanten, 
zeer veel gelijkend op vormen, die het hoogere organisme 
in zich pleegt te produceeren. 

Dit feit te constateeren is eene wel zoo gewichtige daad van 
den menschelijken geest, als eenmaal de ontdekking der moge- 
lijkheid van de synthese van vele producten van het orga- 
nisme langs zuiver chemischen weg, geweest is. 

Maar terwijl het laatste inzicht voor ons bewustzijn aan 
het vermogen der chemisch dynamische krachten een grooter 
terrein bezorgde, toont het eerstgenoemde feit ons juist de 
perken van het chemisme duidelijk aan. 

De onderzoekingen van Schrön hebben ons waarschijnlijk 
gemaakt, dat de kiem van ieder kristalindividu een levens- 
kiem is, en een levenskiem heeft in zich den aanleg tot 
hoogere ontwikkeling. 

Een levenskiem komt echter nooit of te nimmer tot stand 
door chemisch-dynamische krachten. Deze mogen de voor- 
waarden van zijn ontstaan vormen, maar als bij die voor- 
waarden de vonk des levens niet kan komen, kan er 
er veel ontstaan, doch leven zeker niet. — Kristal-indi- 
viduen zijn nergens langs chemischen weg verkregen al 
kristalliseeren er stoffen uit, die nooit in de vrije natuur 
waren voorgekomen en uitsluitend langs den meest zuiver 
chemisch-synthetischen weg waren verkregen. 

Het leven , al is het in den primitiefsten vorm, blijkt nu een- 
maal niets ongemoeid te willen laten en wenscht, waar het maar 
eenigszins kan, zich te nestelen en te doen gelden. — Maar 
het komt zoo plotseling soms en ongemerkt, dat men bij- 



150 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

zonder goed moet kunnen observeeren, en met fijne werk- 
tuigen bewapend zijn om zijne allereerste uitingen te 
vatten. 

Tusschen een chemisch proces en het uitkristalliseeren 
van diens product kan zulk een geringe tijd verloopen, dat 
men beide soms als identisch geneigd is aan te zien en 
men in den waan bevangen is, dat men zelf kunstmatige 
kristallen heeft geproduceerd of ten minste langs zuiver 
chemischen weg heeft laten tot stand komen. 

Het leven heeft veel kunstmatigs maar de kunstenaar is 
zeer naijverig, want het wil zichzelf voortbrengen, vormen 
en propageeren en duldt geen steun van buiten. — Het 
menschelijk intellect moge de geschikte materialen bij elkander 
brengen, het leven aanvaardt ze dankbaar — het moge het 
leven belemmeren in zijn taak, dan komt het eenvoudig 
niet tot stand. — Zelfs het primitiefste leven kan de mensch 
niet verwekken langs experimenteelen weg. Het leven moet 
zichzelf tot stand brengen, de mensch kan hier slechts 
verder toeschouwer zijn en moet het proces aan zichzelf 
overlaten. — Zoude het eenmaal gelukken een zuiver kunst- 
matig „levensvatbaar" kristal voort te brengen ... tot het 
voortbrengen van een amoebe, il n'y a qu'un pas. De 
grootste stap is van chemisme naar kristal, al het andere 
volgt dan van zelf. En toch is kristallisatie nog lang geen 
waar leven. Het is de individualiteit, maar zooals Hegel 
het uitdrukt: „eine ruhende Individualitat", en de ware 
levende individualiteit mag nooit tot rust komen, mag 
nergens kristalliseeren. 

Gelijk het leven een voortdurende strijd is, tegen de 
chemische machten en slechts op die voorwaarden zich als 
leven kan handhaven dat het de chemische machten be- 
heerschen en tot zijne doeleinden aan te wenden vermag, 
zoo moet het hoogere vegetatieve en animale leven voort- 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 151 

durend zorgen niet tot den kristallijnen toestand terug te 
vallen en te verstijven. 

Waar in een organisme kristallisatie tot stand komt, daar 
is, behoudens bepaalde uitzonderingen, een pathologisch 
proces aan den gang meestal in dien zin, dat de levens- 
intensiteit niet in voldoende mate aanwezig is om aan dat 
lagere leven, wat toch de kristallisatie is, weerstand te 
bieden. 

Het planten en dierleven is evenzeer voortdurend tegen 
de kristallisatie, als tegen de chemische ontbinding zijner 
plasma gericht. Het eene is even noodlottig als het 
andere. 

Suiker kristalliseert noch in levend dierlijk, noch in 
plantaardig weefsel. De gekristalliseerde suiker is tegen- 
over de levende suiker der weefsels het relatief doode. 
Evenals het leven ruimschoots van krachten gebruik maakt 
die in de anorganische wereld voorhanden zijn ; zoo brengt 
het zelfs in de hoogste differentiaties vormen voort, die wij 
in het rijk der mineralen ontmoeten. 

De verschillende kalkconcrementen , die wij in de gelegen- 
heid zijn te vinden in de galgangen, nieren en nierkanalen, 
in de wand van de slagaderen , in de hartkleppen , op 
pleurale en peritoneale ontstekingsmembranen zijn uitingen 
van verminderende levensintensiteit, van onmacht van 
het algemeen organisme op de plekken waar die zich hebben 
kunnen nestelen. 

Deze concrementen blijken uit individuen te bestaan ge- 
heel analoog aan de kalkosphaerieten van Harting. De vor- 
ming van paarlen bij de mollusken is ook eene uiting van 
verminderde of in elk geval pathologisch werkende levens- 
intensiteit. — Doch gelijk het organisme met zuiver 
chemische stoffen kan werken zonder dat het daarom door 
deze behoeft aangetast te worden , zoo maakt het organisme 



152 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

ook gebruik van het kristallisatieproces maar houdt het in 
banden. — Het gekristalliseerd eiwit is een laag stadium 
van het protoplasma, een terugval tot verstijfd kristallijn 
bestaan. Iets dergelijks hebben wij in de gekristalliseerde 
koolstof der steenkoolmijnen te zien: een rigied geworden 
plantenleven. 

De zetmeelkorrels die als reservevoedsel voor vele planten 
aan te zien zijn, kunnen zeer gevoegelijk als kristallen worden 
aangemerkt. Voorts bedient zich het organisme van de 
kristallisatie , waar het een niet meer tot de eenheid van het 
organisme behoorend dood product moet sequestreeren. Tot 
voorbeeld hiervan diene het foetus bij eene extrauterine 
graviditeit. 

Tot een dergelijk proces zoude men ook de vorming der 
eierschalen van vogels kunnen rekenen, die volgens Harting's 
onderzoekingen geheel uit kalksphaerieten zijn samen ge- 
steld. — 



IV. 

Gelijk het levende organisme van den mensch in zijn 
sappen tot het laag kristallijn stadium kan terugvallen, 
zoo is de mogelijkheid voorhanden dat het ook in zijne cellen 
en weefsels tot een primitiever leven degenereert. 

Het levend menschelijk organisme vereenigt ongeveer alle 
levensniveaux tot eene harmonische veeleenigheid. Niet alle 
weefsels „leven" echter even intensief. Zelfs kan bijvoorbeeld het 
skelet als het relatief „doode" bestanddeel aangemerkt worden. 

Doch ook dat doode heeft deel aan het leven, ook dat 
doode gaat in het leven op zoolang het in functionneel 
verband blijft met het organisme. Op de plaats waar het is , 
heeft het zijne beteekenis en is onmisbaar, al nadert zijn 
levensniveau tot dat van het mineralenrijk. 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 153 

Anders wordt dit, wanneer bepaalde weefsels bij hun 
voortdurend zelfherstel zich niet meer in de vormen repro- 
duceeren, die hunne functie van ze eischt. 

Het organisme is eene veeleenigheid van cellen en weefsels; 
geen aggregaat. Doch het organisme kan slechts als organische 
veeleenigheid bestaan, doordat geen enkele zijner celelementen 
buiten zijn verband eenig recht van bestaan heeft. ledere cel 
dient in de eerste plaats in het geheel op te gaan. 

Niet door de elementen wordt het geheel gedetermineerd. 
Het geheel determineert zich tot zijne deelen en aan het 
geheel moeten de deelen hun bestaansvorm, beteekenis en 
plaats ontleenen. 

Om deel van het organisme te kunnen uitmaken moet de 
cel hare individualiteit opgeven en opheffen in het organisme. 
Wij hebben alle reden echter om aan te nemen dat het cel- 
individu steeds neiging vertoont om zich uit het organismen- 
verband uit te schakelen en een afzonderlijk leven aan te 
vangen. Voortdurend moet het organisme bezig zijn om de 
celindividuën tot het physiologisch verband van het geheel 
terug te brengen. Het leven van het organisme moet een 
voortdurende strijd blijven tegen hare eigene cellen en weefsels. 
Waar het organisme zich niet kan doen gelden , daar zien 
wij cel of weefsel zich tot een nieuw organisme in het 
organisme ontwikkelen en zich functionneel uitschakelen uit 
het organisch verband. — Het wordt een parasiet. 

Een frappant voorbeeld van zulk eene parasitisme kunnen 
de leukocyten ons opleveren. Deze cellen zwemmen geheel 
vrij in het bloedserum rond en verlaten zelfs de bloedbaan 
onder omstandigheden. Zij zijn cellen van het vloeibare weefsel 
hetgeen wij „bloed" noemen. 

Nu is er eene pathologische toestand van het organisme 
bekend, waarbij er van deze cellen eene overproductie plaats 



154 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

heeft — eene productie die de behoeften van het lichaam verre 
overtreft. Het organisme is machteloos om die overproductie 
te belemmeren; het leukocytenweefsel parasieteert op het 
organisme en richt haar te gronde. 

Leukaemie is de kwaadaardige nieuwvorming van de lym- 
phatische organer) en van het beenmerg, wier cellen zich uit 
het verband van het organisme hadden losgemaakt en zich 
ten koste van dat organisme voeden. 

Gelijk de leukocyten, kunnen ook andere weefsels en cellen 
van het organisme zich gedragen. De verschillende soorten 
„nieuwvormingen" die ontstaan, kunnen als zoovele teekenen 
van machteloosheid van het organisme worden aangezien 
tegen zijn eigen weefsels. 

Die emancipatie heeft nu voor die cellen en weefsels 
eigenaardige gevolgen. 

In hun morphologisch aspect toonen zij onmiskenbaar 
dat zij niet meer op het levensniveau staan dat zij innamen 
toen zij nog in het organisch verband stonden. 

Het duidelijkst is dit bij de malignere carcinomen, die 
het aspect hebben van het slijmweefsel der molluscen. 

De nieuwvorming leidt over het geheel als het ware een 
„plantenleven". Zij wortelt in het organisme gelijk een plant 
in de moederaarde. 

ledere cel van het organisme kan de moedercel worden 
eener nieuwvorming. Wel zijn er voor het carcinoom b.v. 
plaatsen van praedilectie. Die plaatsen zijn nu juist diegene, 
waar in het embryonale stadium overgang van functies 
of intensievere groei plaats heeft gegrepen. De cellen op 
die plekken behouden soms hun „embryonaire" karakter en 
hunne neiging om tot dergelijke embryonaire weefsels als 
de carcinoomweefsels toch zijn, terug te vallen. 

De parasiteerende cellen die een nieuwvorming uitmaken, 
verloochenen hunne afkomst wel niet geheel. Er is in ze 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 155 

in de meeste gevallen het oorspronkelijk weefsel waaruit 
zij zijn voortgekomen herkenbaar. Doch tot geheel lichaams- 
cellen kunnen zij nooit worden. Zijns gelijke produceert een 
losgeraakte cel nooit, omdat zij dit slechts met behulp en 
in samenwerking met het organisme kan doen. Hersengangliën 
kunnen zich als hersengangliën slechts op den bodem van 
het volle organisme voortplanten. Zoodra zij zichzelf dien 
bodem onttrokken hadden, worden zij de samengestelde 
elementen van een „glioom". Of nu die uitschakeling geheel 
spontaan geschiedt, of daar herediteitsfactoren in het spel 
zijn , dan of er parasitaire oorzaken voor de genese der neo- 
plasmata aan te zien zijn, is eene nog onuitgemaakte kwestie. 

Zooveel is zeker, dat bij het carcinoom de locale of alge- 
meene biologische minderwaardigheid van het organisme een 
belangrijk aandeel heeft aan het ontkiemen van dit lagere leven. 

Die minderwaardigheid kan geheel tijdelijk zijn en slechts 
locaal een geheel voorbijgaand euvel aanrichten, dat het 
gezond geworden organisme of weefsel in staat is te her- 
stellen. Zoo is het niet ondenkbaar dat het organisme heel 
wat carcinomateus gedegenereerde cellen weer tot hun plicht 
had teruggebracht gedurende zijn leven, zonder dat het 
geheel als zoodanig iets gemerkt behoeft te hebben van de 
gevaarlijke „rebellen". 

Zoo zien wij hoe in verschillende variaties het hoogere 
leven eene voortdurende strijd en overweldiging moet zijn van 
het primitievere leven. Hetdierleven kan men als eene voortdu- 
rende overweldiging van het plantenleven beschouwen en de 
mineralen zijn diegene die door de planten moeten over- 
weldigd worden. 

De kristallen en mineralen van de aardkorst zijn de voor- 
waarden tot het ontstaan van planten en dierenrijk. — Om 
in een hooger leven op te gaan kan het kristal geen individu 
blijven, net zoo min als een plant een organisme blijven 



156 HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 

kan om tevens ook tot levensonderhoud van een dier dienstig 
te zijn. Assimilatie wordt voorafgegaan door eene bijna 
volkomene desorganisatie van het object der assimilatie. 
Zoo moet het kristal ook eerst verweeren om plantenleven 
mogelijk te maken. Op kale rotsen en op zuiver zand 
kan een plant niet vegeteeren. Er moet humus, (dat wil 
zeggen lijken van verweerde kristallen) ontstaan, om ergens 
plantengroei mogelijk te maken. Die verweering is het 
werk van de athmosphaer aan den eenen en der bacteriën 
aan den anderen kant. 

De mikroörganismen onder welke sommigen zooals be- 
kend is, ook uit zuiver anorganisch voedsel knnnen leven, 
bereiden als het ware den bodem voor, tot de hoogere levens- 
vormen der planten en der dieren uit de lijken der kristallen. 

Dit zien wij in honderden voorbeelden nog daaglijks 
voor onze oogen. De symbiose b.v. van sommige planten 
met bepaalde bacteriënsoort zal ook hoogstwaarschijnlijk 
niet alleen dienen tot verdere desorganisatie van gecompli- 
ceerde verbindingen die aan de plant tot voeding moeten 
dienen, maar zeker ook tot verweering van de „levende" 
kristalindividuen en tot hunne ontleding in chemische be- 
standdeelen. — De belangrijke onderzoekingen van de vorige 
eeuw en de voortzetting dier onderzoekingen bevestigen 
meer en meer de waarheid van Carus' woorden : „Das Erste, 
„wodurch in der Massa der Erdfeste das Einzellebendige 
„der spatern epitellurischen Geschöpfe vorbedeutet und 
„vorbereitet wird, ist der Kristall." (Natur und Idee p. 178). 

Doch bij al de intressante vondsten mogen wij ook met 
Harting bedenken: 

„C'est encore un champ bien large qui s'ouvre a l'ex- 
„plorateur, et sur lequel on vient a peine de mettre les pre- 
„miers pas." 

Ziehier enkele feiten uit een nog zeer duister gebied van 



HET PRIMITIEVE LEVENSPROCES. 157 

de biologie. Doch geheel donker is het daar ook niet meer. 
De menschelijke geest is in de gelegenheid gekomen lang- 
zamerhand te leeren inzien , dat het rijk van het leven net 
zoo min als de andere natuurrijken hem onherroepelijk 
vreemd blijven moeten. 

„Ins Innere der Natur dringt kein erschaffener Geist" 
Deze woorden heeft Göthe aan Halier met recht nooit 
kunnen vergeven. De geest, leeft en het levende moet assimi- 
leeren, dat wil zeggen het ruwe materiaal tot zich trekken 
en eruit te halen wat hem gelijkt. De feitenwereld is ons 
geestesvoedsel bij uitstek — doch slechts het ruwe materiaal. 
Deze moet de geest verteeren , daaruit moet de geest assimi- 
leeren hetgeen hem gelijkt n.1. het Redelijke. 

Geen bijgeloovige bewondering, nederigheid en teerderheid 
past ons tegenover de feiten. Het aristotelische Oav/^a^eiv is ge- 
lijk de „Vreeze des Heeren" slechts het begin van de wijsheid. 
Bij bewondering mag het niet blijven. Wij moeten de feiten 
door onze experimenten dwingen om hun achter schijn- 
baar toevalligen chaos verscholen wezen en wet te vertoonen 
dat wil zeggen het redelijk beginsel dat ze beheerscht. Want 
slechts aan de Rede voelt de Geest zich verwant en slechts 
aan den Geest openbaart de Natuur haar innerlijk beginsel , 
aan den zelfbewusten Geest die, naar getuigenis van den 
Apostel alles onderzoekt, ook de diepten Gods. 

den Haag, Januari 1907. 



Literatuur. 

W. Bechterew. Die Energie des lebenden Organismus iind 
ihre Psycho-biologische Bedeutung. Wiesbaden 1902. 

M. Benedict. Kristallisati'on und Morphogenesis. Wien 1905. 
Das Biomechanische Denken. Wien 1904. 
Les origines des formes de la vie. 

Revue scientifique 1905. No. 14. 
Ist die Blastemlehre Rohitansky's berechtigt oder nicht? 
Wiener klinische Wochenschrift 1906 No. 8. 

G. J. P. J. Bolland. Stenographisch verslag van het Colle- 
gium Logicum. Leiden 1904. 

/?. Dübois. Cultures minérales sur bouillous gélatineux; la 
création artif. de l'être vivant, Lyon 1904. 

J. Félix. Album de Plasmogène et de Biologie comparée, 
précédé des conférences données a l'Institut des hautes 
études, Bruxelles 1906. 

Frankenheim. Poggendorff's Annalen. Bd. III. 

Pierre Girard. Le mécanisme diastatique de la vie etc. 
Revue des Idees 15 Juin 1906. 

Groth. Physicalische und chemische Kristallographie. Leipzig. 

E. Haeckel. Allgemeine Anatomie der Organismen 1866. 

P. Harting. Elude des précipités et de leurs métamorphoses, 

appliqué a l'explication de divers phénomènes physiques 

et physiologiques. (Bulletin des sciences physiques et 

naturelles de Neerlande 1840). 

ld. Gissingen betreffende de eerste vorming der cellen en 



LITERATUUR. 159 

derzelver kernen in plantaardige en dierlijke weefsels, 

gegrond op het onderzoek van anorganische praecipitaten. 
[Tijdschr. van natuurl. geschied, en physiologie 1841 , 

Dl. VII, pag. 199.] 
ld. Over de wijze van ontstaan, den oorspronkelijken vorm 

en de opvolgende veranderingen der door praecipitatie 

voortgebrachte organische en anorganische vaste stoffen, 

inzonderheid van de verschijnselen bij de vorming van 

kristallen. Ibid. 1843 Dl. X. p. 151. 
ld. Over den invloed , welken de warmte uitoefent op de 

metamorphose der praecipitaten en beschrijving van een 

toestel om dezelven te meten. Ibid. Dl. X. p. 239. 
ld. Recherches de morphologie synthétique sur la pro- 

production artificielle de quelques formations calcaires. 
[Verhandelingen der Koninkl. Akademie van Weten- 
schappen ddl. XIII. 1873]. 
E. V. Hartmann. Das Problem des Lebens 1906. 
Hegel. Encyklopaedie der Philosophischen Wissenschaften. 

Herausg. Prof. Bolland. Leiden 1906. 
A. L. Herrera. Notions générales de biologie et de plas- 

mogène comparées. Traduct. de Renaudet. Berlin 1906. 
ld. La renaissance du problème de Ia géneration spontanée. 

Revue Scientifique t. V. N«. 7. p. 208. 
Le Róle praepondérant des subst. minérales dans les phéno- 

mènes biologiques. Mém. Soc. Alzate pp. XIII. 338—348; 

1903. Revue Scientifique Paris Juin 1903. Buil. soc. mycol. 

XIX. fase. 1903. 
Stephan Leduc. Champs de diffusion. [Comptes rendues de 

l'Association frangaise pour l'avancement des sciences. 

1902]. 
ld. Les bases physiques de la Vie et la Biogenèse, [Conférence 

faite sous le patronage de la Presse médicale le 7 Décembre 

1906]. 



160 LITERATUUR. 

Lapparent. Traite de mineralogie Paris 1904. 

Lehmann. Molecularphysic. Leipzig 1888. 

O. Lehmann. Flüssige Kristalle Leipzig 1904. Annalen der 

Physic. 1905 p. 720—734, 796—810; 1906 p. 1—9, 22—35. 
Loeb. Vorlésungen über Dynamik der Lebenserscheinungen, 

1906. 
Max Münden. Vier Beitraege zur Granulafrage. Archiv für 

Anatomie und Physiologie, pliysiologische Abtheilung 

1896 und 1897. 
Zentralblatt für Baktereologie und Parasitenkunde 

Abtli. I, 1899. 
ld. Die bakterioiogiscli-biologisciie Grundlage physicalisclier, 

chemischer und mineralogischer Formgestaltungen. Ver- 
band!, der Naturforsclier. — Sammiung 1901, II, erste 

Halfte p. 63—72. 
Mallard. Traite de cristallographie geométrique et physique. 

Paris 1879. 
Ostwald. Grundliniën der anorganisclien Chemie 1900. 
Pflüger. Die allgemeinen Lebenserscheinungen. 
Pieron. H. Un nouvel aspect de ia lutte du mécanisme et 

du vitalisme. Revue Scientifique 1895 No. 15, 
Georg Qüincke, Ueber die Klarung trüber Lösungen. 

Ueber unsichtbaren Flüssigkeitschichten. 

Die Oberflachenspannung usw. [„Annalen der Physik" 

1904 Bd. 7—10]. 
G. Renaudet. Une science nouvelle, la Plasmologie. Mexico 

1904. 
ld. La plasmogène et 1'Evolution de la matière. Revue des 

Idees févr. 1907. 
Hugo Ribbert. Menschliche Zeilen als Parasiten. Deutsche 

mediz. Wochenschrift 28 Febr. 1907. 
J. Rotgans. Het Kankervraagstuk. Rectoraatsrede 1907. 
L. Rhumbler. Physicalische Analyse von Lebenserscheinungen 



LITERATUUR. 161 

der Zelle. [„Archiv, für Entwickelungsmechanik 1898 und 

1899 Bd. 7 und 9]. 
Schrön: Le tre Conferenze tenute nel!' Aula dell' Universita 

di Napoli. Relazione fatte dal Dr. A. Nacciarone 1899. 
Theod. Schwann. Mikroskopische Untersuchungen ueber 

die Uebereinstimmung in der Structur und dem Wachsthum 

der Thiere und Pflanzen. Berlin 1832. 
Stodel. G. Les colloïdes en biologie. [Revue Scientifique 

7 Janvier 1905]. 
Max Verworn. Allgemeine Physiologie 1901. 



11 



HET VRAAGSTUK VAN DEN 
WERELDVREDE. 

DOOR 

L. H. GRONDIJS. 



Het luide klagen en roepen om verzachting der oorlogs- 
zeden en voorkoming van dreigende oorlogen, dat alle eer 
doet aan de zachtzinnigheid en de menschlievendheid dezer 
roependen, heeft onder meer vele oude idealen, die lang 
dood en begraven waren, uit hunne graven gewekt. Zoo 
ook het spooksel van een algemeenen plicht der volkeren 
tot den wereldvrede en de stichting van een millenarium. 

Het is misschien niet ondienstig, juist nu te trachten, 
dit vraagstuk tot zijn ware gedaante en juisten ofnvang 
terug te brengen. 

§ 1. 

Op een kleinen bol, verloren in de oneindig-e ruimte, 
verdringt zich eene eindeloosheid van levende wezens, welke 
zich krampachtig hechten aan het leven, dat hen blind en 
naakt en zonder kennis omtrent hun oorsprong, uit eene 
oneindigheid van niet-zijn werpt in een bedreigd en moeitevol 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 163 

bestaan, waaruit zij na een korte spanne tijds in een ander 
oneindig niet-zijn terugzinken. Alle bestrevingen , alle be- 
geerten , driften van deze individuen zijn de uiting van 
twee krachten, die in al deze elkander najagende, over- 
meesterende, kwellende, moordende wezens werkzaam zijn 
als volgens grondwetten van hunne existentie: het egoïsme 
als de drift tot voortzetting van het individueel bestaan , 
en de geslachtsdrift als die tot bestendiging van het be- 
staan der soort. Een levenskrachtig exemplaar schommelt 
heen en weer tusschen blinde opvolging dier krachten, 
welke al zijne organen en vermogens stuwen in telkens ééne 
richting — en een toestand van betrekkelijke traagheid, 
speelschheid , en onledigheid. Tot dezen laatsten toestand 
(vrijheid) geraakt het alleen , zoodra deze krachten hem 
rust laten, d. i. honger en geslachtsdrift bevredigd zijn. 
Gelijk in de mechanica van rust, kan hier van vrijheid 
en willekeur alleen gesproken worden bij afwezigheid van 
werkende krachten. 

In het ingewikkelde, schijnbaar chaotische, samenstel der 
menschelijke maatschappij is bij nader beziens het grootste 
gedeelte der lichamelijke en intellectueele energie te be- 
schouwen als in dienst te zijn van deze groote drijfveeren, 
welke men vanaf de onmiddellijke voedselverwerving tot 
aan de werkzaamheid van het technisch intellect, vanaf 
de meest ondergrondsche zinnelijkheid tot in de meest 
aetherische zedelijke zelfbepaling, kan vervolgen. — In 
dien zin schijnt dan wel alle werkzaamheid in dienst der 
moraal om haarzelve, in de kunst zonder vraag naar hare 
toepasselijkheid, of in de wetenschap om der wetenschap 
wil, als een beuzelachtig spel, dat de mensch met zich- 
zelf speelt, terwijl hij door gevaren wordt omringd en 
naar alle zijden zijne medemenschen ziet wegrukken door 
een lot, dat hij vreest als zij. 



164 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

§2. 

De levensvatbaarheid der natuurwezens hangt af van de 
gelijktijdige samenwerlcing van zoovele organen, dat de 
minderwaardigheid van eene der functies de bestaanskansen 
onevenredig snel verkleint. Hoe kunstiger, hoe samenge- 
stelder het organisme en hoe grooter de zelfstandigheid en 
onmisbaarheid der afzonderlijke organen, — hoe meer op 
de levenskansen wordt inbreuk gemaakt door eene, zelfs 
geringe, bouwvalligheid van een der onderdeelen. In den 
strijd welke binnen en tusschen de dierenrassen wordt gevoerd, 
waarvan het gevolg is, dat als uit een bellum internecivum 
alleen de sterkste en best toegeruste exemplaren overblijven, 
(waarbij men dan min of meer euphemistisch spreken kan 
van een natuurdoel) — in dien strijd wordt onverbiddelijk 
elk onvolledig of onevenwichtig individu vernietigd. 

Tegenover de roekeloosheid echter, waarmede de natuur 
te werk gaat met de levende individuen van andere rassen , 
staat bij den mensch de groote voorzorg, waarmede zij de 
individuen omringt, door hen in reusachtige belangenge- 
meenschappen samen te voegen. 

Het egoïsme wordt door ons wel ondervonden als het 
verlangen naar de vervulling van bijzondere begeerten, maar 
van begeerten, die haar kracht ontleenen aan niets dan de 
algemeene noodzakelijkheid, om den vorm onzer individu- 
aliteit te bewaren. Alle hebben zij dit gemeen : dat de vorm 
van ons mensch-zijn, van lichaam, ziel en geest moet 
worden intact gelaten. Het egoïsme is de zucht naar de 
eeuwigheid van onzen menschelijken vorm. In zijn drie 
vormen: nl. honger ten opzichte van onzen lichamelijken 
vorm , eergevoel wat aangaat onze psychische substantie en 
roemverlangen wat onzen geestelijken aard betreft, werkt 
het in ons als een natuurkracht, die in al hare modificaties 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 165 

alleen ons Ik bedoelt. Dit Ik wordt* zelf nooit voorwerp 
dier egoïstische verlangens, doch alleen zijne deelen. 

De geslachts-drift heeft evenmin onmiddellijk het ten- 
slotte toch altijd bereikte resultaat tot doel. Zij blijkt be- 
vruchting en voortzetting van het ras te hebben gewild, 
doch dit zeer concrete maar te veel omvattende doel is 
voor onze beperkte emoties te abstract. In de spheer van 
ons gevoel treedt zij niet op als voortzetting der soort, maar 
als verplaatsing in een eigenaardigen zielstoestand en begeerte 
naar telkens één wezen. Wij moeten dus geslachtsdrift als 
een natuurkracht betitelen, die niet als zoodanig in ons 
emotioneel bewustzijn opkomt,, maar zich in afzonderlijke, 
zeer bepaalde motieven openbaart. 

Egoïsme en geslachtsdrift zijn onderscheiden machten, 
die elk voor zich den voortduur willen van hetzij het exem- 
plaar of de soort, en zich in het bewustzijn van den mensch 
openbaren in motieven, welke zich kenmerken door hunne 
buitengewone koppigheid en onoverwinnelijkheid. Hét stre- 
ven der eene kan dan ook door dat der andere macht 
worden gekruist en vernietigd. (De eigenaardige verblin- 
ding door de geslachtsdrift is in strijd met de helderziende 
zorg voor de individueele integriteit. Evenzoo de zelfzucht 
met de opoffering , welke het wezen is der verhouding van 
het menschelijke individu tot zijne progenituur). 

Deze twee grondkrachten willen dus het individu om het 
individu en het ras om het ras. Was het bewustzijn van 
den mensch niet anders dan het product dezer twee in- 
vloeden, dan zou het een voortdurend en onoplosbaar mo- 
tievenconflict inhouden, gelijk het bij de dieren het geval 
is. Bij den mensch is eene verzoening mogelijk. Terwijl 
het egoïsme en de geslachtdrift van het eene individu lijn- 
recht tegengesteld zijn aan die van het andere, openbaart 
zich in de regeling van het zooeven vermelde motievenconflict 



166 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

iets aan allen gemeenschappelijks. Niemand kan zijn ego- 
ïsme in den bruten vorm verzoenen met dat van een ander , 
evenmin de drift tot voortplanting (-|- de zorg voor het na- 
geslacht enz.). Moet hij zijn egoïsme echter al reeds inperken 
voor de algemeene belangen van zijn geslacht, dan is door 
deze beperking van zijn egoïsme de mogelijkheid van een 
vergelijk ontstaan met anderen, daar de natuurmachten nu 
niet meer zoo beslist en scherp afgegrensd tegenover elkan- 
der staan. Hier heeft men in het begrip de noodzakelijk- 
heid voor het staatswezen. 

Wil dus het egoïsme het individu om het individu en 
de geslachtsdrift het ras om het ras — het staats- 
wezen wil den (eeuwigen) voortduur van het ras door het 
egoïsme der individuen. 

De gedachte van het Staatswezen is dus de gedachte 
van een binnen het bewustzijn gewilde (sedert Schopen- 
hauer geen pleonasme meer) oplossing van motievenconflicten. 
De staat dus, hoewel met natuurlijke noodzakelijkheid ver- 
schijnende overal , waar gezamenlijke zorg voor gemeen- 
schappelijke belangen intreedt, bij den mensch dus, is ook 
zelf oogmerk van menschelijke handelingen. Daar het staats- 
wezen en zijn afzonderlijke doeleinden noodzakelijkerwijze 
in het bewustzijn der individuen voorkomen^), moet ik 
hier niet gelijk bij egoïsme en geslachtsdrift spreken van 
een natuurkracht, doch van eene Idee. 

Dat de mensch zich schikt tot eene samenleving, berust 
dus op eene Idee, volgens welke de individuen zich samen- 
voegen tot een georganiseerd geheel , waarin zij zich kunnen 
omringen met algemeene en uitgebreide voorzorgsmaatre- 



1) Bei der Organisation des Staates muss man nichts vor sich haben als 
die Notwendigkeit der Idee in sich: alle anderen Gesichtspunkte mussen ver- 
schwinden. (Hegel Philosophie des Rechts § 279 Zus.) 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 167 

gelen tegen de overal elders werkzame uitroeiing der meer- 
derheid, en zich vereenigen als in een samenzwering om 
aan den dood te ontkomen. 

§3. 

Naast egoïsme en geslachtsdrift of de individueele be- 
streviiig tot telkens hernieuwde voortbrenging van het men- 
schelijke geslacht, treedt dus de idee op van den staat, 
die het orgaan is van de allesomvattende zorg voor het 
ras. Juist wijl de staat berust op eene idee en niet op een 
blinde kracht, wijl hij bewust wordt in de gemoederen der 
enkelingen en door redeneeringen bekrachtigd, en niet spontaan 
of instinctief, gelijk de zorg voor het bedreigd eigen be- 
staan of de drift tot voortplanting, in hun bewustzijn op- 
treedt, — is hij in den loop der tijden eerst langzamerhand 
ontstaan en is de staatsgezindheid in een nog bijna geheel 
afzienbaar historisch tijdperk in de gemoederen ingebrand. 

Dat de staat „een contract" zoude zijn of er op berusten, 
is een aanname uit een geestdriftigen tijd, toen voor het 
eerst het wonderbaarlijk karakter van den staat in de oogen 
sprong, en een min of meer zoetelijke levensopvatting 
gaarne voor het natuurrijk met zijn onvermurwbare wetten, 
de zachte willekeur van menschelijke handelingen substi- 
tueerde. Integendeel vooronderstelt elk verdrag, zielkundig 
gesproken, eene geschiktheid en gezindheid tot overeen- 
stemming, welke alleen in het staatvormende individu kan 
worden aangenomen. Alle contract, overeenstemming, samen- 
werking kan eerst beginnen met het bewustzijn van den 
ban , welken het van alle kanten dreigende doodsgevaar op 
de menschenrassen houdt gelegd , en waaruit eerstens de 
noodzakelijkheid om zich te vereenigen en vervolgens de 
gewoonte om over en weer toe te geven, is opgekomen. 
Ja, indien de staatsmachine nu glijdend werkt, indien het 



168 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

diepe verwondering wekken kan , hoe licht de zelfzuchtige 
wenschen der menigte worden omgekruld, hoe alle afzon- 
derlijke eerzucht of machtsverlangen wordt geknot, om te 
worden aaneengelegd en samen te werken in het samenstel 
van functiën, dat de belichaming is van de doordringende 
zorg voor de veiligheid en welvaart van het Geheel, indien 
men zich al verduidelijkt, hoe op getemde dieren, welke 
wij zijn, een machtspreuk, een formule, een woord als 
Recht, Godsdienst, Zedelijkheid, een tooverachtigen invloed 
kan uitoefenen, — dan rijst lichtelijk de dwaling, dat in 
de samenleving het overwegende, berekenende, voorziende 
brein handelt in plaats van het gedrilde wilsvermogen, de 
gedachte in plaats van de aandrift, — dan wordt vergeten, 
hoe de natuur het dier heeft verstandig gemaakt, heeft op- 
gevoed tot den homo sapiens met de middelen der lijf- 
straffelijke rechtspleging en van den zonder verschooning 
gevoerden rassenkrijg. 

Al schijnt ook de staatswerkzaamheid ten opzichte der 
individuen uit te gaan van grondbeginselen van regelenden 
(regulatieven) aard, — de mogelijkheid van haar onge- 
schokt verloop berust niet op theoretische eischen, welke 
aan de individuen kunnen worden gesteld, maar hierop: 
dat deze individuen feitelijk hebben — een zedelijke ge- 
zindheid tot „geven en nemen," tot aanvaarden en laten 
varen ^). Geen enkele beschaving is met zachte middelen 
begonnen. In haar aanvang is met groote ruwheid het voor- 
stellingsleven der individuen verstoord, de overtuiging in 
de betrouwbaarheid der instincten vernietigd, d. i. 'smenschen 
natuur ont-kracht. De bloedwraak, het onbeperkt recht op 
de gansche natuur, het eigenbelang, dat alles had het 



1) „Durch die Gewalt, meint die Vorstellung oft, hange der Staat zusammen, 
aber das Haltende ist allein das Grundgefühl der Ordnung, das Alle haben." 
(Hegel, Phil. des Rechts § 268 Zus.) 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 169 

zwaard en nogmaals het zwaard van den vorst, d. i. den 
levenden duivel op aarde, tegen zich. Geen instinct kan 
worden ont-zield door een redelijk motief, geen ideaal kan 
een passie vernietigen, en waar dit toch zoo schijnt te 
zijn , was deze reeds gebroken en de zegepraal van het 
ideaal licht. De grondvesting en stichting van een staat 
berust daarom op het geweld en de wreedheid. Want het 
geweld en de wreedheid bij de statenstichting bestond hierin , 
dat de wil en de instincten van het individu tegen hemzelf 
gekeerd werden , dat het den dood en de foltering onder- 
vond , welke het naar buiten wilde verspreiden. Het individu 
buiten en vóór de staatsgemeenschap , is een daemon in 
de verbeelding der anderen, alle individuen zijn daemonen 
voor elkaar; moeten zij te zamen blijven, dan wordt 
het daemonische door en in zichzelf gebroken, (daemone/z- 
geloof verdwijnt eerst in eene beschaving, zoodra haar aan- 
vang ver genoeg achter haar ligt) ^). 



1) Verhouding en gezindheid der menschen, „in den natuurtoestand" en 
het „natuurrecht" (jus naturale) tusschen de menschen kunnen niet worden 
bestudeerd in hedendaagsche barbaarsche samenlevingen, daar men hier 
uitteraard den 'natuur' mensch niet zal l<unnen vinden, noch enkel worden 
tcruggephantaseerd naar over den historischen drempel der beschaving. Men 
kan het alles nagaan om en in ons zelven. Overal waar het vanzelfsprekend 
of zelfs verdienstelijk en 'edel' wordt gevonden, dat men aan krachtige op- 
wellingen van eer, van hartstocht en zinnelijkheid gehoor geeft, waar wraak- 
neming en krijg onvermijdelijk of begrijpelijk worden geacht, waar handelingen 
worden verontschuldigd met eene verwijzing naar de kracht van het eigen- 
belang, daar zijn wij midden in het natuurrecht, d. w. z. dus bij een ieder 
en letterlijk overal. Deze natuurrechtelijke toestand is een staat van onschuld, 
d. i. van dispositie zonder weifeling. Dit weifelloos en als vanzelfsprekend 
ja-zeggen tot spontane ondoordachte en natuurlijke opwellingen , welke uitingen 
zijn van egoïsme en geslachtsdrift, kenmerken den natuurrechtelijken staat 
der individuen. 

Men mag er daarom geen moreele conflicten in overdragen, geen stelsel- 
matigheden, geen zielstoestanden van den staatsburger, noch er den begrippen- 
rijkdom der theologische of niet-theologische moraal op toepassen. Want de 
staatsburger is een slechts na wikken, wegen en weifelen handelend wezen, 
gelijk de moralist (zoo hij slechts diep genoeg nadenkt) een slechts aarzelend 



170 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

Berust dus het staatsieven op deze bestrijding der instincten 
en gewelddadigheden door vorming van associaties met ver- 



en van handelingen afkeerig wezen. Daarentegen handelt het natuurlijke wezen 
volgens instincten en als van zelf d. i. zondeloos. 

Zoo spreekt Hobbes (de Cive I, 4) van cene „voluntas laedendi", die in 
allen van nature aanwezig is, en verromantiseert dat zoo uiterst weinig 
samengestelde karakter van den 'natuurmensch' door de onderstelling van 
een daenionischen wil. Immers geheel iets anders is — door gehoor geven aan 
zijne aandriften leed en krenking teweegbrengen, of het leed en de krenking 
te willen. Het daemonische vooronderstelt de moraliteit en beteekent: het 
bestaan, het uitlokken en veroorzaken van het booze. Doch het is de gedachte 
niet van het nienschelijke, doch van het buiten- en bovenmenschelijke. De 
gedachte van het duivelsche beteekent persoonsverbeelding naar anderen en 
niet naar zichzelf. Zij vloeit niet voort uit boozen opzet maar uit vrees. De 
duivel wordt tegen ons en niet in ons werkzaam gedacht. [Dit laatste geschiedt 
v/el doch alleen in overrijpe (decadente) beschavingstijdperken, voornamelijk 
in de litteratuur en heet dan, terecht theoretisch, 'satanisme', en heeft dan 
ook niets met duivclgeloof uit te staan. Dit sanatisme is een poging tot 
theoretische en min of meer dartele en weelderige vereenzelviging van het 
moreele subject met zijn eigen natuur, van een opzet in het veroorzaakt — 
en geleidworden. Het genieene en vuilaardige geschiedt in ons met heroïsche 
bewustheid en opzettelijkheid [Chants de Maldoror] en de wereld wordt 
[Gothisch] vergeestelijkt. Het „Ik" is duivelsch, en de natuur, de vrouw, — 
ja vooral de vrouw — interessant.] 

Evenzoo is bij Hobbes de zucht naar overheersching (homines natura sua 
avidius ferrentur, si metus abesset, ad dominationem quam ad societatem (de 
Cive I, 2) in den natuurmensch een veel te rijpe en samengestelde begeerte. 
Overheerschingslust is iets geheel anders dan krijgszucht, gelijk de toestand 
van overheersching niet is een toestand van krijg. De krijg als zoodanig 
sluit overeenstemming uit, de overheersching vooronderstelt haar. Aan over- 
heersching is krijg en overwinning voorafgegaan en het gezag moet op elke 
oogenblik in staat zijn om krijg en overwinning te herhalen. Maar zij voor- 
onderstelt, dat de overwonnenen of onderdanen tegenover het gezag alle 
aanspraken op en pogingen tot onafhankelijkheidsherstel laten varen. En dit 
kunnen zij doen óf uit diepgevoeld eigenbelang óf uit vrees. Een eigenbelang, 
dat alle opwellingen tot zelfstandigheidsherstel kan terugdringen voor grootere 
veiligheid in de toekomst, kan alleen uit eene wijziging van het natuurlijk 
egoïsme in de samenleving worden verklaard. En de vrees kan alleen dan 
voldoende motief zijn, zoo zij vrees is voor eene organisatie. Want vrees, 
voor geen enkel individu sluit wraak, overrompeling uit, daar elk individu, 
ook het sterkste aan zwakheden, ziekten, slaap enz. onderhevig is. Eene 
organisatie echter (van een krijgerskaste) is tusschen 'natuur' menschen niet 
mogelijk. De zucht naar overheersching zou dus niet alleen een bepaalde 
zegepraal vooronderstellen , maar de zegepraal eens voor al, — maar een over- 
eenstemming, eensdeels tusschen de overheerschers , anderdeels tusschen hen 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE 171 

schrikkingen en gewelddadigheden, dan berust het op eene 



en de bcheerschten — en kan derhalve in den natuurstaat niet worden aan- 
genomen. 

Aan den geest van Hobbes is die van Montesquieu iijnrcclit tegengesteld. 
De wetten, waaraan de menscli onderworpen is, vangen eerst voor hem aan 
bij zijne intrede in de maatschappij. „Want vóór dien", zegt Montesquieu in 
zijn Esprit des Lois (1, 2) „voelt de mensch niets dan zijne zwakheid, zijne 
bedeesdheid is buitensporig. En wanneer men behoefte heeft aan voorbeelden 
uit de ervaring: in de wouden heeft men wilden aangetroffen, die voor alles 
sidderen en op de vlucht gaan." Wederzijdsche vrees kenmerkt den mensch 
in den natuurstaat; eerst in en door de samenleving ontstaan beweegredenen 
om zich te verdedigen en elkander aan te vallen. Hoe kunnen deze schuchtere 
schepselen zich echter samenvoegen tot samenlevingen van krijgszuchtige 
wezens? „Uit vrees," zegt M. , „ontvluchten de menschen elkaar, doch de ken- 
tcekenen dezer wederzijdsche vrees brengen er hen spoedig (!) toe, elkander 
te naderen : overigens zouden zij er toe worden gebracht door het genoegen (!) 
dat een dier ondervindt bij de nadering van een ander van zijn eigen ras." 
„Bovendien", zoo merkt de galante schrijver van „ie Temple de Gnide", 
„Céphise et l'Amour" en „Arsace et Isménie" snedig op, wordt dit genoegen 
vermeerderd door de betoovering, welke de beide seksen wegens hun onder- 
scheid van elkander ondergaan Zoodra zijn de menschen niet in eene 

samenleving bijeengekomen, of zij verliezen het gevoel van hun zwakheid, 
hun gelijkheid eindigt en de toestand van krijg vangt aan." 

Is het enkel vrees, die het 'natuurlijk' wezen voor den aanvang der samen- 
leving bezielt of is het 'van nature' een onder omstandigheden roofzuchtig 
wezen, dat zich juist door niets dan enkel vrees van de volstrekte voldoening 
aan zijn egoïsme en geslachtsdrift laat terughouden? Gevoelt het vrees voor 
zwakkere dieren, voor zijn prooi? Vreest het ook de andere dieren, die zelve 
kenteekenen van vrees vertoonen? Hoe komen twee dieren, wanneer zij ten- 
minste niet de betoovering ven het geslachtelijk onderscheid hebben onder- 
gaan, er toe, zoodra zij bij elkander kenteekenen van vrees bespeuren, om 
niet op staanden voet van die vrees partij te trekken, doch toenadering te 
zoeken? Vanwaar de toenadering? Uit verlangen naar bescherming? Doch 
vanwaar het vertrouwen? Uit medelijden? Doch vanwaar de zelfverloochening? 

Of moest, gelijk elk Fransch hoffeest met een herderspel aanving, dit 
groote werk, dat de „Esprit des Lois" is, deze rehabilitatie [der Mensch- 
heid (Voltaire), door eene idylle worden geopend? In dat andere, diepere 
en breedere boek, den Pentateuch, die niet de geest der Wet doch de Wet 
zelve voor ons is, wordt in naïeve, roerende en bijna aanvallige beeldspraak, 
ook eene idylle in het begin geplaatst. Ook hier vangt met een herderslied 
de historie van de wereld aan. Daar is geen krijg van allen tegen allen, daar 
zijn geen sidderend wegvluchtende dieren, daar is ook geen dartel verlok- 
kende betoovering tusschen de seksen. JWaar dit herdersspel is niet van deze 
wereld, en zijne schalmeitonen zijn met de boomen en het riet van het Eden 
voorbijgeruischt. Als de mensch gezondigd heeft en, van schaamte gebogen. 



172 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

geheele wijziging van 's menschen natuur ^) (eerst na sta- 
tenvorming treedt de behoefte aan wedergeboorte op [nl. 
uit den rampzaligen gebroken toestand van het individu] 
en verder de illusie van het geweten). Wanneer de natuur, 
die te werk gaat in het groot, den harden oorspronkelijken 
wil (voluntas ut natura) op het aambeeld der tijden niet wat 
weeker heeft geslagen , dan helpt geen philosophie en geen 
staatmanskunst. De mensch is een tot in het diepst zijns 
wezens gewijzigd dier: de vrees voor de vijandelijke rassen 
heeft hem aaneensluiting geleerd, de angst voor dood en 
foltering heeft deze practisch mogelijk gemaakt door den 
goeden wil tot gehoorzaamheid in te branden aan alge- 
meen geldende afspraken. 

De samenleving heeft zoo tot punt van uitgang : de dressuur 
van den mensch tot de feitelijke erkenning van zijn eigen 
betrekkelijke onwaarde ten opzichte der idee van den staat. 
Eerst op dezen grondslag kan er sprake zijn van vrede 
tusschen den staat en het individu -). 



onder het vlammende zwaard is doorgegaan, laat hij voor goed den vrede 
achter zich. Aan den uitgang van het paradijs begint de staat der natuur. 
En deze staat der natuur staat onder cenc vervloeking en vangt aan met een 
moord. „Ik zal vijandschap zetten tusschen U en deze vrouw", zoo spreekt de 
Heer, „en tusschen Uw zaad en haar zaad." En tot Kaïn: „Gij zijt vervloekt 
van den aardbodem, die zijnen mond heeft opengedaan, om uws broeders 
bloed van uwe hand te ontvangen — (Doch) al wie Kaïn slaat, zal zeven- 
voudig gewroken worden." 

1) „Man kann nicht sagen: der Mensch im Staate habe einen Teil seiner 
angeborenen ausseren Freiheit einem Zwecke aüfgeopfert, sondern er hat die 
wilde gesetzlose Freiheit ganzlich verlassen, um seine Freiheit überhaupt in 
einer gesetzlichen AbhSngigkeit unvermindcrt wieder zu finden." 

Kant (Ros.) IX, 161. 

2) Zie ook W. van Humboldt's „Versuch die Grenzen der Wirksamheit des 
Staats zu bestimmen" IV: (Recl. p. 60) „Der erste positive Qrundsatz für den 
Staat ist:" „die Erhaltung der Sicherheit (sowohl gegen auswartige Feinde, 
als innerliche Zwistigkeiten) muss den Zweck des Staats ausmachen und 
seine Wirksamkeit beschaftigen." en over de verhouding van den Staat jegens 
de burgers III (Red. p. 53): „der Staat enthalte sich aller Sorgfalt für den 
politischen Wohlstand der Burger und gehe keinen Schritt weiter, als zu 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 173 

De staatsfunctie in het algemeen is de werkzaamheid tot 
zelfregeling der samenleving; zij wordt, hoezeer ook door 
gronden aan het individu bij te brengen, en theoretisch on- 
ontwijkbaar, door de individuen niet als een grijpbaar 
voordeel ondervonden maar als beperking en is daarom 
voe/baar alleen als een alzijdige dwang, als de algemeeneen 
gebiedende hopelooze noodzakelijkheid om zich op te offeren. 

In het consequent altruïsme, gelijk dit geleeraard wordt 
in vele godsdienstige stelsels kan men slechts zien: eene 
in het intellect geslagen, tot begrip geworden en bodem- 
loos gemaakte staatsgezindheid. 

§4. 

Hieruit vloeit verder tweeërlei leer voort der handelingen 
voor het individu en den staat. 

De gezindheid van het individu ten opzichte van de ge- 
meenschap wordt meer bepaald door een algemeenen eisch 
dan een stellig en bepaald gebod, aangezien de samen- 
leving alleen eene wilsgebrokenheid , een bereid-zijn tot 
zelfverloochening vooronderstelt, om de mate der opoffe- 
ring voor eiken enkeling in het bijzonder, naar gelang van 
eigenschappen en omgeving, te bepalen^). 

In het individu is de oorzakelijke verbinding aanwezig 
tusschen zijn aandrijvende grondkrachten en zijn regelend 
intellect, of liever — het is zelf de oorzakelijke verbinding 
van zijn begripsvermogen en zijne natuur, en omgekeerd. 
Door het algemeene en vage karakter der verhouding van 



ihrer Sicherstellung gegen sich selbst und gegen auswürtige Feinde not- 
wendig ist; zu keinem andern Endzwecke beschranke er ihre Freiheit." 

1) (Ex quo intelligitur) Scientiam Moralem nullam habere eos,qui Homines 
considerant per se <S quasi extra societatem civilem, propter defectum men- 
surae certae, qua Virtus et Vitiuni aestimari <S definiri possint. (Hobbes, de 
Homine, c. 13). 



174 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

het individu en de gemeenschap kunnen de voorstellingen 
en motieven, welke de gemeenschap in het individu wekt, 
den meest algemeenen en volstrekten vorm aannemen. Zij 
kunnen geheel buiten verhouding komen te staan tot de 
beweegredenen van 's menschen eigenbelang en zelfs over- 
weldigend en vernietigend op zijne zelfzuchtige motieven 
inwerken. 

Het getemde individu der samenleving heeft daarmede 
elke natuurlijke vooropstelling verloren, aangezien zijne 
handelingen door geen enkele onverbiddelijke kracht on- 
voorwaardelijk worden bepaald. Het zit over zichzelf ten 
gerecht en heeft, in beginsel bezien, volmaakte autonomie 
ten opzichte van zichzelf. 

De bovenzinnelijke (objectieve) inhoud van het dierlijk 
bewustzijn, nl, de spontaan-egoïstische zorg voor eigen 
welzijn en zelfstandigheid, is thans verzwakt, en in be- 
ginsel zelfs opgeheven , de zucht tot zelfbehoud getemperd 
en in verhouding tot den staat in beginsel zelfs vernietigd. 
De homo sapiens is zoodoende krachtens scheppingsdefi- 
nitie eene tabula rasa en zonder bovenzinnelijken (objec- 
tieven) inhoud. 

De staat daarentegen als het orgaan der voorziende 
werkzaamheid van een ras, berust uitsluitend op het wel- 
zijn en de welvaart der samenleving, welke hij bestuurt, 
en heeft dus een bepaalde natuurlijke reden van bestaan 
en een stellige vooropstelling: de bevordering van de levens- 
vatbaarheid en de volstrekte zorg voor het welzijn van hei 
ras als ultima ratio ^). 



1) „Das Wohl eines Staats hat eine ganz andere Berechtigung als das 
Wohl der Einzelnen. Die sittiiche Substanz, der Staat, hat ihr Dasein d. h. 
ihr Recht unmittelbar in einer nicht abstracten sondern in concreter Existenz 
und nur diese concrete Existenz, nicht einer der vielen für inoraiische Gebote 
gehaltenen allgemeinen Gedanken, kann Frincip ihres Handelns und Benehmens 
sein." (Hegel, Phil. des Rechts § 337). 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 175 

Met dit wortelverschil tusschen staat en individu hangt 
aanstonds een wortelverschil in de leidende beginselen voor 
beider handelingen , samen. De theoretische moraal of plichten- 
leer voor een wezen heeft alleen zin , in zooverre de na- 
koming dier plichten inderdaad mogelijk is, dus vereenigbaar 
met den bovenzinnelijken inhoud of natuurlijken aanleg 
van dit wezen. Hoezeer ook de toepasselijkheid aller alge- 
meene voorschriften voor de handelingen der individuen 
afhangt van voorwaardelijke grondregels, welke voor eiken 
enkeling samenhangen met de bijzondere mate van dressuur, 
met het voorstellingsvermogen, de geestkracht, enz. enz., 
zoo zijn zij toch als moreele eischen voor het menschen- 
ras en zijne samenleving geldig. 

Dit is zoozeer waar, dat tegenover de natuurlijke instincten, 
welke zijn gericht op bescherming van eigen aanzijn en 
dat der progenituur, de neigingen tot belemmering dier 
instincten zich kunnen verdichten , als het ware tot pseudo- 
instincten : opofferingsneigingen. Deze pseudo-hartstochten 
om zich op te offeren {met mate natuurlijk, wegens de 
onbeperkte gelegenheid om daaraan toe te geven!) zijn half- 
natuurlijke, half-kunstmatig aangekweekte ontaardingen van 
den langzamerhand bij het individu door de gemeenschap 
bewerkten goeden wil om zich te schikken. De sublieme 
dolheden, welke hiervan het gevolg zijn, nl. de vrijwillige 
totale inperking van den geslachtsdrift bij den asceet, het 
geheel stelselmatig offer van het eigen belang aan dat van 
anderen in den altruïst enz. — zijn deze bij den mensch 
eerst laat gevormde neigingen, maar thans uit zijn instincten- 
samenstel gerukt, abstract gemaakt, en aangeblazen met de 
kracht van het natuur-instinct. Aan den anderen kant be- 
wijzen zij onomstootelijk de mogelijkheid en geldigheid (en 
noodzakelijkheid) der moraal voor menschelijke individuen. 

De theoretische eischen (elementen der moraal) voor liet 



176 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

individu kunnen elkaar weerspreken. De evenwichtige maat- 
schappelijke mensch zoekt in zijne levens-kunst een even- 
wicht van instincten (en neigingen of pseudo-instincten) 
welke van tegengestelden aard zijn. Tegenover de dierlijke 
middelpuntzoekende aandriften stellen zich middelpunt- 
vliedende contramotieven, die onmiddellijk samenhangen 
met zedelijke beginselen van (leven) ontkennende strekking 
in de menschelijke plichtenleer — en alle oorspronkelijke, 
natuurlijke begeerten komen in elke (navolgbare) zedeleer 
zoowel bevestigd als ontkend voor. 

Wat de materie aangaat, is de inhoud van den Staat 
minder ruim dan die van het individu. Het Staatswezen 
vooronderstelt alle neigingen tot zelfbeperking, opoffering 
bij de burgers, doch houdt ze als 't ware verzwolgen, — 
de staat is in zijn wezen het tegendeel van opofferings- 
lustig, van matig en zelfbeheerschend, Het individu bevat 
de neigingen zoowel tot bevestiging als tot ontkenning van 
den levenswil, de staat is daarentegen uitsluitend een 'ja- 
zeggen' tot den levenswil. 

Het individu is naar zijne gezindheid met den Staat alleen 
dan in overeenstemming, voorzoover het zich met de levens- 
neigingen van het staatswezen dermate vereenzelvigt, dat 
het de onbeperktheid van eigen aanspraak op ontwikkeling 
en eigen recht op uiting geven aan zijne instincten prijs 
geeft 1). 

Hierop berust de ontzettende historische taak van den 
staat in de samenleving: aan de eene zijde de exemplaren 
tot vollen wasdom en ongebreidelde ontplooiing hunner 
vermogens te doen komen, aan de andere ze te leiden, te 
regelen, te knotten, ja zelfs te vernietigen, — zoodat op 



1) „Was die Edlen unter den Römern zu Mühen und Aufopferungen , zum 
Dulden und Tragen fürs Vaterland begelsterte, war ihr fester Glaube an die 
ewige Fortdauer ihrer Roma." (Fichte, Reden an die Deutsche Nation, VIII). 



I 
I 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 177 

bijkans onmerkbare en nauwelijks scherp aan te geven 
wijze de inrichting van den staat, die in dezen zin werkelijk 
een natuurinstelling is, samenhangt met de neigingen, die 
bij de ontwikkeling van het menschenras worden aange- 
kweekt of bevorderd. De staat is geen uitvindsel, geen 
klassewerktuig , geen bewust product van geesteswerkzaam- 
heid, maar het orgaan van een natuurkracht, een natuur- 
instelling met een stelligen inhoud en een bepaalde opgave, 
met het vervallen waarvan ook het recht van zijn bestaan en 
het voortbestaan van eenigen samenhang zijner leden is 
weggevallen. 

Juist het karakter van den staat als de zich uitbreidende 
en naar alle zijden om zich grijpende macht tot ontwikkeling 
zijner leden, als het natuurlijk /•össe/zzm/w/'g' tot beheersching 
van alle levenskansen der rassen — dit karakter van den 
staat als een onvermurwbaar natuurwezen , dat veel geestelijks 
betrekkelijkerwijs kan laten gelden, dat vele meenings- 
richtingen kan verduwen , welke alleen vereenzijdigingen zijn 
van neigingen, die hij zelf herbergt, — maar ten slotte ze 
met de wreede supremiteits-overtuiging van een wezen , 
dat alle recht slechts aan zichzelf ontleent, kan onopgemerkt 
laten en breidelen, — juist deze overtuiging, dat hijzelf 
het reusachtige medium is, waaraan, nader bezien, alle 
gezindheden hare energie ontleenen, maakt den staat zoo 
instinctmatig diep gehaat bij alle consequente belijders der 
negatieve moraal van de weerloosheids — , de altruïstische — , 
de onthoudingstheorieën , welke het onbreidelbare recht van 
een natuurlijk instinct ten opzichte zelfs der eischen van het 
verstand, onder geen enkele omstandigheid mogen toegeven. 

§5. 

Eene leer der handelingen voor staten (staatslieden) is 
dus gebonden aam het onvoorwaardelijk recht op bestaan. 

12 



178 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

Een individu kan krachtens zijn redelijk zelfbestuur aan 
een denkbeeld hooger waarde toekennen dan aan eigen 
bestaan (martelaarschap) ; een staat kan nooit martelaar zijn , 
daar hij niet (kosmologisch) vrij is. Hoezeer dus de staat 
berust op het vermogen van zijne leden, om eigen zelf- 
standigheid te negeeren ter wille van de samenleving, is 
hij in zijn wezen egoïst — het individu kan zelfmoord 
plegen, de staat nooit, de staat kan alleen opgelost worden. 

Geraakt eenig individu met een ander in strijd, dan kan 
het de aandriften, welke al zijn krachten samenopstooten 
tot een hardnekkigen wederstand, terugdringen en krachtens 
zijn verstandelijk zelfbestuur van zelfverdediging afzien, 
daar het natuurrechtelijk aan niets gebonden is, — de staat 
daarentegen berust op de noodzakelijkheid van zelfhand- 
having, hierin ligt zijn hoofdbelang. Zoolang zijn bestaan 
niet bedreigd wordt, kan hij zich bezighouden met onder- 
werpen van minder dringenden aard, — wordt hij in zijn 
bestaan aangetast, dan zinkt alle ideologie als betrekkelijk 
minderwaardig en nietig weg, en het eenige dat blijft, is 
het behoud van zijne eenheid, waarop al zijne energie, 
wordt samengericht. 

De verwisseling van den iweeledigen aard der verhoudingen 
van individuen en staten onderling, is grond voor de ver- 
warring, die veelal heerscht bij het opstellen van bij voorbaat 
(a priori) geldende grondregels voor het verkeer der staten ^). 



1) Zie o. a. het project van Bentham 1789 (Principles of international Law) 
waarin is vooropgesteld, dat geen natie aan eenige andere kwaad behoort 
te berokltenen doch alle mogelijke goeds moet doen. 

Grégoire's Précis du droit des gens modernes de i'Europe behandelt een* 
moraalcodex voor de volkeren, waarin art. 3: Een volk moet handelen jegens 
de andere volken, zooals het wenscht, door de andere behandeld te worden, enz. 

Kant's „Zum Ewigen Frieden" zal straks nader worden behandeld. 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 179 



§6. 



Hoezeer dus het menschenras boven de andere rassen 
verheven is in dit opzicht, dat zijne individuen niet meer 
onvoorwaardelijk gebonden zijn aan, door middel van in- 
stincten in hun bewustzijn zich uitende grondkrachten, 
zoodat het menschenras kosmologisch vrij kan worden ge- 
noemd, blijkt dus de staat, hoewel voortbrengsel van 
's menschen overwegingen en vrucht van zijn vrijheid (de 
staat is immers in 's menschen leegen tijd ontstaan), opnieuw 
kosmologisch gebonden te zijn , en te staan op denzelfden 
bovenzinnelijken bodem als het dier! 

Want indien ook het verkeer tusschen 'staten aan een 
vormencodex gebonden is en de staatsmanskunst ten op- 
zichte van vreemde staten van menschlievende beginsels 
uit moge gaan , — dan zijn dit meeningen , die samenhangen 
met de tusschen de individuen heerschende zeden ^), en 
wier bovendrijven alleen getuigt van eene zekerheid van 
houding en een diep gewo- telde overtuiging omtrent eigen 
kracht; — gelijk gewoonlijk edelmoedigheid bij een mensch 
voortkomt uit een hoogen graad van zelfbewustheid of zelf- 
genoegzaamheid. Wordt deze bedreigd , dan is de toepassing 



Zie ook Spinoza Tract. Pol. lil, 11. 

1) Sonst beruht das gegenseitige Verhalten im Kriege (z.B. dass Gefangene 
gemacht werden) und was im Frieden ein Staat dem Angehörigen eines 
Anderen an Rechten für den Privatverkehr einrSumt, u. s. f. vornemlich auf 
den Sitten der Nationen, als der innern unter allen Verhaltnissen sich erhal- 
tenden Allgemeinheit des Betragens. (Hegel Ph. des R. § 339). 

Zie ook Savigny Röm. R. I p. 33. „Die fortschreitende sitliche Bilding, wie 
sie das Christentum begründet, führt jedes Volk dahin, ein Analogon jenes 
positieven Völkerrechts selbst auf solche völlig fremde Völker anzuwenden, 
von welchen diese Gesinning nicht getheilt und dieses Verfahren nicht erwie- 
dert wird. Eine solche Anwendung aber hat einen rein sittlichen Charakter 
uud nicht die Natur eines positiven Rechts." 



180 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

van meer menschlievende beginselen practisch onmogelijk 
geworden. 

Staten , als natuurorganen , worden beheerscht door over- 
eenkomstige wetten als de dierlijke wezens (diplomatieke 
omgang tusschen staten kan alleen plaats hebben voor 
dergelijke periodes als die van katachtige speelschheid bij 
de roofdieren.) 

§7. 

Ik onderscheid tusschen algemeene beginselen der moraal 
en practische grondstellingen of regelen voor zedelijke 
handelingen. De laatste staan op den grondslag van weder- 
keerigheid, volgens den regel nl. dat iemand een ander 
slechts plichten kan opleggen, waaraan hij zichzelf onder- 
werpt ^), en worden uit dit beginsel naar gelang van elk 
bijzonder geval afgeleid. Daarentegen behoort men bij de 
beoordeeling der algemeene beginselen niet uit te gaan van 
de vraag of iemand ze kan aanvaarden enkel op den grond- 
slag van^vederkeerigheid (jegens zijne evenmenschen) maar 
of zij de zuivere slotsom zijn van klare overwegingen van 
abstracten aard. De vraag ot zij algemeen uitvoerbaar zijn 
en werkelijke waarde of maatschappelijke wenschelijkheid 
hebben mag bij de beoordeeling dus niet op den voorgrond 
komen. Zij bedoelen daarom slechts zedelijke „idealen" 
waarvan geldigheid en toepassing of toepasselijkheid 
moeten worden nagestreefd en c, q. in den loop der tijden 
geleidelijk benaderd. 

Zoowel de bergrede in Mattheus als de Zarathustraleer 
van Nietzsche bedoelen zedelijke „idealen", De hoofdinhoud 
der heerschende volks-r en standszeden, der geschreven en 



1) Den tegenslag van den anderen regel: „quod tibi fier! non vis, alteri 
ne feceris" waaruit elke algemeene rechtsleer voortvloeit, gelijk uit boven- 
staanden regel elk Igemeene plichtenleer. 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 181 

ongeschreven wetten is aan een ieder door overreding bij 
te brengen ; — de zedelijke idealen daarentegen zijn neigingen 
der samenleving, in haar verbijzondere beteekenis genomen 
en vervolgens als onvoorwaardelijk bedoeld gebod uitge- 
sproken. Of deze voor eenig afzonderlijke individu ook 
maar de minste gebiedende kracht hebben, hangt af van 
de bijzondere hoedanigheid van zijn bewustzijn; zij onder- 
stellen voor hare navolgbaarheid een status quo, een toe- 
stand , waarin alle blinde grondmotieven tot rust zijn gebracht. 

Zoo is bijv. het gebod, den naaste zoo lief te hebben 
als zichzelf, het inbegrip van alle dwaasheid voor een 
mensch , in wien wraakzucht en haat nog de oorspronkelijke 
spontaneïteit en kracht hebben. Het laat zich denken, dat_ 
de met verstandskiemen begaafde „wilde" door wederkeerig- 
heidsoverwegingen , met inspanning van zijne verbeeldings- 
kracht en aan de hand van kleine ervaringen, kan worden 
gebracht tot een sterke vrees voor het verrichten van 
handelingen, die hem sterk leed zouden veroorzaken , zoodra 
zij in omgekeerden zin tegen hemzelf werden verricht. Hij 
kan echter niet worden gebracht tot liefde, of voorname 
hoogachting jegens zijn' vijanden , aangezien daarin eene 
verzwakking der dierlijke driften en een niet gewone kracht 
van zijn denkvermogen worden vooronderstelt, welke hij 
nu eenmaal niet bezit, terwijl het daarmede te bereiken 
voordeel , nl. op zijne beurt bemind en hoog geacht te 
worden, niet veel beteekenis voor hem hebben kan, wijl 
de waarde, die wij toekennen aan eene gezindheid of mee- 
ning van anderen, slechts kan worden gemeten door de 
opoffering van onze zelfzuchtige begeerten , welke daardoor 
kan worden teweeggebracht. (Zoo veronderstelt de navolging 
van zelfs elementaire oorlogsgebruiken een georganiseerd 
stamleven). 

Er valt te onderscheiden tusschen redelijke of werkelijke 



182 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

idealen, welke gelden voor wezens, door welker algemeenen 
bovenzinnelijken inhoud zij niet worden weersproken- en 
onredelijke- of onwerkelijke idealen, wier beginsel in strijd 
is met den natuurlijken aanleg van het wezen, waarvoor 
zij heeten te gelden. 

Daar het menschelijk bewustzijn het inbegrip is van al 
zijne neigingen, kan geen dezer neigingen afzonderlijk, als 
maatschappelijk (d. i. aan allen gelijkelijk opgelegd) gebod 
worden uitgesproken en kunnen practische grondstellingen , 
gelijk deze in de volkszeden zijn neergelegd , alleen concreet 
zijn en meer of minder willekeurige vaststellingen inhouden. 
Voorzoover echter in het individu de mogelijkheid tot ver- 
.standelijk zelfbestuur aanwezig is, kan elke afzonderlijke 
neiging door hem worden volstrekt gemaakt en wordt zij 
niet door den algemeenen inhoud van zijn bewustzijn uit- 
gesloten. 

Zoo is het zedelijk gebod uit de Bergrede mogelijk en 
oplegbaar, daar het, hoe zeer dan ook verenkeld, en zij 
het dan ook ten koste van het evenwicht of het aanzijn 
van het individu , uitvoerbaar is — en het kan dus worden 
gekenschetst als een redelijk moreel ideaal. 

§8. . 

Het liefdegebod, aan menschelijke individuen opgelegd, 
om een toestand te scheppen en te onderhouden , waarin 
de volkomen wezenseenheid de practische grondstellingen 
voor handelingen volkomen bepaalt, zoodat eene vijandige 
verhouding, daar alle vervreemding is opgehouden, onmo- 
gelijk geworden is, — dit gebod, getransponeerd op de 
staten, is het gebod tot den wereldvrede. Ik zal nu nagaan , 
of dit vervormde ideaal eenigen redelijken grond bevat. 

Het vraagstuk van den wereldvrede is van kosmologischen 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 183 

en niet van individueel-zielkundigen aard. Het komt er hier 
niet op aan , te willen maar te kunnen willen. De menschen- 
vrienden, die dien toestand van eeuwigen vrede willen 
naderbijbrengen door individueele gezindheden uit te lokken 
(congressen , motie's enz. enz.) vergeten , dat zelfs de heros, 
het eenige individu dat een rol speelt in de bereiking van 
de historische doeleinden der natuur, slechts dan, wanneer 
en zoolang hij volgens hare wetten handelt, zich kan 
staande houden en , zoodra hij eene stremming uitoefent of 
zich er tegen verzet, wordt vernietigd (natura volentem 
ducit, nolentem trahit). 

Kunnen de staten in allen ernst zich het probleem van 
den wereldvrede stellen , gelijk er menschen zijn , die nauw- 
gezet arbeiden aan de algeheele onderdrukking van hunne 
zelfzuchtige aandriften? Of anders: geeft de natuur vol- 
doende waarborgen voor de bestendiging van den toestand 
van algemeenen vrede, zoodra deze op een bepaald oogen- 
blik mocht zijn bereikt? 

Kant geeft (VII, p. 263) op deze vraag: of de natuur, 
ook tegen den wil der enkelingen in, door bepaalde in- 
richtingen of instellingen waarborgen geeft voor het eindelijk 
bereiken van den wereldvrede , drieërlei antwoord , naarmate 
der staatsrechtelijke, der volkenrechtelijke en der wereld- 
burgerlijke verhoudingen tusschen de individuen. 

I. Het vraagstuk van de statenstichting is, gelijk Kant 
aangeeft, zelfs voor duivels, mits met verstand begaafd , op- 
losbaar ^) en houdt in: eene ordening van de individuen 
en eene regeling van hunnen samenhang op zoodanige 
wijze, dat hunne afzonderlijke gezindheden en belangen, 
hoe slecht ook en hoezeer aan elkaar tegenstrijdig, elkaar 



1) Verg. de Summa Theol. van Th. A. (p. I q. 108, 2 ad 2in) „Concordia 
daemonum qua quidam aliis obediunt, non est ex amicitia quam inter se 
habeant sed excommuni nequitiaqua(hominesodiunt) Dei justitiae repugnant." 



184 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

in zulke mate opheffen , dat hunne openbare (oogenschijn- 
lijke) verhouding niet anders is, dan indien hunne gezind- 
heden niet zoo slecht waren. Zoo naderen zeer onvolkomen 
georganiseerde staten, van buitenaf bezien, dicht tot wat 
door de rechtsidee wordt voorgeschreven , zonder dat dit 
te danken is aan de hoogzedelijke eigenschappen der burgers. 
De natuur wil zoodoende den rechtstoestand, en wil, dat 
ten slotte het recht de overhand behoudt. 

Critiek. De stichting van den staat, als natuurinrichting 
beschouwd , berust op overwegingen van wederkeerigheid 
van verhouding en gaat dus niet volkomen consequent uit 
van beginselen van theoretischen aard — integendeel voor- 
onderstelt hij bij de leden zijner samenleving een lager 
zedelijk niveau , dan waarop zijne wetgeving ligt (daar elke 
wet rechtsdwang onderstelt en dus discongruentie met het 
rechtssubject). Zijne stichting vangt dus aan met de moge- 
lijkheid tot het algemeene alzijdige vergelijk tusschen de 
leden , en geen wetgever kan eenig uitsluitsel geven in 
gevallen, waarin het onmogelijk is, de oplossing af te 
leiden uit het beginsel van de gelijkheid der individuen in 
kosmologischen zin (waarbij overigens onderscheid moet 
worden gemaakt tusschen gelijkheid der personen en gelijk- 
heid van hunne functies, daar deze laatste ongelijkmatig 
met rechten en plichten kunnen zijn belast.) Waar tegen- 
gestelde belangen door wederzijdsche gedeeltelijke opoffering 
verzoenbaar zijn , of waar algemeen- en privaatbelang in 
strijd zijn, voorziet de rechtspraak.' 

Sluiten echter tegengestelde belangen elkander uit, zonder 
dat het zwaard van het algemeen- of rechtsbelang in een 
der schalen kan worden geworpen, dan zwijgt Themis op 
de dilemma's, en alleen de (godsdienstige) moraal kan 
eene oplossing eischen , — bijv. in het geval van twee schip- 
breukelingen op een plank, die er slechts een kan dragen, 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 185 

waarbij de gemeenschap krachtens de gelijkheid der indi- 
viduen in kosmologischen zin , op het behoud van den een 
niet meer prijs stelt dan op dat van den ander. Hier is 
alleen dan eene oplossing mogelijk, wanneer een der schip- 
breukelingen krachtens een zedelijk beginsel van zuiverlijk 
algemeenen aard, eigen bestaan waardeloos acht in ver- 
gelijking met dat van den ander, of met een stelselmatige 
overwinning op het egoïsme. 

Het probleem van den wereldvrede behoort nu tot die 
vraagstukken van algemeen-theoretischen aard , waarvan , 
uitgaande van het wederkeerigheidsbeginsel , in het algemeen 
geene oplossing kan worden gegeven. Voor werkelijk alle 
staten of statenbonden immers twee aan twee, kan de 
wenschelijkheid over en weer van ongehinderde inbezit- 
neming (koloniale politiek), of van eene vrije regeling der 
handelsbetrekkingen met vreemde verkoopers en afnemers 
(tarievenstrijd), hetzij werkelijk, hetzij denkbeeldigerwijs 
culmineeren in eene diep gevoelde noodzakelijkheid en 
onmisbaarheid voor hun bestaan ^). Zij verkeeren dan in het 
geval van de schipbreukelingen op een plank, waarbij 
echter thans geene oplossing mogelijk is, daar het (concrete) 
levensbeginsel van een staat, wiens bestaan berust op de 
instinctmatige verdediging van den voortduur zijner leden, 
de ontkenning in zich sluit van alle algemeene beginsels 
en neigingen, ook de feitelijke, anders dan noodgedwongen, 



1) Vergelijk ook de zeer zuivere probleemstelling in J. G.Fichte. Der geschlos- 
sene Handelsstaal III C. 3en 4(Recl.p. 95en v.): Het is alleen voor den volstrekt 
'afgesloten handelsstaat', den staat nl. die binnen de grenzen van het dominium , 
van de organisatie der samenleving en van de capaciteit der leden, alle geographi- 
sche en ethnologische oorzaken bevat voorden krachtigst denkbaren maatschap- 
pelijken bloei, en zich daarna compleet terugtrekt uit het verkeer der volkeren — 
het is alleen voor den 'gesloten handelsstaat' ongeoorloofd om naar terrein- 
uitbreiding te blijven haken, omdat „uit eene vergrooting tot buiten de 
natuurlijke grenzen voor hem niet het minste voordeel meer zou voortvloeien..'" 



186 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

erkenning van andere staten — zoodat hij geen keus heeft 
buiten den strijd op leven en dood. 

Il Kant: In te groote staten verliezen de wetten aan van- 
zelfsprekendheid en nadrukkelijkheid, en een ziellooze 
regeering valt ten slotte in anarchie uiteen. Toch bezit elke 
staat de neiging, om aan de onrustige spanning ten opzichte 
van de naburen een einde te maken, en door verovering 
den toestand van eeuwigen vrede te veroorzaken. Hierdoor 
ontstaat gevaar voor oorlog: de natuur echter wil het 
anders en bedient zich van twee middelen om de volkeren 
van geleidelijke vermenging af te houden en geene ver- 
overing geheel doeltreffend te maken, nl. het onderscheid 
van taal en dat van godsdienst. 

Critiek. Dit argument voor een ten slotte bereikbaar 
evenwicht tusschen de staten is zeer zwak, aangezien het 
tegelijkertijd de redenen bevat voor zijn groote wankelbaar- 
heid. Want rassengewijze samenwerking van individuen 
berust niet op tijdelijk overeenkomstige belangen, noch op 
afspraken, die op een willekeurig te kiezen oogenblik 
kunnen worden verbroken, maar op de natuurnoodzakelijk- 
heid van het staatsverband. 

De continuïteit van dit verband onderhoudt de vaderlands- 
liefde: de diepgewortelde overtuiging van individuen, dat 
de staat leeft, ook al zien of voelen zij hem niet ^). Geen 
vaderlandsliefde zonder gemeenschappelijk doorstaan gevaar 
en zijne litteekens of herinneringen, of de mogelijkheid van 
een buitenlandschen vijand. Naast dezen negatieven inhoud, 
nl. de sterkgevoelde noodzakelijkheid om vijanden uit te 
sluiten, staan de positieve gronden voor samenvoelen: nl. 



1) „Der Patriotismus ist die Gesinnung, welche in dem gewöhnlichen 
Zustande und Lebensverhaltnisse das Gemeinwesen für die substantiale 
Grundlage und Zweck zu wissen gewöhnt ist." (Hegel, Phil. des Rechts § 268). 
Zie ooit § 322. 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 187 

de overeenstemming in geestelijke eigenschappen, blijkende 
uit een gelijk begrippenmateriaal , en uit gelijke denkbeelden 
omtrent de verhouding jegens elkaar en de godheid. 

De liefde jegens allen , die in een zelfde ras- en staats- 
verband zijn opgenomen , moet een werkelijk gevoel zijn , 
d. i. een voorstelbaren inhoud hebben, en is daarom van 
beperkten omvang (algemeene menschenliefde is een abstracte 
eisch , die zichzelf weerspreekt: liefde jegens allen is liefde 
voor niemand). Dan houdt zij dus niet alleen den grond in 
voor de scheiding tusschen verschillende stateo , aangezien 
zij naast het onderscheid in gezamenlijke stoffelijke belangen , 
ook een blijvend verschil in de geestelijke verlangens en 
idealen der natie's stelt, — maar vergemakkelijkt tevens de 
groote botsingen , daar zij spoediger eenstemmigheid ver- 
oorzaakt, zoodat staatkundige overtuigingen sneller en met 
meerder élan in het leven der geheele natie slaan ^). 

III. Kant: De derde waarborg van de natuur voor den 
wereldvrede is de handelsgeest, die niet bestaanbaar is 
tezamen met den krijg, zoodat alle staten, in een krijg 
gemeenschappelijk hunne belangen geschaad zullen zien, 
en dien derhalve door het inroepen van bemiddeling zullen 
helpen afwenden. 

Critiek. Dit argument is weer een nest van tegenstrijdig- 
heden : 

Met de vergemakkelijking van het verkeer en de ver- 
meerdering van het aantal verkeerswegen voor den handel 



1) Wenn man meint, Fürsten und Kabinette seien mehr derLeidenschaftals 
Kammern unterworfen und deswegen in die Hande der letzteren die Ent- 
scheidung über Krieg und Frieden zu spielen sucht, so muss gesagt werden , 
dass oft ganze Nationen noch mehr als ihre Fürsten enthusiasniiert und in 

Leidenschaft gesetzt werden i<önnen; Die Popuiaritat von Pitt kam daher, 

dass er das, was die Nation damals wollte, zu treffen wusste. u, s, f. (Hegel 
Ph. d. R. § 329. Zus.) 



188 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

neemt ook hunne verplaatsbaarheid of verlegbaarheid toe 
en dus ook, betrekkelijk genomen zijne onafhankelijkheid 
van het oorlogsterrein. 

Met de vermeerdering der productiecentra en der afzet- 
markten, en derhalve van het bankwezen nemen de be- 
trekkingen tusschen voortbrenger en afnemer een algemeene 
(krediet)vorm aan, welke minder te lijden heeft van schokken 
in het wereldverloop. 

Eindelijk is met de uitbreiding der handelsbetrekkingen 
en dus van het belang , dat de natie's hebben bij een onge- 
stoorden handel, aan den anderen kant eene vergrooting 
van het belangenoppervlak verbonden, zoodat bijkans elke 
streek ter aarde kan worden getrokken binnen den kring 
van begeerlijke bezittingen of invloedsferen der natie's, 
welke den wereldhandel drijven, en dus onder omstandig- 
heden tot een casus belli kan worden. 

Aldus hebben zoowel de statenvorming als de individuali- 
seering der rassen en het wereldverkeer een dubbelzijdigen 
invloed op de algemeene verhouding tusschen de natiën. 
Deze wordt samengestelder, naarmate de geschiedenis voort- 
schrijdt, maar de wortelverhouding tusschen de staten, als 
alleen bestaande door en in energieke wederzijdsche 
uitsluiting*), blijft hiermede even grondig en volstrekt 
gelden. 



1) Hegel heeft gesproken over den Staat ais das „Gottesreich auf Erden" 
nl. als de totale verwerkelijking der in liet bewustzijn van een volk ais een 
systeem van rechten en verplichtingen levende zedelijkheid, als de hoogste 
bestaande eenheid op aarde. Beschouwt men den staat in zijne negativiteit, 
inzooverre hij dus andere staten uitsluiten moet om zich als eenheid te hand- 
haven, dan kan men evengoed spreken van das „Teufelsreich auf Erden", 
want de vermogens van deze „goddelijke" kracht, de organisatie der talenten, 
de in de instellingen opgesloten geestkracht, kan met dezelfde beslistheid 
naar buiten worden aangewend. 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 189 

§9. 

De natuur geeft uit haar zelve geen waarborgen voor 
den wereldvrede, integendeel veriiouden zich alle meeningen 
en algemeene gedachten der moraal , waaruit hij zou kunnen 
voortvloeien , tot de centrale gedachte van den staat als peri- 
ferische „momenten", welker krachtdadigheid kan worden 
verlegd en verschoven, ja zelfs in infinitum. 

Zoo heeft de staat een dubbelzijdig karakter — daar in 
de instellingen, waarin hij zijn lichaam krijgt deze meeningen 
en algemeene gedachten zijn vastgelegd, — terwijl zijn 
eigen beginsel van volstrekte en moorddadige ontkenning 
van anderer bestaan, een „principium occultum" is, nergens 
wordt uitgesproken, en zich onverschillig verhoudt jegens 
den geest der staatsinstellingen. De geest der uitwendige 
politiek moet onafhankelijk zijn van de substantie van het 
recht — elke regeering staat boven recht en onrecht — 
men kan zeggen, dat haar systeem het gelegaliseerde 
anarchisme is. 

De staat is aan den anderen kant niet de abstracte macht 
van het ras tegenover den willekeur der individuen: — 
daar hij in zijne burgers neigingen aankweekt, tegengesteld 
aan de zijne, wordt hij daarmede gekleurd; zoodat de staat, 
inzooverre hij voortbrengsel is van den arbeid der individuen , 
al hunne neigingen en gezindheden inhoudt, — maar daar 
hij het gewrocht is van het onsterfelijkheidsverlangen van 
het ras, is hij de absolute macht der historische doeleinden 
tegenover de individuen. 

Hij is zoodoende een dooreenmenging van beschaving 
en barbaarschheid ^) — de beschaving ontleent hij aan de 



\) Burlamaqui heeft in zijn Princ. du dr. nat. met grooten nadruk de onver- 
anderlijiiheid der Natuurwetten van liet Recht (of gewoonweg Loix Naturelles) 
volgehouden en met conscientieuse scherpte vermeden, van vage en algemeene 



190 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE 

individueele gezindheden, welke hij voor zijne instand 
houding behoeft, — de barbaarschheid , de ongedwongen 
natuurlijkheid in haar volle oprechtheid en eenvoudigheid , 
is het eigenlijke karakter van den staat, die vóór al het 
andere, de ongehinderde verhooging wil van alle bestaans- 
kansen voor het ras. Het natuurlijk wezen van den staat 
houdt de rekbare vereeniging in van alle uiterste aan 
het daglicht getreden neigingen, doch is zelf zoodoende 
een principium celatum , dat in dreigende tijden met on- 
weerstaanbare kracht in het aanzijn treedt en dan blijkt 
altijd achtergrond en vereenigingspunt te zijn geweest van 
alle in den staat werkzame denkbeelden. 

Men kan daarom het staatswezen vergelijken met een 
vulkaan, uit welks versteende uitwerpselen weelderige en 
grillige gewassen zijn opgeschoten , die een aangrijpende 
bekoring spreiden over het onderaardsch geweld, — doch 
waarbinnen de daemonische natuurkrachten sluimeren, die 
straks deze geheele levende organische wereld tot een 
weinig asch kunnen doen inschroeien. 

beweringen voort te gaan tot duidelijk geformuleerde argumenten. Er moet 
worden onderscheiden tussclien het primitieve en het secundaire natuurrecht, 
daar men dan ooit op elk oogenblik en bij elke stap tegen dit contrast aan- 
loopt. Uit het primitieve natuurrecht bij B. kan bijv. de souvereiniteit niet 
worden afgeleid. Wilde men nl. de Staatsinrichting verklaren uit aangeboren 
inzichten, dan zou moeten worden toegegeven, dat deze inzichten anders 
moeten zijn bij den Souverein dan bij den onderdaan (hetgeen dan trouwens 
de grond is voor het geloof in de goddelijke rechten van regeerende families). 

Houdt men echter het primitieve en het secundaire natuurrecht tegenover 
elkaar vast, met den mensch er midden tusschen in, dan ziet het er slecht 
uit met „l'immutabilité des Loix naturelles." Het zou dan nl. niet goed zijn in 
te zien, welke wet die beide samen wel zouden volgen. Daarom laat B. zich 
dan ook ontvallen: „l'on comprend bien, que ce Droit Naturel second n'est 
qu'une suite du premier," (Genève 1762, p. 111) hetgeen er niet uit volgt, en 
trouwens ook niet anders dan dialectisch, d. i. in zuivere rede, te begrijpen 
zou zijn. 

Het schijnt, dat B. verouderd is, zijne speculaties zijn het niet; men ver- 
mijdt tegenwoordig alleen, ze te doen drukken. Dit hangt samen met een 
steeds grooter wordende verlegenheid voor deïstische confessies. 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 191 

IL 
§ 10. 

Utatur motu animi qui uti ratione non 
potest. Cicero (Tusc. IV, 25). 

De moraal is eene techniek der voorstellingskracht en niet 
van den spontanen zin tot handelen ^). 

Vandaar dat de natuurlijke mensch niet moreel is en de 
maatschappelijke mensch alleen voorzooverre zijne voor- 
stellingskracht op zijne handelingen invloed heeft. Deze 
kan problemen stellen, ontleden, trachten te verwerkelijken 
en voorzooverre hij als vrij geestelijk wezen zijne bedoe- 
lingen in zijne macht heeft, is hij, wat zijne bedoelingen 
aangaat, moreel. Zijn voorstellingsvermogen stelt een pro- 
blematisch geval , zijn verstand past er zijn moreel beginsel 
op toe en zuivert de zedelijke phantasie door kritiek van 
alle ,timmoreele" bijmengselen. Zoodra de moralist echter 
moet gaan handelen, wordt hem duidelijk, dat het'moreele' 
voorstellingsbeeld eene abstractie was van zijn wezen, terwijl 
in de handeling het geheele wezen zich uit. 

Vandaar dus, dat eene handeling alleen zedelijk kan 
worden genoemd in symbolischen zin. Daar in den omvang 
zelfs der geringste handeling het totale menschelijke wezen 
meedoet, kan zij alleen zedelijk worden genoemd als zinne- 
lijke repraesentante van het ideale moreele geval. 

In het staatsieven gaat het niet om de zedelijke phantasie 
en de staatsman behoort ook geen ideale gevallen te be- 
peinzen , tenzij het asymptoten mochten zijn van de zeer 
concrete belangen, en eerzuchtige begeerten van de staats- 
gemeenschap. En dit alles wijl het staatsieven eene op- 
volging is van louter (egoïstische) handelingen, die het 

1) Zal in een afzonderlijii verliandeling door mij worden betoogd. 



192 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

staatsbestaan bedoelen, terwijl het leven van den individu- 
eelen mensch het spel is eener wisselwerking van algemeene 
(onbaatzuchtige) beginselen en het eigenbelang. 

De redenen, welke tot dusverre zijn ontwikkeld, leven 
op natuurlijke wijze in de instincten der menschen. Niemand 
laat zich in het dagelijksch leven door eene consequente 
moraal van de wijs brengen , juist wijl geen enkele handeling 
al of niet moreel kan worden genoemd, wanneer men haar 
enkel naar haar zelve beoordeelt, maar alleen, wanneer zij 
wordt bezien in verhouding tot het algemeene beginsel, 
waarvan hare intentie een toepassing was. 

Geen wezen, zoolang het handelt, is moreel; het kan 
slechts moreel zijn, even voor het aanvangt te handelen. 
Als verschijnsel des bewustzijns beschouwd, is de moraal 
een zaak van verstand en voorstellingsvermogen. Hare voor- 
stellingen zijn helder en doorzichtig, zoolang zij als joroW^é'/T? 
worden gesteld. Hare voorstellingen worden motieven, zoo- 
dra de moraal practisch gaat worden , of (van den anderen 
kant bezien) zoodra het handelen noodzakelijk wordt. 
Worden zij motieven, dan ontstaat strijd van motieven. 

Moreele voorstellingen kunnen zuiver worden vastge- 
houden, motieven roepen terstond contramotieven in het 
spel en worden troebel. 

Als er werkelijk iets moet gaan gebeuren, begint de 
moraal te dralen. De dringende kracht der moraal bestaat in 
het doorzichtige en plausibele van elk door haar gesteld geval. 
Naarmate echter het handelen verplichtender wordt, ver- 
liezen de zedelijke argumenten aan vanzelfsprekendheid. De 
geloovige wacht en wacht op het conflict tusschen drijf- 
veeren en handelingen, tusschen zedelijke eisch en werke- 
lijkheid, maar de werkelijkheid gaat stil voorbij en alles is 
als te voren. • 

Wat wel eens wordt gesteld als het contrast tusschen 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 193 

theorie en praktijk, tusschen hetgeen slechts denkbaar, en 
hetgeen verwerkelijkbaar is, kan in zuiverder formuleering 
worden gezegd, de tegenstelling te zijn tusschen moraal en 
practijk. De goede theorie is uitvoerbaar of werkelijk te 
maken, de goede, de zuivere moraal is in beginsel onuit- 
voerbaar. De theorie is a. h. w. het oog der practijk, en 
heeft geen andere ziel dan de noodzakelijkheid om in practijk 
over te gaan. De moraal is dan 'het hart der praktijk, een 
zeer enthousiast en onstuimig kloppend hart, maar blind 
orgaan dat voortgaat op een eigen rhythme. 

Men kan spreken van een moreele sfeer en van een 
practische sfeer. De eerste is een sfeer van verbeeldingen, 
de andere een sfeer van ruimtelijke handelingen. De moralist, 
die handelen wil, matigt zich werkelijkheid aan; de realist 
(in ethischen zin) die consequent wil zijn, reflectie. De 
moralist leeft van doorpeinsde en gelouterde denkbeelden, 
de ethische realist van verfijnde instincten. 

De noodzakelijkheid , om in het handelen , en wanneer 
het om niets dan handelen gaat, van elke consequente 
moraal af te zien , leeft in de instincten der menschen. Van 
oudsher is de moraal te goed geweest voor leven en wer- 
kelijkheid; of omgekeerd. De moralist, d. i. de geloovige, 
die zijn geloof werkelijkheid wil doen worden , kan theore- 
tisch overtuigd zijn van de minderwaardigheid der wereld 
en van de hervormende kracht, welke kan uitgaan van den 
subjectieven geest. Toch glijdt de werkelijkheid, eeuwig 
onwedergeboren , hem voorbij en hij is er wanhopig gelaten 
aan gewend. 

Indien de instincten van den mensch , zelfs van den meest 
verinnerlijkten mensch, den moralist, niet volkomen a-moreel 
waren, zou de werkelijkheid voor hem niet 'te dragen zijn. 
Maar de innerlijke onv^schilligheid van 's menschen natuur 
(men zou kunnen zeggen: zijn kosmische oorsprong) laat 

13 



194 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

hem, met al zijne verbale protesten, ongehinderd de wer- 
kelijkheid verdragen. Men mag nog zoozeer met armen en 
beenen om zich heen slaan, zoodra de werkelijkheid een 
individueele verwachting dreigt te verstoren — in zijn hart 
laat men het geheel der dingen gelden en zichzelf erbij. 

Al is dus elke moralist een werkelijkheidsdienaar, wijl 
hij handelen móet, en ondergaat dus met groote gestadig- 
heid de drijfkracht zijner werkelijke instincten, toch zal hij 
niet kunnen nalaten in een zoo bij uitstek practisch gebied 
als dat der staatmanskunst, zijn moreelen wereldvrededroom 
binnen te peinzen. En dat de moralist dit kan doen zonder 
al te hevige bewustzijnsverstoringen is te danken aan 
tweeërlei reden: 1" dat alle zaken, welke staatsgemeen- 
schappen en hare belangen betreffen, voor hem wegens 
den grooten omvang, niet meer overzienbaar zijn, zoodat 
de omgrenzing vervaagt en haar aard hem toeschijnt ongelijk 
te zijn aan die der scherp te omlijnen en nauwkeurig na 
te jagen practische zaken om ons heen, 2" dat alle staat- 
kundige vraagstukken berecht worden door (regeerende) 
individuen, wier handelingen aan willekeur en invallen 
onderhevig zijn en dus ook onder het bereik der moraal 
kunnen komen. 

Dit zijn in het kort de gronden , waarop voor den mora- 
list de mogelijkheid van den zedelijken vooruitgang der 
menschheid rust. Maar hier achter treft men het geloof aan 
in den vooruitgang der menschheid, een geloof, dat in de 
Germaansche en Romaansche rassen zeer verbreid is, en 
waarvoor men toch moeilijk degelijke en verdedigbare 
gronden zou kunnen aanvoeren, al was het alleen, omdal 
niemand, die aan dezen vooruitgang gelooft, ook maar 
voor het minst voorstellingen heeft of gedachten over dat- 
gene, waaraan hij heet te gelooven. 

In verband met opzet en bestek van dit artikel , zal zich 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 195 

niet laten ontvouwen, waarin het „mechanisme", om zoo te 
zeggen, van dit geloof aan den vooruitgang, aan de zede- 
liji<e evolutie, of wat dies meer zij, eigenlijk bestaat. 

Is het echter waar, dat het geloof aan den vooruitgang 
(waarvan een meer of minder vergroofd exempel is — het 
geloof aan „den" toekomststaat) geen inhoud heeft, dan 
moet men het zich denken, als niet ingegeven door de 
treffende juistheid van een omschrijfbaar denkbeeld, maar 
door eene behoefte van de naar zekerheid dorstende ziel. 
Het geloof, dat de menschheid niet altijd weer van voren 
af dezelfde banen doorloopt, en de oneindigheid van haar 
weg niet snoert om eenzelfde cirkelvlak van gedachten , 
wenschen en verrichtingen ; — maar een vast plan volgt 
door de ruimte van alle mogelijkheden — ; dit geloof kan 
niet anders zijn dan een andere vorm voor de overtuiging 
van de oneindige waarde van het bewustzijn , inhoudende: 
eene kosmogonie van het Bewustzijn. Men kan zich Wil en 
Bewustzijn menschelijk en eindig, en kosmisch en oneindig 
denken. 

Het geloof aan den 'vooruitgang der menschheid is dat 
andere geloof aan de vrijheid van den menschelijken wil, 
reusachtig geprojecteerd op het groote, onafzienbare doek 
der wereldgebeurtenissen. 

De vraagstukken van wilsvrijheid en menschheidsvooruit- 
gang kunnen van een logisch en metaphysisch gezichtspunt 
uit niet worden afgewezen, mits zij logisch en metaphysisch 
worden vertolkt. Zij nemen dwaze en vertrokken vormen 
aan, wanneer zij worden gesteld ten opzichte van (eindige) 
menschelijke handelingen of staatkundige vraagstukken. Het 
denken moet „vrijheid" en „vooruitgang" op bepaalde wijze 
laten gelden. Enthousiasme, moralistisch ongeduld , hervor- 
merspathos, transponeeren deze logische en metaphysische 
problemen in de practische sfeer. 



196 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

Het prototype voor hun argumentatiewijze vindt men in 
1 Cor. XV, 14. „Wat is ons," zeggen ook zij , „aan onze ideale 
natuur gelegen , wanneer nóch mensch , nóch menschheid 
zichzelf en eigen toekomst kunnen bepalen. Is dan het geloof 
aan den „geest" niet een ijdele inbeelding?" 

Gelijk ik reeds heb gezegd , zijn de instincten , en dus in 
het algemeen de handelingen der menschen, juister en kri- 
tisch meer verfijnd dan- hunne oordeelvellingen — en dit 
wel alleen hierom al, wijl de mensch gedwongen is, in de 
werkelijkheid van het leven zijne instincten bij voortduring 
te toetsen en te oefenen , hetgeen niet van het denken kan 
worden gezegd. 

Van eene zijde zou het dus overbodig kunnen schijnen, 
te bestrijden, hetgeen nooit actueel zal kunnen wor 
den. Eiken dag echter zien wij de philantropie hooger 
reiken tot zij ten laatste in de wijsbegeerte zelve terecht 
zou komen. En een samengaan van beide zou beneden den 
stand zijn van minstens de laatste. Inzoover het plicht kan 
zijn te trachten, groote misverstanden weg te nemen, zal 
gebillijkt kunnen worden, dat ik nu zal nagaan, wat wij 
ons te denken hebben van den vooruitgang in maatschap- 
pelijke zaken. 

§ 11. 

Het maatschappelijk leven is de ontwikkeling en ont- 
plooiing van alle verhoudingen tusschen corporaties en 
enkelingen. 

Het wordt echter in hoofdzaak beheerscht door de 
betrekkingen tusschen den staat, van wiens macht die 
der corporaties is afgeleid, en het individu, dat tegen den 
staat zoowel zichzelf als de corporaties in het spel brengt. 
In groote trekken aangeduid: de maatschappij houdt den 
strijd in tusschen de staatsalmacht en de individueele 



HET VRAAGSIUK VAN DEN WERELDVREDE. 197 

willekeur. Afgezien van de eigenaardige bijzonderheden, die 
de maatschappelijke geschiedenis der afzonderlijke rassen of 
staatsgemeenschappen kenmerken, houdt zij de opvolging 
in van de langdurige protesten en verweeren wederzijds 
tegen de overweldiging door den staat en de voortwoeke- 
ring der vrijheid van het individu. 

In tijden van vreedzaam verloop van den maatschappe- 
lijken groei , maken alle op de werkelijkheid gerichte idealen 
zich gelijktijdig of beurtelings geldend. De individualiteit 
speelt dan een ongehinderd spel met eigen invallen. Wordt 
een beginsel in hervormenden zin aangewend, d. i. wordt 
het als absoluut onontbeerlijk voorgesteld voor de gemeen- 
schap , die 'verbeterd , bevrijd of verlost' moet worden , dan 
wordt daarin weldra het karakter van beperktheid en de 
kiem van den ondergang openbaar. 

Zelfs de waarheid , zoodra zij uitgesproken wordt, is weer 
een deel en een vergankelijk „moment" in de werkelijkheid. 
En de waarde van een grondregel wordt niet bepaald door 
zijne juistheid of waarheid , maar door de mogelijkheid om 
te worden doorgezet zonder schade voor het geheel. Wordt 
een noodzakelijkerwijze opgekomen en geldend gemaakt 
beginsel ziek aan individueele eigenzinnigheden, waardoor 
het een voor het evenwicht van het maatschappelijk geheel 
al te gevaarlijk hardnekkig karakter gaat aannemen, dan wordt 
het door de geschiedenis met behulp van een beginsel van 
tegengestelden of meer verzoenenden aard gecauteriseerd. 
Zoo is dus de geschiedenis der maatschappelijke ideeën 
op te vatten als een min of meer vreedzaam overwiegelen 
van denkbeelden in hunne tegendeelen. 

Men kan zich bijv. de ontzettende hevigheid der invoering 
van het Christendom in Noord-Europa denken als vereischt 
door de buitengewone barbaarschheid der volksstammen, 
waarin door het onafgebroken krijgvoeren met de daaraan 



198 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

verbonden gewoonten van overheering en roof de sterkste 
roofdierinstincten opnieuw waren ontbreideld en aange- 
kweel^t. Begon nu ergens een volksstam zich te ordenen tot 
een staat (Karel de Groote!) dan zond hij op de ongeor- 
dende naburen Christelijke expeditie's af, weliswaar van 
wapenen begeleid , om de idee een lijf te geven O- Omge- 
keerd kan men ook zeggen, dat het kruis bij de wapen- 
macht eene sanctie was van de veldwinnende beschaving 
op den veldtocht, welke dezen stempelde tot een kruistocht 
van het georganiseerd tegen het ongeorganiseerd geweld. 
Na gedurende duizend jaren de geesten met de oude 
Schoolsche wijsheid, de zielen met de verschrikkingen en 
zoetheden van het hiernamaals, en de booze lichamen cum 
igne et tormentis te hebben gedwee gemaakt, heeft het 
Christendom de v/ereldlijke (en geestelijke) macht, d. i. de 
maatschappelijke onontbeerlijkheid verloren en is als een 
vlucht van schoongekleurde wolken in den dampkring der 
verbeelding opgestegen. Elk'e zijner pogingen, om weer 
historische daadwerkelijkheid te krijgen', wordt — nu de 
zedelijke kristallisatie van den maatschappelijken chaos 
voltooid raakt — terstond beantwoord door een wild protest 
van antimoralisten. De algemeene stelselmatige en verfijnde 
ontkenning der (Christelijke) moraal vanaf het negatief 
radicalisme der Encyclopaedie tot aan het positief radica- 
lisme van Nietzsche bewijst symptomatisch den weerzin 
van den Europeeër tegen een voortdringen der Christelijke 
denkbeelden en verder het einde der paedagogische rol van 
het Christendom. 

Omgekeerd lokken deze, tot uitersten gedreven, anti- 
moralismen, die zuiver theoretisch blijven, daar hun rijk 



1) „Alle gewapende profeten hebben overwonnen, de onbewapenden ziju 
te gronde gegaan" (Macchiavelli, „de Vorst" C. 6). 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 199 

niet behoeft gesticht te worden , wijl het bestaan heeft sinds 
den beginne, — een hernieuwde en even krachtige ver- 
breiding van abstract-Christelijke leerregelen uit (Tolstoïa- 
nisme enz.) om het zondebesef bij den ras-Europeër, bij 
wien het geweten misschien wat te veel mocht zijn gerust- 
gesteld, weer eens aan te wakkeren. 

In een bewegelijk evenwicht tusschen de voortdurend 
opdringende Christelijk-sectarische neigingen en de door 
prikkeling van den in zich zelf onverschilligen „ge- 
zonden zin" telkens opgewekte protesten der maatschap- 
pelijk verscherpte instincten trachten wij ons terecht 
te vinden en zoekt de Staat naarmate van de omstan- 
digheden een zoo weinig mogelijk verwrikbaar stand- 
punt in te nemen. Het is dwaas voor een van beide 
stroomingen de overwinning te voorspellen, — daar zoowel 
de individualistische als de zedelijke neigingen blind zijn, 
zoodat noch een overwinning, noch ook een compromis 
mogelijk zal zijn. De individualistische neigingen zijn blind, 
wijl zij niet de vrijheid en de willekeur willen met het oog 
op een bepaalde zaak, maar vrijheid en willekeur om haar- 
zelve. De moreele neigingen zijn blind, wijl zij op de ver- 
scheidenheid der wereld niet ingaan maar haar abstracte 
beginselen stellen en daaraan vasthouden. 

Verder kan men bijv. de instelling der heksenprocessen 
door Innocentius VIII ^), de uitroeiing der Stedingers door 
Gregorius IX ^) enz. enz. wettigen in de overdenking, dat 

1) in de bul „Sumniis desiderantes affectibus" 1184. 

2) De (Friesche) Stedingers werden in het pauselijk schrijven aan bisschop 
Johan van Lübeck enz. van 26 Juni 1231 en dat van 29 Oct. 1232 beschuldigd 
van omgang met booze geesten, bereiding en gebruik van wassen toover- 
beeldjes en schandelijke samenkomsten met waarzegsters. De eerste kruistocht 
tegen de Stedingers mislukte. Daarop werden in 1233 (pauselijk schrijvenvan 
19 Jan. aan de bisschoppen van Paderborn enz.) de getrouwen ,in Noord- 
Duitschland nogmaals tot een tocht tegen hen oogeroepen; wie levend in 
handen viel van de verdedigers van het ware geloof, werd verbrand. In de 



200 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

alleen op deze — overigens aanstootelijk wreede — wijze 
het anarchistische bijgeloof der massa's kon worden ver- 
vangen door het gecanoniseerd (bij)geloof der Kerk. Hier- 
door is het anders onuitroeibare locale bijgeloof der Euro- 
peesche rassen tot een systematisch geloof aan de toover- 
kracht der booze geesten en de wondermacht van kerk en 
heiligen geworden ^), in een geloofsinstituut vereenigd en 



biil „Vox in Rama" van 17 Juni 1233 eindeliji< v/erden de vroegere beschul- 
digingen lierhaald en werd aan al!c i<ruisvaardcrs tegen de Stcdingers de- 
zelfde aflaat verleend als aan de kruisvaarders naar liet Heilige Land. Nogmaals 
leden de geloovigen bij het Hemmelskaniperwoud een zware nederlaag. Thans 
ging een leger van predikers rond om het werk des geloofs te bevorderen. 
In April 1234 trok een leger onder den ho.ogsten adel van Duitschland en de 
Nederlanden, w. o. Floris graaf v. Holland, Otto van Gelderen, Adolfv. Berg, 
Hendrik van Brabant, Weststedingen binnen. Onder het zingen van het mid- 
deleeuwsche lied „Media vita in morte sumus" door de verzamelde geeste- 
lijkheid, is daarop bij Altenesch de Stedingermacht verslagen. 

1) Gelijk ook overal in Europa de locale tradities, de zangen en geschied- 
kundige overleveringen door Christenpriesters zijn vervalscht (Zie Buckle, 
Hist. of Civ. II p. 18 en volg.). Er mag zelfs worden verondersteld, datde alge- 
meene lichtgeloovigheid en het bijgeloof door deze Christelijke literatoren 
niet weinig zijn vermeerderd. Toch blijft het waar, dat deze kerstening van 
alle Europeesche ongeloofwaardigheden aan de hand van de Israelietische 
mythologie een stap vooruit is geweest naar de centraliseering der beschaving. 

Omtrent de daemonologie der Roomsche kerk raadplege men de Summa 
Theol. van Thomas Aq., die in de Encycliek „Aeterni Patris" 1897 is waardig 
gekeurd, om naast de Heilige Schrift op het altaar te worden gelegd, en ge- 
kenschetst als zóó uitmuntende door juistheid der leerstellingen, dat zij, die 
haar volgen, nooit dwalen kunnen: Er is een rangorde van duivels, die 
heilig is, niet volgens hun eigen natuur, maar krachtens hunne instelling 
door God (p. I q, 109 a. 1). Zij kennen de waarheid op drievoudige wijze nl. 
van nature, door openbaring van de engelen, en door ondervinding (p. I q. 64, 
a. 1 ad 5) en hebben een vrijen wil (id. — a. 2 ad 1) en zijn dus boos niet 
van nature doch uit vrijen wil (p. I q. 63, a. 4 Concl.) hebben terzelfder tijd 
gezondigd (p. I, q. 63, a. 8 ad 1) en plegen in elke vrijwillige daad een dood- 
zonde (p. 11', q. 89, a. 4, Concl.) veroorzaken indirect alle menschelijke zonden 
(p. I. q. 114, a. 3, Concl.) kunnen den mensch echter niet door eigenlijke 
wonderen tot boosheid verleiden (id. a. 4 Concl.) verheugen zich meer dan 
over eenige andere zonde over de wellust wegens de moeilijkheid haar te 
overwinnen (p II , q. 117, a. 4, ad 2) ondergaan den invloed der hemellichamen 
en vallen de maanlijders het meest bij wassende maan lastig (p. 1, q. 115, 
a. 5, ad 1) kunnen als succubi van mannen zaad ontvangen en als incubi op 
vrouwen overdragen (p. I, q. 51, a. 3, ad 6) kunnen alles veroorzaken wat in 



HET VRAAGSTUK VAN DEN V/ERELDVREDE. 201 

onder het enkelvoudige beginsel van de onfeilbaarheid der 
kerk gebracht. Het is zoodoende a. h. w. éénhoofdig ge- 
worden en eindelijk is het aan de 'Aufklarung' alleen 
daardoor mogelijk geweest het zuiver theoretisch en stelsel- 
matig te ontkennen en ten slotte als met één zwaardhouw 
van het lichaam der Europeesche beschaving los te slaan. 
Dit vinnige rationeele materialisme is daarop consequent, 
al te consequent, vervallen tot de ontkenning van elke 
'onverklaarbaarheid' op hemel of op aarde, en heeft op 
zijne beurt de tegenwerking uitgelokt van eene rationeele 
mystiek. Deze strijd duurt nog voort. 

Wat men over het algemeen 'vooruitgang' noemt, is 
niet anders dan deze verfijning van den strijd tusschen 
richtingen en ideeën. Er is een numerisch zich uitbreidende 
bewustwording, maar is zij eene bewustzijnsverdieping? 
Er is een buitengemeene toeneming van het onderscheidings- 
vermogen voor handelingen; is dit eene zedelijke verheffing? 
Het aantal individuen neemt toe, bij wie sociale voorstel- 
lingen door begrippen, associaties door oordeelen worden 



beweging van voorwerpen bestaat (wind, regen), (p. II' q. 80 a. 2 Conci.) 
kunnen slangen en kikvorschen uit rottende stoffen te voorschijn roepen (p. I 
q. 114 a. 4 ad 2). Het is daarom verboden met hen in verstandhouding te 
staan (p. 11^, q. 96, a 2, 3) en het is een doodzonde, met hen een uitdrukkelijk 
of stilzwijgend verdrag te sluiten (p. Il-', q. 96 a. 2, 3). 

Omtrent dae.monologie: zie vooral Delrio's Disquisitiones Magicae, waarvan 
het tweede boek (p. 91 Uitg. Lugduni 1604) gewijd is aan genoemde uitdruk- 
kelijke en stilzwijgende verdragen met vermelding der teksten. Verder de 
Liguori, van Heisterbach, Brognoli, von Görres, Bautz, Busenbaum, Lay- 
mann, Lehmkuhl, Gury, Perrone over tractaten cum daemonibus. 

Verder treft men het duivelgeloof aan in de ordo baptismi , in de benedictie 
salis voor het sacrament van den doop enz. en in de uitlegging en formulieren 
voor duivelbanning in het Ritualc Romanum. Ook in ondubbelzinnige termen 
uitgesproken in de Encycliek „Humanum genus" 1884. Zie ook het gebed tot 
den H. Michael, den aanvoerder der hemelsche legers en overwinnaar der 
duivelen, door Leo XllI voor diens naamdag aan eiken priester opgelegd. 

Over daemonologie in de Hervormde Kerken, met name in de Schotsche 
Kerk, zie Buckle, Hist. of Civ. XIX. 



202 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

vervangen. En naarmate de sterke vrees voor lichamelijke 
pijn of voor het buitengemeen verfijnde gruwzame vooruit- 
zicht op de helsche straffen, die bovenop de afgrijselijke 
angsten van den middeleeuwschen mensch voor den dood 
kunnen worden gestapeld, inslinkt tot de hedendaagsche 
fijngevoeligheid ten opzichte der publieke meening; — naar- 
mate de sterke discontinuïteit van het maatschappelijke 
handelen, dat tegelijk grof-barbaarsch van verschijning en 
diep-piëtistisch van geestelijke bedoeling was, overging in 
de huidige virtuositeit in de kunst des levens, — krijgt 
ook het maatschappelijk leven meer standvastigheid. En dit 
is het kostbaarst goed eener samenleving. 

Bestaat de zoogenaamde 'vooruitgang' in iets anders 
dan hierin: dat er een zoo weinig mogelijk verstoorbare 
verzoening bereikt wordt tusschen de grondbelangen van 
individu en staat? 

De strijd der nieuwe wereld wordt niet gevoerd door 
individuen maar tusschen ideeën. De helden zijn even on- 
misbaar als ooit, maar hunne waarde is niet volkerenver- 
duisterend als in tijden van statenstichting. Deze tijden zien 
niet meer de schoonheid in van een stralend despotischen 
held, deze tijden eeren wel den held, maar tevens naast 
hem den advokaat en openbaren aanklager, zijn tegenstander, 
wien zij dank zijn verschuldigd voor den staat van beschul- 
diging, waarin hij den held tegenover het verontruste 
publiek gesteld houdt diens gansche leven lang en den 
schoonen uitbloei zijner daden onder de verlammende con- 
trole brengt van het gemeen ^). Heldenvereering is vereering 
van de menschelijke Individualiteit door ontvankelijke ge- 
moederen, wier blik helder genoeg is gebleven om den 
held te onderkennen. Deze tijd wordt een individualistische 
tijd genoemd? Het ware individu is de held. Deze tijd is 

1) Schoone voorbeelden zijn voor het grijpen, ook in ons land! 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 203 

er een van mislukte helden, die liun eigen ideaal niet 
kunnen eeren; van verplatte ambities's, die oud, cynisch 
en zuur geworden zijn. Naast den held, het ware individu, 
is ook voor anderen plaats gekomen , voor de zachte pleiters 
voor algemeene zaken. De arbeid der heroën schijnt al 
vermoed en voorbereid , — bij hun verschijnen is de wereld 
op sceptische wijze ten deele al overtuigd. 

Dat het afzonderlijke individu onvoorwaardelijk tot macht 
kan geraken en zich zelf tot het absoluut beginsel , is de 
grond der barbaarsche samenlevingen, en stuk voor stuk 
hebben deze alle elementen van het systeem van de indi- 
vidueele willekeur moeten prijsgeven. Gelijkheid van rechten 
toekennen , is gemeenschappelijkheid van belangen teweeg- 
brengen, en groepsgewijze aaneensluiting veroorzaken, en 
is dus anti-individueel, De ongehinderde ontwikkeling der 
individualiteit vooronderstelt voorrechten. Groote personen 
kunnen zich tot een schoon verschijnsel ontwikkelen enkel 
in een sfeer van privileges. De langzamerhand verworven 
religieuze-, politische-, en rechtsvrijheid , d. i. het recht van 
elk massaindividu op alle consequenties van eigen geloof, 
op het beheer der algemeene belangen , en op uitzondering- 
looze rechtstoepassing — houden de drieërlei waarborgen 
in voor de handhaving van het (democratische) wederkeerig- 
heidsbeginsel der moderne samenleving en evenzoovele 
veroveringen van het systeem van den staat op dat der 
individueele almacht. Het is een strijd van ideeën. Maat- 
schappelijke klassen kunnen vage prctentie's hebben, doch 
zij treden eerst in het krijt der historie, wanneer zij zich 
om een leus hebben gegroepeerd, en zich de belichaming 
weten van een onverzoenlijk denkbeeld. De meeningen om- 
grenzen de groepen; vandaar dat het verzet van de heer- 
schende klassen in het laatst der 18^ en het begin der 19^ 
eeuw tegen de gewelddadige invoering van het algemeen 



204 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

geldende wederkeerigheidsbeginsel , thans herhaald wordt 
van onderop (anarchisten) — het is geen aandringen tegen 
onrecht, maar een schreeuwen over de vermindering der 
kansen op eenzijdige machtsbevoorrechting. 

Het geweten is teerder geworden , het weerstandsvermogen 
tegen schokken kleiner, de verontrusting over onregelmatig- 
heden aanstekelijker. ^) Men denke eens aan de ontzettende 
kracht der persoonlijke doeleinden en de geweldige onver- 
schrokkenheid bij hare verwerkelijking, in de middeleeuwsche 
politiek; men behoeft slechts eenigermate vertrouwd te zijn 
met eenige staatkundige hoofdgebeurtenissen , om te weten, 
hoezeer scherpte van intellect en van het vermogen tot 
probleemstelling verbonden waren aan den persoonlijken 
moed en de wilskracht vereischt voor de praktische oplossing 
dier vraagstukken. In het Rome der republiek werden na het 
jaar 207 de tribunen der vier legioenen, als magistraten 
van het Romeinsche rijk, door het volk gekozen, moesten 
van vijf tot tien veldtochten hebben meegemaakt en tot den 
senatoren- of ridderrang behooren , zoodat zij in den regel 
de hoogste staatsbetrekkingen hadden bekleed. De despoot- 
staatsman moest wreed kunnen zijn , wijl hij in zijne hande- 
lingen de onaandoenlijkheid van het staatswezen voor de 
grieven der individuen behoorde weer te geven. 

Maar kunnen ook individuen willekeurig zijn, ontzaggelijk 
en wreed, — ideeën zijn onmeedoogender en bloediger, 
daar ideeën de voortdrijvende machten zijn, en ideeën en 
menschen incommensurabel. ^) 

In de zeden is de verhouding vastgelegd tusschen het 



1) „Wir wollen irgendwann, dass es Nichts mehr zu fürchteiigicbt."(Nietzsche). 

2) Man kann sagen, dass die göttliche Vorsehung, der Welt und ihrem 
Prozesse gegenüber, sich als die absolute List verlialt. Gottlasst die Menschen 
mit ihren Leidenschaften und Interessen gewahren, und was dadurch zu 
Stande kommt, das ist die Vollführing seiner Ansichten." (Hegel Ene. §209). 

Verg. ook Hegel Phil. d. G. p. 41. 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 205 

individu en de ideeën van zijn tijd: overwinning van een 
deni<:beeld op een ander gaat gepaard met wijziging van die 
zeden („unhörbar dreht sicli die Welt") De geschiedenis 
vervult en is het streven, de zeden langzamerhand en meer 
en meer tot rust te brengen in het neutraliteitspunt tu^schen 
de polen van de individueele willekeur en de abstracte 
staatsmacht. 

Hierin is de verbetering gelegen voor het menschclijk 
geslacht, en er is geen andere. De eischen: dat het individu 
zich streng naar eigen inzichten zal kunnen bepalen , en toch 
zal moeten handelen volgens objectieve vaststaande normen, 
waaraan hij gelooft; — dat het zich ongehinderd naar zijn 
eigen aard zal moeten kunnen ontwikkelen, en dat de be- 
schaving, welke hij bereiken kan, een algemeenen inhoud 
heeft en dus nivelleerend werkt; — dat het individu zijn 
waarde en de belangrijkheid van zijn streven zal moeten 
zoeken in datgene wat van algemeen belang is, en al het 
algemeene onverschillig is jegens de afzonderlijke indivi- 
duen; — al deze eischen zijn grondvormen der persoon- 
lijkheid, die elkaar weerspreken en onophoudelijk de 
verschrikkelijkste conflicten kunnen brengen. 

Daarom kan er in dezen strijd, welke het maatschappelijke 
leven is, geen eenzelvigheid worden bereikt. Doch er is een 
algemeene diepe, allengs aanzwellende, afkeer ingetreden van 
uitersten , zoowel van den abstract-algemeenen staatswü 
(spreekwoordelijke afkeer van 'den' toekomststaat) , als van 
de levenskrachtige spontaneiteit der heldhaftige individuen. 

Naarmate echter de werkelijke handelingen der enkelingen 
met telkens kleiner slagen schommelen om de indifferentielijn, 
nemen de uitslagen van het geestesleven toe. Daar het 
moderne leven de beteugeling van de willekeur der enke- 
lingen meer en meer aan de zelfbepaling overlaat, wordt 
in steeds breeder scharen der bevolking het gedachtenleven, 



206 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

alleen reeds door de noodzakelijkheid om snel te handelen, 
geprikkeld. Er wordt meer en meer gevergd van de denk- 
kracht der massa, de sterke geestelijke spanning drijft de 
meest onderscheiden gedachten en ideeën in alle maat- 
schappelijke klassen, en er is geene uitkomst, zelfs der 
wijsbegeerte, of zij wordt aanstonds verbreid en platgemaakt. 
De waarneming, dat tal van maatschappelijke botsingen 
zoo vreedzaam verloopen , zoodat het halidgemeen vervangen 
wordt door het verbitterd vergelijk, brengt den waan, alsof 
deze „inversie" van den kamp der samenleving tot een 
ideeënstrijd , alsof deze intellectualiseering der maatschap- 
pelijke tegenstellingen , naar een werkelijke , lang verhoopte 
eenzelvige rust voert. Men weet, hoevele sympathieke astro- 
logen in het fraaie spel der kleuren aan den Europeeschen 
ideeënhemei het oude teeken hebben meenen waar te nemen 
van een hernieuwd verbond tusschen God en mensch. 
(Gen. 9 : 13).. 

* § 12. 

Individuen en staten zijn geen vaste zelfstandigheden , 
die eens voor al zouden kunnen worden vastgesteld of tot 
stilstand en met elkaar in evenwicht gebracht gelijk in oude 
kastenstelsels is bedoeld : de geestelijke vormen der moderne 
eerzucht stellen geene grenzen, dan om ze terstond te 
overschrijden. De individuen kunnen nieuwe staten (onver- 
zoenlijke partijen) vormen binnen den staat, en elke staat 
is onderhevig aan de invloeden van het verkeer met andere 
staten. 

De storingen van het evenwicht der beschaving vloeien 
voort uit twee bronnen: de cultuur der geesten, voorzoover 
zij het ontstaan van partijen en algemeene staatkundige 
denkbeelden vergemakkelijkt, — en de oorspronkelijke bar- 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 207 

baarschheid der grondverhouding tusschen staten, waardoor 
deze (gelijk in de vorige paragrafen is nagewezen) als na- 
tuurlijke (dierlijke) wezens tegenover elkaar staan, en dus 
niet volgens een abstract beginsel zichzelf bepalen, doch 
door elkanders handelingen worden bepaald. 

Het inwendige staatsieven ontwikkelt zich ongestoord, 
zoolang noch het individu , noch de staat willen overwegen. 
Van het eerste geval leveren de groote Noord-Italiaansche 
steden in de middeleeuwen (oligarchieën) een beroemd 
voorbeeld; — daarentegen treedt de verpletterende over- 
macht van het staatsbelang telkens in, wanneer de levens- 
kansen van het ras worden in gevaar gebracht. 

Ook in het alledaagsche leven wordt het bijzonder belang 
van den enkeling gecorrigeerd door het rechtsbelang der 
gemeenschap en deze gedeeltelijke opoffering wordt gedekt 
en gebillijkt door de algemeene redelijkheid. Wanneer echter 
de staat moet worden verdedigd en de nietigheid van het 
individueel bestaan ten opzichte van dat van het ras in 
het algemeene bewustzijn doordringt, 4fan is er meer noodig 
dan eene theoretische inschikkelijkheid , dan vaart de schrik 
door de menigte. En wanneer uit de enkelingen opgevlamd 
is als uit vluchtige, voorbijgaande levens: de hoopvolle 
zekerheid van de eeuwigheid der natie, — wanneer zij zijn 
verstard tot dragers haref onsterfelijkheid , waar tegenover 
de duur van hun veeg bestaan een nietig oogenblik is, — 
en wanneer zij bereid zijn, om zich op te offeren en deze 
betrekkelijke nietigheid ten opzichte van het concrete leven 
hunner oneindige verwachtingen en geestelijke verlangens, 
practisch waar te maken — dan is de abstractie van den 
staat in het aanzijn getreden. 

Dan grijpt, als het ware het directe contact plaats tusschen 
enkeling en staat en springt de geestelijke vonk over, die 
alle subjectiviteit en eigenzinnigheid verbrijzelt. 



208 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

§ 13. 

De mogelijkheid tot instelling van een algemeen bindende 
rechtspraak voor geschillen tusschen staten (internationale 
arbitrage) hangt onmiddellijk samen met de mogelijkheid 
van een staat van staten. Want gelijk rechtspraak alleen 
mogelijk is binnen een staat, aangezien zij slechts hierop 
berusten kan, dat de uitvoerende en de wetgevende macht 
uit één centraalbeginsel voortvloeien (Diké voert het zwaard !) 
— zal een permanente rechtbank (niet-permanentie houdt 
in beginsel de ontkenning in van de onzijdigheid van rechters 
en rechtspraak) over staten , alleen mogelijk zijn onder de 
auspiciën van een hooger staatsgezag over de staten. 

Onder de ernstige en hoopvolle pogingen , om tot deze 
permanente rechtspraak te geraken valt niet als voorbeeld 
te verstaan de uitkomst der Haagsche „Conventie tot eene 
vreedzame regeling van internationale geschillen" van 28 
Juli '99. Hoezeer „bezield door het vaste voornemen, om 
mede te werken tot het behoud van den algemeenen vrede", 
hebben de mogendheden zich niet kunnen verstaan dan tot 
algemeene bepalingen en vaststellingen , omwikkeld en vrij- 
wel krachteloos gemaakt door een stelselmatig menigvuldig 
voorbehoud. 

Van de onderwerpen, welke zich leenen tot de bemoei- 
ingen van internationale commissie's van enquête, sluit art. 9 
uit die, welke zoo de eer als de wezenlijke belangen der 
natiën betreffen. 

Is hier bij de insceneering der Conferentie, terecht, aan 
de staatshoofden de schoone en edele rol toebedeeld, de 
verhevenste idealen der menschheid te mogen verpersoon- 
lijken ^), dan is de uitvoering toevertrouwd aan het koel 

1) „Sa Majesté TEmpereur de Toutes les Russies , en prenant la noble 
initialive, qui a été applaudie dans tont Ie monde civilisé, a voulu réaliser 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 209 

verstand, dat, hoezeer ook geïnspireerd door deze hoogst 
zedelijke illusiën, niettemin moet toelaten, dat het politieke 
recht over de schouders van het moreele recht heen , mede 
in de akten kijkt. 

Art. 20, dat het permanente hof van arbitrage instelt, 
heet het te functioneeren „conformément aux Régies de 
procédure, insérées dans la présente Convention, sauf 
stipulation contraire des Parties (en litige). Dat er dus 
voor geschillen van onbeteekenenden aard of voor die van 
kleine staten onder den druk der groote, een internationale 
rechtbank bestaat, is een, ook voor den roem der 'confe- 
renciers' verblijdenswaard verschijnsel , doch heeft met den 
wereldvrede niets uit te staan. Wel heeft het vooruitzicht 
hiervan waarschijnlijk in art. 19 het hoopvolle voorbehoud 
laten invloeien van een recht der mogendheden , om nog 
altijd onder de verplichte arbitrage nieuwe gevallen te be- 
trekken, door hetzij algemeene conventie, hetzij bijzondere 
tractaten. 

En zelfs voor deze gevallen kunnen (volgens art. 21) de 
Partijen zich aanwde rechtspraak door het permanente Hof. 
onttrekken, indien zij aan eene „speciale arbitrage" de 
voorkeur willen geven. 

Ook art. 31 is zeer kenmerkend voor de internationale 
rechtsprocedure: de regeling der arbitrage geschiedt door 



Ie voeu exprimé par un de ses plus illustres prédécesseurs, rEmpereur 
Alexandre Ier, de voir tous les souverains et toutes les nations de l'Europe 
s'entendre entre eux pour vivre en frères, en s'aidant dans leurs besoins 
réciproques 

Sa Majesté mon Auguste Souveraine, pénétrée des mèmes sentimenls qui 
ont inspiré Sa Majesté 1'Empereur de Toutes les Russies, 

J'espère, Mcssieurs, que cette belle allegorie (se rattachant h la Paix de 
Westphalie) sera de bon augure pour vos travaux et qu' après les avoir 
terminés vous pourrez dire que la Paix que l'art a fait pénétrer dans cette 
salie, en est sortie pour répandre ses bienfaits sur l'humanité entière. (Assen- 
timent unanime)." (Openingsrede van Z. E. Mr. W. H. de Beaufort.) 

14 



210 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

eene afzonderlijke acte (compromis), in welken vorm de 
internationale arbitrage bekent, afhankelijk te zijn van de 
bedoelingen der natiën. Hiermede is eigenlijk expressis 
verbis gezegd , dat de aard der beslissing van de geschillen 
zal afhangen van den wil der natie , van haar toorn , hare 
hartstochten, van alle instrumenten van hare willekeur. 

De geest der conventie dunkt mij voortreffelijk te kunnen 
worden samengevat in de woorden van den eersten gede- 
legeerde der Fransche regeering: „Il importe qu'aucune 
apparence de contrainte morale ne vienne influer sur les 
déterminations d'un Etat, lorsqiie sa dignité, sa süreté , son 
indépendance pourront lui sembler en caiise." 

Is dus met de instelling van dit permanente hof of althans 
met de gebleken algemeene bereidheid tot een vredelievende 
oplossing van internationale geschillen, de mogelijkheid 
geopend tot beslechting van alle conflicten, die te groot 
zijn voor de eer en te klein voor een krijg, — er is door 
dezen lichtstraal van den vrede in den afgrond van het 
eeuwige oorlogsgevaar geen licht gebracht. 

§ 14. 

Naar aanleiding van de verdragen, gesloten met het doel 
om de wreedheid van den krijg te verminderen en het 
teweeggebrachte leed te verzachten (Conventie van Genève 
1864, Declaratie van St. Petersburg 1868, de drie Verkla- 
ringen van 's-Gravenhage 1899 betreffende het verbod van 
het bezigen van licht deformaties ondergaande [dum-dum] 
kogels, en projectielen gevuld met verstikkende gassen, en 
van het werpen van projectielen uit luchtballons) zijn ge- 
heel onjuiste overpeinzingen wereldkundig gemaakt. 

Men heeft deze pogingen, om de afgrijselijkheden van het 
oorlogvoêren althans gedeeltelijk op te heffen , beschouwd als 
eene zegejpraal van het edelmoedige en geestdriftige streven 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 211 

tot verhindering van oorlogen op de booze natuur der 
menschen. 

Omgei<eerd moet men in al deze Conventies een wel- 
sprei<end en aandoenlijk voorbeeld zien van de wijze, waarop 
de natuur (het Lot) de bedoelingen der menschen in haar 
tegendeel verkeert. 

Het is een bekende en juiste uitspraak, dat nooit in eenigen 
krijg tusschen oorlogvoerende stammen , waarlijk en zonder 
eenige verzachting, krijg is gevoerd, d. i. krijg gevoerd 
zonder de uitdrukkelijke en stilzwijgende erkenning (oor- 
logsgebruiken !) , dat het overeenkomstige, in wezen over- 
eenstemmende individuen zijn , die de wapens tegen elkaar 
hebben opgevat. Evenmin als er vrede denkbaar is zonder 
de blijvende schaduw van vijandigheid ^) (die daarom door 
de fijne diplomatie van openlijke sympathiebetuigingen der 
volken .moet worden gemaskeerd) kan men zich een 
oorlogvoeren denken zonder den lichtgloor van vrede en 
eensgezindheid ten opzichte van tal van gebruiken, die het 
zuivere (barbaarsche) krijgvoeren onmogelijk maken. Men 
kan ^elfs (min of ineer paradoxaal) den huldigen krijg een 
bepaalde wijze noemen van het voeren van diplomatieke 
onderhandelingen; deze worden dan ook tijdens den oorlog 
voortgezet en haar verloop wordt door dat van de wapen- 
feiten geregeld ^). 

De menschelijke natuur laat allerlei gelden, waartegen- 

1) Plato, Nomoi I, 626: „Wat de meeste menschen onder vrede verstaan, 
is slechts een naam; in werltelijkheid is er, ooit ongeboodschapt, van nature 
l<rijg van e\ken staat tegen alle andere." 

Proudhon, la Guerre et Ia Paix: „La guerre et la paix, que Ie vulgaire se 
figure comme deux états de choses qui s'excluent, sont les conditions alter- 
natives de Ia vie des péuples. Elles s'appellent Tune l'autre." (Parijs 1869, 1 p.75). 

(2) id.: „La guerre selon Ie témoignage universel, est un jugement de la 
force. Ce droit n'est pas une vaine fiction du législateur; c'est selon la mul- 
titude qui 1'affirme, un droit réel, positif, primitif, historique, capable par 
conséquent de servir de principe, de motif et de base a une décision judiciaire." 
(id. I p. 110). 



212 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

over de moraliteit onverzoenlijk zich moef te weer stellen. Het 
ongeregelde en plebejische handgemeen tot beslechting van 
geschillen is echter ook voor de menscheiijke natuur ondra- 
gelijk, niet ondragelijk in zijn geheel en als zoodanig, maar 
om de vorm, waarin 'plebejers' handtastelijk worden. Dat 
menschen zouden vechten als dieren , regelloos vechten 
met nagels en tanden , wekt weerzin op. Menscheiijke vij- 
andigheid is een vijandigheid, die strijd voert a. h. w. 
volgens een verdrag, volgens vaste regels en geldende 
gebruiken. Vandaar de verfijnde uitvinding en regeling van 
het duel. Het duel is de wijze , waarop menschen vechten. 
'Vulgaire' handtastelijkheden zijn die, waartoe menschen 
geraken, die nauwelijks nog menschen zijn en het is on- 
menschwaardig en voor menschen onmogelijk om aldus 
jegens anderen hunne vijandigheid te uiten. Door de regeling 
van het duel is het vijandelijk handgemeen in den cedex der 
wei-levenskunst opgenomen. Eensdeels is het duel dus eene 
verzachting van het verwoede en onmenschelijke tweege- 
vecht , anderdeels echter is dit laatste nu tot een menscheiijke 
instelling gemaakt. 

Evenzoo zou een krijgvoeren uit wraak, zoodat men hen 
die reeds buiten gevecht gesteld zijn , voor hunne vijand- 
schap nog zou laten boeten, door hen aan hun lot over te 
laten, of een oorlog met de vrijheid om alle mogelijke 
vernietigingsmiddelen te bezigen, onmogelijk zijn. Niet alleen 
zou hierdoor het tactisch en strategisch krijgvoeren zijn 
onmogelijk geworden, doch het zou een gevecht van 
beesten worden tegen beesten, oneindig veel meer dan nu 
aan toevallen en verrassingen onderhevig. Geen krijg zou 
kunnen worden begonnen, met de overtuiging van goed 
recht en het geloof, dat de strijdmiddelen daarmee overeen- 
komstig zijn. De mensch in eiken politicus zou terugschrik- 
ken van de verantwoordelijkheid voor regellooze bloedbaden , 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 213 

waaruit de krijgvoerenden verdierlijkt naar hunne haardsteden 
zouden terugkeeren. Wanneer echter 'al het mogelijke' is 
gedaan om den oorlog 'menschwaardig' te maken, blijven 
alleen de scrupules over van de moralisten. Hierover zet 
zich de geschiedenis heen. 

[Men leze eens de Gedenkschriften van von Moltke en 
vergelijke daarmede wat Lodewijk XI in zijn „Rozier des 
guerres", de „Rozestruik van den krijg", voor den Dauphin 
heeft aangeteekend : „Nous ne devons nuUe fois faire ne 
monstrer scmblant de chose , qui plaise a noiistre ennemy , 
ny chose qui soit a sa- volonté, mais seulement devons 
faire ce que nous cuidons qui nous soit profitable, et a 
luy contraire!" 

Door de Conventie van Genève enz. is de krijg tot een 
menschelijk, menschwaardig instituut gemaakt, voor de 
eerste maal a. h. w. gelegaliseerd en door het historisch 
bewustzijn der politiseerende individuen erkend en goedge- 
keurd. 

Zoo is het edele enthousiasme van de voorvechters der 
algemeene menschenliefde noodzakelijk geweest, om den 
oorlog te verzachten en dus te vermenschelijken en te 'ver- 
edelen.' 

§ 15. 

Het staatsgezag berust (gelijk vroeger ontwikkeld is) op 
de kosmologische vrijheid der onderdanen, om af te zien 
van de voldoening van onderling-strijdige wenschen, mits 
de voornaamste doeleinden van ras, corporatie en geslacht 
worden bereikt. De tegenstrijdigheid van algemeene en 
bijzondere drijfveeren binnen het individu, de innerlijke 
strijd, het dramatische moment, alles wat de samenleving 
boeiend en afgrijselijk maakt, dit alles en de mogelijkheid 
tot willekeur, is in de materie van den staat verdwenen — 



214 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

daarentegen heeft de staat nu tegenover de rest der mensch- 
heid, om zoo te zeggen, een 'mandataire' macht. 

Een rechtstaat van staten weerspreekt zichzelf, daar het 
staatsgezag een aan de individueele, vrije i<rachten der 
onderdanen ontleend gezag is, en zelf niet vrij is, zoodat, 
volgens de onderstelling, de nationale staat naar de zijde 
van den kosmopolitischen- of wereldstaat wel, naar de 
zijde der onderdanen niet vrij zoude zijn in zijne handelingen. 
Want, dat de staat een natuurinstelling is; een bestaan- 
bare kategorie, sluit onvoorwaardelijke gehoorzaamheid 
jegens of verwaarloosbaarheid door hoogergestelde mach- 
ten uit. 

Een staat, die een eeuwig tractaat mocht willen sluiten 
tot eenigerlei inperking van zijne macht (d.w.z. met de 
stellige bedoeling, het na te komen) zou al geen staat 
meer zijn. En mag hij ook overwonnen en hoezeer ook 
getroffen en geteisterd zijn, dan maakt de vaagste hoop op 
krachtsherstel , de puinhoopen nog tot een werkelijken staat. 

De meestal aangevoerde bezwaren tegen de volstrekte en 
verplichte arbitrage (arbitrage obligatoire) betreffen de .uit- 
voerende macht van den kosmopolitischen staat, en houden 
rekening met de inrichting van het kosmopolitische politie- 
leger,^) de wijzen van tenuitvoerlegging der arbitrale vonnis- 
sen enz. enz. 



1) Omtrent dit politieleger van den kosmopolitischen staat kan men al 
aanstonds opmerken, dat het een huurleger zou moeten zijn. De geschiedenis 
nu heeft geleerd, dat nimmer een huurleger ten slotte het tegen een geschoold 
nationaal leger heeft kunnen houden. Men denke bijv. aan de Punische oor- 
logen. De huurlegers zijn altijd onbetrouwbaar geweest. Hetzij wegens gemis 
aan samenhang met de patroniseerende natie, hetzij wegens de ontwikkeling 
van bijzondere tradities. Een voorbeeld van het eerste geval geeft o. a. de op- 
stand van het Carthaagsche huurleger in 358 na den len Punischen oorlog 
onder Mathon en Spendius wegens het verraad der Libysche troepen door 
Himilco. Verder het gedrag der onbeheerschbare en bandelooze Fransche 
huurtroepen (Tard-venus) in vredestijd tot aan hunne vervanging onder Karel 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 215 

Eene punt voor punt gevoerde uiteenlegging van de 
onuitvoerbaarheid dier maatregelen verleidt de voorstan- 
ders of geloovigen tot het zoeken naar telkens nieuwe 
stelsels, die de fouten mogen missen der vorige. De ondoel- 
treffendheden kleven echter niet op zuiver toevallige wijze, 
als buiten op, aan het ingediende stelsel, maar vloeien 
voort uit de grondaanname van een kosmopolitischen 
wereldstaat. 

§ 16. 

„Een staat kan geen onderdaan zijn , daar hij een 'ge- 
modificeerde naUnirkrachV is, en zichzelven ais doel stelt. 
Hij kan geen staatsgezag boven zich dulden , daar hij geen 
anderen staat als meerdere kan erkennen, wijl alle staten 
een gelijke waardigheid ontleenen aan eene gelijke verhou- 
ding jegens de natuur. 

Het aanzien van een geslacht hangt af van zijn verleden 
en is van negatieven aard , inzooverre het er alleen prijs op 
gesteld heeft, zich van vermenging vrij te houden. Het aan- 
zien van een staat is gegrond op de toekomst, dus opzijn 
wilskracht, wilsvermogen, levensvatbaarheid; zijn adel, de 



V (Bertrand du Guesclin) door het corps doorloopend door den vorst bezoldigde 
capitaines ordonnés. De eerste Sforza en Johanna v. Napels. Francesco Sforza 
en Milaan. Braccio en Napels. [Zie Macchiavelii's „Krijgskunst", vooral zijne 
klachten over het condottierendom in het Ie Boek]. 

Een voorbeeld van het tweede geval leveren de Zwitsersche huurtrocpcn. 
De reden van hunne voortreffelijkheid zoekt Macchiavelli hierin: dat zij „in 
gehoorzaamheid aan de wetten zijn geboren en opgevoed en bovendien vol- 
gens regelmatige verkiezingen door hunne gemeenten worden uitgezocht." 
Wanneer in 1510 Lodewijk XII de op hoogen toon door de Zwitsers geëischte 
verhooging hunner soldij weigert, kiezen zij de partij van paus Julius II en wreken 
zich ten slotte in den beroemden veldslag bij Novara, 1513. „Wat de dwaling 
betreft," zoo doet Macchiavelli in het Ie Boek van zijn Krijgskunst door Fabrizio 
Colonna opmerken, „welke de koning van Frankrijk begaat, door zijn volk 
niet voor den krijg geschikt te maken — deze is de cardinale fout van de 
Fransche monarchie en alleen deze nalatigheid is reden van hare zwakte." 



216 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

levenskracht en behendigheid van het ras moet nog blijken , 
is voorloopig slechts potentieel en dus voor alle gelijk. 

Voor hen, die de teederheid van den historischen zin 
zoover zouden willen drijven, met te ontkennen, dat de 
menschelijke rede in staat zoude zijn eenige Theodicee (zij 
het ook in negatieven zin) op te stellen, en voor de toe- 
komst eenigerlei gebeurtenis te betwijfelen , zonder dat de 
beslissende proef (experimentum crucis) aan wien ook ten 
dienste staat, zoodat alle gepraat over en weer, leeg en 
onnut schijnt, — wil ik als voorbeeld aanhalen in den vorm 
van een voorzichtig te hanteeren analogie : de verhouding 
van den Poolschen adel tot het staatsgezag, gelijk Rulhière 
haar in zijne „Histoire de 1' anarchie de la Pologne" en 
Ferrand in zijn „Les trois démembrements de la Pologne," 
hebben ontwikkeld. 

Tengevolge van de schrikbarende roerigheid en nauw- 
gezette verzelfstandiging der Polen , was daar de kleinste 
stameenheid in een minder omvangrijk gebied dan waar ook 
bereikt en werden de gescheiden belangen van de onder- 
deden der natie met groote kracht uit elkaar gehouden. 
Zoo was Polen samengesteld uit een groot getal souvereini- 
teiten, en wel evenzoovele als er edellieden waren, daar 
allen gelijken rang hadden en met hun' aanhang of hunne 
lijfeigenen, dikwerf zeer machtige, staten vormden binnen 
den staat. Het was zoodoende een confederatie van kleine 
machtseenheden en gegrondvest op het beginsel van de 
volkomen gelijkheid en vrijheid van alle. In vredestijd was 
het opperste gezag slechts schijnbaar, en alleen bedreiging 
door een buitenlandschen vijand wekte een krachtiger gevoel 
van gemeenschappelijkheid en bewerkte samensluiting der 
natie. De rechtspraak was illusoir, daar de koning als opperste 
rechter maar met den gemeenen adelsrang, zich niet boven 
de partijen kon stellen en handhaven en bij tenuitvoerlegging 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 217 

der vonnissen niet op aller steun kon rekenen — doch 
hierbij in den regel een gewapend verzet had te verwachten , ■ 
waarbij dan als regel schijnt gegolden te hebben, dat de 
zaak geheel afgeloopen was, zoodra de justitieele veldtocht 
tegen den gevonnisde drie malen door diens troepen was 
afgeslagen. 

De consequenties van dit stelsel traden op, na het uit- 
sterven van de Jagellonen , toen geen bijzondere tradities , 
(zoo de traditioneele dankbaarheid voor de verovering van 
Litthauen door dit geslacht), het heerschende huis meermet 
den adel verbonden. Het opperste rechterambt werd den 
vorst ontnomen, het recht om den adeldom te verleenen, 
om oorlog en vrede te verklaren , het recht om eenig edel- 
man gevangen te nemen (d. i. vóór zijn schuld bewezen 
was) — zoodat de kroonpraerogatieven in deze zoo hoogst 
zonderlinge natie, waarmede de geschiedenis, als het ware, een 
waarschuwend voorbeeld voor alle andere, heeft willen voort- 
brengen , — verloren gingen of op eten adel werden over- 
gedragen, en het zuiver confederatieve karakter dezer 
samenleving ten slotte uitgesproken naar voren kwam. 

Het belangrijkste uitvloeisel van deze staatsinrichting was 
het liberum veto , volgens hetwelk geene verandering in het 
staatswezen kon plaats hebben, zoodra één enkel edelman 
daardoor gedwongen zou kunnen worden tot iets, waartoe 
hij zijn vrije toestemming niet wilde geven, — en dat, na 
meermalen door de hoogwaardigheidsbekleeders van het rijk 
aangevochten te zijn , naar aanleiding van de bekende weige- 
ring van den afgevaardigde Sicinski om zijn stem te geven 
voor den krijg tegen de kozakken, in 1652 tot wet verheven is , 
volgens de Polen het unicum et specialissimum jus car- 
dinale. Teneinde de vergaderingen van den Rijksdag toch 
niet geheel ondoeltreffend te maken , werd de weerbarstige 
minderheid, indien zij klein genoeg was, terstond neerge- 



218 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

sabeld, hetgeen dan ook de nadrukkelijkste erkenning van 
hun veto was. Het werd als een teeken van bijzonderen 
vooruitgang aangemerkt, dat in het jaar 1764 op de adels- 
vergaderingen slechts tien edellieden zijn afgemaakt. (En 
tientallen malen is men zelfs niet toegekomen aan de feite- 
lijke opening van den Rijksdag, daar een veto zich verzet 
had tegen de agenda). 

Overal, waar de adel verschillend aanzien genoot naar 
gelang van rang of ouderdom van het geslacht, en onder- 
geschikt was aan den vorst, die èn den edelsten stam èn 
het opperste gezag der natie heette te verpersoonlijken, zijn 
dergelijke verhoudingen en toestanden al aanstonds onmogelijk 
geweest. Want — kon de vorst daar naar gelang van om- 
standigheden tot concessies aan eene afzonderlijke partij of 
aan zijne onderdanen worden genoopt, dan was deze ver- 
mindering van het gezag tevens een begin van verval voor 
de macht van den adel , van wien hij het hoofd was en 
tegenover wien hij de verleende rechten en vrijheden moest 
waarborgen ^) — en voor het volstrekte aanzien , dat ver- 
liezen moest zelfs met den schijn van een vergelijk met 
machten van lager orde. Want de absolute rechtsgelijkheid 
der + 300,000 edellieden in Polen kon alleen zijn afgeleid 
uit een bovenzinnelijk beginsel , dat een stelsel van bijzon- 
dere irechten moest meebrengen , met alle macht door wet 
en uitvoerend gezag bekrachtigd en gesteund, en dat als 
het ware den grond voor dezen vorm der samenleving 'mh\e\d. 
(Hij , die een ander verweten had , zich den adeldom te 
hebben aangematigd , zonder dit te kunnen bewijzen , werd in 



1) De instelling en erkenning der Communiae in 1108 door Lodewijk den 
Dikke, waardoor hij de kerspelmilities der steden evengoed tot den heerdienst 
kon oproepen als zijn adellijke leenmannen, is door de feudaalgezinde tijdgc- 
nooten ondervonden als eene omwenteling van de verhoudingen tusschen het 
oppergezag en den adel. Abbé de Nogent: „La commune, nom nouveau, nom 
exécrable, a pour but d'affranchir les censitaires de tout servage." 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 219 

Litthauen gegeeseld en in Polen onthoofd. Hij die koopman 
werd, verloor den adelrang. Aan iemand, die zich val- 
schelijk voor edelman had uitgegeven , werd zijn grondbezit 
jure caduco afgenomen , en toegewezen aan hem , die het 
eerst deze aanmatiging had ter sprake gebracht. Zijne ver- 
moording was niet strafbaar, (v. Zernicki-Szeliga, Gesch. 
d. Poln. Ad. p. 56).) 

Waar allen van nature gelijk zijn, is overwicht uitgesloten 
van den een t. o. v. den ander, — waar allen souverein 
zijn, zou het geringste gezag van een boven allen gestelde 
macht de weerspreking zijn van aller souvereiniteit. Tijdelijk 
mogen dezen verbonden worden door een gemeenschappelijk 
gevaar, — zoodra dit geweken is, worden de inwendige 
grenzen weder getrokken en treedt de oorspronkelijke toe- 
stand van wederzijdsche rechtloosheid weder in. 

§ 17. 
Een staat is niet alleen souverein over zijne burgers (en 
over hen juist slechts op grond van hun volstrekt welzijn) 
maar in beginsel zelfs over de geheele wereld, aangezien 
zijn arbeid in de toekomst ligt, waarin zijn welzijn door 
allen en alles kan worden in gevaar gebracht ^). Niettegen- 
staande alle schoone verzekeringen en zelfs bedoelingen 
der regeeringen kan geen staat, waarvoor de toekomst niet 
geheel afgesloten is, in koelen bloede afstand doen van 
alle toekomstige kansen op uitbreiding der welvaart =^). Dit 



1) „Der Geist (und seinc Wirklichkeit, der Staat) als in der Freiheit unend- 
lich negative Bezielning auf sich, ist ebenso wesentlich Fiirsiclisein, das den 
bestehènden Unterschied in sich aufgenommen iiat und damit ausschliessend 
ist." Hegel Pii. des R. § 321. 

2) „Wanneer de eene staat met den anderen oorlog zou willen voeren en de 
uiterste middelen te werk stellen, om dien te onderwerpen, dan mag hij dat naar 
goed recht beproeven , aangezien het voor hem om krijg te voeren , voldoende is , 
dat hij het wil. Maar omtrent den vrede kan hij niets vaststellen zonder over- 
eenstemming met den wil van den anderen staat." Spinoza Tract. Pol. III, 13. 



220 HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 

recht, dat gegrond is op de onbegrensdheid der verwach- 
tingen , (daar alle grenzen toevallig of willekeurig zijn , en dus 
niet als wezenlijk kunnen worden vermoed of gevoeld) leidt 
onder meer van zelf voor alle statenbonden tot het liberum 
veto voor afzonderlijke regeeringen. Men kan zelfs opmerken, 
dat de onschuldige aard van den Cour d'arbitrage , ingesteld 
door de Haagsche Conventie van 1899 al hieruit blijkt, dat 
volgens art. 51 in beginsel het vonnis wordt gewezen door 
de meerderheid der stemmen van het tribunaal. 

Wat de wetgevende macht van den kosmopolitischen 
staat aangaat, volgt uit het voorafgaande, dat geen staat 
zich bij voorbaat kan neerleggen bij eenige wet, waaraan 
hij niet zijn souvereine sanctie heeft gehecht. Aan vele ge- 
loovigen in den kosmopolitischen vredestaat, waaronder 
Kant, zweeft eene analogie voor den geest van den — tot 
heden toe barbaarschen — staat, met den wilde, die de 
voorkeur geeft aan zijne vogelvrije vrijheid boven elke 
ordening tot eene samenleving. De overeenkomst kan worden 
toegegeven, het sprekender onderscheid is dit: 'dat de wilde 
in aanleg (bijv. inzooverre hij reeds spoedig gebruiken en 
zeden erkent) niet volstrekt hieer dierlijk voorbestemd wezen 
is, en den gang volgt van volmaakt gebonden tot kosmo- 
logisch vrij wezen, terwijl de staat den omgekeerden gang 
volgt, aanvankelijk op willekeurige en vrije, opzegbare 
ordening rustende, voortgaat tot eene architectonische en 
meer en meer stelsel- en wetmatige innerlijke vastheid en 
gebondenheid. Naarmate het individu, naar den vorm ge- 
nomen, zich ontvouwt en zich ontwikkelt, bindt de vorm 
en de ruimte van het staatswezen zich en wikkelt zich in. 

Het regelmatig verloop der samenleving berust, — en a 
fortiori in de republikeinsche inrichting der hedendaagsche 
beschaafde staten — , op de bereidheid der burgers bij voor- 
baat, om zich te schikken in de, wanneer dan ook, uitte- 



HET VRAAGSTUK VAN DEN WERELDVREDE. 221 

vaardigen wetten. Zoo wordt ook de rechtspraak mogelijk ge- 
maakt door den imponderabelen factor van het door alle bevol- 
kingslagen heengeslopen rechts- en wetsbesef, dat zelfs, gelijk 
de politieannalen kunnen leeren, aan eiken politieagent boven 
eiken misdadiger een zeker overwicht geeft. Wij kunnen het 
Christendom niet dankbaar genoeg zijn voor de buitengemeene 
aanwakkering en verfijning van het algemeene zondebewustzijn. 
Doch van staten maakt men geen Christenen (Christelijke 
mogendheid is eene contradictio in adjecto), de staatsman 
is spreekwoordelijk weinig week van conscientie, en zelfs 
Bismarck heeft toegegeven, dat de politiek het karakter 
(geweten) bederft ^). Geen staat kan a priori zich neerleg- 
gen bij in de toekomst te nemen wetsbesluiten , daar hij bij 
voorbeeld nimmer theoretisch (doch wel pracüsch!) kan toe- 
stemmen in een decreet, dat de ruimte zijner bewegingen 
verkleint, wijl hij niet, gelijk de individuen, den wor- 
tel van het zelfbestuur in zichzelf heeft, maar eerst aan 
zijne onderdanen ontleent. Vandaar, dat een staat geen 
(parlementaire) mandaten aan derden kan afgeven voor een 
wetgevenden arbeid, maar zich alleen kan binden in afzon- 
derlijke tractaten van beperkten duur. Toetreding van een 
staat tot een volkerenbond kan slechts huichelachtig zijn ^). 



(1) Rijksdag 26 Nov. 1884. 

(2) Het verbond (tusschen staten) blijft zoo lang van kracht, als de reden 
voor het sluiten van het verbond, namelijk vrees voor nadeel of hoop op 
voordeel, nog aanwezig is; wanneer echter de hoop of de vrees voor een van 
beide staten verdwenen is, dan blijft hij zijn oude rechten behouden en de band, 
waarmede de staten verbonden waren, wordt zonder meer geslaakt; en daarom 
staat het lederen staat vrij om een verdrag te verbreken, wanneer hij het 
verkiest, en kan er niet gezegd worden dat hij arglistig of trouweloos han- 
delt, omdat hij zijne belofte verbreekt, zoodra de reden voor vrees of hoop 
vervallen is — , aangezien voor elk der verbondenen deze voorwaarde gelij- 
kelijk gegolden heeft: dat hij, die het eerst zonder vrees behoefde te zijn, 
weder zijn oude rechten terugkrijgt en daarvan naar eigen goedvinden ge- 
bruik maakt, en verder aangezien niemand zich voor de toekomst verbindt, 
tenzij met vooropstclling van de voorheen geldende omstandigheden." 

Spinoza, Tract. Pol. III, 14. 

Zie ook Macchiavelli, de Vorst, c. 18. 



HET DING OP ZICHZELF. 

DOOR 

G. J. P. J. BOLLAND. 



De denkbaarheid op zichzelve is als mogelijkheid zonder 
meer eene mogelijkheid zonder werkelijkheid, eene onver- 
werkelijkte mogelijkheid, of aanleg; zoo is de zaak op 
zichzelve of het ding op zichzelf het ding in aanleg. Onder- 
scheid laat zich hier maken, en onderscheid is er gemaakt, 
tusschen de afgetrokkene denkbaarheid van de redekunde 
en de zakelijke mogelijkheid van de werkelijkheid. Doch 
de rede is niet zonder hare werkelijkheid en de werkelijk- 
heid is niet verlaten van de rede. De afgetrokkene denk- 
baarheid, de denkbaarheid zonder meer en op zichzelve, 
blijft als zoodanig eene denkbaarheid, die zich bij gelegen- 
heid laat verwerkelijken en zal verwerkelijken; inzooverre 
is zij ook eene werkelijke mogelijkheid, eene mogelijkheid 
van de zaak en het ding. En de zakelijke of werkelijke 
mogelijkheid blijft als mogelijke werkelijkheid ook denk- 
bare werkelijkheid en werkelijke denkbaarheid, die dan als 
onverwerkelijkte denkbaarheid of denkbaarheid op zichzelve 
op nieuw de denkbaarheid van de zaak of het ding in 
aanleg heeten kan. Het ding op zichzelf is het ding in 
aanleg, het ding, dat zijne werkelijkheid nog moet ont- 
wikkelen en openbaren. 

Inmiddels is het waarneembare ding het ding voor ons 



HET DING OP ZICHZELF. 223 

en voor, of in betrekking tot, iets anders; het doet in de 
werkelijkheid mede onder voorbehoud van en in verband 
mèt dat andere; wat op zichzelf is gesteld, kan niet mede- 
doen in de werkelijkheid, die veeleenigheid is van al wat 
binnen verkeert en buiten. Het ding op zichzelf, het ding 
zonder meer, is als ding van de werkelijkheid een ding 
der onmogelijkheid; het is als ding buiten elk verband een 
ding van niets en voor niemand en zoo dan zonder werke- 
lijkheid of denkbaarheid en bespreekbaarheid of waarheid. 
De denkbaarheid en de waarheid aan het werkelijke ding 
op zichzelf is, dat het geene denkbare waarheid of werke- 
lijkheid hééft; het ware en werkelijke is veeleenig en het 
veeleenige het ware en v/erkelijke. Veel mag bestaan, ver- 
anderen en vergaan, wat 'onbekend is gebleven aan alle 
menschen zelfs, doch de waarheid van de werkelijkheid 
wordt in het ongekende en onbekende geene andere v/aar- 
heid dan die, waartoe de werkelijkheid zich heeft ontwik- 
keld in de zelfkennis der zuivere rede; veeleer is onbekend 
en ongekend bestaan als bewusteloos bestaan een bestaan 
zonder waarheid. Valt alleen in het bewustzijn de veelheid 
en de verscheidenheid, die bij gelegenheid niet slag en 
zure smaak en phosphorachtige reuk en vonk en knal, 
maar een en dezelfde x is, of valt in dat bewustzijn eene 
gewaande zakelijke eenheid, de eenheid van een ingebeeld 
ding, waaraan in de werkelijkheid eene verscheidenheid beant- 
woordt van stoffen, of zoogenoemde. eigenschappen? Maakt 
ons gestel en onze ondervinding van eene enkele x eene 
veelheid, of maakt ons bewustzijn van eene verscheiden- 
heid, van vele stoffen en deelen, van vele x'en alzoo, 
eene gewaande en denkbeeldige 'ding' genaamde eenheid? 
De rede kent de eenheid in het meervoud, tevens wetende, 
dat het meervoud meervoud van en in enkelvoud is. Inge- 
val echter noch enkelvoud noch meervoud van werkelijk- 



224 HET DING OP ZICHZELF. 

heid zoo op zichzelf is aan te nemen, ingeval het denken 
der werkelijkheid uiteen- en ineendenkt tegelijk, zoodat het 
bewustzijn en zijne ondervinding eenheid in veelheid en 
veelheid in eenheid verkeert: wat is het ding op zichzelf 
dan anders dan spiegeling, weerschijn in de (objectieve) 
waarneembaarheid, van de (subjectieve) denkbaarheid, die 
in beider v/erkelijkheid en waarheid veeleenig is? Zietdaar 
ook de reden «van de onbewuste en onnoozele listigheid, 
waarmede geloovers aan 'het' ding op zichzelf tegenover 
zichzelven en anderen de vraag ontwijken, of zij gelooven 
aan 'een' ding, dan wel aan 'vele' dingen. Is het v/are 
en werkelijke 'een' ding zonder meer, dan is het géén 
ding: onbepaalde en onbegrensde of onbeperkte en onein- 
dige eenheid is eene . . . oneindigheid en geen ding meer. 
En bestaat het ware en werkelijke uit dingen, uit verschei- 
denheid dus van hetzelfde, dan is de veeleenige werke- 
lijkheid dier dingen óók al weer geen ding zonder meer, 
maar veeleenigheid, die het bestaan van ding en realiteit 
te buiten gaat. 

De werkelijke zelfstandigheid of zelfstandige werkelijkheid 
is als onbewuste natuur zoo weinig ding op zichzelf of 
ding zonder meer, dat zij als veeleenigheid van verander- 
lijk bestendige en bestendig veranderlijke verscheidenheid, 
als geheel van deelen en krachtig of in verschijnselen zich 
uitend en verkeerend wezen, hetwelk in zijne zelfstandig- 
heid dood en levend, lijdelijk en bedrijvig, afhankelijk en 
vrij in eenen is, onontwikkeld de gezamelijke denkbaar- 
heden of verenkelingen van bijzondere algemeenheid in- 
houdt, die zich stelselmatig laten nagaan tot zelfontwikkeling 
van het ware in de idee. De vraag naar het ding 'op 
zichzelf' is altoos begrijpelijk en in verband met de vraag 
naar het ding 'voor ons' betrekkelijk onvermijdelijk. Doch 
de afzonderlijke en partijdige belangstelling voor het ding 



HET DING OP ZICHZELF. 225 

Op zichzelf is te begrijpen aan den waan , dat het ding , 
de zalceiijkheid , de realiteit, in weerwil van vervloeiing en 
vervluchtiging van waarneembare zakelijkheden, de wérke- 
lijkheid moet blijven heeten; het werkelijke en ware echter 
is, niet eene bestaande realiteit of zakelijkheid, niet een 
ding op zichzelf, maar veeleenigheid van waarneembaar- 
heid en denkbaarheid in zelfbestendiging van zelfverkeering. 
Die idee, 'de' idee, is het ware; het ware aan en in de 
vanzelve begrensde of eindige realiteit is in alle oneindig- 
heid haar einde, hare opheffing in de idealiteit, in de 
oneindige idee zelve. En de idee is niet weder eenzijdig 
realiteit of zakelijkheid , maar geldt voor alle dingen en in 
alle dingen , zonder in eenig 'ding' op te gaan. De vraag 
naar het ding op zichzelf blijkt niet verstandiger of houd- 
baarder dan de vraag naar ruimte en tijd op zichzelven, 
naar het verschijnsel en de eigenschap op zichzelven, naar 
de kracht en het leven en de geschiedenis op zichzelven, 
die tezamen noch binnen noch buiten en even goed 
binnen als buiten zijn. Het ding op zichzelf bestaat, waar 
het punt en het tijdstip op zichzelf bestaan; de zakelijk- 
heid of realiteit blijft een bestendig veranderlijke factor in 
de natuur, die bewustelooze veeleenigheid binnen en buiten 
ons. En de natuur, waarin het ding voorondersteld blijft, 
om zich erin te verkeeren en erin aan zijn einde te komen, 
is met den geest vergeleken het zielige of zelfs levenlooze , 
het onbewuste , dat op zichzelf tot eigene waarheid nog 
niet gekomen is; de natuur is meer dan een ding en minder 
dan het ware, — waarin het denken 'mededoet'. De waar- 
heid en het ware is eenheid van denken en werkelijkheid, 
van geest en natuur en in alle werkelijkheid of natuurlijk- 
heid is de geest de waarheid, dat natuur, zaak, of ding 
'op zichzelf' geene waarheid heeft. 



15 



HET HEROÏSCHE: EEN HOOFDSTUK VAN 
HOOGERE LEVENSLEER/) 

DOOR 

Dr. J. D. BIERENS DE HAAN. 



I. 



Het heroische is een geestes-gesteldheid; 
en moet begrepen worden uit liet begrip 
van het (geestes-)leven. Het leven is „over- 
winning" van het Idee (het logische) op den 
chaos (het a-logische). 



Wij komen, al geschiedt het niet alle dagen, in aan- 
raking met de heroische werken , en zoo wij ze niet slechts 
willen genieten, maar verstaan, is het noodig een begrip 
te winnen van de heroische geestesgesteldheid, uit welke 
deze werken zijn voortgebracht. De heroische werken zijn 
teekenen en uitingen van die. Er is een overeenkomst 
tusschen al deze werken , waardoor zij op een zelfde 
geestesgesteldheid wijzen. Er is een overeenkomst tusschen 
het Parthenon , het Johannes-Evangelie, den toren van Giotto, 



1) Tegenover „zedekunde" is „hoogere levensleer" een ethiek, die behalve 
moraal, tevens aesthetiek en religie-leer omvat en een nietafysika en logika 
veronderstelt. » 



HET heroïsche: EEN HOOFDSTUK 227 

het boek Job, Spinoza's Ethica, de Faust-tragedie, en vele 
meer. Te' meenen dat de menschelijke genialiteit voor al 
deze aansprakelijk is, en dus het begrip der genialiteit te 
nemen als punt der overeenkomst, ware een onjuiste ver- 
klaring. Wij zullen in deze studie het begrip der genialiteit 
moeten doorzien, aangezien het tot verwarring aanleiding 
geeft met de heroiteit, welker begrips-inhoud wij zullen 
pogen te verstaan. De heroïsche inspiratie is iets ander^ 
dan de geniale inspiratie en wordt op andere wijze verstaan. 
Men voorziet dit reeds zoo wij een heroïsche schepping als 
het Johannes-Evangelie tegenover een geniale schepping als 
de draadlooze telegrafie plaatsen. Er is hier een onderscheid 
als tusschen rede en verstand. Daarover later. 

Althans is voor recht begrip der menschelijke kuituur- 
geschiedenis een inzicht in de heroïsche geestes-gesteldheicl 
onmisbaar. Hoe zal men den hoogen aard der zedelijke, 
aesthetische , religieuze werken en ook de wijsbegeerte als 
menschelijk geestes-werk begrijpen, tenzij uit het begrip 
der heroiteit? 

Toch is deze studie niet ondernomen met het oog op de 
kultuurgeschiedenis, maar met het oog op de levensleer, 
want in zichzelf is het heroïsche een levensfase, nl. een 
houding van den menschengeest in den hoogsten staat zijner 
bewustwording. 

De heroïsche mensch is de hoogste openbaring van het 
menschelijke. Niet in den genialen maar in den heroischen 
mensch is het leven voltooid. Het leven beweegt zich van 
den aanvang af in de richting van het heroïsche. Uit den 
aard der zaak is deze algemeene levenswet zeer gebrekkig 
in de individueele levens uitgedrukt, die komen en gaan 
zonder, zooals bij millioenen het geval is, van de vol- 
tooiing iets bespeurd of vermoed te hebben. Maar deze 
gevallen zijn niet normaal; doch het Zeldzame is normaal, 



228 HET heroïsche: een hoofdstuk 

terwijl het vaak-voorkomende abnormaal is. Al ware er slechts 
één heros in de geheele wereldgeschiedenis opgetreden, dan 
nog zou hij de normale mensch zijn, daar het normale niet 
bestaat in de empirische middelmaat, maar in de levens- 
waarheid. En dat er géén heros zou zijn is met het begrip 
van het menschelijke zelf in strijd. 

Dat de heroïsche geesteshouding de voltooiing des levens 
is moet uit het begrip des levens verstaan; tevens hebben 
wij in- deze uitspraak ons uitgangspunt om den aard van 
het heroïsche te begrijpen. 

Het leven dan is in zijn wezenlijke natuur niet vindbaar 
bij slak noch olifant, bij varengewas noch zeewier, bij bacil 
noch monere, maar bij den mensch als geestelijk wezen. 
Het is niet overbodig dit te zeggen, daar de biologische 
evolutie-leer zoozeer de gedachte van onze tijdgenooten 
heeft ingenomen, dat zij om een begrip van het leven vast 
te stellen aanstonds terugwijken tot de aanvangsvormen. De 
biologische evolutieleer meent alles uit de aanvangen te 
begrijpen; in waarheid wordt niets uit zijn aanvangen be- 
grepen , maar uit zijn voltooiingen , gelijk reeds Aristoteles 
wist dat de voleindiging de waarheid eener verschijning 
bevat. Ja ook de aanvangen zijn slechts belangrijk om de 
voltooiing, zooals de monere niet belangrijk noch zinrijk zou 
zijn, tenzij wij de hoogere levensvormen erbij dachten. 
Eerst de volheid eener verschijning werpt licht over den zin 
dier verschijning. De vraag naar het wezen wordt niet be- 
antwoord door een verwijzing naar het ontstaan. 

Het leven dan als geestesleven is een overwinning van de 
Idee op haar tegendeel. Er zou geen leven, geen „ver- 
schijning" in 't algemeen, geen ervaarbare wereld zijn, zoo 
er niet een oorspronkelijke tegenstelling ware. De Idee is het 
Princiep, de grond der verschijning; zij is de Wereldrede of 
Geest, het Logische; n»aar deze moet een tegengestelde hebben 



VAN HOOGERE LEVENSLEER. 229 

waaraan zij zich oplegt. Het princiep, dat zich niet aan iets 
doet gelden, is ondenkbaar. De loutere Eenheid als het 
Al gedacht, Eleatisch zonder het Niet-zijn om zich aan te 
verwerkelijken, blijft in Eleatischen doodslaap. Zoo is dan 
nevens de Idee het oer-objektievc , de Negativiteit, de on- 
geest, het a-logische, dat in den chaos, het deforme, zijn 
voorstelbaar representant heeft. De tegenstelling van Idee en 
chaos ligt aan elk leven ten grondslag. Het leven nu is de 
„overwinning", d. i. de aanwending waarmee de Idee den 
chaos aanwendt tot haar zelf-verwerkelijking. 

Het a-logische is niet de wil, gelijk in de Hartman- 
niaansche theorie. De „wil" als zoodanig is niet onlogisch. 
Hij bestaat ook niet in zichzelf als een grootheid, die met 
het denken in strijd kan komen. De Hartmanniaansche grond- 
gedachte van dien in zich vredeloozen , onredelijken en 
slechten wil, uit kracht van welken het existeeren q. t. een 
kwaad zou zijn, schijnt mij een makrokosmisch besluit uit 
een onjuiste phychologische analyse ^). De „wil" is in zichzelf 
goed noch kwaad, redelijk noch onredelijk; maar hij is de 
aktiviteit aan het denken; zoodat zijn waarde ook van het 
deinen afhangt dat hem bepaalt: troebel-denken is begeleid 
met troebelen wil, die geen wil heet, maar begeerte; en 
zuivere gedachte is met zuiveren wil voorzien. De Aktiviteit 
is nevenzijde der Idee; maar de existentie als zoodanig is 
noch redelijk, noch onredelijk. 

Zoo is dan het alogische niet als wil, doch slechts als 
tegengestelde der Idee bepaalbaar. Hier is allereerst gedacht 
niet aan een persoonlijke maar aan een kosmische gesteldheid, 
gelijk ook de Idee een kosmische gesteldheid is: de Geest 
of wereldrede. Men zou het alogische de wereld-onrede kunnen 



1) Immers hier wordt voor de onrust van het streven het streven zelf aan- 
sprakelijk gesteld en niet de troebele bewustheid, van welke dit streven zijn 
karakter heeft. 



230 HET heroïsche: een hoofdstuk 

noemen; of, aangezien de Idee het kosmisch Subjekt is, kan 
het als tegendeel hiervan, d. i. als onbepaalde Objektiviteit 
worden aangewezen. De Idee heeft in hare zelfverwerkelijking 
de onbepaalde Objektiviteit tegenover zich, waaraan zij zich 
verwerkelijkt. Het alogische is als chaos benaambaar, zoodra 
het in de bewustheid wordt gereflekteerd. Het ligt niet in 
den aard dezer studie om deze grondbegrippen nader te 
bepleiten; doch het was noodig aan te wijzen dat onder 
het leven een makro-kosmische tegenstelling ligt. 

Maar de tegenstelling is ook mikro-kosmisch, individueel 
persoonlijk, gelijk de heroïsche geestes-staat zich mikro- 
kosmisch als zielestaat van individueel-persoonlijke menschen 
voordoet. Elke mensch is in-zich Idee, Princiep, Levens-rede, 
Geest, het Logische: een mikro-kosmische herhaling van 
den Makro-kosmos. Maar tevens heeft elke mensch deel aan 
de onbepaalde Objektiviteit: den chaos. Wij worden inden 
chaos geboren; ons geestelijk bestaan is aanvankelijk een 
agglomeraat van bestanddeelen , die niet eenmaal ons eigen- 
dom kunnen genoemd worden, maar met recht als overerfsels 
mogen gelden; hoewel reeds aanstonds de werking der 
Idee intreedt is toch aanvankelijk ons inwendig bestaan ^een 
chaotische verwarring, door onpersoonlijkheid (geen eigen- 
heid van karakter) en door onredelijkheid (gemis van onderling 
eenheids-verband der karakter-bestanddeelen) uitmuntend. 
Het kleine kind is even chaotisch als de misdadiger en de 
idioot; deze beide zijn kind doch gegroeid in geestes- 
omvang; wat bij het kindje lieftallig is, dat zelfde is bij 
den misdadiger verschrikkelijk; wat het kind heeft in kleine 
mate is bij vergrooting een gevaar: het spontane, onsamen- 
hangende, plotselinge: het kindje huilt en lacht opeens en 
maakt telkens een sprong of onverwachte wending van ge- 
dachte en wensch. Het is in dit opzicht het toonbeeld van 
den levensaanvang in den chaos. 



VAN HOOGERE LEVENSLEER. 231 

Kan nu de chaos nooit geheel overwonnen (want dan 
zou de werking der Idee ten einde zijn), l<an hij nooit geheel 
„aangewend", zoo is hij de blijvende aanleiding dat de Idee 
als een onverpoosde scheppingsdaad, zich manifesteere. 

De trapsgewijze overwinning der Idee op den Chaos — 
ziedaar wat het (geestes)leven is in zijn voortbeweging. 
In de heroïsche geestesgesteldheid is deze overwinning 
(betrekkelijk) voltooid. Men denke bij den term „heroïsch" 
dus niet aan sommige figuren der historie, die wij heroën 
noemen, doch veeleer aan een bepaalde hoogte van het 
mensch-zijn in 't algemeen, gelijk het in zulke figuren open- 
baar is. Het leven beweegt zich in de richting van het 
heroïsche. Ieder mensch is naar zijn aanleg tot het heroïsche 
bestemd. 



IL 

Hiërarchie der geestes-staten , als een 
trapsgewijze, „overwinning" van de Idee op 
, den Chaos. Idealiseering van den Chaos. 

In den hoogsten staat heeft het leven 
zijne volheid. 

Het heroïsche alzoo is een geesieshoogte ; immers het 
is de hoogste gesteldheid van geestelijk leven in bepaald 
opzicht genomen. Het geestelijk leven doorloopt een ontwik- 
kelingsgang van drie fasen of staten. Deze drie zijn : 
de zinnelijke , 
de verstandelijke, 
de redelijke. 
Wij zijn eerst zinnelijke of naïeve mensch ; worden ver- 
volgens verstandelijke of bedachtzame mensch , om ten 
laatste te stijgen tot redelijken mensch of tot den staat der 
wijsheid. Het heroïsche ligt in dezen hoogtestand. 

Spinoza heeft in zijn leer der kennis deze drieheid aan- 



232 HET heroïsche: een hoofdstuk 

gewezen; en daar volgens hem kennen en denken (cogitatio) 
de ware natuur des geestes zijn , kan hij als de groote ver- 
kondiger dezer drieheid van levensstaten in de nieuwe wijs- 
begeerte gelden. De zinnelijkheid noemt hij imaginatie, de 
verstandelijkheid ratio , de redelijkheid scientia intuitiva. ^) 
Zinnelijkheid, verstandelijkheid, redelijkheid zijn nu eens- 
deels fundamenteele handelingen van den kennenden geest'''), 
die waarneemt, het waargenomene ordent en de ervaarbare 
wereld in haar éénheid doorziet. Maar behalve zulke hande- 
lingen te zijn, zijn ze geestesstaten , of fasen van geestes- 
leven , waar éen dezer drie handelingen den toon aangeeft, 
zoo is de zinnelijkheid een levensstaat welks hoogte gelijk 
komt met de zinnelijke handeling enz. 

In deze hiërarchie der geestesbeweging is de zinnelijkheid 
de laagtestand. De zinnelijke is de naieve mensch, die zich aan 
de bizonderheden vergaapt, zonder ze te overstijgen tot de 
algemeenheid ; hij wordt door het geval geboeid , niet door 
de beteekenis van het geval. Dat het schip is vergaan, en 
de luchtballon is gerezen en het weer zoel was en de burge- 
meester is afgetreden vervult zijn aandacht; maar niet de 
algemeenheid of regel of beginsel , of de noodzaak die zich 
in de gevallen uitspreekt. Het bewustzijn in deze fase, weet 
zich aan geen orde gebonden en door geen beginsel geleid ; 
gaat op de toevalligheid der waarneming af, en op hare 
bizonderheden. Naarmate de kaleidoskoop der indrukken deze 
of die kleur of gedaante ons voorhoudt is de geest vervuld. 
Terecht spreekt Spinoza hier van imaginatie, omdat de geest 
alsnog in dwalende onbepaaldheid leeft, en als te loorgaat 
in de samenhanglooze menigvuldigheid. 



1) Ethica II, Pr. 40 Schol 2. 

2) Zie mijn „Tot een fundamenteele Logika XX Eeuw, April 1906 bl, 58. 



VAN HOOGERE LEVENSLEER. 233 

Deze zinnelijke naïeve mensch met zijn regelloos innerlijk 
nu is aan den cliaos nauwverwant. Wel is er geen geestes- 
staat, waarin niet tevens cle Idee werkzaam ware; maar bij 
zoo geringe werkzaamheid heeft de wanorde vrij spel en 
verkeeren wij in des levens laagte-stand. 

De tweede fase is de verstandelijk/leid. Ook met dezen term 
is niet een bepaalde intellektshandeling bedoeld , maar een 
algemeene geestesstaat , door deze gekenmerkt. De verstande- 
lijkheid is niet slechts een verstandsgebruik, maar ook een 
gevoelsaard en een manier van willen. Een verstandelijk 
mensch gevoelt verstandelijk. Het is duidelijk dat hij in zijn 
meeningen, geneigdheden, voorkeur, afkeer, raadgevingen, 
inspanningen , wenschen en overwegingen op een bepaalde 
geesteshoogte staat en aan een bepaalde geestes-type be- 
antwoordt, evenals de zinnelijke mensch. Ook is de verstan- 
delijkheid geen karaktergesteldheid , maar een geesteshoogte. 

Zij is de geesteshoogte waarop de mensch niet meer als 
naïeve, maar als bedachtzame mensch verschijnt. De ver- 
standelijkheid nu is de geregeldheid van het zinnelijke. De 
menigvuldigheid der zinlijke indrukken wordt in de ver- 
standelijkheid op regel gezet. Dit is een hoogere kuituur, 
gelijk de wetskultuur der oude^ moraliteit een hooger stand- 
punt vertegenwoordigt dan de vrije hartstocht van den 
(denkbeeldigen) natuurstaat. In Isrsaël gold de regel „oog 
om oog en tand om tand" als een regeling van de oudere 
wraakname, waarbij aan het wraakgevoel een onbeperkte 
volmacht was verstrekt (lied van Lamech, Genesis IV, 23). 

De „regel" is een onderschikking der zinnelijkheid aan het 
verstand. In het algemeen was de oudere maatschappelijke 
kuituur een overwinning van het verstand op de zinnelijk- 
heid, d. i. een bestrijding der zinnelijke willekeur (chaos) 
met het zwaard van den regel. 



234 HET heroïsche: een hoofdstuk 

De regel is de algemeenheid, en haar wezen is de ont- 
kenning van het bizóndere aan het bizondere. De abstrakte 
algemeenheid legt zich aan de bizondere gevallen des levens 
op om de bizonderheid daaruit weg te leiden, en ze aan 
zich te onderschikken. Elke wet is zoo'n veralgemeening. 
Het ,,Eert uw vader en uw moeder" gaat niet te rade met 
duizend bizondere gevallen, waarin dit voorschrift onuit- 
voerbaar is ; maar het ontkent aan deze gevallen de „bizonder- 
heid" en regelt ze onder het algemeene voorschrift. 

De regel is dus een ontkenning der bizonderheid (terwijl 
hij voor niet anders dan voor de bizonderheid geldt: wat 
is een regel die niet gegeven is voor gevallen?). Zoo is er 
een konflikt tusschen verstand en zinnen, en is de ver- 
standelijke mensch zich van een „bekeering" uit zijn zinne- 
lijkheid bewust. De wettelijkheid kruisigt de zinnelijkheid, 
zooals de kloosterregel de spontaneiteit van het mensche- 
lijke vermoordt. Het einde van dien is de Farizeeër, neen 
de automaat. 

Dat nogtans de verstandelijkheid een hoogere fase des 
geestes is dan de zinnelijkheid, blijke hieruit, dat in deze 
fase het leven onder het aspekt der orde verschijnt, terwijl 
in de zinnelijkheid het leven in de ordeloosheid staat. 

De derde fase of hoogste geestes-staat dan is de rede- 
lijkheid. 

De redelijke mensch heeft niet den regel, maar het /^/eaa/; 
waaronder men niet versta: toekomstbeeld, maar: centrale 
idee. Slechts waar het ideaal als toekomstbeeld wordt voor- 
gedragen is het hek van den dam voor alle holle ontboeze- 
ming. De zinnelijke mensch leeft uit de chaotische menig- 
vuldigheid, de verstandelijke uit de geregelde menigvuldigheid, 
maar de redelijke mensch leeft uit het ideaal. Een kleine 
toevoeging is hier noodig: het moge zijn dat ook den 



VAN HOOGERE LEVENSLEER. 235 

wetgever, dezen steller van den regel, een ideaal voor- 
zweeft, zoodat de regel tot eene paedagogie ten ideaal 
wordt — de wettelijk levende heeft toch in dien „regel" 
niets dan een methode ter ordening zijner zinnelijke spon- 
taneïteit. Het verstand als wetenschap is ordenaar der 
feitenwereld volgens een plan der algemeenheid; zoo doet 
ook de wetgever niet anders dan een regel van orde invoeren 
in de feiten van het stamlevcn (koop en verkoop, bezit en 
erfenis, huwelijk en gezinsverhouding, arbeid en vereeniging, 
verdediging en rechtspraak). Hij gaat van de feiten uit en 
dwingt ze geen ideaal op. 

De redelijkheid echter heeft een centrale idee als uitgangs- 
punt van denken. Zoo beschouwt de profeet de wereld uit 
de idee van het Godsrijk; de Grieksche tragicus ziet het 
leven onder de gedachte van evenwicht door Noodlot; de 
Calvinist ziet de historie als volgend uit een centrale tegen- 
stelling van zondenval en verlossing; de kunstenaar waar- 
deert de natuur aan een norm van verdiepte zinnelijkheid; 
de zedelijke hervormer beoordeelt den bestaanden staat van 
zaken en verbeeldt zich den nieuwen naar de idee der vrije 
persoonlijkheid. Ziehier centrale ideeën waarmee het redelijk 
bewustzijn werkt — al mag ook deze centrale idee hier of 
daar wat al te veel van het zinnelijk beeld bevatten: toch 
zijn deze profeet en tragicus en Calvinist en kunstenaar en 
hervormer in verschillende maten vertegenwoordigers van 
den redelijken geestesstaat. 

Gelijk nu de verstandelijkheid den chaos ordent door den 
„regel", zoo idealiseert de redelijkheid den chaos door de 
centrale idee. Ordenen is een voorloopige taak, idealiseeren 
is een afsluitende: idealiseeren is de verschijning invoegen 
in de idee de^ Geheels door middel der centrale idee. 
Dit idealiseeren is de hoogste trap van „overwinning", 



236 HET heroïsche: een hoofdstuk 

de hoogste aanwending van den chaos door de Idee. 

Want de chaos is het decentrale. Fragmcntaer, verbrokl<eld 
en verstrooid is wat geen centrum heeft, zooals een uit elkaar 
gesneden rozenstruik welker bloemblaadjes en plantbladeren 
verstrooid liggen, chaotisch is geworden door decentralisatie. 
Het chaotfsche ligt op alle winden verspreid. Het leven is 
steeds ontwoekering aan den chaos door centralisatie, gelijk 
reeds de moncre bewijst; en naarmate het centraliseerend 
princiep al ruimer om zich heen grijpt, naar die mate stijgt 
de ontwikkeling des levens. Waar de centralisatie voltooid 
is, is het leven voltooid, in het verband des geheels ge- 
voegd, en is de overwinning op den chaos behaald. Dit 
is nu verkregen in de redelijkheid, daar de redelijke mensch 
het Ideaal, de centrale idee,- aanlegt aan de verschijning; 
zoodat in zijn leven zelf de verschijning van daaruit wordt 
beheerscht. 

Dat wij waarlijk door de centrale idee den chaos ideali- 
seeren (in verband des Geheels denken) bewijst bijv. de 
Calvinist zoo hij met zijn dogmatiek leven, natuur en historie 
als een grootsch geheel aanziet. De wijsgeer brengt door 
zijn centrale idee de menigvuldigheid der verschijning in 
het begrip des geheels over, gelijk bijv. Spinoza in zijn 
Substantie-begrip een centraal punt heeft vanwaar hij alle 
verschijning wil omvatten. Uit de kracht van centraliteit 
wordt het fragmentaere in ons bewustzijn overwonnen, en 
brengen wij gedachten voort, die evenzeer breed zijn als 
diep, in welke twee geestelijke afmetingen het eeuwige 
wereldverband wordt gepeild. Idealiseering door centralisatie. 

De redelijkheid nu, hoogste levensstaat zijnde, is niet 
een eenzijdigheid, maar een volheid, het leven is daarin 
tot volheid gekomen, want de redelijke mensch is een ge- 
heele mensch. Hij is niet homunculus, het kunstprodukt 



VAN HOOGERE LEVENSLEER. 237 

waarbij een of andere kultiiur boven de kracht gegroeid is, 
docii hij is homo , de volgroeiing des levens zelf. De boom 
in zijn vruchtdraging is een geheel , daar hij om zoover te 
komen den geheelen levensweg heeft afgelegd , terwijl de 
jonge loot, pas aan den grond ontschoten, nog slechts in 
gedeeltelijkheid het boomleven heeft doorgemaakt. Zoo ook 
heeft de mensch in hoogsten levensstaat de lagere staten 
doorleefd, en sluit de redelijkheid deze lagere staten niet 
uit, maar sluit ze in: zinnelijkheid en verstandelijkheid zijn 
daarin niet gedood , maar tot hooger plan gevoerd. 

De zinnenmensch is een eenzijdige, en ook de verstande- 
lijkheid is eenzijdigheid. Hij , de mensch van den regel 
vermag met den regel de zinnelijkheid , van waar hij uitgaat, 
te ontkennen en te kruisigen; hij gebruikt den regel en 
verbleekt het zinlijk wereldbeeld tot schim, zooals in 
het verstandelijk mechanisch wereldbeeld de volle wereld- 
verschijning tot op één opzicht na (het mechanisme) is 
ontkleurd. De mensch der redelijkheid echter wendt de 
zinnelijkheid aan symbolisch, zooals de kunstenaar de na- 
tuur aanwendt tot symbool der Idee. De redelijkheid ontkent 
dus niet de zinnelijkheid of waarnemingswereld, maar 
aanvaardt haar in een hoogere aanwending; dit is haar 
volledigheid. 

Ook de verstandelijkheid wordt in den redelijken geestes- 
staat voortgezet. Want verstandelijkheid is de bevrijding uit 
de chaotische menigvuldigheid der zinnelijke indrukken; en 
in voortzetting van den verstandsarbeid wordt door den 
redelijken mensch vrijelijk en vrijmachtig over de zinnelijk- 
heid beschikt. Wanneer Dante een kosmisch wereldbeeld 
ontwerpt uit de voorstellingen en tafereelen welke onze 
zinnelijkheid zich kan voorstellen , dan is hij een vrijmachtig 
heerscher die het zinnelijke in dienst der redelijkheid aan- 
wendt. 



238 HET heroïsche: een hoofdstuk 

Zoo is dus de redelijke geestesstaat niet maar een nieuwe 
facette van het prisma, gelijk ook de vorige staten waren; 
niet maar een nieuwe fase in vervolg op andere, maar een 
voltooiing, waarin het vorige is opgenomen en verhoogd. 

Zoo is dan de redelijke mensch , het geheel , de norm 
der waarh'eid , fiéiQov ndvzojv. De anomie (wetloosheid) der 
zinnelijkheid en heteronomie (ondergeschiktheid aan den 
regel) van den verstandelijken staat, zijn in zijne autonomie 
(zichzelf tot norm zijn) overwonnen. Hij zelf die de cen- 
trale idee draagt, is centrale mensch, en als zoodanig bij 
het wereldcentrum aangesloten; uit eigen centrum levend, 
leeft hij aan het Hart der wereld en wordt uit de eeuwig- 
vloeiende bron gevoed. Hij is zich van de eenheid met het 
Geheel bewust. Men kan voor deze levenshoogte de formule 

aanwenden : èv aviiö xaTOixel nav xö TvA^rJQcofia rr/g d-eórrjTog 

GcofActnxcZs '). Hier is in waarheid het chaotische door de Idee 
aangewend en het leven voltooid. 



III. 

Het geestes-leven is zoowel kracht als 
denking. Drie hoogte-staten van het geestes- 
leven als kracht. Het heroïsche is de rede- 
lijkheid als kracht: de redelijke houding. 

Na deze voorbeschouwingen is het mogelijk den aard 
van het heroïsche te bepalen. Het geestesleven is denken, 
doch niet een som van voorstellingen, denkbeelden en be- 
grippen, doch denk-aktie, zich bewijzend in voorstellin- 
gen enz. Het geestesleven is evenzeer aktie als denken, 
evenzeer wil als gedachte. Hier valt alleen te herinneren 
dat de wil geen zelfstandige geestelijke faktor is, die zich 



1) Koloss. 11, 9: daarin verblijft de volheid van het goddelijke gestaltelijk. 



VAN HOOGERE LEVENSLEER. 239 

tegen het denken kan keeren , maar de aktiviteit onzer 
denknatuur zelf en' niets anders: de prioriteit komt toe en 
blijft toekomen aan de denkhandeling in haar drie fasen 
van zinnelijkheid, verstandelijkheid, redelijkheid. Het gees- 
tesleven is in eerste instantie, cogitatie; als een in ver- 
schijning gaan der Idee. 

Maar het denken aktiviteit aan zich hebbende , is tevens 
werkzaamheid, krachtdadigheid, spannning. Het denken en de 
aktieve kracht zijn twee zijden van een zelfden aanleg. De Idee 
zelve die de grond is, is tegelijk Daad; en het denken 
in zijn verschillende hoogten is ook niet de levering eener 
legkaart of mozaïekvloer van denkbeelden; maar is kracht 
voortbewegend in een richting. Zoo dringt de geest van de 
zinnelijkheid tot de redelijkheid; en de drie geestesstaten 
zijn met drang geladen. 

De heroische werken zijn explosies dezer opperste ge- 
ladenheid, terwijl er ook werken zijn op de hoogte der 
zinnelijkheid en der verstandelijkheid. Doch let wel : het 
wezen van den drang is niet de ontlading in werken ^) 
maar de aktiviteit aan het denken, als in ontladingen naar den 
hoogsten geestesstaat, de redelijkheid, voortdringend. De Idee 
verwerkelijkt zich aan den chaos: deze aktiviteitsbetooning 
doortrilt het geheele denkleven en op reinste wijze de redelijk- 
heid, omdat hier de Idee tot zichzelve keert. Zij verschijnt 
als zelfdoel en wordt zich van haar zelf bewust, nu het 
bewustzijn des menschen niet meer aan de periferie der 
waarneembare verschijningswereld blijft, maar diep-in in 
het centrum plaats neemt, centraal-bewust. 

Deze spankracht der denking noemen wij : aktieve houding 
van het geestesleven op zijn verschillende hoogten. Wij nemen 
altijd zekere houding aan, hetzij als zinnelijke, hetzij als ver- 



1) verg. Mijn „Wijsgeerige Studiën" 's Gravenliage 190 : „De zin der men- 
sclielijlce alctie" b\. 115 vvg. 



240 HET heroïsche: een hoofdstuk 

standelijke, hetzij als redelijke geesten; tot deze hoogte 
zijn wij voortgegroeid , al is geen mensch zuivere type van 
één geestesstaat. Maar tot een dezer typen zijn wij bezig 
ons te vormen; tot één dezer „houdingen" scheppen wij 
ons: want de denknatuur heeft aktieve, vormende kracht. 
Zooals nu zinnen, verstand, rede, drie hoogten van denk- 
leven zijn — zoo beantwoorden hieraan drie staten van 
geesteskracht; drieërlei levensstijl: 

brutaliteit, 

genialiteit, 

heroiteit. 

Brutaliteit is de zinnelijkheid als kracht. De zinnelijke 
mensch in zijn, door geen verstand geregeld en bedwongen 
optreden, is de bruut, uit geen overweging dan volgens 
den spontanen inval zijner begeerte handelend; en die, zoo 
hij overweegt, slechts op het middel zint om zijn begeerte 
te doen. Ziehier de naieveteit van het dier dat liefkoost en 
verslindt. Voor de brutaliteit bestaat ten eerste geen regel , 
ten tweede geen ideaal; zij vertreedt evenzeer het recht als 
den godsdienst en schendt tempel en paleis. Zij kan in 
overmoed een gat snijden door de aangezichten van Rem- 
brandts Joodsche bruidje of door het glimlachend hoofd van 
de Joconda. Geen teederheid verhindert haar den bruten 
hartstocht bot te vieren. Zij is de aarts-rovolutionaer zonder 
princiep, maar uit gewelddadigheid. De Fransche revolutie 
heeft deze mensch-type in het licht der historie gebracht, 
zoodat zij uit voldoende dokumenten kan bestudeerd worden 
— hoewel het banausische ons overal en in alle tijden ont- 
moet. De brutale is de schrik der histoire. Naar zijn geestesaard 
èn naar de uitkomst zijner werken is hij de verschrikkelijke 
zoon van den chaos. De restanten dezer „brutaliteit" zijn 
echter door heel het geestelijk leven waarneembaar. 



VAN HOOGERE LEVENSLEER. 241 

De verstandelijkheid als kracht is de genialiteit. 

Er is genialiteit ook bij hen die niet geniën zijn; want 
genie noemen wij dengeen, die in genialiteit de maat van 
het gewone overtreft; doch hij verschilt slechts numeriek 
niet specifiek van anderen op deze hoogte der kracht. Zoo 
was ook de bruut een uiterste in brutaliteit. Het geniale be- 
schouwen wij aanstonds in tegenstellende uiteenzetting met 
het heroische. 

Heroiteit is de redelijkheid als kracht. Heroiteit is de 
redelijke houding; de spankracht en geladenheid, de op- 
treding en de aktieve figuur van den redelijken mensch. 
Zoo zeer als rede-lijkheid meerder is dan verstandelijkhfeid, 
zoozeer staat heroiteit boven genialiteit, zoodat wij in tegen- 
spraak met de gewone meening niet den genialen doch den 
heroischen mensch voor de hoogste openbaring van het men- 
schelijk geestesleven houden. Wilt gij „den mensch" zien, 
aanschouw den heroischen. 

De „heros" is evenzeer de uiterste in de lijn der heroiteit, 
als het „genie" de uiterste is in de lijn der genialiteit. Zoo 
wij deze uitersten in ons onderzoek betrekken is het toch 
niet om hen te doen , maar om deze geestelijke gesteldheden 
in het algemeen. Het heroische is een menschelijke geestes- 
gesteldheid, waartoe elk leven den aanleg in zich heeft. 



IV. 



Het heroische als zedelijke houding idea- 
liseert het Lot. Het Lot ais chaos. 

Onderscheid tusschen heroiteit en genia- 
liteit: de genialiteit bestrijdt den chaos met 
den „regel" ; de heroiteit overwint den chaos 
met het „ideaal". 



Hebben wij nu het begrip van het heroische vastgesteld 
zoo kunnen wij dit verder toelichten uit beschouwing van 

16 



242 HET heroïsche: een hoofdstuk 

de heroische werkzaamheid: een kracht heeft werkzaamheid 
'en wordt aan haar werkzaamheid gekend. De werkzaamheid 
hier bedoeld is: de heroische idealiseering. Ziehier dus den 
aard der heroiteit nader bepaald; zij is een idealiseerende 
houding des geestes. 

Om de heroische werken van gewone te onderscheiden 
ligt hier de maatstaf. Doch niet in de werken welke de 
geest voortbrengt, voornamelijk, maar in zijn „houding" 
zelve ligt de idealiseering. Wij kunnen hier het Parthenon, 
het Johannesevangelie, de Faust-tragedie niet anders dan 
als teekenen eener werkzaamheid benutten: om de houding 
zelve is het ons te doen. 

De heroische idealiseering, idealiseert het Lot. 

Het lot is de chaos gedacht in tijds-vorm. Immers wat men 
onder het Lot verstaat is niet een ordelijke macht; is deze be- 
doeld, dan spreken wij van wereldrede, of van de Idee als 
drijfkracht der historie; maar het Lot kenmerkt zich door 
onberekenbaarheid en onredelijkheid. Het is niet tegen het 
Lot, maar wel tegen de rede dat aan het meesterwerk 
van Lionardo's schilderkunst kort na zijn voleindiging de 
verwoesting zichtbaar wordt, nóch dat zijn glansrijkst brons- 
werk voor zijn eigen oogen wordt vernield; of wanneer door 
een uitbarsting van den vulkaan het rijke leven op zijn 
hellingen in één halven dag jammerlijk vergaat, mag het 
Lot hier zijn loop hebben , doch niet op aandrang der Idee. 
Wij zien in deze wanordelijkheden de permanente en on- 
vernietigbare aanwezigheid van het chaotische, en begrijpen 
dat in natuur, historie en leven deze faktor zich voldoende 
aanmeldt om als existeerend te worden erkend. Reeds Plato 
heeft aan de Negativiteit existentie toegekend ^), en zie hier 

1) In de Sofistes 258 B, waar de noodzakelijkheid wordt bepleit om naast 
het zijnde een daarvan verschillende grootheid (het niet-zijnde) aan te nemen 
en daaraan bestaansrecht toe te kennen. 



VAN HOOGERE LEVENSLEER. 243 

een trek in de Grieksche filosofie , zonder welke men den 
Griekschen denkaard niet doorgrondt; het is niet te veel 
gezegd, dat het Grieksche pessimisme, zoo kenmerkelijk 
voor het Helleensch bewustzijn, hetzelfde is wat in de 
Grieksche filosofie als leer van de Negativiteit aan het 
licht treedt. 

Er is dus in heel het wereldbestaan een chaotisch element. 
In het opzicht van den levensloop heet dit chaotische: het 
Lot; en ieder mensch heeft zijn verhouding daartegenover 
te bepalen. Het Lot is de Toevalligheid, welke zoowel ten 
onzen gunste als ten ongunste strekt, doch hoofdzakelijk ten 
ongunste ; zooals een speler aan de roulette-tatel wel menig- 
maal zijn voordeel behaalt, maar bij voortzetting toch 
verliezen moet. De gunsten van het Lot hebben trouwens, 
als toevalligheden, geen konsekwentie. De verhouding nu 
welke wij tusschen ons en het lot bepalen , de wijze waarop 
wij het lot ontmoeten: ziedaar onze levenshouding. Wij 
staan tegenover den Chaos en zijn op drie wijzen (laagste, 
middelbare en hoogste) getuigen der Idee in onze levens- 
voering, betuigende onze kracht. De werkzaamheid van 
het heroïsche is: idealiseering van het Lot. Wat hieronder 
te verstaan is, kan eerst, na een uiteenzetting over de 
werkzaamheid van het geniale , worden uitgelegd. Hier juist 
blijkt klaarlijk welk verschil tusschen heroiteit en genialiteit 
bestaat. 

De werkzaamheid van het genie is niet idealiseerend, 
doch regelend. Men vergist zich licht door als genie een 
figuur te nemen, die evenzeer door heroiteit uitmunt, bijv. 
een groot musikus of schilder. Rembrandt is een geniale 
mensch , doch veel meer nog een heroïsche ; en wat wij het 
meest in hem vereeren is juist de heroiteit. 

Kant geeft van het genie een definitie die ons hier te 



244 HET heroïsche: een hoofdstuk 

stade komt, zoo wij zijn begrip verbreeden; zij luidt: Genie 
ist das Talent (Naturgabe) welches der Kunst die Regel 
giebt ^). De „schoone" kunst (zoo gaat hij voort) veronder- 
stelt regel, want zonder dezen heeft geen menschelijk 
geestesvoortbrengsel ooit kunst geheeten. Maar deze regel 
mag niet een begrip zijn, volgens welk een voortbrengsel 
wordt in één gezet, doch moet onoverdacht, als de natuur 
zelf werkzaam zijn. De natuur moet dus in het subjekt, 
den kunstenaar (en wel door zijn gestemdheid en kunst- 
aanleg) aan de kunst den regel geven: de schoone kunst 
is alleen mogelijk als produkt van het genie; want genie 
is het talent om datgene voort te brengen, waarvoor geen 
bepaalde regel geef baar is, niet: de geschiktheid voor dat- 
gene, dat naar een regel kan worden aangeleerd. Genie is 
originaliteit, en zijn produkten zijn voorbeeldig. Het genie 
weet niet hoe het voortbrengt, maar handelt als de natuur, 
wanneer het aan de kunst regel geeft. 

Het eerste wat in deze beschrijving van het genie-begrip 
treft is de vernauwing, welke Kant daaraan toebrengt door 
het genie als een produktie-vermogen tot schoone kunsten 
op te vatten. Keppler en Galilei zijn echte genieën geweest 
en de uitvinding van de draadlooze telegrafie is evenzeer 



1) Kritik d. Urtheilskraft Erster Theil Erster Abschnitt, Zweites Buch 
§ 46; § 47. 

Genie ist die angebohrene Qemüthsanlage (ingenium) durch welche die Natur 
der Kunst die Regel giebt... Eine jede Kunst setzt Regeln voraus, durch 
deren Grundiegung allererst ein Product, wenn es künstlich heissen sol!, als 
möglich vorgesteilt wird ... die schone kunst (kann) sich selbst nicht die Regel 
ausdenken, nach der sie ihr Product zu Stande bringen soll. Da nun gleich- 
wohl ohne vorhergehende Regel ein Product niemals Kunst heissen kann, 
so mun die Natur im Subjecte (und durch die Stimmung und Vermogen 
desselben) der Kunst die Regel geben. 

Man sieht hieraus dass Genie ein Talent sei, dasjenige, wozu sich keine 
bestimmte Regel geben lasst, hervor zu bringen... dass es wie es sein 
Product zu Stande bringe, selbst nicht wissenschaftlich anzeigen könne, 
sondern dass es als Natur die Regel gebe. 



VAN HOOGERE LEVENSLEER. 245 

aan het genie te danken. De door Kant gestelde afgrenzing 
van de sfeer van het geniale is dus onaanvaardbaar. Wat 
echter in de definitie overblijft zijn deze twee bestanddeelen : 
vooreerst dat het genie regel geeft; vervolgens dat het 
werkt als natuur, d. i. niet regel volgend maar voortbrengend ; 
origineel. Het eerste beduidt den inhoud der geniale werk- 
zaamheid , het tweede de werkingswijze. 

Verscheidene definities van het genie beoogen de werkings- 
wijze als het voornaamste daaraan. Reeds Chr. Wolf meende 
dat het genie was een facilitas observandi etc. en dacht 
dus aan de praestatie-wijze , meer dan aan den inhoud 
der praestatie. De vergissing ligt hierin, dat men de 
sommige „genieën" neemt als de vertegenwoordigers van 
de genialiteit en men niet het algemeene begrip van genie, 
doch veeleer het bizondere begrip dier sommigen bepaalt. 
In die sommigen treft zeker hun werkings-wijze het meest. 
Bilderdijk is een genie om zijn produktief vermogen , niet 
om zijn produktie-inhoud; deze overvloed van arbeid en 
dit reageeren op alle indrukken, deze overmaat van werk- 
kracht is kenmerk van het genie. Niet de genialiteit maar 
het genie is aan waanzin verwant, daar deze verwantschap 
niet ligt in den inhoud der werkzaamheid, maar in de 
wijze der voortbrenging, zooals zij bij de sommigen haar 
overmaat bereikt. Het is zeer mogelijk dat een geniaal 
mensch geen genie zij , daar hij geniaal „den regel" aan de 
verschijningswereld aanlegt, zonder echter tot die overmaat 
van produktie in staat te zijn , waardoor de genieën zijn 
gekenmerkt. Willen wij het begrip der heroiteit bepalen in 
tegenoverstelling aan dat der genialiteit, dan hebben wij 
dus tusschen genialiteit en genie te onderscheiden, en 
bedoelen niet de spontane werkingswijze, maar den inhoud 
van den genialen aanleg, gelijk deze ook in den aard zijner 
voortgebrachte werken blijkt. ^ 



246 HET heroïsche: een hoofdstuk 

Kants definitie dan is in duidelijl<e overeenstemming met 
onze opvatting van de verstandelijkheid als tweeden staat 
van geestes-leven; zoodat de wijze waarop wij de genialiteit 
bepaalden, nl. „de verstandelijkheid als een kracht" van 
deze zijde een sterken steun erlangt. Het volgt echter, zoo 
genialiteit de macht is om de verschijning onder regel te 
stellen, dat zij niet het scheppingsbeginsel is der hoogste 
menschelijke werken van wijsheid en kunst, al mocht Kant 
zelf hier ook anders oordeelen. Immers deze hoogste werken 
zijn niet volgens een (ongeschreven en ondefinieerbaren , 
doch spontaan werkenden) regel; de regel is in hen slechts 
techniek en arbeids-methode ; maar zij zijn uit een beginsel. 
De plant groeit niet uit een regel maar uit een kiem, d. i. 
uit een centrum, of Subjekt, de Wereldrede, en zoo groeit 
ook het kunstwerk uit het subjekt, doch de regel is een 
objektsgesteldheid. 

De hoogste werken komen voort uit heroiteit, daar zij, 
en niet de genialiteit de hoogste geesteskracht is. Maar 
juist in de hanteering van den regel blijkt het geniale; en 
welke zijn de werken van den „regel"? de technische. De 
genialiteit regelt de natuur; zij wendt den regel des ver- 
stands aan om de natuur te onderwerpen ^). Wat het verstand 
ontdekt heeft en voorzien als manier om de natuur aan het 
begrip te onderwerpen , wordt door de genialiteit aangewend 
om de natuur te onderwerpen aan onze heerschappij. De 
natuur is zonder het verstand (de algemeenheid, wet of 
regel) een chaos en wij hebben de natuur voortdurend als 



1) Het is de genialiteit van Newton dat hij uit den val van 'n appel den 
regel verstaat der gravitatie in de natuur; en van Galilei dat hij in een 
slingerbeweging een komische wet ontdekt; en van Columbus, dat hij uit de 
voorstelling van een bol de onizeilbaarheid der aarde begrijpt; en van Galvani 
dat hij uit de trekkingen van kikkers het galvanisme afleidde. De regel die 
algemeen geldt op te maken uit het geval dat zich eens voordoet, en dan de 
natuur onder dien regel te begrijpen, ziedaar genialiteit, macht des verstands. 



VAN HOOGERE LEVENSLEER. 247 

chaos tegenover ons, daar zij op elk tijdstip een tegenstand 
is voor onze belangen (zonder welken tegenstand wij onze 
belangen niet zouden kunnen uitvoeren). Deze chaos wordt 
met het zwaard van den regel bestreden, doch nooit over- 
wonnen. Slechts de heroiteit overwint. De ongeschiktheid 
der natuur voor de menschelijke vliegkunst wordt bestreden 
met de vliegmachine; de ongeschiktheid onzer lichamelijke 
natuur tot aflegging van lange afstanden in korten tijd 
wordt bestreden met het rijwiel. De uitvinding van den 
rondboog, van het kruisgewelf; de aquadukten van het 
oude Rome; het dijkenstelsel in Nederland; de toepassingen 
van stoom en elektriciteit — dit alles is een regeling van 
den chaos, door aanwending van de regelen des verstands 
ten bate onzer heerschappij. Ziehier de verstandelijkheid 
als een kracht, de genialiteit, in hare werken haar natuur 
vertoonend. Genie is kunnen; het is de goddelijke vonk, 
in zoover als het menschelijk vernuft, in onderscheiding 
van het simpele dierenverstand, een goddelijke bliksemstraal 
is, waardoor de mensch middelen vindt tot zijn meest 
onbereikbaar geachte doeleinden. In hoogste instantie mag 
slechts het heroïsche een goddelijke vonk heeten. 

Er is nu ook aan alle kunst zooveel genialiteit als er 
techniek aan is. Een geniaal pianist is niet de hooge, maar 
de vaardige kunstenaar; en daar de hooge kunstenaar eerst 
dan de aandacht der menschen overmeestert, wanneer hij 
ook een vaardige kunstenaar is, verschuift men licht (doch 
ten onrechte) het begrip der genialiteit naar de hoogte en 
Jekent zijn „hoogte" zijn genialiteit te zijn. De techniek als 
een vermogen om den regel aan den chaos op te leggen 
heeft van ouds de gemoederen met ontzag vervuld en deed 
de werken, welke zij voortbracht, met het epitheton „god- 
delijk" vereeren. In het oude Testament geldt Nimrod om 
zijn groote jagersvaardigheid als een geducht jager „voor 



248 HET heroïsche: een hoofdstuk 

het aangezicht van Jahve". Het geslacht der reuzen heet er 
zonen Gods , en hetgeen boven de maat van het alledaagsche 
vermogen uitsteekt wordt licht als werking der godheid 
bevroed. In Hellas is het niet anders, en zelfs in de Per- 
uaansche taal wordt een woord (huacha) van gelijke beteekenis 
aangewend om het ontzag uit te drukken voor al het boven- 
matige, zelfs voor een zeer hoogen berg en een zeer sterk 
wild dier. Dit alles beduidt een ontzag voor de regelende 
kracht: den strijd te voeren tegen de natuur, haar te dwingen 
naar menschen-inzicht, haar te regelen naar menschelijk 
belang — ziehier de genialiteit, voor welke van ouds de 
schare het verwonderde hoofd gebogen hield. 

Maar de heroiteit regelt niet, doch idealiseert. 

Terwijl de genialiteit den chaos bestrijdt met den regel , 
vermag de heroiteit den chaos te overwinnen met het ideaal. 



V. 

De heroiteit idealiseert het lot. Het lot der heroiteit. 

Op een verzinkend wrak een middel uit te vinden tot 
redding der opvarenden is geniaal : op een verzinkend wrak 
de laatste te blijven en bij het reddingswerk de andere te 
laten voorgaan is niet geniaal doch heroïsch. 

Een boek te schrijven, waarin de verwarde vraagstukken 
van het maatschappelijk leven hun lijn van oplossing vinden 
is geniaal: een persoon te zijn in wiens optreden de maat- 
schappelijke konflikten zich terust leggen is niet geniaal 
doch heroisch. 

Een procédé te vinden, waardoor de kunstenaar op veel 
geschikter wijze dan te voren in staat is zijn geestelijken 
inhoud aan de stof te uiten , en daardoor een hervorming 
en nieuwe fase in de kunst voort te bereiden (gelijk aan 



VAN HOOGERE LEVENSLEER. 249 

de uitvinding der olieverfschilderkunst zulke beteekenis wordt 
toegekend) is geniaal ; doch een kunstwerk te scheppen als 
van Eijck's adoratie van het Lam of Michel Angelo's Six- 
tijnsche dek, is niet geniaal doch heroïsch. 

Een verkregen inzicht zoo overal toe te passen; zoozeer 
alle aangebrachte materie te schikken en te vormen , dat zij 
als stof voor het inzicht dienstbaar wordt, is geniaal; maar 
een inzicht te hebben, waarin de tegenstrijdigheden der 
ervaarbare wereld tot een harmonie verzoend zijn, dit 
wederom is niet geniaal doch heroïsch. 

Uit gegeven historische feiten en aanwezige omstandig- 
heden een toekomstigen afloop van gebeurtenissen scherp- 
zinnig te voorzien is geniaal ; maar in welken afloop óok de 
lijnen van het geheel te bespeuren en de aanwezigheid der 
ideale werkelijkheid te verstaan, is niet geniaal doch heroïsch. 

Iemand kan een 'geniale bedrieger zijn , zooals de samen- 
steller van het weleer befaamde Oeralindabok; of een geniaal 
inbreker, en een geniale spekulant; maar een heroïsch be- 
drieger is onbestaanbaar. 

De heroiteit idealiseert het lot (vergeestelijking), zoodat 
het zijn chaotisch karakter verliest, en in de idee des Ge- 
heels plaats heeft; en wel door centralisatie (verg. § II): 
de heroïsche persoon zelf is de centrale figuur, door welke 
het Lot deze verandering ondergaat. 

Wij zeiden reeds dat „idealiseeren" beteekent: invoegen 
in het verband des Geheels. Het half-romantisch misverstand , 
dat aan dit begrip de beteekenis toekent eener uitwissching 
van het aanstootelijke , is niet geheel onjuist, doch is de 
verschuiving van het ware begrip tot een onwaarheid. 
Immers wie in de onwijsgeerige beteekenis des woords van 
idealiseeren spreekt , bedoelt een verfraaiing der verschijning , 
waarbij de harde en scherpe kanten zijn afgeslepen en de 
minder zichtbare, maaf beminnelijker eigenschappen in 



250 HET heroïsche: een hoofdstuk 

relief treden. Tegenover de maatschappelijke beschaving in 
haar ontaarding staat het natuurlijke leven; en de behoefte 
om het onrecht en kwaad der maatschappij te ontvlieden , 
zocht voor het leven natuurlijke modellen aan te wijzen in 
een eenvoudigen stand der samenleving, als landvolk en 
zwervers. Zoo bestond neiging om deze lieden in tegen- 
stelling te zetten met de kultuurmenschen en derhalve het 
kwaad , in den kultuurmensch aangetroffen , in den natuur- 
lijken mensch te ontkennen. Dit pasklaar maken naar den 
smaak van onze wenschen , waarbij de herder tot een jongen 
poëet, de landman tot een beminnelijken weldoener wordt 
vereenzijdigd , en het schaap blauwe strikjes draagt, is 
idealiseeren in de onjuiste aanwending des woords. De 
idealiseerende romantist behoeft een onwaarheid om te 
vormen een hooger beeld. Hij gaat uit van zijn wensch 
en niet van het ideaal, de idee des geheels; hij door- 
grondt niet, maar speelt met een begrip. Wat hiervan waar 
is, is de behoefte aan hooger beeld; maar de manier, 
waarop hij aan die behoefte voldoet, is van alle waarheid 
gespeend. Slechts in dit opzicht, dat dit idealiseeren een 
behoefte aan hooger beeld veronderstelt, geeft de aldus 
toegepaste term „idealiseeren" een aanwijzing tot zuiver 
begrip. Het zuivere begrip van „idealiseeren" is: invoegen 
in de idee des Geheels. 

Waarin bestaat het nu dat het Lot in het verband des 
Geheels wordt ingevoegd? Immers in de aanwending ervan 
tot de konsummatie des levens. De heroische mensch wendt 
het Lot aan tot bereiking van een geestelijk hoogtepunt waarin 
het leven zich voltooit. 

Een louter passief gedrag laat het lot over ons meester 
zijn, waardoor het leven zelf tot het chaotische terugkeert 
en de mensch daalt tot de hoogte der zinnelijkheid; ge- 
zweept door de indrukken van tegenover hem, en tegen 



VAN HOOGERE LEVENSLEER. 251 

zichzelf verdeeld naarmate van de veranderlijke lotskansen 
en wisselende koersen der lotsbeschikking. Hier verschijnt 
de lijder of passieve figuur, gelijk Spinoza hem in het 
derde boek zijner Ethica heeft aangewezen en ontleed. 
Maar de „aanwending" is een aktief gedrag, waarbij van 
een centrum wordt uitgegaan. Evenzeer als de bouwmeester 
verordent de steenen, die te voren onverbonden (chaotisch) 
uit de rots gehakt lagen, samen te brengen en tot een 
systeem van orde (gebouw), dat uit één princiep gekon- 
strueerd is, samen te voegen; aldus het chaotische in- 
voegend in verband des Geheels — evenzeer is de heroïsche 
mensch een aanwender van het lot, die de chaotische 
gevallen en beschikkingen transponeert in een ideale 
orde. De wijze waarop hij reageert is niet een verspild 
worden door het geval, maar een aanwending om het 
hoogtepunt zijns levens te bereiken, gelijk Socrates de gift- 
beker dronk, en gelijk Leonidas van het ondervonden verraad 
een der verhevenste oogenblikken schiep uit Hellas' historie. 
Men ziet: deze aanwending verplaatst het lotgeval uit 
het objektieve in de sfeer der subjekts. Niet de loop des 
lots, maar zijn waarde wordt veranderd door de aanwezig- 
heid van het heroïsche. Het is niet meer een van buiten 
aankomende gebeurtenis, maar het is een in den kring van 
het heroïsche leven bestaande aanleiding tot edele houding. 
Het verraad van Ephialtes is niet meer een chaotisch feit 
uit de Grieksche historie, maar is een aanleiding in het 
leven van Leonidas tot zijn heroisch gedrag. De giftbeker 
is voor Socrates de aanleiding tot zijn geestelijk hoogtepunt. 
Dit is: de opname in het verband des Geheels; immers 
opname in de orde van het geestes-leven van een heroischen 
mensch, uit welk gezichtspunt alsdan het lot zijn toevallig 
en chaotisch karakter verliest, daar het nu niet meer loutere 
objektiviteit, zinledige toevalligheid is, maar in een hooger 



252 HET heroïsche: een hoofdstuk 

verband is opgenomen, De wijze waarop deze geestelijke 
idealiseering volbfacht is door Cliristus, gelijk zij ook op 
die wijze in het eerste Christendom werd geïnterpreteerd 
(Evang. van Johannes XVI, 33: ik heb de wereld over- 
wonnen) is lichtend als de dag. 

Het lot wordt geïdealiseerd door centralisatie. Daar nu 
de heroiteit is de redelijkheid als kracht is het niet zoozeer 
de klaarbewuste centrale gedachte als wel de heroïsche 
persoonlijkheid zelf, die hier als centrale figuur optreedt. 
Op hem loopt het geweld dood , de stormen leggen zich 
voor hem neer, en de wilde dieren verlaten hun woesten 
aard gelijk voor den musiceerenden Orfeus. Door hem 
verschuift het aspekt des lots en wordt uit andere gezichts- 
hoek gezien; de gebeurlijkheden hebben een centrum ge- 
vonden en zijn daardoor uit de zinnelijke toevalligheid in 
de orde der eeuwigheid overgebracht. Zoo wordt de schip- 
breuk een bestanddeel van de verheerlijking eener helden- 
figuur en zoo behoort de giftbeker tot het leven van Socrates. 
In dit opzicht is de overwinning van de Idee op den chaos 
verkregen : het lot is geïdealiseerd. 

Deze zelfde „houding" nu is het, die wij in kunstenaars 
en denkers opmerken. Niet slechts naar den inhoud hunner 
werken, maar naar den aard van hun geestelijk wezen 
beoordeeld, gelijk dit in hun werken blijkt, zijn zij ideali- 
seerders van het Lot. Een kunstenaar te zijn , die de adoratie 
des Lams kan schilderen gelijk van Eijck, of de dekschildering 
in de Sixtijnsche kapel maakt als Angelo; of de lijnen der 
werkelijkheid in hun samenloop en eenheid in te zien, 
zooals het opperste denken vermag — ziehier een verheffing 
der bewustheid, een hoogtestand van geestelijk leven, 
waarin de beschavingsgeschiedenis der menschheid een 
konsummatie-punt bereikt; daarin verklaart het Lot zich 
tot redelijkheid: die hoogten geven zin aan de historie. In 



VAN HOOGERE LEVENSLEER. 253 

de heroïsche momenten wordt de historie tot een helden- 
drama, terwijl zij in de onbeschaafde volken in de laagte 
van het chaotische stil blijft staan. 

In deze overwinning van de Idee op den chaos is de geest 
vrij geworden van de natuur. 

Van uit de gedachte eener idealiseering van het lot, 
wordt nu ook het lot van het heroïsche zelf begrepen. 
Vermag de heroïsche mensch het lot te idealiseeren, dan 
kan de ondergang zijn lot niet zijn. De empirische levens- 
loop is geen aanwijzing der ware levenslijn; maar ook 
bestaat in de ervaarbare wereld geen wet des ondergangs 
van het heroïsche. Alexander de Groote spoedt na zijn 
wereldoverheersching zich ten val en Nietzsche wordt krank- 
zinnig: doch ziehier de ondergang van het geniale. Daar 
het geniale geen volkomenheid heeft en het genie geen 
komplete mensch is, is daarin het beginsel van ondergang 
vervat; er zijn personen, die wel een heroïsche hoogte 
bereikten, doch door overwicht van genialiteit, aan de wet 
van het geniale gebonden waren en ten ondergang bestemd, 
gelijk Beethoven krankzinnig werd. 

Maar de mensch als heroïsche beleeft geen ondergang. 
Socrates is niet ondergegaan en vooral Christus niet. De 
Griek heeft in zijn noodlotsbegrip den genialen mensch 
voor oogen; het is de d^Qig (overmoed) welke hij in zijn 
held bespeurt, en om die v^Qig kan de held niet blijven 
leven. Zij is een overschrijden van de maat. Oedipus over- 
schrijdt de maat daar hij het raadsel der Sfinx oplost; 
deze oplossing nu was zijn bewijs der genialiteit. Xerxes, 
Ajax, Prometheus zijn allen overtreders van die wet der 
matiging, welke aan menschen gesteld is; zij zijn overmatige 
kenners en daardoor overmoedigen; maar dit is genialiteit 
en geen heroiteit. Mag dus de tragische ondergang voor 



254 HET heroïsche: een hoofdstuk 

het Helleensch intellekt een wet des levens gebleken zijn , 
dan is het toch niet de heroïsche geestesstaat, welke in 
hun oogen hierdoor werd veroordeeld. Maar dat hun tragedie , 
gelijk in Oedipus in Kolonos en in het derde stuk der 
Prometheus-trilogie , toch van een herleving na den onder- 
gang wist, is een bewijs dat zij in deze helden nog een 
ander element dan de overmaat ontdekten: dat andere, het 
heroïsche, konden zij niet achten als ten ondergang bestemd. 
Het lot der heroiteit beweegt in de richting eener vereeniging 
met de Godheid. 

De Heroïsche mensch is zelf zijn lot; het lot gaat uit 
van zijn eigen aktiviteit, daar het slechts de stof aanbiedt 
welke door hem wordt vergeestelijkt. — Toch blijft in elk 
leven het chaotische als een onverteerbare rest, een mis- 
schien zeer ver verschoven, maar niet vernietigde grens 
der heroïsche kracht. 



VI. 

De psychische geaardheid van het hero- 
ïsche: het willen. ' 

De idealiseering der instinkten. 

De volledige mensch en de universeele 
houding. 

Wij hebben het heroïsche beschreven als een geestelijke 
gesteldheid: de geest is Idee, en het geestelijk leven is een 
manifestatie der Idee aan den chaos; het geestesleven is 
dus in eerste instantie een denken, en bereikt zijn hoogsten 
staat in de redelijkheid. Maar de Idee heeft aktiviteit (zij 
is tevens Daad) weshalve ook het denken met aktiviteit 
begaafd is: de redelijkheid is tevens kracht. De redelijkheid 
als kracht is heroiteit. 

Hebben wij nu deze kracht beschreven in haar uitwer- 
king, er is nog een aanwijzing over haar psychisch karakter 
noodig; afgezien van alle uitwerking heeft een geesteskracht 



VAN HOOGERE LEVENSLEER. 255 

een zekere psychische geaardheid overeenkomstig haar hoogte 
in het geheele geestesplan. Deze hoogte hangt daarvan af 
of zij de kracht der zinnelijkheid, der verstandelijkheid , 
of der redelijkheid is. Er zijn drie hoogten van aktiviteit: 
brutaliteit, genialiteit, heroiteit. Zoo zijn er drie hoogten 
van psychische geaardheid der geestelijke kraclii: 

het begeeren; 

het streven; 

het willen. 

Brutaliteit begeert. Genialiteit streeft. Heroiteit wil. 

Het spreekt vanzelf dat het spraakgebruik deze benamingen 
door elkaar werpt, en dat ook het bezinnend denken geen- 
zins eenstemmig is over haar aanwendingen. Maar het 
hoofdbelang is hier een juiste onderscheiding van de 
momenten vast te stellen, en daarvoor uit het spraakgebruik 
een naam te kiezen, welke het meest gepast schijnt. De 
benaming is een etiket, maar welks beteekenis toch alleen 
wordt verstaan uit den wijn, die daardoor geëtiketteerd 
wordt: niet andersom de wijn uit het etiket. Zoo worde 
ook hier de zaak verstaan en bepaald, en de benaming niet 
uit zichzelf, maar uit deze bepaling begrepen. Dat „begeeren" 
voor een lageren staat van aktiviteit genomen wordt dan de 
term „willen" is overigens een vaststaande onderscheiding. 

In de begeerte overheerscht de negativiteit, het chaotische, 
daar de begeerte een reaktie is op een van buiten ons eigen 
zielsgebied aangekomen prikkel. De begeerende mensch is 
een ongeordende wereld, een chaos. Dit is de psychische 
natuur der „brutaliteit". 

De verstandelijkheid als kracht begeert niet, maar streeft. 

Men kan tegen deze uitspraak niet aanvoeren de des- 
organisatie van geniale personen (sexueele uitspatting, 
melancholie, neiging tot zelfmoord, zoodat hier de geniali- 



256 HET heroïsche: een hoofdstuk 

teit of „verstandelijkheid als kracht" wel degelijk met een 
chaotische begeerte gepaard ging. Dit gepaard gaan is zeer 
mogelijk, maar de genialiteit bestaat niet daarin. De geni- 
aliteit streeft, en streven is regeling der begeerte. Evenals 
de verstandelijkheid het zinnelijk bewustzijn onder regel 
stelt, zoo wordt de begeerte onder regel genomen door de 
genialiteit. De geniale aktiviteit is een geregeldheid van 
begeerte — in welke geregeldheid de chaotische natuur 
van het begeeren bestreden wordt. Want „regel" beteekent 
hier de vaste lijn van motief tot doel. 

Napoleon's geestes-aktiviteit is niet een heerschzucht als 
begeerte; want deze heeft geen verdere strekking dan de 
direkte bereikbaarheid, en bepaalt zich tot een opdringen 
van eigen voorkeur en besluit aan personen met welke 
men in aanraking komt. De begeerte werkt onmiddelijk en 
wenscht dadelijke voldoening; de geslachtsbegeerte is hier 
een voorbeeld; de zucht naar sterken drank, de begeerte naar 
verandering van levensomstandigheden , de zucht om rijk te 
worden , de haat — zij alle als begeerte (tenzij door de verstan- 
delijkheid geregeld) jagen een onmiddelijke voldoening na. 

Maar in het streven wordt dit onmiddelijke, dat niets 
anders dan het chaotische is , bestreden en geregeld uit de 
gedachte der orde. Dit is de vóóroefening der idealiseering, 
gelijk ook het verstand aan den chaos regel oplegt, door 
klassificeering en wetsbegrip. Hetgeen nu heerschzucht 
heette, wordt een streven naar staatkundige macht, d. i. 
naar een orde van zaken overeenkomstig eigen inzicht. Op 
deze orde gericht, verbreed tot vastheid van voornemen, met 
zedelijke en aesthetische motieven verbonden, is de aard 
der heerschzucht zelf veranderd , verbreed , verhoogd , gesteld 
onder den regel der algemeenheid en der orde. 

De kultuurgeschiedenis geeft deze regeling der begeerte, 
van chaotischen toestand tot ordelijk en beraden streven 



VAN HOOGERE LEVENSLEER. 257 

overal te zien: zijn niet lionger, dorst, geslaclitsdrift , heb- 
zucht, tooizucht, behoefte aan lijfsbescherming, strijdlust, 
verkeersbehoefte de instinktieve begeerten, die op hooger 
plan gebracht en tot streven geadeld, de beschaving en 
historische samenleving hebben geschapen? 

De begeerte nu heeft als reaktie een opzicht van aktiviteit, 
maar het passieve is daarin overheerschend, daar de uit- 
wendige aanleiding en niet het centrum des eigen wezens, 
de chaos en niet de Idee hier nadruk heeft. 

De aktiviteits-aard van het heroïsche is het willen. Men 
bedenke echter dat willen niet „vermogen tot handeling" be- 
teekent; doch innerlijke aktiviteit; want het handelen of 
overgrijpen in de materieele sfeer volgt het zekerst op de 
begeerte en in mindere noodzakelijkheid op het streven; 
en bij het willen is deze overgrijping het minst noodzakelijk. 
Het kan zijn dat de heroïsche wilsaard zich in werken 
ontlaadt — maar daartoe moet de wil zich met begeerte 
verbinden. Het willen als zoodanig is alleen innerlijk, het 
is de aanname eener innerlijke houding. Om deze reden 
wil ook Spinoza onder „wil" niet de begeerte verstaan, waar- 
door ons gemoed zich wendt tot of afkeert van bepaalde ob- 
jekten , maar de kracht, waarmee de geest waarheid bevestigt 
en onwaarheid ontkent ^). De waarheid nu is niet een theore- 
tische stelling, maar de wezenlijke inhoud onzer natuur; gelijk 
de onwaarheid de onware werkelijkheid is, d.i. de chaos, het 
bloot instinktieve. De wil is dus de kracht waarmee het wezen- 
lijke (de Idee) zich in het leven verwerkelijkt aan het chao- 
tische; het heroïsche in het opzicht zijner psychische natuur. 



1) Eth. H. Prop. 48. Schol. ... me per voluntatem affirmandi et negandi 
facultatem, non autem cupiditatem intellisere; facultatem, inquam, intellipo, 
qua mens quid veriim qiiidve faisum sit, affirmat vel negat, et non cupiditatem 
qua mens res appetit vel aversatur. 

17 



258 HET heroïsche: een hoofdstuk 

Terwijl nu in de begeerte (zinnelijkheid) de geest (Idee) 
in het objektieve , chaotische , instinktieve als 't ware onder- 
duikt, en in het streven (verstandelijkheid) zich weer daar- 
boven heft, bevestigt hij zich in den wil, door uitgangspunt 
te nemen in zichzelf, centraal bewust, autonoom, uit zich- 
zelf heerschend, zelf princiep zijns gedragens zijnde. De 
Idee overwint den chaos door te willen. 

Hier zijn de instinkten (die in de begeerte hun onbewuste 
ordelooze werking oefenden) geïdealiseerd. De chaos wordt 
niet ter zijde gesteld. Honger, geslachtsdrift, strijdlust enz. 
verdwijnen niet in de redelijkheid, want de Idee moet stof 
hebben, waaraan zij zich oplegt, gelijk de beeldhouwer 
materiaal noodig heeft. In het hoogere geestesleven, mora- 
liteit, aesthese , religie zijn de instinkten door idealisatie 
getransponeerd. In de geestelijke liefde is een idealiseering 
van de geslachtsdrift, gelijk uit de middeleeuwsch-mystieke 
geschriften en liederen kan bewezen worden. Ook honger, 
dorst, behoefte aan bescherming kunnen idealistisch ge- 
transponeerd worden tot moreele, aesthetische en religieuse 
aandoeningen. 

Deze idealiseering is mogelijk, daar aan alle geestelijke 
krachten ook aan de instinkten een opzicht is van aktiviteit, 
en van dit punt uit de verheffing tot den hoogtestand der 
redelijkheid kan volvoerd. De instinkten zijn de stof, die 
eerst tot de troebele halfbewustheid der begeerten, maar in 
hoogste instantie tot de klare bewustheid des willens wordt 
overgezet. 

De idealiseering geschiedt ook hier door centralisatie: 
de Idee als het centrale princiep des levens brengt het 
chaotische in haar verband , en idealiseert aldus het instinkt 
tot wil. Het willen nu is hier zedelijke imperativiteit, daar 
aesthetische eros, elders religieuse verheffing. 

De heroiteit begeert niet, streeft niet, maar wil. 



VAN HOOGERE LEVENSLEER. 259 

Op deze hoogte is de aktiviteit volledig; en ook hier 
blijkt de heroïsche te zijn de kompleete mensch. „In hem 
woont de volheid van het goddelijke gestaltelijk." Immers: 
de mensch uit zijn centrum levend leeft uit het wereld- 
centrum: het centrale is aansluiting bij het centrum des 
Universums zoodat in het heroïsche een verheffing is tot 
eenheid met de Godheid. Deze universaliteit van het heroïsch 
karakter werpt de scheidswanden van de empirische wereld- 
gesteldheid omver. 

De tegenstelling der sexen, maatschappelijke klassen, 
natiën, rassen en tijdperken berusten op verschillende ge- 
aardheid van de instinkten en behooren dus tot het chaotische. 
Deze onderscheiden als scheidswanden te achten , door geen 
geestelijke vlucht overstegen ; en de ras- of sexe- of nationale 
eigenschappen als de verklaringsgronden te achten van de 
menschelijke werken , is een beschouwing welke zich geens- 
zins tot de hoogte van het heroïsche verheft. Evenmin als 
de instinkten zijn de sexen of rassen uitwischbaar, maar 
evenzeer als het willen het instinktieve overwint (niet: uit- 
wischt) overtreft in het heroïsche het universeele het parti- 
kulaere; en zijn de ras- of sexe- of klasse-eigenschappen 
aanleiding tot een universeele houding, die Germaan en 
Israëliet, kapitalist en proletarier, man en vrouw vereenigt — 
voorzoover zij de heroïsche hoogte hebben bereikt. Deze 
waarheid is ten stelligste uitgesproken door een man, wiens 
liefde was dat hij Israël en Hellas verbond, en wiens blik 
in dezen dieper reikt dan van den Spinozahater Houston 
Chamberlain. Ik doel op het Paulinisch woord „hierin is niet 
Griek of Jood, dienstbare of vrije, Barbaar of Skyth." De 
stelling ware misschien te verdedigen, dat de heroïsche 
werken der kultuurgeschiedenis een synkrasie der raseigen- 
schappen veronderstellen, daar Hellas uit het Semitisch 
oosten, de Germaansche kuituur uit het Oude Testament, 



260 HET heroïsche: een hoofdstuk enz. 

Israël door Babyion misschien uit het Indo-Germaansch 
Indie, de Germaan Goethe uit het Romaansch Italië, Dante 
uit Germanië een aansporing ontvangen hebben, zonder 
welke de hoogte niet zou zijn bereikt. 

Hoe dit ook zij : de heroïsche werken spreken een alge- 
meen menschelijke taal , door tegengestelde sexen , rassen , 
tijdperken, klassen, natiën verstaanbaar. Er is een gemeen- 
schappelijke trek in hetTao te king, het Johannes-evangelie, de 
Bhagavad Gita, Plotinus'Enneaden, de Sufistische leer,Eckharts 
Predigten, Spinoza's Ethica — een overstijging van het 
nationale in de richting dier algemeen-menschelijkheid, waarin 
de Idee den chaos overwint en het instinkt idealiseert. 

In het heroïsche willen is ook naar deze zijde de mensch 
niet meer fragment, doch geheel. 



VII. 

De heroïsche werken. 

Wij vingen deze studie aan met een woord over de 
heroïsche werken. Zij zijn de hoogte-punten der kuituur en 
de gedenkteekenen van den menschelijken adel. De geestes- 
gesteldheid, welker begrip wij hebben ontwikkeld, is voor- 
waarde tot het totstandkomen dezer. De heroische werken 
zijn eerst uit het begrip der heroiteit begrijpbaar. Dat een 
Faust-tragedie is gedicht, een Johannes-Evangelie geschreven 
een Parthenon gebouwd, is begrijpelijk uit den heroischen 
geestes-staat. Deze werken reflekteeren de Idee, die de 
levensgrond is en wereldgrond, het Eeuwige Centrum, de 
Geest. Zij zijn als heroïsch kenbaar aan hun twee afme- 
tingen: diepte vereenigd met breedte. 

Zij zijn uitingen van het heroïsch enthousiasme. 



BOEK-BESPREKING. 



Hegei's Encyclopadie der Philosophischen Wissenschaften. 



Georg Wilh. Fiedr. Hegel's Encyclopadie der Philo- 
sophischen Wissenschaften, etc, für den Akademischen 
Gebraucli heraus gegeben von G.J. P.J. Bolland. 

Leiden, A. H. Adriani. 1906. 

De hoogste eisch die aan wetenschappelijke vorming gesteld 
mag worden is: begrip te hebben van het methodische en sys- 
tematische der Wetenschap, bedoeld als Philosophie, als zuivere 
algemeene encyclopaedische Wetenschap. 

Uit gemis van dit altijd en alom lichtgevende begrip tasten 
de beoefenaars der verschillende wetenschappen, ook zelfs de 
helderst-bewusten onder hen, wanneer zij, tot theoretische 
bezinning gekomen, naar het vermoede, doch nooit begrepen, 
gemeenschappelijk verband zoeken, dat de bijzondere weten- 
schappen te zamen houdt, in het duister. Nadenkende over 
beginsel en bedoeling van hun afzonderlijk vak van studie, 
begrijpen zij even weinig het onvermijdelijke van de beperkt- 
heid en ontoereikendheid der afzonderlijk gestelde principiën, 
als hun de ideële band ontgaat die de waarheden van alle weten- 
schappen verbindt. 

In alle verscheidenheid van bijzondere wetenschappen is er 
één : de Philosophie, die als de zuivere algemeene wetenschaps- 



262 BOEK-BESPREKING. 

leer, het geestelijk verband der wetenschappen is: vinculum 
scientiarum. ^). 

Pythagoras zou de eerste der Grieksche Wijzen geweest zijn, 
die uit bescheidenheid den ouden naam van Wijze weigerde, 
en zich met dien van Wijsgeer tevreden stelde. Doch de geleerde 
van onze dagen begeert niet eens wijs te worden. Hij is tevreden 
als hij ergens aan de peripherie van zijn afzonderlijke weten- 
schap werkzaam mag zijn, en richt zijn geest nooit naar de 
algemeene Idee, die ook uit het centrum van zijn wetenschap 
licht verspreidt. 

Het lumen naturale der Rede, door een der geestelijke voor- 
gangers der nieuwe wetenschap, Descartes, in de denkende 
beschouwing der wereld gebracht, werpt nog maar een matten 
schijn op het arbeidsveld der natuurgeleerden. 

De specialiseeringen der bijzondere wetenschappen, al meer 
uiteenwijkend in allerlei richtingen, hebben ook voor het uiter- 
lijke het verband eener algemeene wetenschap der Rede schijn- 
baar verbroken. De beoefening der afzonderlijke vakken van 
wetenschap, in onbewustheid van het gemeenschappelijk beginsel 
en doel der waarheid in een systeem der Idee, het centrum 
waarvan elk peripheer streven moet uitgaan, gelijkt op den 
arbeid van mijnwerkers in hun donkere schachten: arbeidende 
als doelloos voort in alle richtingen, hooren zij zelfs het kloppen 
van elkaar niet meer! 

De Philosophie is geen bijzondere wetenschap naast andere. 
Zij is van alle wetenschap, in 't bijzonder en in het algemeen, 
het principieele, het ware; of, zooals reeds Plato gezegd heeft, 
„een wetenschap van^iets anders dan van haarzelve én van 
de andere wetenschappen." 

In de middeleeuwen en lateren tijd was de Philosophie de 



1) In zijn rede pro Archia poeta zeide Cicero: Omnes artes quae ad liu- 
manitatem pertinent habent quoddam commune vinculum et quasi cognationc 
quadam se continentur," en in het derde boek van zijn werk „de Oratore" 
schreef hij : „Est ilia Platonis vera vox omnem doctrinam harum ingenuarum 
et humanarum artium uno quodam societatis vinculo contineri" 

Roger Bacon schreef: „Omnes scientiae sunt connexae et mutuis se fovent 
auxiliis, sicut partes ejusdem totius, quarum quaelibat opus suum peragit, 
non solum propter se, sed et pro aliis." Geciteerd volgens Boliand's uitgave 
van Hegei's Ene. d. ph. W. pag. XXXVI. 



BOEK-BESPREKING. 263 

dienstmaagd der godgeleerdheid: ancilla theologiae. En nog 
wordt zij aan de Universiteit vernederd tot Assciiepoester; of 
zij zwerft bekommerd rond als Hagar in de woestijn; of zij is 
verstooten en verlaten en van alles beroofd als Hecuba, zij, 
moeder van zooveel kinderen. 

„Es war eine Zeit", zegt Kant in de voorrede van zijn Rede- 
critiek, „in welcher sie die Koningin aller Wisschenschaften 
genannt wurde. Jetzt bringt es der Modeton des Zeitalters so 
mit sich, ihr alle Verachtung zu beweisen, und die Matrone 
klagt, verstossen und verlassen, wie Hekuba: modo maxima 
rerum , tot generis notisque potens — nunc trahor exul „inops." — 
Ovid. Metam. 

De onlangs overleden philosoof Eduard von Hartmann schreef 
in denzelfden geest: „Die Philosophie muss im Bewusstsein der 
Vertreter der modernen Wissenschaft die Stelle als Koningin 
der Wisschenschaft, oder als Wissenschaft der Wissenschaften, 
namlich als einheitliche Totalitat und inneres Band des mensch- 
lichen Erkenntniss Systems eingeraumt werden," ^) 

En een natuurphilosoof van dezen tijd, Ernst Haeckel, zegt, 
in overeenstemming met de woorden van Kant en Eduard von 
Hartmann en ook in den geest van Plato: „Die voraussetzungs- 
lose und furchtlose Philosophie will durch muthige Enthüllung 
des „verschleierten Bildes von Saïs" zur vollen Anschaung der 
Warhheit gelangen. Die wahre Philosophie darf sich in diesem 
Sinne mit Stolz und mit Recht die Königin unter den Wissen- 
schaften nennen". '^). 

Men heeft de Philosophie als de eerste en voornaamste der 
wetenschappen, als Tigonr] onttroond, toen de chaos zich uit- 
breidde in de natuur-wetenschappelijke wereld. „Jetzt, nachdem 
alle Wege vergeblich versucht sind", zegt Kant, „herscht Ueber- 
druss und ganzlicher Indifferentism , die Mutter des Chaos und 
der Nacht in Wissenschaften" maar, zoo voegt de Konings- 
berger wijsgeer met prophetische helderziendheid toe, „aber 
doch zugleich der Ursprung, wenigstens das Vorspiel einer 
nahen Umschaffung und Aufklarung". 



1) Moderne Probleme. pag. 137. 

2) Ernst Haeckel. Die Lebenswunder, pag. 3. Stultgart 1904. 



264 BOEK-BESPREKING. 

Na den nacht en den chaos breekt de dag aan van het alles 
verhelderend begrip. 

Een der teekenen, een daad vol beteekenis, is de nieuwe 
(5e) uitgave van Hegel's Encyclopaedie , het geniale en ontzag- 
lijke ontwerp van het Systeem der Philosophische Wetenschap, 
waarbij alle wereldwijsheid betrokken is. 

Een kleine eeuw geleden, in Mei 1817 verscheen te Heidcl- 
berg de eerste uitgave, „eine neue-Bearbeitung der Philosophie 
nach einer Methode, welche wie ich hoffe, als die einzigwahr- 
hafte, mit dem Inhalt identische, anerkantt werden wird" (Hegel, 
Vorrede). Het werk verscheen in tweeden druk in Mei 1827 te 
Berlijn, gedeeltelijk omgewerkt, en vermeerderd niet uitvoerige 
exoterische opmerkingen om het voor het alledaagsche verstand 
begrijpelijker te maken. De 3^ druk, Berlijn September 1830, 
werd ook nog door Hegel verzorgd. 

In 4en druk verscheen de Encyclopaedie, vergroot door toe- 
voegingen uit dictaten, als VI^ en Vlle deel ^) der „Vollstandige 
Ausgabe" van „Hegel's Werke" „durch einen Verein von Freunden 
des Verewigten", na Hegel's dood in 1831. De uitgave der 
Logica werd verzorgd door Lcopold von Henning, de Natuur- 
philosophie door Michelet, de Geestesphilosophie door Ludwig 
Baumann. 

En nu is de uitgave der Encyclopaedie in 1906 noodig ge- 
worden. Prof. Bolland laat het werk voorafgaan door een uit- 
voerige voorrede, rijk aan belangwekkende opmerkingen. 

De nieuwe verschijning der Encyclopaedie is een allermerk- 
waardigst teeken des tijds. De tijdgeest keert daarbij haar 
geestesoogen naar het Eeuwige. D. B. 



De ontwikkeling der antieke Piiilosofie en religie, in 
haren voortgang gesclietst, door Prof. Dr. A. Drews, ver- 
taald door Dr. A. H. de Hartog. Amersfoort P.Dz. Veen 1907. 

Niet ter inleiding in de Grieksche filosofie is dit artikel in de 
Preussische Jahrbücher geschreven, maar ter nabeschouwing 



1) Waarvan het Vlle deel eigenlijk twee boekdeelen vormt: VII 1 en VII 2. 
Men heeft eerst gemeend de Natuur- en de Geestesphilosophie in één boek- 
deel te kunnen vereenigen, doch na de uitgave van het Vlle deel bleek de 
stof te omvangrijk. 



BOEK-BESPREKING. 265 

van de geschiedenis der Grieksciie filosofie in haar geheel. Het 
is hier te doen om de grondgedachte, die als een eenheid de 
verschillende systemen en standpunten der filosofen verbindt. 
Deze grondgedachte nu wordt door den schrijver zoo bepaald 
dat het hoogtepunt van het Grieksche denken komt te liggen 
in het Neo-platonisme „het toppunt dat men tot nog toe ver- 
keerdelijk in de systemen van Plato en Aristoteles gezocht 
heeft." De voorrang dien Plotinus boven Plato hebben zou, is 
gelegen in zijn erkenning van den absoluten geest, terwijl 
Plato niet verder dan tot de objektiviteit des geestes, het 
systeem der ideëen doordringt. 

Bij Plato, meent de schr. ligt de subjektiviteit des begrips 
met de objektiviteit verward dooréén ; hoe het kennis-theoretisch 
begrip tegelijk de waarde van Objektieve idee heeft is voor Plato 
niet aanwijsbaar, (daar hij niet van de Idee zelve maar van het 
denken uitgaat). 

Het komt mij voor dat de schr. in deze beschouwing te zeer 
den rijkdom der Grieksche gedachte bepaald naar één hulplijn 
welke hij door de historie trekt. Daar het hem om de absolute 
idee te doen is, wil hij aan deze ook in de Helleensche filosofie 
de opperste waarde toekennen, en vraagt niet of de totaal- 
waarde van het platonische denken misschien grooter is dan 
van het Neo-platonisme; maar in hoeverre de absolute idee is 
benaderd. Deze waardemeter komt mij voor de Helleensche 
filosofie niet aannemelijk voor en het resultaat der waarde- 
bepaling: Plotinus boven Plato, evenmin. Dit neemt niet weg 
dat het artikel, om zijn vastgehouden hoofdgedachte en rijkdom 
van stof hoogst interessant is, en inlichtend over het Grieksche 
denken en gevoelen vooral in het Helleensche tijdvak. 

B. D. H. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 



Zeitschrift für Philosophie uud philosophischc Kritik. 

(Dr. L. Busse; Leipzig Voigtlander). 

Bd. 129 Heft 2. 

A. Oelzelt-Newin , Die unabliangigen Realitaten. 
W. Schallmaier, Auslesc beim Menschen. 
A. Meinong, Ueber die Stellung der Gegenstandstheorie iin 
System der Wissenschaften II. 

Bd. 130 Heft 1. 

A. Meinong, Ueber die Stellung der Gegenstandstheorie etc. III. 

Robert M. Wernaer, Das asthetische Symbol. 

Karl Groos, Beitrage zur Problem des „Gegebenen". 

, Archiv für Philosophie. 

(L. Stein; Berlin, Reimer). 

I. Abteilung (Archiv. für Geschichte der Philosophie). 

Bd. 20 Heft 2 (N. F. XIII, 2). 

K. Joel , Die Auffassung der kynischen Sokratik II. 

H. Gomperz, Zur Syllogistik des Aristoteles. 

W. Capelle, Zur antiken Theodicee. 

P. Hadelin Hoffmann, La Synthese doctrinale de Roger Bacon. 

II. Abteilung (Archiv für Systematische Philosophie). 
Bd. 12 Heft 4. 
Graf Keyserling, Ein Beitrag zur Kritik des Glaubens. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 267 

Frischeizen-Köhler, Ueber d. Grenzen der Naturwissenscliaftlichen 

Begriffsbildung. 
Maria Joachimi-Dege, Das Wesen des menschlichen Seelen- iind 

Geisteslebens I. 
Skala, Zum „Kritischen Idealismus". 

Seligmann, Der ökonomische Güterwert als Wille zur Arbeit I. 
Petronievics , Ueber die Wahrnemung der Tiefendimension I. 

Vierteljahrsschrift für WissenschaftUche Philosophie and 
Soziologie. (Paul Barth ; Leipzig , Reisland). 

31 Jahrg. Heft I (Marz 1907). 

Richard M. Meyer, Der Ursprung des Kausilitatsbegriffes. 
Kurt Geissler, Das Willensproblem. 
Georg Wernick, Der Wirklichkeitsgedanke. 
Paul Barth, Die Geschichte der Erziehung in soziologischer 
Beleuchtung VI. 

Kantstudien. (Vaihinger und Baueh; Berlin Reuther 
und Reichard). 

Bd. XI Heft 3, 4. 

W. Trost, Kants Teleologie. 

A. TumarKin, Zur transcendentalen Methode der Kantischen 

Aesthetik. 
R. Eucken, Ein neues Buch über Fichte. 
E. Sünger, Kants Auffassung von der Bibel. 
A. Messer, Die Philosophie im Beginn des XX Jahrhunderts. 
W. Reinecke, Eine französische Huldiging an Kant. 
I. Zahlfleisch, Zu Kants Kr. d. r. Vern. 651 (Kehrbach im Zus. 

d. Systems. 

Philosophisches Jalirbuch (Gutberlet; Fulda, Aktiendrukkerei). 

Bd. XIX Heft 4. 

Gutberlet, Eine Ethik des freien Wollens. 

Klimke, der Instinkt. 

Stehle, Die Phantasie und ihre Tatigkeit (Schluss). 



268 INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

Revue Philosophiquc de la France et de VEtranger 
(Ribot; Raris, Alcan). 

Décembre 1906 (31 Année, No. 12). 

A. Naville, La morale conditionelle. 

Dugas, La fonction psychologique du rire. 

Luqiiet, Logique rationelle et psychologisme. 

Egger, Une illusion visuelle. 

Richard, Les obscurités de la notion sociologique de l'histoire. 

Janvier 1907 (32 Année, No. 1). 

J. J. van Biervliet, La psychologie quantitative. 

A. Bertrand, Esthétique et psychologie. 

A. Bayet, Sur la distinction du normal et de palliologique en 

sociologie. 
J. Segond, quelques publications récentes sur la morale. 

Février 1907 (32 Année, No. 12). 

H. Robet, Un Métaphysicien amcricain contemporain, S. Royce. 
J. J. van Biervliet, La psychologie quantitative. 

F. Le Dantec, Methodes artificielles et naturelles. 

Revue de Philosophie (Peillaube; Paris, Chevalier et Rivière). 
Décembre 1906 (6 Année, No. 12). 

G. Domet de Vorges, Dieu infini. 

A. D. Sertillanges, La Connaissauce de Dieu. 

N. Vaschide et R. Meunier, La mémoire des rêves et la mémoire 

dans les rêves II. 
A. Veronnet, La matière, les ions, les électrons. 
G. Cazals, Une conception nouvelle de la personnalité. 
G. de Pascal, Revue critique de Sociologie. 

Janvier 1907 (9 Année, No. 1). 

J. Grasset, La fonction du langage et la localisation descentres 

psychiques dans le cerveau. 
Ch. Boucand, L'être et l'amour. 
A. Veronnet, La matière, les ions, les électrons II. 
J. Lebreton, L'infinité divine depuis Philon jusqu'a Plotin. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 269 

Mind (Stout; London , Williams and Norgate). 

New Series, No. 61. 

H. Rutgers Marshall, The time Quality. 

H. A. Prichard, A Criticism of the Psychologist's Treatment of 

Knowledge. 
C. Cator, The Structure of Reality. 
R. F. A. Hoernlé, Image, Idea and Meaning. 
T. M. Forsyth, The Gonception of the Unknown in English 

Philosophy. 

Proceedings of the Aristotelian Society (London, Williams & 

Norgate). 

New Series Vol. VI). 

H. Rashdall , Causality and the principles of historical evidence. 

Sh. H. Hodgson, Teleology. 

G. E. Moore, The nature and reality of objects of perception. 

J. Solomon, Is the Conception of Good undefinable? 

T. P. Nunn, The aims and achievements of scientific method. 

F. Tavani, On a certain aspect of reality as intelligible. 

F. B. Jevons, Timelessness. 

Schiller, Bosanquet & Rashdall, Symposium, can logic abstract 
from the psychological conditions of thinking? 

G. D. Hicks, Sense presentation and thought. 

G. F. Stout, New-Kantism as represented by Dr. Dawes Hicks. 
G. D. Hicks, Reply to Dr. Stout. 



BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE 

LOGICA BIJ HEGEL EN BIJ DE 

NIEUWERE DUITSCHE 

LOGICI. 

DOOR 

Dr. B. FADDEGON. 



I. 

Voornemens over eenige belangrijke plaatsen in Hegels 
kleine logica (eerste deel der encyklopaedie) te spreken 
in anderen geest dan waarin de Nieuw-Hegelsche school 
ten onzent dit gewoon is, acht ik het noodig, een paar 
algemeene opmerkingen aan deze detail-studie te doen 
voorafgaan en wel over de beide punten: welke beteekenis 
we aan de Hegelsche wijsbegeerte hebben toe te kennen, 
en van welken aard de zoogenaamde moeilijkheden dezer 
leer zijn. 

Aanstonds tot dit tweede punt weder terugkeerende, wil 
ik thans alvast bekennen, dat de moeilijkheden in Hegels 
geschriften mij geenszins van zulk een karakter schijnen te 
zijn, dat daaruit alleen het gemis van belangstelling, zoo 
langen tijd er door ondervonden, voldoende verklaard kan 
worden; nog minder zijn de moeilijkheden zoodanig, dat 
een overwinnen ervan ons een recht zou geven, om op- 
is 



272 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

anderen, die hun geestesarbeid op elders liggende, vaak 
geenszins gemakkelijker problemen hebben gericht, met 
een zekere vergevende meewarigheid neer te zien. 

Maar er is iets van meer gewicht: Hegel te begrijpen, 
hem te kunnen volgen, zich in zijn boeken thuis te gevoelen, 
wil volstrekt nog niet zeggen, door hem overtuigd te worden. 
De erkenning van Hegel te kunnen leeren, veel van hem 
te kunnen leeren, sluit volstrekt niet in, Hegel voor de 
wijsbegeerte te verklaren; Hegels verdiensten te kunnen 
waardeeren, staat volstrekt niet daarmee gelijk, dat men de 
hoofddenkbeelden zijner leer, als bijv. de dialectische ont- 
wikkeling van zijn categorieën-cirkel, zou kunnen aanvaarden. 

Inderdaad bestaan er, meen ik, hedendaagsche richtingen 
van wijsgeerig denken, van welke meer vrucht voor de 
toekomst van ons geestelijk leven mag verwacht worden, 
dan van de Hegelsche school. Mogen we daarom al dank- 
baar zijn, dat Hegel uit het stof der boeken ten onzent 
wederom tot een levende macht en tot iets meer (ver- 
trouwen we) dan een roerige beweging is „opgeheven"; 
mogen we al hopen, dat van deze groote daad, Hegel in 
ons land te doen herleven, althans zooveel blijve bestaan, 
dat de studie van dezen denker een nimmer ontbrekend 
bestanddeel zal worden van de wijsgeerige studie aan onze 
Hoogescholen — geenszins zou ik daaraan zulk een over- 
heerschende en uitsluitende plaats verzekerd willen hebben, 
als Hegelsche redelaars misschien „zonder het te zeggen, 
toch zeggen," dat ze eraan wenschen toegekend te zien. 

Afgescheiden van de vraag, welke beteekenis de Hegelsche 
wijsbegeerte voor de wijsgeerige vorming in 't algemeen 
heeft en welke plaats daarom bijv. hem in het Hooger 
Onderwijs dient te worden ingeruimd, zeker is het, dat 
Hegel in een geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte niet 
alleen een breede plaats moet innemen, maar ook dat zijn 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 273 

geschriften zich zeer wel als een inleiding tot die geschie- 
denis laten gebruiken. 

Op een drietal gronden laat deze groote beteekenis, aan 
Hegel toegekend, zich rechtvaardigen: 1. zijn stelsel is een 
der laatste groote en oorspronkelijke pogingen tot een alles 
omvattend wijsgeerig systeem, 2. het historisch karakter zijner 
leer, 3. de invloed, er door en op de latere wijsbegeerte en 
op de geestes-wetenschappen uitgeoefend. 

Op blz. 13 van zijn werk over Die Grenzen der natur- 
wissenschaftlichen Begrijfsbildung (\902) schrijft H. Rickert : 

„De moed des wetens is ons nu eenmaal gebroken, 
althans de moed in dien zin, als Hegel hem bezat. Ken- 
nis-theorie is voor ons een gewetenszaak geworden en we 
willen naar niemand luisteren, die verzuimt zijn gedachten 
door haar te rechtvaardigen. Misschien zal dit aan latere — 
en gelukkiger — tijden voorkomen als een teeken van 
zwakte 1" 

Maar als om den lezer weder op te beuren , voegt hij op 
blz. 14 hieraan toe: „Ook onze weg moet ten slotte tot 
een omvattende levens- en wereldbeschouwing leiden. Dit 
is een taak, waaraan geen tijd zich mag onttrekken." 

Eenheid van levens- en wereldbeschouwing, met andere 
woorden: systeem, stelsel, dit is ten slotte, wat als ideaal 
allen wetenschappelijken arbeid moet bezielen. De vraag, aan 
welke eischen onze wetenschappelijke redeneeringen moe- 
ten voldoen , een onderzoek naar ons oordeelen, moge onont- 
beerlijk zijn — het ideaal van een gesloten stelsel moet 
ons even goed voor den geest staan, wil alle wetenschap- 
pelijke arbeid niet ijdel worden. Even goed als in de ethiek 
het plichtbesef eenerzijds een punt van uitgang vormt, 
maar ze toch anderzijds het begrip van een Hoogste Goed 
tot aanvulling behoeft, aldus ook verlangt onze logica het 
Ideaal des Systeems. 



274 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

Zulk een ideaal nu somwijlen naar menschelijke krachten 
of liever met de krachten van het genie te zien uitgevoerd, 
vermag een reeks van nakomers den noodigen moed te 
geven, om den moeilijken weg verder te gaan. Plato en 
Aristoteles zijn in de oudheid tot zulk een geheel opge- 
stegen; maar hoeveel belangrijker, hoeveel inniger nog tot 
onzen geest sprekend, zulk een ideaal wederom te zien 
geteekend door eenen, die en door omvang van kennis en 
ook door zooveel eeuwen van historische wereld-ervaring 
boven de Oudheid verheven, slechts door een betrekkelijk 
kleine klove van ons, twintigste-eeuwers , gescheiden 
staat ! 

Maar behalve het feit, dat het Hegelsche stelsel een der 
laatste , zoo niet de laatste , grootsche poging geweest is , 
om stormenderhand het ideaal onzer wetenschap, Het Stelsel, 
te grijpen, ook de wijze, waarop het beproefd werd, en de 
invloed, dien het ondanks alle uiterlijke verguizing op het 
Europeesche geestesleven is blijven oefenen, maken het voor 
ons gewichtig. 

Een der meest in het oog vallende eigenaardigheden van 
het Hegelsche stelsel toch is, gelijk meermalen werd opge- 
merkt, de groote beteekenis, die voor haar de geschiedenis 
bezit. Datgene verder, waardoor vooral de historie zich van 
de natuurwetenschap onderscheidt, is de omstandigheid, 
dat naast verklaring hier bovenal beoordeeling, appreciatie, 
op den voorgrond treedt. Dit beoordeelende, teleologische 
karakter is ook aan de Hegelsche wijsbegeerte in hooge 
mate eigen. Men kan zelfs in zeker opzicht den categorieën- 
cirkel niet als een in zich zelf terugkeerende lijn beschouwen, 
maar als eene in één richting voortschrijdende, en hem 
aldus opvatten als een opklimmende waardeschaal. En of- 
schoon deze beschouwing van Hegels leer slechts ééne 
zijde van het stelsel is, toch is het niettemin een belang- 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 275 

rijk feit, dat het een zijde is. Zoo zegt Hegel in de tweede 
alinea van § 159 der Encyklopaedie: 

„Terwijl het begrip de waarheid is gebleken van zijn en 
wezen, welke beide in 't begrip als in hun grond zijn 
teruggekeerd, aldus heeft het zich omgekeerd ook uit het 
zijn als uit zijn grond ontwikkeld. De eerste zijde van deze 
voortbeweging kan men beschouwen als een „zich verdiepen" 
van het zijn in zich zelf, waarvan 't innerlijke door deze 
voortschrijding is onthuld; de tweede zijde is te beschouwen 
als te-voorschijn-koming van het meer volkomene uit het 
onvolkomene." 

Nog in andere opzichten komt het historisch karakter 
van de Hegelsche wijsbegeerte uit; men behoeft slechts te 
denken aan de groote beteekenis, die de geschiedenis der 
wijsbegeerte voor dit stelsel zelf bezit. De beoefenaar van 
dit laatste is daardoor telkens genoodzaakt, naar vroegere 
denkers terug te grijpen; en ook als zoodanig hebben zijn 
geschriften ongetwijfeld groote waarde voor het wijsgeerig 
onderwijs. 

Wat eindelijk Hegels invloed betreft op de geestes- 
wetenschappen, wil ik in plaats van de bewijzen, hiervoor 
gewoonlijk aangevoerd ^) , een voorbeeld aanhalen uit een 
gebied, waarmee ik indertijd door mijn academische studie 
van nabij kennis heb gemaakt. 

Wie de geschriften der laatste jaren over de vergelijkende 
Indo-Europeesche taalwetenschap gevolgd heeft, zal daar 
den naam Hegel zeker nimmer ontmoet hebben; men is 
geneigd te zeggen, dat van wijsgeerigen kant alleen Hum- 
boldt, Herbart en Wundt hier eenigen invloed hebben ge- 
oefend. En ook wanneer men de weinige en hoogst beknopte 
plaatsen , waar van taal sprake is , in Hegels Encyclopaedie 



1) Vgl. E. Bernheim, Lehrbuch der historischen Methode, 1894, biz. 531, en 
W. Wallage, Prolegomena to the study of Hegei's Philosophy, 1894, Ch. II. 



276 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

Opslaat, zou men hier allerminst eenigen invloed verwachten. 
Bovendien is Hegel in dit opzicht nog geheel van anderen, 
voornamelijk van Humboldt afhankelijk ; ook in diens meening, 
dat de taai-ontwikkeling slechts valt in praehistorischen tijd , 
terwijl met den aanvang der beschaving tevens een geleidelijk 
verval der taal een aanvang neemt. „Hetschijnt (zegt Hegel, 
Encykl. § 459, einde alinea 2), dat de taal der beschaafdste 
volkeren de onvolkomener grammatica; en dezelfde taal bij 
een onbeschaafder toestand van een volk een volkomener 
spraakkunst heeft dan bij een meer beschaafden." Overigens 
kan men deze geheele meening moeilijk uitsluitend aan 
Humboldt en Hegel toekennen; ze is niet anders dan het 
uitvloeisel geweest der gangbare overschatting van de beide 
klassieke en geringschatting der moderne talen. 

Schijnt het dus op het allereerste gezicht, dat Hegel op 
de taaistudie in 't geheel geen invloed heeft gehad, 'zoo 
blijkt bij nader toezien toch juist het omgekeerde 't geval. 
Doordat namelijk de verdienstelijke taalgeleerde Schleicher, 
de dialectische trichotomie in de taalontwikkeling heeft 
trachten aan te wijzen ^), heeft zich de invloed van Hegel 
ook in de moderne taalbeschouwingen doen gevoelen, zoo- 
wel in de taai-classificaties, die men in geografische werken 
pleegt aan te treffen, als ook in de hoofddenkbeelden der 
Indo-Europeesche taaivergelijking. 

Het boek van Otto Jespersen, Progress in Language, 
in 1894 verschenen, stelt zich ten taak beide denkbeelden 



1) Schleicher onderscheidde daarbij een „wortel-isoleerend," een „aggluti- 
neerend" en een „flecteerend" stadium. Hij omschrijft deze aldus (Sprachvgl. 
Unters., l, 10): „War das erste die differenzlose identitat von beziehung und 
bedeutung, das reine ansich der beziehung, das zweite die differenzierung in be- 
ziehungs- und bedeutungslaute — das heraustreten der beziehung in ein ge- 
sondertes, lautliches dasein für sich — so ist das dritte das aufheben jener 
differenz, das sich zusammenschliessen derselben, die rücitkehr zur einheit, 
aber zu einer unendlich höheren einheit, weil sie aus der differenz erwachsen, 
diese zu ihrer voraussetzung hat und als aufgehoben in sich befasst." 



Bij HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 277 

te bestrijden, zoowel de voorstelling van een voortgaande 
taalontaarding in de historische periode, als ook de tricho- 
tomie in taai-ontwikkeling van wortel-isoleering uit door 
agglutinatie tot flectie. En ofschoon men gewis meer en 
meer zal inzien, dat de drieledige taai-classificatie voorbarig 
is geweest en men hier langs empirischen weg verder 
moet komen, evenals op het gebied der descriptieve natuur- 
wetenschappen, zoo is het anderzijds toch de vraag, als 
men bijv. let op de uitingen van B. Delbrück, Grundfragen 
der Sprachforscliung, 1904, blz. 113 vgg., of men in de 
Indo-Europeesche linguistiek het denkbeeld dezer drie 
stadiën zal opgeven. 

In zijn Prolegomena to the stady of Hegel's Philosophy 
heeft W. Wallage reeds als allereerste hoofdstuk gekozen: 
Why Hegel is hard to understand. En hij geeft daar een 
verklaring van, die alle schuld van Hegel af en op den 
beoefenaar wentelt. 

Ik twijfel er aan, of Wallace's verklaring juist is en of 
de „uncertain latitude of meaning" door hem aan de taal 
en de uitdrukkingswijze van den lezer toegeschreven, niet 
met evenveel recht aan Hegel kon verweten worden. En in 
verband daarmee vraag ik me af, of Wallace niet al te ver- 
goelijkend Hegel beoordeelt, wanneer hij (op blz. 11 noot) 
opmerkt, dat hij het „al te prozaïsch" zou vinden te willen 
[ ontkennen, dat onder de oppervlakte van het woordspel 
zich een diepere gedachte telkens verbergt. 

In plaats van Hegels moeilijkheid uitsluitend of voor- 
namelijk te wijten aan een geestes-traagheid zijner lezers, 
zou ik het feit, dat Hegel zoolang vergeten kon worden, 
liever toeschrijven aan het zich verbrokkelende en in bizon- 
derheden zich verliezende denken der negentiende eeuw. 
Met andere woorden, niet de noodige geesteskracht, maar 



278 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

de vereischte belangstelling en sympathie ontbrak den geesten. 
Gemis aan belangstelling had noodwendig gemis aan begrip 
ten gevolge; de algemeene afkeer van wijsgeerige bespiegeling 
bracht van zelf mede onverschilligheid en minachting voor 
hem, in wien dit streven naar eenheid van denken het 
sterkst had geleefd; leidde er van zelf toe dat, hetgeen zwak 
en vergankelijk bij hem was, in den breede werd uitgemeten. 

Eerst wanneer deze noodige ontvankelijkheid van den 
geest is gevonden, lossen de technische moeilijkheden van 
Hegels werken zich voor den geduldigen en doorzettenden 
lezer gestadig op. Het groote aantal termini, die hij in 
bepaalden, eigen zin heeft geijkt, termen als Dasein, 
Existenz, Wirklichkeit, Begriff ; concret, abstract ; unrnittelbar, 
bemittelt, unmittelbar geworden; aufgehoben; negative 
Beziehung auf sich; enz. houden op, dan langer verbijs- 
terend te werken. De vaak gecompliceerde bouw der 
zinnen, het schoolsche en formuleachtige der uitdrukking, 
kunnen voor een lezer, die er niet tegen op ziet, hier en 
daar een moeilijke passage voor zich te vertolken of in 
eigen woorden te omschrijven, zeker geen onoverkomelijke 
hinderpalen vormen. 

Behalve de taal en de vorm , biedt echter ook de gedachte- 
gang vaak moeilijkheden aan van zulk een aard, dat ze, 
naar het mij voorkomt, niet aan den lezer, maar inderdaad 
den schrijver moeten geweten worden. 

Ofschoon de dialectische gedachtegang, als aan ééne zijde 
het karakter eener opklimmende ontwikkelingsleer ver- 
toonende , tal van problemen voor ons heeft gesteld en er 
zelf een voorloopig antwoord op heeft gegeven , zoo is 
het toch de vraag, of we dien dialectischen denkgang, 
in de eigenlijke beteekenis, die we er naar de strekking 
van Hegels systeem aan dienen toe te kennen, kunnen 
laten gelden. 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 279 

Zelfs al konden we aan den geheelen dialectischen cate- 
gorieën-cirkel met zijn voortgang door thesis, antithesis en 
synthesis iets meer dan een louter antiquarische waarde 
toekennen — zelfs dan nog voelen we in de uiteenzetting 
van dezen trichotomischen voortgang zoo vaak vAllekeur, 
stroefheid en inconsequentie, dat we weliswaar den draad 
niet kwijtraken , maar toch allerminst ons overtuigd gevoelen. 
En sterker nog wordt dit gevoel van willekeur, wanneer 
we, leerlingen en volgelingen van Hegel naast het origineel 
leggende, telkens nieuwe verschuivingen en wijzigingen 
zien aangebracht en aldra na eenige oefening ons zelf 
eveneens tot zulke veranderingen in staat gevoelen. 

Wanneer dit stelsel inderdaad in de rede ligt (zoo dringt 
het zich aan mij op), dan behoorde het een karakter van 
innerlijke symmetrie en harmonie ook volkomen te bezitten, 
ja zelfs in het aantal der onderverdeelingen zouden we 
wenschen, dat op het gebied der logica ook orde bestond. 

We zien nu, dat in Hegels kleine Logica^) (Encykl. 
§ 83) de drie hoofdafdeelingen der logica met de Romeinsche 
cijfers I, II, III, zijn aangeduid; de onderverdeeling dezer 
drie deelen wordt vervolgens aangegeven met de hoofd- 
letters A,B,C', de daarop volgende verdeelingen meta, 6, c; 
de daarop volgende met a, p, y. 

In de wezensleer (II) vinden we verder volgens Hegels 
eigen aanduidingen de volgende verdeeling: 

A. Das Wesen als Grund der Existenz. 
a. Die reinen Reflexionsbestimmungen. 

a. Identitat — ^. Unterschied — y. Grund. 
h. Existenz. 
c. Das Ding. 



1) Om den gedachtegang van mijn opstel niet te ingewikkeld te maken, 
moet ik (tot mijn spijt) mij hier, evenals elders, onthouden van een ver- 
gelijking met Hegels groote logica en uiteenzettingen zijner volgelingen. 



280 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

a. Eigenschaften — /?. Materien — y. Materie und Form. 

B. Die Erscheinung. 

a. Die Weit der Ersclieinung. 

b. Inlialt und Form. 

c. Das Verlialtniss. 

a. Das Ganze und die Tiieile — /?. die Kraft 
und ihre Aüsserung — y. das Innere und das 
Aüssere. 

C. Die Wirlclichi^eit. 

a. Möglichi<eit — /?. Zufalligkeit — y. Notii- 
wendiglceit. 

a. Substantialitats-Verlialtniss. 

b. Kausalitats-Verhaltniss. 

c. Die Wechselwirlcung. 

Tegen deze geiieele categorieën-classificatie laten zich 
uit een oogpunt van symmetrie verscheidene bezwaren in 
't midden brengen. Vooreerst zou men de onderverdeeling 
van „C. die Wirklichkeit" aldus wenschen: 

a. Möglichkeit. 

b. Zufalligkeit. 

c. Nothwendigkeit. 

a. Substantialitats-Verhaltniss — /?. Kausalitats-Ver- 
haltniss — y. Die Wechselwirkung, 
waarbij dus deze drie laatste categorieën als onderverdeeling 
van de noodzakelijks-categorie voorkomen. Maar behalve dat 
men zich verwondert, waarom Hegel zelf zulk een rang- 
schikking niet door de keuze zijner letters heeft aangeduid, 
blijft men in dit aldus verkregen schema de vergeefsche 
poging voelen, om de 6 laatste categorieën van Kants 
twaalfledige tafel in 't eene ledige vakje „C. Wirklichkeit" 
onder dak te brengen. De categorie „noodzakelijkheid" ver- 
krijgt bij deze wijziging, uit een oogpunt van symmetrie, 
een onevenredige zwaarte tegenover de beide voorafgaande. 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 281 

Soortgelijke bezwaren doen zich ook tegen de rest van 
het schema gelden. De categorie „die Welt der Erscheinung" 
is weinig anders dan een vak-vulling. De categorie Aa „die 
reinen Reflexionsbestimmungen" geeft aanleiding tot een 
«, /?, 7; eveneens Ac „das Ding." Waarom blijft Ab „die 
Existenz" zoo eenzaam staan? En waarom keert ze dan 
later weer als hoofd-categorie B „die Erscheinung" terug, 
zoodat het tusschengeplaatste „Ding" een ware sta-in-den- 
weg wordt? Waarom komt „Materie und Form" Ac 7 later 
nog eens als „Inhalt und Form" terug? ^) 

Als een ander voorbeeld van inconsequentie of althans 
van wantrouwen wekkende rekbaarheid noem ik Encykl. 
§ 85. „De logische categorieën in 't algemeen kunnen als 
definities van het Absolute, als de metaphysische definities 
Gods, worden beschouwd; meer bizonder slechts de eerste 
eenvoudige categorie eener sfeer, en dan de derde, daar 
deze den terugkeer uit de differentie tot de eenvoudige be- 
trekking-op-zichzelf uitmaakt". Hiermee is te vergelijken 
§ 87, waar de „tweede definitie van 't Absolute" wordt gege- 
ven, „dat het het Niets is." Het niets is echter een tweede 
categorie eener sfeer, nam. categorie ,<? van sfeer I. A. a. 
En verder § 194, waar de definitie gegeven wordt „het 
Absolute is het object" , ofschoon het object of 't objectieve 
begrip weer een categorie is van tweeden aanleg (III B). 

Van meer belang echter is de stroefheid, waarmee de 
Kantsche oordeelsclassificatie van 4X3 oordeelsvormen 
onder den trichotomischen vorm is ingedeeld ^). In den 

1) H. LoTZE, Geschichte der deutschen Philosophie seit Kant, Diktate aus 
den Vorlesungen, 1894, Iaat zich in dezer voege over de wezensleer uit: „Es 
ist nicht zu leugnen, das Hegel ganz besonders in dieseni Buch dieselben 
Gedanken in vielfach verschiednen Formen wiederholt und selbst manche 
irrige Ansichten, die bloss in der Geschichte der Philosophie entstanden sind, 
als notwendige Glieder der dialektischen Entwicklung des Absoluten be- 
handelt." 

2) We komen hierop in 't vervolg van 't opstel nog terug. 



282 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

Zusatz van § 171 merkt Hegel namelijk op, dat de oor- 
deelsvormen in hun ontwikkeling wederom denzelfden voort- 
gang moeten vertoonen, als die door de hoofdrubrieken 
zijn (qualiteit) , wezen (reflectie) en begrip wordt aangeduid. 
Maar, wordt door hem opgemerkt, in de wezensieer is de 
„spiegeling" typisch , derhalve krijgen we van de wezens- 
oordeelen een dubbel drietal, het drietal der reflectieoor- 
deelen (d. w. z. oordeelen met praedicaten, die een betrek- 
king aanduiden als nuttig, zwaar, enz., en vervallende in 
't singuliere, het bizondere en het algemeene oordeel) en de 
zoogenaamde noodzakelij kheidsoordeelen (categorisch oordeel 
enz., uitdrukkende een betrekking tusschen genera en species). 
De lezer had zeker wel recht te vernemen, waarin deze 
spiegeling tusschen de reflectieoordeelen en de noodzake- 
lijkheids-oordeelen bestaat! 

De laatste opmerkingen hebben me reeds aan de grenzen 
van 't bizondere onderwerp mijner studie gebracht: Hegels 
behandeling der traditioneele logica en wel inzonderheid 
zijn bespreking van de denkwetten, van 't oordeel en de 
sluitrede. 

Ofschoon de vooruitgang der wetenschappen in de 19e 
eeuw vooral op het gebied der bizondere wetenschappen, 
met name op dat van de natuurstudie plaats greep, noch- 
tans heeft er in de onderdeden der wijsbegeerte niet ge- 
heel en al stilstand geheerscht; en ook in de behandeling 
der logica valt vooruitgang waar te nemen. Vooreerst gaf 
de ontwikkeling der natuurwetenschap zelf aanleiding tot 
een onderzoek harer methode, een vak van studie, dat men 
somwijlen met den naam inductieve logica pleegt aan te 
duiden. Doch ook aan de schoollogica was het niet langer 
gegund in de oude gedaante voort te bestaan. De ontwik- 
keling greep hier in tweeërlei richting plaats. Deels zocht 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 283 

men op het voorbeeld van Hamilton de geheele syllogis- 
tiek terug te brengen tot een rekenen met begripsomvan- 
gen ; het oordeel werd daarbij , op de wijze van een alge- 
braïsche vergelijking, beschouwd als een gelijkstelling van 
aequipollente begrippen, hetgeen bereikt werd door ook het 
praedicaatsbegrip te quantificeeren ; de sluitrede werd daarbij 
beschouwd (als bij de oplossing van meerdere algebraïsche 
vergelijkingen) als de „eliminatie" van een gemeenschap- 
pelijken derden term, waardoor de beide overige termen 
met elkander in verband worden gebracht en hun omvangs- 
verhouding wordt vastgesteld. Ofschoon zich niet laat ont- 
kennen, dat het syllogistisch redeneeren in zulk een alge- 
braïsch formuleschrift kan worden omgezet, zoo blijkt deze 
richting toch overigens niets dan een zinledig en overbodig 
geknutsel te zijn. 

Behalve de richting van Hamilton laat zich in de nieuwere 
logica ook de teleologische van Lotze en Sigwart onder- 
scheiden. Daar Sigwart in tijd de jongere is en zijn uiteen- 
zettingen vaak de voorkeur verdienen, zal ik mij in het 
volgende hoofdzakelijk tot een tegenstelling tusschen Hegel 
en Sigwart bepalen en trachten, daarbij gronden te geven voor 
mijn meening, dat een Nieuw-Hegelsch stelsel, dat op de 
hoogte van zijn tijd wil zijn, inderdaad een dieper ingrijpende 
omwerking van het oorspronkelijke diende te geven, dan 
vele Nieuw-Hegelianen zich bewust schijnen te zijn. 



II. 



Drie onderwerpen uit de traditioneele logica heb ik ter 
bespreking uitgekozen : de leer der denkwetten, van 't oor- 
deel en der sluitrede. Zooals uit het volgende blijken zal, 
hangen deze onderwerpen zoodanig samen, dat men eener- 
zijds in de schoolsche behandeling der logica de denkwet 



284 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

der identiteit als grondslag heeft willen beschouwen van 
't oordeel, terwijl anderzijds de denkwet van den toereikenden 
grond inderdaad de basis van het syllogisme uitmaakt. 
De bespreking dezer drie punten kan daardoor een samen- 
hangend geheel vormen. Daarentegen heb ik de leer van 
het begrip onvermeld gelaten, daar deze voor een ver- 
gelijking tusschen Hegel en Sigwart geen voldoende aan- 
knoopingspunten bood. 

De beschouwingen van Hegel nu, waarmee we ons zullen 
bezighouden, komen voor op twee verschillende plaatsen 
in zijn Encyklopaedie. De leer der denkwetten wordt be- 
sproken in de eerste onderafdeeling der eerste afdeeling 
van de Wezensleer (II A a); de leer van oordeel en 
syllogisme in de tweede en derde onderafdeeling van de 
eerste afdeeling der Begripsleer (III A 6 en c). 

Verder moet opgemerkt worden, dat de denkwetten en 
ook oordeel en sluitrede bij Hegel meer als ontologische 
beginselen dan als grondregels van het bewuste denken 
zijn te beschouwen. (Vgl. o. a. Encykl. § 162 alinea 2, 
§ 166 Zusatz laatste helft). Toch behoeft deze omstan- 
digheid ons niet te verontrusten; immers al bevinden zich 
Hegels beschouwingen over denkwet, oordeel en sluitrede 
nog op het gebied der logica, als in een „schimmenrijk," 
waar zich natuur en geest nog niet hebben gediffferenti- 
eerd, in een gebied dus van onzienlijke en onvoorstel- 
bare abstracties, nochtans hebben ze wel degelijk even 
goed — al is het dan ook voor ééne zijde — betrekking 
op het (bewuste) denken. En even zeker is het, dat 
Hegels beschouwingen in hooge mate afhankelijk geweest 
zijn van de behandeling der schoollogica, zooals hij die 
bij zijn tijdgenooten vond. Met name is Kants 'classificatie 
der oordeelen en de daarop gebaseerde categorieënleer 
voor den opbouw van Hegels geheele logica en vooral 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 285 

voor zijn behandeling van het oordeel van groote beteekenis 
geweest. 

Zooals reeds gezegd, maakt de behandeling van de 
denkwetten den eersten sector der Wezensleer uit. Het is 
daarom noodig, beknopt aan te duiden, wat Hegel onder 
wezen verstaat. Trachtende mij verstaanbaar te maken ook 
voor hen, die nog niet zulk een bedrevenheid in Hegelsche 
terminologie bezitten, als de lezer boven, in een noot, den 
linguïst Schleicher aan den dag kon zien leggen, moet ik 
me hierbij met mijn eigen woorden en omschrijvingen 
behelpen. Toch komt me deze handelwijze, ondanks haar 
gevaren, verkieslijk voor boven een vertaling van losse 
citaten. 

'k Zou dan in eigen uitdrukkingswijze het Wezen aldus 
willen omschrijven, dat deze categorie uitdrukt, hoe de 
menschelijke wetenschap er noodwendig toe komen moet, 
om achter de onmiddellijke waarneembaarheden een waarlijk 
Wezen te zoeken, dat er den grond van vormt. Dit Wezen 
nu, dit dviois élvai, ZOO kunnen we verder redeneeren of 
dialectiseeren , moet in de allereerste plaats hierdoor ge- 
kenmerkt worden, dat het met zich zelf identiek blijft. 
Dit geeft alvast de categorie der Identiteit. Maar alleen 
geloovende in een identiek wezen, zouden we niet tot een 
begrip kunnen komen van de wereld der verschijnselen, 
daar moet iets verschillends zijn van dit identieke wezen; 
dat identieke wezen moet, al identiek blijvende, zich 
tevens differentieeren. Aldus is de categorie Identiteit over- 
gegaan in de categorie Verschil. Maar deze categorieën 
Identiteit en Verschil zijn achteraf beschouwd van dien 
aard, dat de een de ander vooronderstelt; dat de een 
slechts dank zij de andere gedefinieerd en begrepen kan 
worden: ze reflecteeren zich in elkander. 

Doch nu — we volgen de groepeering der kleine Logica — 



286 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

doet zich de vraag voor: welke is de synthesis van Iden- 
titeit en Verschil? Het antwoord luidt: de categorie Grond. 
Nemen we bijv. een regenbui, ^) die uit de wolken neerstort. 
Eerst zien we boven ons de donkere, dreigende wolken, 
dan onder onze voeten de vuile, drabbige straten. En toch 
zijn beide toestanden één en hetzelfde water, dat zich 
eerst op een hoogte van vele torens boven de aarde bevond 
en dan zich onder onze voeten over den bodem heeft uit- 
gebreid. Er is identiteit: hetzelfde water; er is verschil: 
eerst dampvormig, nu vloeibaar, eerst boven, nu beneden. 
We hebben hier één voorbeeld van hetgeen we zooal 
onder Grond kunnen verstaan; ook aan een daad of aan 
een betoog hadden we een voorbeeld kunnen ontleenen. 

Van de drie categorieën identiteit, verschil en grond 
wordt de tweede door Hegel weder onderverdeeld in l.het 
onmiddellijk onderscheid: het verschil, waarbij zich aan- 
sluiten gelijkheid en ongelijkheid, 2. positiviteit en nega- 
tiviteit. 

De bespreking der denkwetten nu geschiedt als volgt. 

Onder het hoofd „« Identitat" § 115 alinea 4 het prin- 
cipium identitatis : 

„De categorieën (Bestimmungen) van het wezen, als 
'wezenlijke' praediceeringen (Bestimmungen) beschouwd, 
worden dan praedicaten van een voorondersteld subject, 
dat — daar de praediceeringen wezenlijk zijn — 'alles' moet 
zijn. De stellingen, die daardoor ontstaan, zijn tot 'alge- 
meene denkwetten' verklaard. 

„De stelling der identiteit luidt hiernaar : alles is met zich 
identisch; A =^ A; en negatief: A kan niet tegelijk A en 
niet A zijn. 

„Deze stelling (Satz), verre van een ware denkwet 



1) Hegel geeft dit voorbeeld eigenlijk in ander verband. 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI 287 

(redewet) te zijn, is niets dan de wet van het abstracte 
verstand. De vorm van den zin (Satz), waarin de stelling 
is uitgedrukt, is reeds met zich zelf in tegenspraak, daar 
een zin ook een onderscheid tusschen subject en praedicaat 
doet verwachten, terwijl deze stelling of zin niet volbrengt, 
wat zijn vorm verlangt. 

„Verder wordt deze stelling ook door de volgende zoo- 
genaamde denkwetten opgeheven, die het tegendeel van 
deze wet tot wetten maken." 

Onder het hoofd „/?. Unterschied, 1. unmittelbarer Unter- 
schied [oder] Verschiedenheit" § 117 alinea 3 het principium 
indiscernibilium : ^) 

„Het verschil is eveneens in een stelling omgezet, in deze: 
dat alles verschillend is, of dat er geen twee dingen zijn, 
die elkander volkomen gelijk zijn. 

„Hier wordt aan alles het tegengestelde praedicaat ge- 
geven van hetgeen in de eerste stelling der identiteit was 
gepraediceerd. Derhalve hier wordt een wet gegeven, die 
met de eerste wet strijdt. 

„Toch zou, inzooverre het verschil slechts een uiterlijke 
vergelijking geldt, iets, op zich zelf genomen, slechts met 
zich identisch zijn, en zoo deze tweede stelling met de 
eerste niet tegenstrijdig zijn. Dan echter komt het verschil 
aan het iets of het alles niet toe; het maakt geen wezenlijke 
bizonderheid (Bestimmung) van het subject uit; deze geheele 
tweede stelling kan aldus in het geheel niet volgehouden 
worden." 



1) W. Wallach geeft hier de volgende noot: The principle of individuationor 
indiscernibility is: 'If two individuais were perfectly alike and equal and, in 
a word, indistinguishable by themselves, there would be no principle of in- 
dividiiation' : (Leibniz, ed. Erdm. p. 277). Poser deux choses indiscernables 
est poser la même chosc sous deux noms (p. 756). Principium individuationis 
idem est quod absolutae specificationis qua res ita sit determinata, ut ab 
aliis omnibus distingui possit. 

19 



288 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

Onder het hoofd „/?. Unterschied , 2. Unterschied an 
sich [oder] das Positive und das Negative," § 119 alinea 2 
het principium tertii exclusi: 

„Het wezenlijke onderscheid (Unterschied an sich) levert 
de stelling op: alles is wezenlijk onderscheiden, — of zoo- 
als ze ook uitgedrukt is: van twee tegengestelde praedicaten 
komt aan iets slechts het eene toe, en een derde is niet 
mogelijk. 

„Deze stelling der tegenstelling of oppositie (Gegensatz) 
spreekt uitdrukkelijk de stelling der identiteit tegen, daar 
volgens de eene stelling iets slechts betrekking op zich is, 
volgens de andere iets echter een tegengesteldheid, een 
betrekking op zijn anderheid is. ^) Het is de eigenaardige 
gedachteloosheid der abstractie, om twee zulke weerspre- 
kende stellingen als wetten naast elkaar te plaatsen, zonder 
ze ook maar te vergelijken." 

Onder hetzelfde hoofd, § 119 alinea 4, het principium 
contradictionis : 

„Terwijl vergeten wordt, dat identiteit en tegengesteldheid 
(oppositie) zelf tegenstrijdig zijn, wordt de stelling der 
tegenstelling (principium tertii exclusi) ook genomen als 
stelling der identiteit, in den vorm der tegengesteldheid, 
en een begrip, waaraan geen van twee contradictorische 
kenmerken of beide toekomen, voor logisch valsch ver- 
klaard, als bijv. een vierkante cirkel." 

Onder het hoofd „y der Grund" § 121 alinea 2, het 
principium rationis sufficientis. 

„De stelling van den grond luidt: alles heeft een toe- 
reikenden grond, d. w. z. noch de praediceering van iets 
als identisch met zich, noch als verschillend, noch als 



1) Het Duitsch spreekt hier van „sein anderes," hetgeen dus iets meer wil 
zeggen dan „ein anderes." Het enkele verschil kent slechts een aliud-aliud; 
de tegenstelling een alterum-alterum. 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 289 

enkel positief of enlcel negatief, is de ware wezenlijkheid 
van iets. Maar daarin is deze gelegen, dat het zijn Zijn 
heeft in wat anders, hetwelk, als het identische-met-zich 
van dat iets, er het wezen van is." 

Van de boven opgenoemde denkwetten zou volgens de 
traditioneele logica het principium identitatis het wezen van 
't oordeel uitdrukken. En niet alleen bij Hamilton, maar ook 
bij Lotze ligt deze beschouwing ten grondslag. 

Lotze's meeningen hierover zal ik weergeven naar zijn 
Grundzüge der Logik und Encyklopaedie der Philosophie, 
Diktate aus den Vorlesungen, 1902. Om zijn beknoptheid 
is dit werkje voor mijn doel geriefelijker, daar het er mij 
niet om te doen is, Lotze's denkbeelden volledig te doen 
kennen, dan wel om te betoogen, dat de opvatting van 
het oordeel als een identificatie, als A = A, onjuist is en 
terecht door Sigwart is gecorrigeerd. 

Onder den titel „System der Urteilsformen" geeft Lotze 
een classificatie van de oordeelen, die in uitvoering ten 
zeerste verschillend, toch in de hoofdgedachte blijkbaar van 
Hegel afhankelijk is. Ook deze classificatie immers bedoelt 
een schaal van steeds hooger-waardige oordeelsvormen te 
geven. 

In § 24 dan van het aangehaalde boekje noemt Lotze als 
den eenvoudigsten oordeelsvorm den onpersoonlijken. — „De 
naaste stap voorwaarts (zegt hij in § 25) moet daarin be- 
staan, dat de hier slechts aangeduide splitsing van den 
voorgestelden inhoud in S en P door aanneming van een 
bizonder, met het praedicaat verschillend subjectsbegrip, 
tot uitvoering komt. Dit leidt tot het zoogenoemde catego- 
rische oordeel 'S is P', waarin P zoo maar en zonder 
verdere rechtvaardiging van S wordt gepraediceerd {xairjyoQei- 
tai, Arist.). De alleen gebruikelijke rechtvaardiging dezer 



290 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

verbinding, dat ze namelijk naar het voorbeeld der ver- 
houding tusschen ding en eigenschap , substantie en acci- 
dentie geschieden zou (Kant), is niet voldoende, daar 
metaphysisch deze verhouding zelf geen duidelijke waarheid, 
maar een probleem is ... . § 26. Bij gelegenheid dezer 
moeilijkheid komt als grond hiervan de eerste algemeene 
denkwet tot bewustzijn : de wet der identiteit en der tegen- 
strijdigheid (principium identitatis et contradictionis). Haar 
eenvoudigste, logische uitdrukking is deze: het is volstrekt 
ongeoorloofd, in een categorisch oordeel van den vorm 
'S is P' twee verschillende begrippen S en P, welke 
zij ook mogen zijn, als subject en praedicaat zoo maar met 
elkander te verbinden. Veeleer kunnen altijd slechts de twee 
stellingen gelden: 'S is S' en 'P is P', nooit echter 'S is P' 
of 'P is S'. — De gebruikelijke vorm der stelling: 'A = A' 
(principium identitatis) en de negatieve 'A niet = non-A' 
(principium contradictionis) drukken beide deze eenvoudige 
waarheid uit, dat ieder denkbare inhoud zich zelf gelijken 
verschillend van lederen anderen is ... . § 27. Kort uitge- 
drukt wil dus het principe der identiteit zeggen: 'alle 
categorische oordeelen van den vorm 'S is P' zijn valsch 
en ongerechtigd'. Daar nu zulke oordeelen nochtans zeer 
veelvuldig voorkomen en wij van hun geoorloofd zijn geheel 
en al overtuigd zijn, zoo kan hun fout slechts daarin 
bestaan, dat ze een juiste meening formeel onvolkomen uit- 
drukken. En er moet een interpretatie voor bestaan, waar- 
door ze tegenover het beginsel der identiteit worden ge- 
rechtvaardigd. . . § 28. De oplossing dezer moeilijkheid ligt 
nu vooreerst daarin, dat alle categorische oordeelen naar 
beteekenis en bedoeling identische oordeelen zijn, doch 
deze beteekenis formeel onvolledig uitdrukken, doordat ze 
nu eens van het ware subject, dan weer van het ware 
praedicaat slechts enkele deelen vermelden. Bijv. 'het goud 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 291 

is geel' beteekent (zooals in het Latijn het neutrum van 
het adjectief iaat zien) zooveel als 'goud is geel goud' . . . 
De zin: 'sommige menschen zijn zwart,' is in het Duitsch 
minder duidelijk. Het Latijnsche 'Nonnulli homines sunt 
nigri', laat zien, dat in het praedicaat 'homines' aan te 
vullen is. Nu schijnen 'nonnulli homines' en 'nigri homines' 
weliswaar nog twee verschillende begrippen. Maar men 
meent toch niet, dat het maar willekeurig zou zijn, welke 
'eenige' menschen men neemt en dat voorzoover ze 'eenige' 
zijn, zij ook zwart zouden zijn, maar men verstaat geheel 
bepaalde 'eenige,' nam. de negers. Derhalve zijn S en P geheel 
identisch, wat den inhoud betreft, en slechts verschillend 
aangeduid, den eenen keer (S) als deel van een algemeen 
begrip, in P als gekarakteriseerd door zijn eigenschappen." 
Het is in deze uiteenzetting mij allerminst duidelijk, 
waarom we in het oordeel „goud is geel" er een bezwaar 
tegen moeten hebben , geel als eigenschap aan het goud 
toe te kennen (t. a. p. § 25) en hoe dat bezwaar daaren- 
tegen zou vervallen, waar deze toekenning, alleen in den 
grammatischen vorm van den zin , van een praedicaat tot 
een attributieve bepaling is geworden. 

Aan SiGWART geeft de bespreking van het principium 
identitatis aanleiding tot de onderscheiding van vele beginselen 
in plaats van dit eene; eenerzijds van het ontologische 
principium , dat zich met Hegels (wezens-) categorie der 
identiteit vrijwel dekt, anderzijds tot de (logische) prin- 
cipiën van de „constantie der voorstellingen," van de 
„overeenstemming," enz. 

Ook hier wensch ik wederom eerst in eigen woorden 
een inleiding te geven, om daarna eenige citaten, die een 
nauwkeuriger formuleering bevatten , te laten volgen. 

Ziet men, (om een veel gebruikt voorbeeld te nemen), 



292 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

dat een rechte stok, voor een gedeelte in 't water gedompeld, 
door de wateroppervlakte „gebroken" wordt, dan voelt ons 
verstand in den aanvang zich daarover verwonderd. Als 
we dien stok betasten, blijkt hij recht te zijn en zelfs al 
gebruikten we onze tastgewaarwordingen niet, het is onge- 
loofelijk, dat de harde stok door 't licht bewegelijke water 
in zulk een oogwenk gebroken werd, terwijl er zelfs geen 
krak gehoord wordt. De stok, zeggen we verder, kan niet 
tegelijk recht en krom zijn. En zoo in het algemeen, indien 
een ding eigenschappen, waarvan we op een of andere 
wijze volstrekt zeker zijn , dat ze niet kunnen samengaan , 
nochtans in onze waarneming bezit, dan moet er mis- 
leiding, dan moet er schijn in het spel zijn. Deze over- 
tuiging wordt door 't principium identitatis aangeduid. 

Zooals ook Hegel te verstaan geeft, door de bespreking 
van dit principe in de afdeeling van het Wezen te geven, 
hangt het ten nauwste samen met een onderscheiding als 
die van schijn en wezen, van wezen en verschijning. 

Nog door een ander voorbeeld kan dit blijken : ontmoeten 
we na jaren scheidens een oud vriend, dan zullen we 
hem , hoeveel er ook in hem moge veranderd zijn , toch 
voor denzelfden persoon houden. Al die veranderingen 
zijn onwezenlijk, vergeleken met het feit, dat hij 
„dezelfde" is. 

De gedachte , dat ieder ding is , wat het is, of in het prin- 
cipium contradictionis (als Hegel het noemt, § 119 alinea 4) 
uitgedrukt, dat een ding geen tegenstrijdige eigenschappen 
kan bezitten , schijnt in eenige zeer fundamenteele begrippen 
te worden weersproken. Reeds Zeno van Elea betoogde, 
dat een vliegende pijl zich in rust moet bevinden. En 
sinds Kant ons de moeilijkheid van het begrip verandering, 
of liever van de daarmee samenhangende moeilijkheden 
van de oneindig-deelbare en oneindig-uitgestrekte ruimte 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 293 

en tijd door zijn antinomieën weer heeft ingeprent, zullen 
we dit niet spoedig weder vergeten. 

Nog tot een andere opmerking geeft het (ontologische) 
principium identitatis aanleiding. Het hangt namelijk, 
waarop ook Hegel ons opmerkzaam maakt, ten innigste 
samen met Leibniz' principium indiscernibilium. Een ding 
voor identiek met zich zelf te houden, zou geen zin hebben, 
indien ook niet gold, dat alle dingen, twee aan twee ge- 
nomen, van elkaar verschillen, al zou dit zelfs alleen zijn 
in plaatselijke en temporede betrekkingen. 

Mij tot deze aanteekeningen over het principium iden- 
titatis beperkende, kom ik thans tot de overige principiën, 
door Sigwart onderscheiden. 

Zooals we ook bij Lotze gezien hebben , heeft men vaak 
het principium identitatis willen uitleggen als een beginsel, 
dat het wezen van 't oordeel uitdrukt. Dit leidde echter tot 
niets anders dan gewrongen verklaringen van 't oordeel. 
In plaats van den traditioneelen term „identiteit" kiest 
Sigwart als logischen term dien van „overeenkomst." 

De bespreking van dit beginsel der overeenkomst heeft 
in Sigwart's Logica plaats, na de behandeling van het 
„eenvoudige oordeel," (gedefinieerd Logik^, I, blz. 66). Dit 
eenvoudige oordeel wordt door hem onderscheiden in het 
meedeelende (erzahlende) en het verklarende oordeel. Het 
eerste omvat o. a. het benoemingsoordeel , waardoor aan 
een zaak haar naam wordt toegekend — „dit is rood," 
„dat is een wagen" — en het eigenschaps-, werkings- en 
betrekkingsoordeél. 

Reeds aan het benoemingsoordeel kan ons duidelijk 
worden, wat Sigwart onder zijn principe van overeenstemming 
verstaat. Daar het nam. het doel van alle menschelijk 
denken moet zijn, te komen tot noodwendige en alge- 
meengeldige oordeelen, zal dit slechts bereikt kunnen 



294 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

worden , wanneer bij het tot stand komen der benoemings- 
oordeelen alreeds bestaat: vooreerst overeenkomst met het 
taalgebruik; verder overeenstemming in de wijze van waar- 
neming (deze moet op normale wijze door de zintuigen 
geschieden); dan overeenkomst van de individueele, waarge- 
nomen zaak met de algemeene voorstelling, door de taal 
aangeduid. Dit alles is slechts mogelijk, indien er in den 
menschelijken geest ook een constantie van voorstellingen 
bestaat, zoodat we een voorstelling van nu voor dezelfde 
kunnen houden als een voorstelling van vroeger. 

Drie citaten wil ik thans, ter nadere praeciseering van 
't voorgaande, aan Sigwart ontleenen, en wel 1. over 
hetgeen ik het ontologische principium identitatis heb 
genoemd, 2. over het principe van overeenstemming bij 
benoemingsoordeelen, 3. over zijn bestrijding van het zoo- 
genaamde principium identitatis, als uitdrukkende het wezen 
van het oordeel. 

Het eerste citaat luidt als volgt: 

t. a. p. blz. 112 vg. „Het oordeel: dit is Socrates, wil 
zeggen: de tegenwoordige persoon is met het bepaalde, van 
vroeger bekende individu, dat Socrates wordt genoemd, realiter 
identisch; en de bewering is hier derhalve op de objectieve 
geldigheid dezer identiteit gericht, daar ze begeleid is van 
het bewustzijn der noodzakelijkheid, om de beide voor- 
stellingen op een en hetzelfde ding te doen slaan . . . Evenwel 
om deze noodzakelijkheid, (twee voorstellingen op één 
enkel reëel ding te betrekken), te bewijzen, is de wet der 
overeenstemming tusschen onze voorstellingen niet vol- 
doende . . . ; hier komen veeleer onderstellingen over de natuur 
van het zijnde en over de kenteekenen van reëele identiteit 
in het spel, welke met de functie van 'toordeelen zelf nog 
niet gegeven zijn. Zooals de onderstelling, dat op bepaalde 
gebieden alle individuen zich stellig laten onderscheiden en 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 295 

er geen twee zoo gelijke voorwerpen te vinden zijn, dat 
we ze bij nauwl<euriger beschouwing zouden kunnen ver- 
wisselen — daarop berust bijv. de overtuiging van de 
identiteit der ons bekende personen . . . Met betrekking tot 
de uitwendige dingen echter zijn het ten slotte ruimtelijke 
betrekkingen en de grondstelling der ondoordringbaarheid , 
waardoor wij hun identiteit vaststellen." 

Het tweede citaat luidt: 

t. a. p. blz. 105. „Blijven wij bij de eenvoudigste, de 
enkele benoeniingsoordeelen staan, zooals ze . . . de on- 
middellijke coïncidentie van beelden uitspreken, zoo is 
(onder vooronderstelling van juistheid in de uitdrukking) 
voor de juistheid van zulk een oordeel ... noodig, dat ten 
eerste aanschouwing en voorstelling elkaar dekken, wat 
een enkel innerlijke verhouding is; en verder, dat het sub- 
jectieve aanschouwingsbeeld, dat een afbeelding wil zijn 
van het objectieve ding, hieraan werkelijk beantwoordt, 
d. w. z. dat hetzelfde subjectieve beeld voorhanden is, dat 
volgens de algemeene wetten onzer zinnelijke aanschouwing 
bij een ieder door hetzelfde voorwerp moet worden op- 
gewekt. Het oordeel, „dat is sneeuw" is objectief geldig, 
wanneer het geziene zich dekt met de voorstelling, die 
door allen met sneeuw wordt benoemd, en wanneer het 
door een normaal oog duidelijk wordt gezien." 

Het derde citaat luidt: 

t. a. p. bl. 110 vg. „Evenwel, dit principe [van de con- 
stantie der voorstellingen en dat men desnoods een principe 
van identiteit zou kunnen noemen], kan niet tevens de 
vereeniging van subject en praedicaat in het oordeelen 
willen rechtvaardigen. Want oordeelen, die slechts de iden- 
titeit van een denk-object met zich zelf zouden uitspreken, 
zijn volslagen leeg; dat een kring een kring en deze hand 
deze hand is, valt niemand in, nog eens uitdrukkelijk te 



296 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

beweren; en zinnen, die oogenschijnlijk aan den vorm 'A 
is A' beantwoorden, meenen inderdaad met het subjects- 
en het praedicaatswoord iets verschiilends. „Kinderen zijn 
kinderen" duidt in het subjectswoord den kinderlijken leef- 
tijd, in het praedicaatswoord de overige, daarmee verbonden 
eigenschappen aan. . . „Zoo bijv. kan men ook bij de 
eenvoudige benoemingsoordeelen niet van een strenge lo- 
gische identiteit spreken tusschen hetgeen bij het subjects- 
en bij het praedicaatswoord wordt voorgesteld. Oordeel ik 
over iets enkels, iets individueels, zoo is de praedicaats- 
voorstelling in den regel een onbepaaldere; zij put de 
geheele bizonderheid van het subject niet uit; men kan 
slechts van een overeenkomst, een overeenstemming, tusschen 
beide spreken; wat ik bij het praedicaatswoord denk, vind 
ik in mijn subjectsvoorstelling terug; het enkele gelijkt op 
het algemeene, dat in mijn voorstelling is." 

Komen we thans voor de eerste denkwet tot een ver- 
gelijking tusschen Hegel en Sigwart, dan kunnen we het 
aldus formuleeren: de uiteenzettingen van Sigwart grenzen, 
voorzooverre 't het ontologische principium identitatis geldt, 
nauw aan Hegels beschouwingen; alleen opmerkingen van 
den laatste, als, dat het principium identitatis, in een zin 
uitgedrukt, A is A, in strijd is met de eischen van den zin 
en daardoor zich zelf weerlegt, als ook, dat het principium 
identitatis en het principium indiscernibilium, „alles is iden- 
tiek met zich zelf" en „alles is verschillend" met elkaar 
tegenstrijdig zijn, worden bij Sigwart begrijpelijkerwijze niet 
vermeld. — Anderzijds waarschuwt Sigwart er ons terecht 
voor, in de verstands-logica (om ons van dezen Hegelschen 
term te bedienen) het oordeel te willen uitleggen als een 
identificatie van subject en praedicaat. 

Ten aanzien van de principiën der contradictie, der 
dubbele ontkenning als bevestiging, van het uitgesloten 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 297 

derde, zien we bij Sigwart wederom dezelfde i<enmeri<ende 
behandeling als bij het principe der overeenstemming. Ook 
hier het streven, deze principiën in zuiver logischen vorm 
te formuleeren en er den „logischen zin" van vast te stellen. 
Als zoodanig dan, omschrijft hij ze, als gezamenlijk het 
wezen der ontkenning uitdrukkend. Voor verdere bizonder- 
heden moge hier een verwijzing naar het werk zelve 
volstaan. 

Terwijl bij Hegel het principium raüonis sufficientis ge- 
defineerd wordt: alles heeft zijn grond, vinden wij bij 
Sigwart scheiding gemaakt tusschen het ontologische en 
het logische principe. De plaats daarover luidt: 

t. a. p. blz. 252. „De zoogenaamde wet van den grond 
is in haar oorspronkelijke formuleering bij Leibniz geen 
logische wet, maar een metaphysisch axioma, dat slechts 
op een gedeelte onzer oordeelen betrekking heeft. 

„Voorzoover ieder oordeel de stelligheid van zijn geldig- 
heid veronderstelt, kan de stelling worden uitgesproken: 
er worde geen oordeel geveld zonder een psychologischen 
grond zijner stelligheid; — en inzooverre het slechts ge- 
rechtigd is, wanneer het logisch noodzakelijk is, beweert 
ieder oordeel een logischen grond te bezitten, die het voor 
ieder denkende noodzakelijk maakt. Het doet daarmede 
echter nog slechts een aanspraak gelden, terwijl het goed 
recht deze aanspraak te onderzoeken, juist datgene is, 
wat de taak vormt der logica. 

„Het wezen der noodzakelijkheid in het denken wordt 
uitgedrukt door de stelling: 'dat met den grond het gevolg 
noodwendig gesteld, met het gevolg de grond noodwendig 
is opgeheven'. Deze stelling van grond en gevolg beant- 
woordt aan het principe der contradictie als een fundamen- 
teele functiewet van ons denken." 

Zooals we later zullen zien , steunt het syllogisme op deze 



298 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

wet, en wel in zijn eerste figuur op deze wet in haar posi- 
tieven vorm , in zijn tweede figuur op dezelfde wet in haar 
negatieve formuleering. 



III. 



Heeft Hegels behandeling der zoogenaamde denkwetten 
ons al meer aanleiding tot uitbreiding en toelichting dan 
tot scherpe tegenspraak gegeven, anders staat het met zijn 
classificatie der oordeelen. Deze steunt op Kants oordeels- 
groepeering en ofschoon ze hierin belangrijke wijzigingen 
heeft aangebracht en er bovenal een dialectisch verband in 
heeft willen leggen, blijkt ze toch even onhoudbaar als 
deze te zijn. 

In de bespreking der oordeelsclassificatie zullen we dit- 
maal bij Sigwart ^) aanvangen , om op zijn beschouwingen 
onze kritiek op Kants en Hegels tafels te baseeren. 

De classificatie der oordeelsvormen dan is, volgens Sig- 
wart — zoo men hier van een classificatie wil blijven 
spreken — niet een onderverdeeling van de oordeelen in 
een aantal gecoördineerde klassen. Maar hetgeen men hier 
als een classificatie geeft, is veeleer een schets der wijze, 
waarop het menschelijk denken tot noodwendige oordeelen 
tracht te komen. 

In vele gevallen nam. komt men eerst tot een noodwendig 
oordeel of beslissing, nadat men van een eerste stadium 
van enkel gissing (mogelijkheid, vraag) uit, door meer of 
minder tusschenstadiën is voortgeschreden. 

Het resultaat van een twijfeling kan bij nader onderzoek 
zijn: of onmiddellijke verwerping; of bevestiging; of bijv. 



1) Ook hier zij men er op bedacht, dat mijn uiteenzetting een zeer beknopte 
en tevens vrije weergave is van de strekking van Sigwart's betoog. 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 299 

het inzicht, dat de aanvanlcelijk opgeworpen mogelijkheid 
zelf afhankelijk is, noodzakelijk gevolg is van een andere 
mogelijkheid; of bijv. het inzicht, dat de opgeworpen moge- 
heid ééne is van een beperkt aantal mogelijkheden. 

Door de eerste beantwoording, het ontkennend oordeel, 
wordt verder onderzoek overbodig gemaakt. Hierdoor is dit 
resultaat evenwel geenszins waardeloos en kan ons bij latere 
oordeelvellingen nog steeds van dienst zijn. 

Door de beide laatste beantwoordingen, het hypothetische 
en het disjunctieve oordeel , worden middelen aan de hand 
gedaan , waarmee men misschien eenmaal tot een beslissend 
antwoord op de oorspronkelijke vraag kan geraken. 

SiGWART, Logik,^ I, blz. 313. „Daarmee is het gebillijkt, 
het ontkennende, hypothetische, disjunctieve oordeel afzon- 
derlijk te beschouwen , niet alsof ze bizondere soorten van 
het oordeel daarom waren, omdat in hen de eigenlijke 
oordeelsfunctie zich op een verschillende wijze voltrok, 
maar omdat zij oordeelen over hypothesen zijn en hiervan 
de logische waarde en beteekenis aangeven." 

Behalve deze beteekenis van het hypothetisch oordeel als 
een probleem-verschuiving, waardoor we in plaats van de 
oorspronkelijke vraag een andere stellen, welker beant- 
woording gemakkelijker valt, kan dit oordeel nog een andere 
strekking bezitten, en wel als „natuurwet." 

„De kennis (t. a. p. blz. 266), dat iets uit uitwendige 
noodzakelijkheid zoo is, als het is, zoo geschiedt, als het 
geschiedt, is altijd uit twee elementen samengesteld: de 
algemeene wet en het bepaalde gegeven, waarop deze wet 
van toepassing is. Het is noodzakelijk, dat de planeten zich 
in ellipsen om de zon bewegen : deze kennis rust eenerzijds 
op de kennis der algemeene principiën van de mechanica en 
anderzijds op de kennis van de feitelijke massa der zon en der 
planeten , van haar afstanden en van de verhouding tusschen 



300 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

tangentieele snelheid en aantrekking; een andere verhouding 
zou andere banen met zich meebrengen. Dit zuiver feitelijke 
element vermogen v^e nooit te verwijderen, en daarom laat 
zich de kennis der noodzakelijkheid als zoodanig alleen in 
hypothetische formules uitdrukken, die zeggen, dat, wanneer 
dit of dat gebeuren mocht, iets anders noodzakelijk daaruit 
volgen zal." 

Deze tweede beteekenis van het hypothetisch oordeel, 
als natuurwet, gaat terug op Sigwart's verdeeling van de 
oordeelen in mededeelende (erzahlende) en verklarende; 
een verdeeling, die zelf wederom één is met de antithesis, 
in den laatsten tijd zoo vaak tusschen natuurwetenschap 
en geschiedenis getrokken. 

Het mededeelende oordeel is een oordeel over enkelheden 
(individuen), en daar deze in den tijd voorkomen, kunnen 
zulke mededeelende oordeelen slechts met het oog op een 
bepaalden tijd gelden. Het verklarende oordeel is in zijn 
objectieve geldigheid daarentegen van den tijd onafhankelijk, 
(t. a. p. § 15 en 16). 

In tegenstelling met de natuurwetenschap is het doel der 
historie niet in het vaststellen van natuurwetten gelegen; 
maar de enkele feiten bekleeden hier bovenal een voorname 
plaats, ofschoon ze ook hier tot „geheelheden," tot feiten- 
reeksen en feiten-groepen, tot ontwikkelingen, tot stroomingen 
en richtingen, tot toestanden moeten verbonden worden. 
De feiten-historie, de histoire-personne, vindt eerst in de 
histoire-tendance haar voltooiing. Toch is in ieder geval 
de vaststelling van het enkele feit in de geschiedvorsching 
een hoofdzaak en het (categorische) existentie-oordeel kan 
men daar als min of meer afsluitend beschouwen. 

Deze tegenstelling nu tusschen het meedeelende (histo- 
rische) en het verklarende oordeel is ook voor de bespreking 
van wat men in de schoollogica de quantiteit der oordeelen 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 301 

pleegt te noemen, van belang. Terwijl nam. naar een his- 
torische beschouwing een pluraal oordeel een afsluitend 
resultaat kan zijn, zal in de natuurwetenschappelijke be- 
schouwingswijze het plurale oordeel de beteekenis van een 
bizonder of particulier oordeel krijgen. 

t. a. p. blz. 225. „Wanneer oordeelen van den vorm 'een 
A is B', of 'eenige A zijn B', mededeelende, op empirischen 
bodem ontstane oordeelen zijn, zoo schijnt hun geen andere 
beteekenis toe te komen, dan een bepaald praedicaat van 
een of meer subjecten uit te spreken, die slechts niet af- 
zonderlijk genoemd, maar onbepaald door een onbepaald 
woord zijn aangeduid; de plurale oordeelen schijnen geen 
andere rol te kunnen spelen dan een reeks van enkel- 
oordeelen, daar op de aantalsvermelding geen nadruk is 
gelegd. 

„En toch is in het oordeel 'eenige menschen verwisselen 
rood en groen' nog iets anders aangeduid, dan in het 
copulatieve oordeel : Hans en Pieter en Paul verwisselen 
rood en groen. Doordat Hans en Pieter en Paul als 'eenige 
menschen' worden aangeduid , gaat weliswaar de indivi- 
dueele bepaaldheid van 't oordeel verloren; maar door de 
aanduiding met den algemeenen naam worden ze tot de 
totaliteit der menschen in een betrekking gedacht, die tot 
verdere vergelijking aanspoort 

„De traditie leert nu, dat het particuliere oordeel het 
algemeene oordeel niet bedoelt uit te sluiteïi. 'Eenige A 
zijn B' heeft niet de beteekenis, dat niet alle A B zijn. . . 
Deze eigenaardigheid wijst er op, . . . dat het plurale oor- 
deel evenzeer op den weg naar een algemeen oordeel kan 
liggen, als ook dat het zich hiertegen als uitzondering 
vermag af te sluiten." (Voor een voorbeeld, zie Sigwart, 
t. a. p. blz. 226). 

Evenals deze beteekenis van het plurale of particuliere 



302 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

oordeel als voorbereiding tot het algemeene, ligt eveneens 
in de lijn der natuurwetenschappelijke beschouwingswijze 
de waarde van het empirisch-algemeene oordeel als aan- 
loop tot het noodwendig-algemeene oordeel. 

t. a. p. blz. 220. „De [schoolsche] logica pleegt in 't 
geheel niet te onderscheiden tusschen de oordeelen, die 
slechts op het begrip, d. w. z. op de beteekenis van het 
subjectswoord, steunen, en, deze [beteekenis] verklarende, 
bij voorbaat aan ieder ding, dat met het subjectswoord 
benoemd wordt en derhalve deel uitmaakt 'van den om- 
vang van 't begrip', een praedicaat toekennen, — en die 
oordeelen, welke van alle bekende, om gelijke eigenschappen 
onder dezelfde benaming vallende dingen een praedicaat 
uitspreken. 

„Zoodoende verbergt deze schoollogica het belangrijkste, 
nam. den overgang uit een empirisch-algemeen tot een 
noodwendig-algemeen oordeel, de begrips- en oordeels- 
vorming uit de ervaring. 'Alle planeten bewegen zich van 
West naar Oost om de zon' is allereerst een empirisch- 
algemeen oordeel; wie het voor 1781 uitsprak, verstond 
onder alle planeten alle zes; wie het deed tusschen 1781 
en 1801, rekende Uranus mede en verstond er alle zeven 
onder ... en heden verstaat men er alle 400 onder of 
hoevele het ondertusschen geworden zijn — altijd echter 
alle bekende, waarbij een voor een de voortgaande be- 
weging in de baan is geconstateerd. De stelling zegt: alle 
lichamen in het heelal, die ik planeten noem, hebben de 
gemeenschappelijke richting van West naar Oost; ik ken 
geen uitzondering. Had ik nu echter, bijv. op grond der 
hypothese van Kant-Laplace, de noodzakelijkheid ingezien, 
dat alle vaste lichamen in het heelal, die om onze zon 
zich wentelen in constante banen, dezelfde richting van 
beweging moeten hebben, . . . dan zou ik de beweging van 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 303 

het Westen naar het Oosten moeten opnemen in de be- 
teekenis van het woord planeet. . . Dan zou mijn oordeel : 
'alle planeten bewegen zich van 't Westen naar 't Oosten' 
een analytisch oordeel zijn, (in de Kantsche terminologie), 
en daarom ook voor de ongetelden, eerst later of zelfs 
nooit te ontdekken, moeten gelden; het zou luiden: wat 
een planeet genoemd worden kan, beweegt zich van 't 
Westen naar 't Oosten; en daaruit volgt, w^t zich achter- 
waarts beweegt, zou geen planeet zijn." 

Ofschoon bovenstaande besprekingen van het ontken- 
nende, hypothetische en disjunctieve, van het plurale, 
empirisch-algemeene en noodwendig-algemeene oordeel 
uiterst beknopt zijn, stellen ze ons reeds tot de volgende 
opmerkingen over Kants oordeel-tabel in staat: 

1°. Kants tafel geeft geea aanleiding tot de hoogst belang- 
rijke scheiding van het empirisch-algemeene en 't nood- 
wendig-algemeene oordeel. (Bij Hegel kan dit onderscheid 
beter tot zijn recht komen, doordat hij aan den term 
'categorisch oordeel' een andere beteekenis hecht dan Kant, 
Encykl. § 175 Zus. en § 176 met Zusatz.). 

2". Aan de bevestiging en ontkenning van het oordeel is 
geheel noodeloos het „oneindige oordeel" toegevoegd; dit 
is inderdaad niets anders dan een (grammatisch zonder- 
linge) omschrijving van het ontkennende oordeel. 

3". „De gewoonte der nieuwere logica — aldus Sigwart, 
Logik, I. blz. 283 — om de oordeelen naar het gezichts- 
punt der zoogenoemde relatie te verdeelen in categorische 
(A is B, A is niet B), hypothetische (indien A is, is B) en 
disjunctieve (A is of B of C), is noch oorspronkelijk, noch 
laat ze zich als een afdoende indeeling der oordeelsvormen 
op eenige wijze rechtvaardigen. Let men op de strekking 
der bewering, zoo zijn categorische en hypothetische, hypo- 

20 



304 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

thetische en disjunctieve oordeelen vaak slechts grammatisch 
verschillende uitdrukkingen van dezelfde gedachte ; houdt 
men zich aan de grammatische uitdrukking, zoo kunnen 
hypothetische en disjunctieve oordeelsvormen reeds daarom 
geen gecoördineerde soorten van den oordeelsvorm in 't 
algemeen zijn, daar ze den categorischen oordeelsvorm in 
zich bevatten; legt men nadruk op dit laatste gezichts- 
punt en stelt men tegenover de eenvoudige oordeelen de 
samengestelde, die zich grammatisch als zoodanig voordoen, 
dan staan naast het hypothetische en disjunctieve oordeel 
nog een aantal zinverbindingen, waarvan men niet' inziet, 
met welk recht de logica ze uitsluit." 

Maar behalve het bezwaar, dat deze verdeeling der oor- 
deelen in categorische, hypothetische en disjunctieve aan 
een oppervlakkige en onvolledig-grammatische beschouwing 
is ontleend , kunnen we er bovendien tegen aanvoeren, dat 
de fundamenteele verdeeling der oordeelen in mededeelende 
en verklarende, en de opvatting van het hypothetische en 
disjunctieve als voorbereidende oordeelen en van het hypo- 
thetische als afsluitend natuurwetenschappelijk en van het 
(categorische) existentie-oordeel als afsluitend historisch 
oordeel, daarin niet tot haar recht komen. 

4". Ten aanzien van een oordeel kunnen we of zeker of 
in twijfel zijn. In 't eerste geval wordt dit door een (asser- 
torisch) oordeel uitgedrukt; in het tweede geval heeft er 
nog geen oordeelen plaats; met eenige rekbaarheid in den 
term zou men van een problematisch oordeel kunnen spreken. 
Het kan gebeuren, dat we aan een vroeger uitgesproken 
oordeel beginnen te twijfelen en de gronden, ervoor aan- 
gevoerd, onvoldoende achten. Ons assertorisch oordeel , 
vroeger uitgesproken, wordt daarmee opgeschort; blijkt 
het nu, dat onze vroegere gronden wel toereikend waren 
of door andere, afdoende gronden kunnen vervangen worden, 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 305 

dan keeren we tot ons vroeger assertorisch oordeel terug. 
Zulk een aarzeling kan zich wellicht herhalen. Het is even- 
wel onjuist, voor dit proces drie nieuwe oordeelssoorten 
onder de namen assertorisch, problematisch en apodictisch 
in te voeren. 

Met de oordeelstafel van Kant valt ook die van Hegel, 
die daarop geheel en al is gebaseerd. Bovendien is het 
4X3 van Kant op hoogst gekunstelde wijze in het drie- 
slagsstelsel van Hegel ondergebracht. Aan de uiteenzetting 
zijner classificatie moeten we een paar opmerkingen vooraf 
doen gaan. 

Vooreerst heeft Hegel de drie categorieën der qualiteit 
vooraf doen gaan aan die der quantiteit, door hem om later 
te noemen redenen reflectie-oordeelen genoemd. Hij heeft 
deze oordeelsschaal nam. ook dienstbaar weten te maken 
aan een classificatie van de praedicaten , een classificatie , 
die evenwel meer aangeduid dan uitgewerkt is. Opmerkelijk 
is het daarbij , dat beoordeelingen als goed en schooh 
op ééne lijn worden gesteld met oordeelen over juist en 
waar, hetgeen in een logica, in den zin van Sigwart, na- 
tuurlijk geheel onmogelijk zou zijn. 

Verder spelen in deze oordeelsclassificatie, zooals trouwens 
in de geheele Hegelsche begripsleer, de termen algemeen, 
bizonder en enkel een groote rol. Ja, men zou zelfs de 
geheele leer van het begrip , en vooral die van 't subjectieve 
begrip, kunnen omschrijven, als de uiteenspinning en ont- 
wikkeling, hoe deze algemeenheid, bizonderheid en enkel- 
heid onderling en te zamen ééne „drie-eenheid" vormen. 
Reeds in den aanvang, in de §§ 16Ö, 161 en 163 
wordt dit aangeduid; aan het einde der leer van het sub- 
jectieve begrip in § 192 wordt dit wederom uitdrukkelijk 
herhaald. 



306 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

§ 160. „Het begrip is... totaliteit, terwijl ieder der 
momenten het geheel is, hetwelk het begrip is, en als 
ongescheiden eenheid hiermede gesteld is." 

§ 163. „Het begrip als zoodanig bevat de momenten der 
algemeenheid,... der bizonderheid . . . en der enkelheid." 

§ 192. „De sluitrede is achtereenvolgens genomen naar de 
verschillen, welke ze in zich bevat, en het algemeene resultaat 
van dit haar verloop is, dat zich daarin afspeelt het zich- 
opheffen van deze verschillen en van het buiten-zich-zijn 
des begrips. En wel is 1^ ieder der momenten gebleken zelf 
de totaliteit der momenten, derhalve de geheele sluitrede, 
te zijn ; derhalve zijn ze uitteraard (an sich) identisch . . ." 

Met weglating van de verduidelijkingen , hoe de over- 
gangen van den eenen oordeelsvorm in den anderen plaats 
vinden, kunnen we nu de volgende tafel samenstellen: 

Inleiding. Het oordeel in 't algemeen. § 166. „Het 
abstracte oordeel is de stelling: het enkele is het alge- 
meene" (E-A). 

I. 't Qualitatieve oordeel. § 172. „Het praedicaat 
is een onmiddellijke, derhalve zinnelijke qualiteit." 

a. positief {bevestigend) oordeel. „Het enkele is het 
bizondere" (E-B), bijv. de roos is rood. 

b. negatief {ontkennend) oordeel. „Het enkele is niet het 
bizondere," bijv. de roos is niet rood. 

c. identisch oordeel en oneindig oordeel. „Het enkele is 
niet het algemeene. Het enkele is het enkele" (E-E), bijv. 
de leeuw is de leeuw. „Het enkele is niet het enkele", bijv. 
de leeuw is geen tafel. 

II. 't Reflectie-oordeel. § 174. ,,In de existentie^) is 



1) Bij deze uitdrukking existentie denke men eraan, lo dat in de „ex"-sistente 
(„uif'vloeiende, „onf'staande, piiaenomenale) wereld alles in onderlinge ver- 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 307 

het subject niet meer onmiddellijk qualitatief, maar in ver- 
houding en samenhang met iets anders, met een uitwendige 
wereld. De algemeenheid [van het praedicaat] heeft daardoor 
de strekking dezer relativiteit ontvangen, (bijv. nuttig, ge- 
vaarlijk; zwaarte, zuurheid, — dan neiging, enz.)" 

a. 't singuliere oordeel. § 175. „Het enkele, als 't enkele, 
is het algemeene." (E-A) 

b. 't bizondere oordeel. „Het enkele is in zich verdeeld, 
ten deele heeft het betrekking op zich, ten deele op wat 
anders. Eenigen zijn het algemeene." 

c. 't algemeene oordeel. „Het algemeene is het algemeene." 
(A-A) 

III. 't Noodzakelij kheids-oordeel. § 177. 

a. categorisch: „de species (Art) is het genus (Gattung)." 
(B-A) 

b. hypothetisch: „indien S (de species) is, dan is G ('t genus)". 

c. disjunctie/: „het genus is de totaliteit der species." (A-B) 

IV. 't Begrips-oordeel. § 178. „Het oordeel des be- 
grips heeft het begrip, de totaliteit in eenvoudigen vorm, 
tot zijn inhoud, het algemeene met zijn volledige bepaald- 
heid. Het subject is vooreerst iets enkels, dat tot praedicaat 
heeft de reflectie van zijn bizonder bestaan op zijn alge- 
meene natuur — de overeenstemming of niet-overeenstemming 
dezer beide opzichten (Bestimmungen) : goed, waar, juist, enz." 

a. assertorisch. (Dit soort van oordeelen wordt door Hegel 
in verband gebracht met de „onmiddellijkheidsleer" of het 
„geloof" van Jacobi). 

b. problematisch. 

c. apodictisch, bijv. „Dit — onmiddellijke enkelheid, — 
huis, — soort — van dien en dien aard, — bizonderheid 



houding is gesteld; 2o dat de uitdrukking existentie bij Hegel voorkomt in 
de Wezensleer, waaraan de hier besproken soort van oordeelen beantwoordt, 
zooals de qualitatieve oordeelen terugwijzen op de zijnsleer. 



308 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

— is goed of slecht." „Alle dingen zijn een soort (hun bestem- 
ming en doel) in een enkele werkelijkheid van een bizondere 
geaardheid. (E-B-A). Aldus vormt het apodictische oordeel 
den overgang tot de sluitrede en is zoodoende de sluitrede." 

Van de opmerkingen, door Hegel aan deze oordeels- 
classificatie toegevoegd, lijkt mij eene alwel zeer belangrijk, 
omdat men bij een interpretatie zijner geschriften haar 
bovenal in het oog moet houden. Ze geldt het gebruik van 
den term 'waar' in tegenstelling met dien van 'juist'. 

In de tweede alinea van § 172 schrijft Hegel: 

„Het is een der gewichtigste logische vooroordeelen , dat 
zulke qualificeerende zinnen, als: „deze roos is rood" of 
„is niet rood" waarheid zouden kunnen bevatten. „Juist" 
kunnen ze zijn, d. w. z. in den beperkten kring der waar- 
neming, van het eindige voorstellen en denken; dit hangt 
van den inhoud af, die eveneens een eindige, voor-zich- 
onware is. Maar de waarheid berust slechts op den vorm, 
d. w. z. op het gestelde begrip en de hieraan beantwoor- 
dende realiteit; zulk een waarheid echter is in hetqualita- 
tieve oordeel niet voorhanden." 

In den Zusatz voegt hij daaraan toe: 

„'Juistheid' en 'waarheid' worden in het dagelijksche 
leven zeer vaak als gelijkbeteekenend beschouwd, en over- 
eenkomstig wordt dikwijls van de waarheid van een inhoud 
gesproken, waar het slechts om de enkele juistheid gaat; 
deze betreft in 't algemeen slechts de formeele overeen- 
stemming onzer voorstelling met haar inhoud, hoe deze 
inhoud ook geaard moge zijn. Daarentegen bestaat de 
waarheid in de overeenstemming van het voorwerp met 
zich zelf, d. w. z. met zijn begrip. Het mag weliswaar 
'juist' zijn, dat iemand ziek is of gestolen heeft; zulk een 
inhoud is echter niet 'waar', want een ziek lichaam is niet 
in overeenstemming met het begrip van het leven en even- 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 309 

ZOO is de diefstal een handeling, die met het begrip van 
'menschelijk' handelen niet overeenstemt. Aan deze voor- 
beelden is te zien, dat een onmiddelijk oordeel, waarin 
van een onmiddelijke enkelheid een abstracte qualiteit 
wordt gepraediceerd, hoe juist het ook moge zijn, toch 
geen waarheid kan bevatten, daar subject en praedicaat 
hierin niet in de verhouding van realiteit en begrip tot 
elkaar staan. . . , Anders staat het met het oordeel van het 
begrip. Wanneer we zeggen: „deze handeling is goed", 
zoo is dit een oordeel van 't begrip en men bemerkt 
dadelijk, dat hier tusschen subject en praedicaat niet dit 
losse en uiterlijke verband bestaat als in het onmiddel- 
lijke oordeel. Terwijl hierbij het praedicaat in de een of 
andere abstracte qualiteit bestaat, die aan 't subject kan 
toekomen of niet, is daarentegen in 't oordeel van 't begrip 
het praedicaat als 't ware de ziel van 't subject, waardoor 
dit, als 't lijf van deze ziel, door en door is bepaald." 

Niet alleen blijkt uit deze plaats het teleologische, appre- 
ciatieve karakter, dat voor de Hegelsche wijsbegeerte zoo 
kenmerkend is, maar bovenal opmerkelijk is de wijze, 
waarop de normen van het practische bewustzijn, zich 
uitdrukkende in praedicaten als slecht en goed, door die 
van 't logische bewustzijn worden heengemengd en er voor 
in de plaats gesteld. 

IV. 

Het syllogisme, ^) dat we nu willen bespreken , wordt 
bij Hegel weder onder drie hoofden behandeld, 1. de quali- 



1) Alleen over de behandeling van het syllogisme bij Hegel en Sigwart 
zal ik in het volgende spreken. Voor hun beider beschouwingen over zijn 
waarde of onwaarde in het denken en zijn beteekenis in het Aristotelische 
systeem moet ik verwijzen naar Hegel, Encykl. § 20 Zus., § 183 Zus., § 187, 
2e alinea, en naar Sigwart, Logik^, I. § 55. 



310 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

tatieve sluitrede, 2. de reflectie-sluitrede, o. a. inductie- en 
analogie-besluit bevattend, 3. de noodzakelijkheids-sluitrede, 
d. w. z. categorische, hypothetische en disjunctieve sluitrede. 

De door Hegel qualitatief genoemde sluitrede zal ons 
voornamelijk bezighouden. Hegel bespreekt hier zeer be- 
knopt de drie Aristotelische figuren, waarbij de volgorde 
van de tweede en derde figuur wordt verwisseld. 

Voor de eerste figuur geeft hij de formule: E-B-A, 
„een subject is als iets enkels [E] door een qualiteit [een 
bizonderheid, B] met een algemeene [A] bepaaldheid ver- 
bonden of tezamen-'gesloten'." 

Voor de tweede figuur wordt de formule A-E-B, voor 
de derde B-A-E gegeven. 

Waarom hierin achtereenvolgens voor den terminus me- 
dius de letters B, E en A zijn gekozen, is nog te doorzien. 
In de eerste Aristotelische figuur is de middelterm — indien 
vergelijking van begripsomvangen mogelijk is — in omvang 
instaande tusschen het subject van den minor en het 
praedicaat van den major, en we begrijpen, ook al billijken 
we 't niet, hoe hiervoor de naarrl bizonderheid, de letter B, 
kon gebruikt worden. 

In de 3^ Aristotelische (2e Hegelsche) figuur is de ter- 
minus medius in beide praemissen subject en dus — wanneer 
vergelijking van begripsomvangen mogelijk is — van 
kleiner omvang dan beide praedicaten; de terminus medius 
wordt daarom aangeduid met E ; om soortgelijke reden is 
in de derde figuur de terminus medius met A aangeduid. 

Waarom echter in de tweede figuur de beide uitersten 
in de . volgorde A-B ; in de derde figuur in de volgorde 
B-E ik genomen, is geenszins duidelijk. We moeten wel 
aannemen, dat de keuze dezer volgorde geheel toevallig 
en wiltekeurig is, temeer daar bij de verdere bespreking 
van het syllogisme, zoowel bij de reflectie-sluitrede als bij 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 311 

de noodzakelijkheids-sluitrede, de aandacht uitsluitend be- 
paald wordt bij den terminus medius. 

Zoo wordt in liet reflectie-oordeel de „enkelheid", die 
in de tweede figuur den terminus medius uitmaakt, achter- 
eenvolgens in drieërlei phase beschouwd, 1. als alle enkel- 
heden (individuen), waaraan een bizonderheid toekomt, 
E^, 2. als de volledige reeks van enkelheden als zoodanig, 
E^, 3. als een enkelheid, in den zin van haar wezenlijke 
algemeenheid, d. w. z. in den zin van haar soort of wezen- 
lijke bepaaldheid, E^. 

Evenzoo wordt bij het syllogisme der noodzakelijkheid 
de terminus medius van de derde Hegelsche figuur, nam. de 
algemeenheid, in drieërlei phase beschouwd, als A'', A^ en A*. 

Terwijl we aldus in de Hegelsche oordeelsleer met 
„identiek"-stellingen te doen hadden, als E-A, E-B, enz. 
zien we in de leer van 't syllogisme deze identiek-stellingen 
„bemiddeld" door het derde „begripsmoment" als terminus 
medius. Door vervolgens de beide laatste vormen van den 
terminus medius, E en A, onder drie phasen te bezien, 
wordt aldus de volkomen „drieëenigheid" ontwikkeld der 
drie begripsmomenten. Aldus heeft Hegel in zijn oordeels- 
en sluitrede-leer — in tegenstelling met het traditioneele 
geknutsel van Felapton, Darii en hoe het verder moge 
heeten — een gedachte-ontwikkeling trachten te geven, in 
nauwen samenhang met den kern van zijn geheele systeem; 
in dit denkbeeld van de totaliteit der drie begripsmomenten 
toch ligt zoowel het hoofddogma der Christelijke leer, 
alsook de hoofdgedachte der Hegelsche wijsbegeerte opge- 
sloten: de dialectische methode, de waarmaking en bemidde- 
ling van het onmiddellijke door middel van zich zelf. 

Gaan we thans van Hegels leer der sluitrede tot Sigwart 
over, dan zien we ook bij dezen gedachten, heel wat be- 



312 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

langrijker dan men in de traditioneele behandeling pleegt 
aan te treffen; maar anderzijds heeft zijn behandeling toch 
een veel bescheidener beteekenis, dan Hegel aan de zijne 
heeft willen geven. Evenals bij de oordeels-classificatie 
vinden we ook hier de opvatting van de logica als teleo- 
logische wetenschap, en de vraagstelling zouden we kunnen 
formuleeren : welke waarde bezitten de drie Aristotelische 
figuren voor het menschelijk denken, als strevende van 
twijfel en vraag tot zekere en algemeen-geldige beslissingen 
te geraken. 

Daarbij wordt dan allereerst — hierin was Lotze voor- 
afgegaan — gewezen op het groote verschil tusschen de 
twee eerste Aristotelische figuren eenerzijds en de derde 
figuur. Door de toepassing der laatste immers, waarbij de 
praemissen een gemeenschappelijk subject bezitten, vermag 
men slechts tot de mogelijkheid van samengaan van eigen- 
schappen besluiten, ze leidt slechts tot een problematisch 
oordeel, dat misschien door latere onderzoekingen in een 
categorisch oordeel vermag te worden omgezet. 

De beide eerste figuren hangen beide ten nauwste samen 
met het principe van den grond, de eerste figuur met dit 
principe in zijn positieve, de tweede met dit principe in 
zijn negatieve formuleering. 

In het kort zij aangegeven , hoe deze herleiding geschiedt. 
De vier modi der eerste figuur zijn : 

1. Alle M is P 2. Geen M is P 

Alle S is M Alle S is M 



dus: 


Alle S 


is 


P 




3. 


Alle M 


is 


P 






Eenige 


S 


is 


M 



dus: 


; Geen 


S 


is 


P 


4. 


Geen 


M 


is 


P 




Eenig 


e S 


is 


; M 



dus: Eenige S is P dus: Eenige S is niet P 
Daar het voor den aard van het concludeeren onverschillig is, 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 313 

van welke quantiteit het subject is van den minor, kunnen 
de vier bovenstaande figuren tot twee herleid worden. 
1. Alle M is P. 2. Geen M is P 

Alle S, eenige S, één Sis M Alle S, eenige S, één S is M 

Alle S, eenige S, één S is P Alle S, eenige S, één S is niet P 

Brengen we deze beide vormen terug op den regel , vol- 
gens welken geconcludeerd wordt, dan luidt deze voor de 
eerste figuur: 

Indien iets B is, dan is A (1^ en 3^ modus). 

Indien iets B is, dan is niet X (2^ en 4^ modus). 

Als minor komt voor: 

bepaalde subjecten C zijn B. 

Derhalve: ze zijn A, ze zijn niet X. 

De vier modi der tweede figuur laten zich herleiden 
tot de twee volgende vormen: 

1. Geen P is M 2. Alle P is M 

Alle.S, eenige S, één S is M Alle S, eenige S, één S is niet M 

Alle S, eenige S, één S is niet P Alle S, eenige S, één S is niet P. 

Nu moeten voor deze figuur de twee zelfde regels als 
voor de eerste figuur gelden, daar deze beide regels de 
eenige mogelijke conclusie uit eenvoudige begripsver- 
houdingen uitdrukken. Alleen wordt thans besloten uit het 
niet intreden van het gevolg, dat ook de grond niet geldt. 

Wanneer iets B is, is het A. 

Nu is C (alle C, eenige C) niet A, 

derhalve ook niet B. 

Wanneer iets B is, is het niet X. 

Nu is C (alle C, eenige C) X, 

derhalve niet B. 

SiGWART, Logik I. blz. 466. „De samenhang zoowel als 
het onderscheid van de eerste en tweede figuur is derhalve 
daaruit duidelijk, dat in de eerste uit de geldigheid van 



314 BESCHOUWINGEN OVER DE SCHOOLSCHE LOGICA 

den grond besloten wordt tot de geldigheid van een (be- 
vestigend of ontkennend) gevolg, in de tweede uit de on- 
geldigheid van het (bevestigende of ontkennende) gevolg tot 
de ongeldigheid van den grond." ^) 

Trachten we thans onze vergelijking van Hegel en Sig- 
wart kortelijk te formuleeren, dan kunnen we zeggen: bij 
den laatste zien we steeds, zoowel bij de bespreking der 
denkwetten als van oordeel en sluitrede, de vraag gesteld: 
van welke beteekenis zijn ze alle voor de bereiking van 
dit ééne doel: het verwerven van noodwendige, algemeen- 
geldige kennis. Bij Hegel worden de grondbegrippen der 
logica, zooals hij die bij tijdgenooten vond uiteengezet, uit 
deze wetenschap uitgelicht, evenals de grondbegrippen der 
wiskunde en der andere wetenschappen, en in de trichoto- 
mische classificatie gerangschikt. Deze classificatie heeft 
daarbij een tweeledig karakter: eenerzijds wil ze een betoog 
zijn; door haar regelmatige orde van voortgang wil ze den 
lezer de overtuiging geven, dat de in haar gerangschikte 
grondbegrippen noodwendig zijn, in de rede liggen; ander- 
zijds is deze classificatie een opklimmende appreciatieschaal, 
waarin bij verderen voortgang tot geestes- en historie- 
philosofie toe een rijpe levens- en wereld-ervaring zich 
heeft kunnen nederleggen. 

Op één punt meen ik mij nog te moeten verantwoorden. 
In 't voorgaande heb ik Hegel en Sigwart tegenover elkander 
gesteld. Geenszins heb ik daarmede een waarde-vergelijking 
dezer beide personen bedoeld. Wanneer ik Sigwart noemde, 
dan bedoel ik daarmee een geestes-strooming, een richting 
van wijsbegeerte, waarvan Sigwart een der voormannen is 



1) Over den aard van het concludeeren in de derde figuur, zie Sigwart, 
Logik I § 54, 7. 



BIJ HEGEL EN BIJ DE NIEUWERE DUITSCHE LOGICI. 315 

geweest en waaraan zich ook namen van tijdgenooten als 
Rickert, Münsterberg, Windelband laten verbinden. Zoo 
ook, wanneer ik in het voorgaande mijn keuze bepaald 
heb tot eenige plaatsen in Hegels kleine logica, dan heb 
ik dit slechts gedaan, om noodwendige redenen van zelf- 
beperking. Ik heb alleen richting tegenover richting willen 
stellen. 

De tegenstelling tusschen die beide richtingen gaat verder 
dan in het voorgaande opstel kon worden aangeduid. On- 
getwijfeld heeft de Hegelsche school dit groote voordeel, 
dat zij niet alleen beloven, maar ook geven kan; dat ze 
een geheel bezit, hetwelk men, met hoeveel wijzigingen 
dan ook, verkondigen en prediken kan. — Sigwart en wie 
aan zijn zijde staan, hebben inderdaad weinig meer dan 
een belofte, een program, gereed; evenwel hebben ze ons 
in de uitvoering reeds menig goed voorbeeld gegeven. 
Doch ook al vermogen zij ons bij lange na niet een „een- 
heid van levens- en wereldbeschouwing" over te reiken en 
al spannen zij zich nog in, met alle krachten, om over de 
gronden van ons denken en voelen tot helderheid te komen, 
liever aanvaard ik hun geleide, dan mij toe te vertrouwen 
aan de gewrongen, grillige, kunstmatige, zich zelf ontrouwe 
dialectiek der Hegelsche school. 

„De moed des wetens is ons gebroken; kennistheorie, 
kritische bezinning, is ons tot een gewetenszaak geworden." 



OVER SPINOZA EN DEN GODSDIENST 

DOOR 

Dr W. MEIJER. 



Elmer Ellsworth Powell, A. M., Ph. D. heeft ons een boek 
over Spinoza and Religion gegeven , een uitwerking van een 
vroeger geschrift over Spinoza's Gottesbegriff. 

Het is duidelijk dat de schrijver lang met Spinoza ver- 
keerd heeft, immers zijn wijze van werken is met Spinoza's 
denkwijze (methode) volkomen in overeenstemming. Voor 
alles tracht hij zich rekenschap te geven van den inhoud 
der begrippen waarmede hij zich bezig houdt (zie blz. 221 
en 222) en slaat daardoor al terstond den eenigen goeden 
weg in om zich duidelijk en verstaanbaar te maken. 

Velen, zegt hij zeer terecht, stellen aan begripsbepalingen 
te hooge eischen; zij wenschen daarin alles te zien uitge- 
drukt wat er bij mogelijkheid in een begrip te vinden is. 
Door dezen overdreven eisch maken zij bij voorbaat elke 
poging om hun doel te bereiken, ijdel en vruchteloos. 

Stelt men zich daarentegen alleen de vraag hoe het onder- 
havige begrip van andere begrippen zuiver te onderscheiden 
is, dan is een goede doeltreffende begripsbepaling even 



OVER SPINOZA EN DEN GODSDIENST. 317 

bereikbaar als gewenscht en onmisbaar. „Religion" nu, zegt 
hij, „heeft een leerstellig, een gemoedelijk, en een werk- 
dadig karakter"; godsdienst is: (lees: het begrip godsdienst 
omvat) „de gemoedsaandoeningen en handelingen gewekt 
„en veroorzaakt door het geloof in een of meerdere per- 
„soonlijke machten van hoogeren rang, waarmede de mensch 
„wordt verondersteld in betrekking te staan." ^) 

Dit sluit, zegt Powell, zoowel het Fetichisme als het 
Christendom in en kan dus zijns inziens als voldoende 
omschrijving worden aangemerkt, terwijl hij daarbij in 't 
bijzonder onze aandacht vestigt op de woorden hooger onper- 
soonlijk om aan den eenen kant zuiver menschelijke betrekkin- 
gen uit te sluiten, en atheïstische of ongoddelijke, zooals onze 
verhouding tot natuurverschijnselen, aan den anderen kant. 

Inderdaad is deze beschrijving ook o. i. volledig. Een leer- 
stellige overtuiging alleen; een onbestemd, op geen bepaald 
voorwerp gericht gevoel; een geloofsdaad zonder eenig 
redelijk begrip kunnen den naam van godsdienst niet ver- 
dienen. Met opzet zeg ik hier godsdienst en niet religie, 
het barbaarsche woord waardoor men in den laatsten tijd 
gewoon is het woord godsdienst te vervangen. Dit vervangen 
is een bedenkelijk teeken en bewijst in de meeste gevallen 
dat de zaak door een woord aangeduid, zijn juiste beteekenis 
voor ons verloren heeft, zooals dit ook hier het geval is, 
waar men het onmiskenbaar verlies van echte vroomheid 
door een min of meer verward denkbeeld voor zich zelf en voor 
anderen tracht te bemantelen. Het woord godsdienst heeft 
in onze taal altijd aan de door Powell gestelde eischen be- 
antwoord. Als men vraagt tot welken godsdienst iemand 
behoort of spreekt over de wereldgodsdiensten, dan bedoelt 



1) „Religion is the emotions and activities determined by belief in a higlier 
personal power or in higher personal powers, with whom man is assumed lo 
sustain relations." 



318 OVER SPINOZA EN DEN GODSDIENST. 

men het geloof of de leer omtrent een hooger wezen van 
persoonlijken aard; als men spreekt van een godsdienstig 
mensch dan bedoelt men een mensch die zich met zulk 
een hooger wezen verbonden gevoelt; terwijl eindelijk het 
woord godsdienst door zijn samenstelling zelve reeds aan- 
geeft dat daarin handelingen of daden voorondersteld worden, 
die van welken aard ook, uit vrees voor, ten gevalle of op 
gezag van, of wel uit liefde tot zulk een hooger wezen 
worden verricht. 

Evenals de meeste feiten in 's menschen zieleleven is ook 
de godsdienst, die wel een der meest verheffende gemoeds- 
stemmingen genoemd mag worden, noch zuiver verstandelijk, 
noch zuiver gemoedelijk, noch wilsdaad alleen; maar dit 
alles te zamen. Wat men gelooft omtrent een persoonlijk 
God brengt ons gemoed in beweging en wat ons gemoed 
in beweging brengt, uit zich in daden. Het geloof zonder 
de werken is dood en een waarachtig geloof zonder toewij- 
ding of liefde is niet denkbaar. Dat is het wat men vroom- 
heid noemt. Een persoonlijke verhouding tusschen God en 
mensch schijnt hierbij inderdaad onmisbaar. 

Wat is echter persoonlijkheid? Powell antwoordt hierop: 
zelfbewustzijn, en ongetwijfeld is dit antwoord juist, edoch 
nog onvoldoende. 

Een omschrijving kan ook te weinig zeggen en dat is 
hier het geval. Wel zullen de meesten zich met dat woord 
tevreden stellen, toch zegt het niet genoeg. Het zelfbewustzijn 
is ons allen van kindsbeen af bekend en waar we aan gewoon 
zijn, zegt Spinoza, dat meenen we allicht goed te begrijpen, daar- 
van vragen we geen verklaring. En toch behoort het niet tot die 
allereenvoudigste begrippen waarbij ons verstand gedwongen 
is stil te staan, begrippen die men als de atomen onzer 
gedachtenwereld zou kunnen beschouwen. Het begrip zelf- 
bewustzijn of persoonlijkheid namelijk, is nog te ontleden in 



OVER SPINOZA EN DEN GODSDIENST. 319 

twee andere begrippen, die van zelfstandigheid en onder- 
scheiding; onafhankelijkheid (autonomie) en tegenoverstelling. 

Zulk een persoonlijkheid nu schrijven de meeste menschen 
eerst zich zelven en hun medemenschen en daarna der 
Godheid in buitengewone mate (eminenter) toe. 

In de Oudheid kende men geen Godheid zonder gods- 
beeld, wij zeggen thans „afgodsbeeld". De Romeinen namen 
ten slotte al die Goden gastvrij in hun Pantheon op. Toen 
zij echter den Joodschen godsdienst en de Joodsche secte 
der Christenen leerden kennen en ontwaarden dat bij hen 
geen godenbeelden te vinden waren , noemden ze deze 
menschen eenvoudig goddeloozen. Een godheid zonder 
beeld was iets ondenkbaars voor hen. En hoe sterk die 
gedachtenkoppeling (associatio idearum) altijd is geweest, 
blijkt ons duidelijk uit het bekende feit dat de menigte in 
later tijd zelfs in den Christelijken godsdienst met geweld 
weer den beeldendienst heeft ingevoerd. 

Bij de hooger ontwikkelden onder de Christenheid werd 
die dienst evenwel geheel en al verlaten en ernst gemaakt 
met het oude voorschrift uit Exodus: gij zult u geen ge- 
sneden beeld maken van hetgeen in den hemel is, enz. 

Ondertusschen bleef ook bij laatstgenoemden het denk- 
beeld (de idee) der persoonlijkheid Gods, anders gezegd 
de persoonsverbeelding (hypostase) van God streng gehand- 
haafd, en welke wijzigingen de Christelijke Godsvoorstelling 
ook in den loop der tijden moge hebben aangenomen, het 
denkbeeld der persoonlijkheid bleek in dien godsdienst 
onafscheidelijk van het denkbeeld van God (idea Dei) te 
zijn. Wie derhalve in later tijden de persoonlijkheid Gods 
loochende, werd onherroepelijk voor een godloochenaar 
verklaard. 

In anderen vorm herhaalde zich hier het feit uit den 
Romeinschen keizertijd. De grofzinnelijke afbeelding, zelfs 

21 



320 OVER SPINOZA EN DEN GODSDIENST. 

onder de hoogst veredelde menschelijke gestalten der 
Grieksche Goden was als bewijs van een minderwaardig 
standpunt verworpen , de verbeelding evenwel van God als 
geestelijke persoonlijkheid, naar de gelijkenis van den 
mensch, bleef het merkteeken, de proefsteen, diegodsdien- 
stigen van ongodsdienstigen onderscheidde. 

Kant omschreef die Religion als de erkenning van al 
onze plichten als goddelijke geboden, en handhaafde door 
deze uitspraak, evenals Powell in zijn bepaling, het persoonlijke 
beginsel als voor den godsdienst onmisbaar. De godsdienstige 
mensch zoekt steun en bescherming te midden van de rampen 
en nooden des levens : hij vindt die in zijn geloof aan een Voor- 
zienigheid tot wie hij zich ten allen tijde in den gebede wenden 
kan. Een godsdienstige verhouding tot het Onbekende, de 
Wereld, de Zwaartekracht, de Kunst, de Menschheid, kort- 
om het onpersoonlijke, is een ondenkbare verhouding. 

Tot zoover over godsdienst in het algemeen. 

De vraag die Powell zich vervolgens stelt is deze : in hoever 
nu ook Spinoza's leer godsdienstig mag worden genoemd. 

En wel bestaat er reden voor zulk een vraag. Als men 
Schleiermacher vol geestdrift en bewondering hoort gewagen 
van Spinoza als den man in wiens leven het Absolute begin 
en einde was, wien de hooge Wereldgeest doordrong, die 
vol was van den Heiligen Geest; — als men bij Tennyson 
leest over Spinoza als den God-intoxicated man, den man 
die „dronken was van God"; — en dan bij van Vloten 
den wijsgeer hoort prijzen als den atheist bij uitnemendheid, 
wien men alleen verwijten kan dat hij den naam „God" 
nog behouden heeft, dan is er reden voor de vraag: wat 
hebben we daarvan te denken? Allereerst, hoe is zulk een 
tegenstrijdige opvatting mogelijk? 

Voor dit laatste geeft Powell twee verschillende redenen. Zijn 



OVER SPINOZA EN DEN GODSDIENST. 321 

vrienden, zegt hij, durven Spinoza geen atheist noemen, 
al houden ze hem ook daarvoor, omdat veelal doordien 
naam de smet van zedeloosheid iemand wordt aangewreven, 
en Spinoza zelf heeft tot dit verschil van opvatting door 
dubbelzinnigheid van uitdrukking en gedrag, soms zelfs 
door verdraaiing zijner gedachten ten aanzien van dit punt, 
aanleiding gegeven. 

Onder anderen zou dat blijken uit zijn levensgeschiedenis. 
Hier toont Powell echter volstrekt niet op de hoogte te zijn. Als 
Spinoza wiens hoofdstudie van kindsbeen tot zijn laatste 
levensdagen het O. T. geweest is, en die te midden van 
oprecht vrome, niet, zooals Powell zegt, vervelend orthodoxe 
Christenen zijn leven sleet, zich des Zondags ter kerk begaf 
om Ds. Cordes, een bekwaam predikant der Ev. Luthersche 
gemeente te gaan hooren, dan kunnen wij daarin niets 
anders zien dan de handelwijze van een denker, die, steeds 
met eigen gedachten bezig, gaarne de gelegenheid aan- 
grijpt, om over een onderwerp dat hem boeit ook anderer 
meening eens te vernemen. Powell beschouwt dit als laakbare 
tegemoetkoming en aanpassing aan de zeden des volks. 
Wie onzen landaard evenwel kent, weet dat te dier tijde 
niemand zelfs verwacht, veel min geeischt zal hebben dat 
een Jood zich ter kerke begaf. 

En als Spinoza te Rijnsburg de taak heeft op zich genomen 
een leerling in de wijsbegeerte van Descartes te onderrichten, 
dan neemt hij zich zorgvuldig in acht dien jongen man zijn 
eigen beginselen mede te deelen, hetgeen in dien tijd en 
onder die omstandigheden even trouweloos als gevaarlijk zou 
geweest zijn. Dat hij zelf met de Cartesiaansche beginselen ge- 
broken had, heeft hij in de Voorrede van zijn boek over Cartesius 
opzettelijk ter algemeene kennisse laten brengen en dat hij 
zijn eigen gevoelen aan Casearius niet mededeelde was 
behalve zijn plicht, daarenboven geraden met het oog op 



322 OVER SPINOZA EN DEN GODSDIENST. 

het karakter van dien jongeling, wien het als zoovelen , niet 
aan nieuwsgierigheid, wel aan weetgierigheid ontbrak. Ook in 
dezen kan Spinoza's gedrag in geen enkel opzicht ten kwade 
worden geduid. Powell evenwel maakt er hem een verwijt van. 

Maar al moge Powell dan ook minder juist Spinoza's 
leven begrepen hebben, met ernst heeft hij zich aan de 
studie van diens wereldbeschouwing gewijd. Aan de hand 
der Ethica, begint hij met een uiteenzetting van Spino- 
za's Godsbegrip. Achtereenvolgens behandelt hij , evenals 
in zijn eerste Duitsche boek, de Begripsbepaling der Sub- 
stantie, de bijkomstige en de wezenskenmerken van het 
Bestendige (de formeele en de reëele Attributen van de 
Substantie) , de verhouding van God tot de wereld, de beide 
ons bekende wezenskenmerken van uitbreiding en denking 
en eindelijk de verhouding van Spinoza's Godsbegrip tot 
het godsdienstig bewustzijn. 

Powell is, volgens zijn eigen verklaring, er niet in geslaagd 
de logica in Spinoza's stelsel te vinden. Hij meent dat de 
wijsgeer zich telkens en wel op hoofdpunten weerspreekt. Het 
is hier niet de plaats dit uitvoerig uiteen te zetten en te 
weerleggen, het zij ons slechts veroorloofd te wijzen op een 
hoofdoorzaak dezer dwaling, een feit dat ook bij andere 
schrijvers nog te dikwerf voorkomt: onjuiste waardeering 
namelijk van „de Korte Verhandeling" en de „Cartesiaan- 
sche Beginselen" van Spinoza. 

Behalve de natuurkundige opstellen en de Hebreeuwsche 
Grammatica, werken die uitteraard buiten wijsgeerige be- 
schouwing vallen, heeft ondergeteekende alle werken van 
Spinoza vertaald, doch met opzet de Principia Philosophiae 
Cartesianae en de Cogitata Metaphysica onvertaald gelaten, 
omdat de wijsgeer zelf uitdrukkelijk heeft verklaard dat 
hierin zijne eigene gevoelens niet waren uitgedrukt. Toch 
worden door velen , ook door Powell , nog steeds gezegden 



OVER SPINOZA EN DEN GODSDIENST. 323 

uit dat boek ter bewijsvoering aangeliaald. Men heeft daartoe 
geen recht. — In de tweede plaats wordt de Korte Ver- 
handeling niet met de noodige voorzichtigheid benut. Hoe 
onschatbaar deze is, zij is moeielijk te verstaan. Zie ik 
goed, dan is daarin het eerste ruigontwerp van Spinoza's 
leer uiteengezet, eenerzijds dus nog zeer onzuiver en met 
vele Cartesiaansche denkbeelden vermengd, al valt daarin 
aan den anderen kant voor den Spinozakenner veel belang- 
rijks te ontdekken, wat voornamelijk in den vorm van Noten 
of Aanteekeningen blijkbaar in lateren tijd aan die verhan- 
deling is toegevoegd. Bovendien is de gewone verhaaltrant, 
in dit werk gevolgd, een kostbaar middel ter verklaring van 
hetgeen door den omslachtigen betoogtrant der Ethica dik- 
werf verborgen blijft. Zulk een boek is ongetwijfeld met voor- 
deel, doch tevens slechts met veel beleid te gebruiken bij de 
studie van een wereldleer als die van Spinoza. 

Zien we nu op de einduitkomst van Powells betoog, dan 
blijkt daaruit dat naar diens meening, door Spinoza aan God 
verstand en wil ontzegd wordt, althans in dien zin waarin 
wij deze beide geestvermogens aan den mensch toekennen; 
dat daardoor de persoonlijkheid Gods vervalt, en Spinoza's 
stelsel dus eerstens voor ongodsdienstig; ten tweede voor 
Atheïstisch Monisme moet gehouden worden. 

Dit besluit is in vele opzichten juist, in een enkel on- 
juist. 

Het grootsche van Spinoza's wereldopvatting is ongetwijfeld 
daarin gelegen dat hij aan het hoogste wat men zich denken 
kan, niet als de meeste anderen een menschelijk karakter 
heeft gegeven, maar er in geslaagd is daaraan alle ver- 
menschelijking te ontnemen. 

Bovenal is uit zijn Godsbegrip alle persoonsverbeelding 
verwijderd, en daarmede dan ook een einde gemaakt aan 
elke persoonlijke verhouding van den mensch tot God. Van 



324 OVER SPINOZA EN DEN GODSDIENST. 

offers en gebeden kan voor den Spinozist geen sprake zijn. 

Wie PowelI's definitie van godsdienst aanvaardt en dus 
noch het onbestemde afhankelijksheidsgevoel, noch als 
Hegel b.v, „de kennis van den eindigen menschengeest van 
zijn eigen aard als volstrekten of volmaakten geest," ^) gods- 
dienst wil noemen; kan aan Spinoza's denkbeelden geen 
godsdienstig karakter toeschrijven. 

Als Kant van den godsdienst zegt, dat deze bestaat in 
het erkennen van onze plichten als Goddelijke geboden, 
dan strookt dit geheel met Spinoza's meening, die evenzeer 
Oud-Testamentisch den godsdienst opvat als gehoorzaam- 
heid aan Gods bevelen; zonde als verzet tegen den Godde- 
lijken wil. 

In de 24ste Aanteekening echter op het Godgeleerd-Staat- 
kundig Vertoog (welke Aanteekeningen door mij voor het 
eerst met gebruikmaking van alle voorhandene teksten zijn 
uitgegeven bij S. L. van Looy, Keizersgracht 198, Amsterdam) 
verklaart Spinoza dat, zoodra wij de reden van de Godde- 
lijke voorschriften en geboden leeren verstaan, de gehoor- 
zaamheid ophoudt om plaats te maken voor liefde, die uit 
de ware kennis even zeker ontstaat als het licht uit de zon. 
Door de Rede geleid, zegt hij, kunnen we derhalve God 
wèl liefhebben , maar niét dienen. 

Om misverstand te voorkomen voegen wé hier terstond 
bij, dat volgens de Ethica, de liefde tot God onmogelijk 
wederliefde van God tot den mensch kan verwachten, en 
ook daardoor dus elke persoonlijke verhouding is uitgesloten. 

Voegt men hu nog hierbij , dat Spinoza begrippen als : 
wonderen, openbaring, zonde, voorzienigheid en onsterfe- 
lijkheid, voor onaannemelijk, met zichzelf in strijd, dus 
onbestaanbaar hield, dan kan men zich, dunkt mij, zeer goed 



1) Das Bewusstsein von der Gemeinschaft des Endlichen und Unendllchen. 



OVER SPINOZA EN DEN GODSDIENST. 325 

vereenigen met de uitspraak van Powell dat Spinoza's 
stelsel ongodsdienstig moet worden genoemd. 

Hierin ligt volstrekt niet opgesloten dat Spinoza deswege 
den godsdienst minachtte. Te zeer was hij Jood om niet in 
te zien welk een hooge levensernst zich in den godsdienst 
der menschen openbaart en nadrukkelijk heeft hij verklaard 
dat deze buiten den godsdienst voor de menigte niet te vin- 
den is; een waarheid die ons door de geschiedenis onzer 
dagen op bizonder duidelijke wijze wordt bevestigd. — Het 
hoog en laag gemeen ^) is zonder godsdienst niet in staat 
een menschwaardig bestaan te leiden. 

Wat niet wegneemt dat voor diegenen wien het gelukt 
de ware wijsbegeerte te doorschouwen en zich bewust te 
worden van hun levenseenheid met de geheele natuur, de 
erkenning dezer „eeuwige waarheid" alle godsdienstig ge- 
loof, gevoel en handeling vervangt, aangezien alsdan alle 
verbeelding (imaginatio), ook de persoonsverbeelding Gods, 
heeft plaats te maken voor dat hoogere inzicht, dat Spinoza 
scientia intuitiva of geestelijke aanschouwing heeft genoemd, 
die ons leert alles wat werkelijk is als volmaakt te be- 
schouwen en onze eigen persoonlijkheid als een wanbegrip, 
aangezien de natuur der Substantie — een der deelen van dat 
begrip, als wij boven zagen — niet tot den mensch behoort. 

In één opzicht echter is de slotsom van Powell's over- 
peinzing — overigens een eerbiedwaardig gedachtenwerk — 
af te keuren. Hij noemt Spinoza's stelsel : Goddelooze Aleen- 
heidsleer^). Dit schijnt mij niet juist. Powell zelf onder- 
scheidt een metaphysische of wijsgeerige ^^n een religieuse 
of godsdienstige Godsbeschouwing, er volgt dus geenszins 
nadat of omdat men Spinoza's stelsel als ongodsdienstig 



1) „Gemeen" hier te verstaan in de oud-HolIandsche beteekenis. 

2) Atheistic Monism. 



326 OVER SPINOZA EN DEN GODSDIENST. 

heeft gekenmerkt, — hetgeen in vroeger dagen gebrand- 
merkt of gedoodverwd zou moeten heeten, — dit stelsel tege- 
lijkertijd atheïstisch te noemen. 

Godsdienst en wijsbegeerte beschouwen hetzelfde onder- 
werp. Ze zoeken beide naar de eerste beginselen, naar de 
verklaring van het geheel der dingen. Als zoodanig zijn ze 
nauw verwant. Zij zoeken naar het hoogste wat de mensch 
zich denken kan. Hooren we het vroom gebed waarin 
Anselmus Gods bestaan tracht te bewijzen dan klinkt ons 
als praemisse of grondstelling tegen: „God is het hoogste 
dat men denken kan" ^) ; en slaan wij Vondel op in zijn 
Engelenrei , „Wie is het die zoo hoog gezeten enz." eirfdi- 
gende met de woorden : „Dat 's God", dan is het of we de 
definitie der Substantie uit het eerste Boek der Ethica lezen 
of wel die naar de omschrijving van Descartes. 

Grondzakelijk zijn de dichter, de vrome en de wijsgeer 
het eens. Maar terwijl de laatste zich voortdurend door de 
Rede leiden laat, laten zijn beide metgezellen zich al spoedig 
door de inblazingen (inspiraties) der verbeelding op allerlei 
bijpaden verleiden, en dientengevolge scheiden zich hunne 
wegen voor goed, zooals door Spinoza in zijn Godgeleerd- 
Staatkundig vertoog op zulk een uitmuntende wijze is 
uiteengezet. 

Aanvankelijk echter bewegen zij zich op hetzelfde gebied, 
stemmen hun definities bijna woordelijk overeen, en moet 
dus het voorwerp daarvan met denzelfden naam worden 
genoemd. Spinoza komt dan ook in het Aanhangsel van 
de Korte Verhajydeling , na zijn kort overzicht der Natuur 
als zoodanig, tot deze slotsom dat zij in alle opzichten 
overeenkomt met het wezen van den alleen heerlijken en 
gezegenden God. Hier gebruikt hij nog de algemeen in de kerk 



1) Deus est quo majus cogitari nequit. 



OVER SPINOZA EN DEN GODSDIENST. 327 

aangenomen zegswijze (formule,) maar toch blijkt ook uit zijn 
Ethica allerduidelijkst, dat hij onder de woorden Deus en 
Natura hetzelfde verstond. 

Welke eigennamen ook aan het hoogste Wezen gegeven 
zijn: Osiris, Zeus, Jupiter, Wodan of Jehovah, de geslachts- 
naam „god" „&£óg" of „deus" is hun allen gemeen, en der- 
halve had Spinoza volkomen het recht niet alleen, maar 
was hij ook verplicht zijn ens absolute infinitum, het vol- 
strekt oneindige wezen, God te noemen (Def. 6, Dl. I der 
Ethica). De zoogenaamd formeele eigenschappen: die van 
oneindigheid, eeuwigheid en alomtegenwoordigheid had 
zijn .God met alle andere gemeen ; in werkelijke of wezens- 
kenmerken verschilde hij daarvan. Wie dan ook Spinoza 
doorgrond heeft, en diens wijsbegeerte als de ware erkent, 
kan niet toegeven dat Spinoza ooit een atheist zou mogen 
genoemd worden. 

Atheist is die van het hoogste dat men zich denken kan, 
verklaart niets te weten , of wel al wat eeuwig en oneindig 
is ontkent, niet hij, wiens geheele leven heeft bestaan in 
de studie van het Bestendige, dat eeuwig, eenig en alom- 
vattend is. 

Spinoza's redelijk inzicht in de natuur der dingen sluit allen 
godsdienst uit, maar is juist daarom de ware wijsbegeerte. 

Zulk een wijsbegeerte echter kan nooit atheïstisch zijn. 

Zoowel Schleiermacher als van Vloten hebben dezen grond- 
trek van Spinoza's stelsel miskend; Prof. Gunning schijnt 
dit begrepen te hebben. 

Een godsdienst zonder God, een „athei?;tische nuance" 
van den godsdienst, zooals men vroeger zeide, is ondenk- 
baar en dus onbestaanbaar; een inzicht in fiet wezen van 
God zonder godsdienst is een historisch feit, neergelegd 
in de Ethica van Benedictus Despinoza. 



HET IK EN T PSYCHISCH MONISME 

DOOR 

G. HEYMANS. 
Dr. J. A. Dèr Mouw, Kritische Studies, Leiden s.a. 



Wanneer in het laatste jaar niet al mijn tijd in beslag 
was genomen door dringende werkzaamheden, dan zou ik 
zeker niet zoo lang hebben gewacht met het beantwoorden 
der bezwaren, die door Dr. Dèr Mouw in zijn jongste ge- 
schrift tegen mijne „Einführung in die Metaphysik" zijn in 
het midden gebracht. En dit om verschillende redenen. 
Vooreerst omdat ik met volle overtuiging verklaren kan, 
onder de verschillende bestrijdingen, die mijn boek in 
binnen- en buitenland heeft uitgelokt, er geene te hebben 
gevonden, niet slechts zoo geestig en scherpzinnig, maar 
ook zoo zakelijk en zaakrijk als deze. Maar vervolgens ook, 
omdat juist deze bestrijding, beter dan eenige andere, mij 
gelegenheid geeft om nog eens toe te lichten en te illu- 
streeren mijne opvatting der metaphysica als ervarings- 
wetenschap, en de gevolgen, waartoe deze opvatting moet 
leiden bij de^, behandeling van metaphysische problemen. 
Want de verschilpunten tusschen den heer Dèr Mouw en 
mij laten zich ten slotte voor het allergrootste deel terug- 
brengen tot de beide vragen: of de empirische methode 
moet worden toegepast, en welke eischen zij stelt. 



HET IK EN 't psychisch MONISME. 329 

Wat de eerste vraag betreft, is er, voorzoover ik zien 
kan , geen strijd : de heer Dèr Mouw volgt mij op het door 
mij gekozen empirisch terrein, en laat nergens blijken, dat 
hij een ander veld van onderzoek zou hebben gev^enscht. 
Niet met polemische bedoeling derhalve, maar uitsluitend 
tot betere informatie van den lezer, wil ik mijne terreinkeus 
nog met een enkel woord toelichten. Ik bedoel dan met de 
empirische methode eenvoudig die methode, die in de bij- 
zondere ervaringswetenschappen, speciaal in de natuur- 
wetenschap , sedert eenige eeuwen algemeen wordt toegepast ; 
en ik heb in mijn boek getracht de vraag te beantwoorden, 
hoever wij met die methode kunnen komen, wanneer wij 
haar niet, zooals in die bijzondere wetenschappen geschiedt, 
op de gegevens van een bepaald gebied, maar wanneer 
wij haar op alle thans beschikbare gegevens aanwenden. 
Door het stellen van deze vraag heb ik geenszins geprae- 
judicieerd over de andere: of deze methode de eenige is, 
die tot uitbreiding onzer kennis van de werkelijkheid kan 
leiden. Ik geloof inderdaad, dat dit zoo is, en dat alle 
andere methoden, die men vroeger of later voor haar in 
de plaats heeft willen stellen, bij nader onderzoek blijken 
onbewuste , en daarom meestal gebrekkige toepassingen van 
de empirische methode zelve te zijn; ik ben ook bereid 
om, desgewenscht , deze meening nader te motiveeren; maar 
ik kan ze hier zonder bezwaar ongemotiveerd laten. Want 
men moge over die andere methoden oordeelen zooals men 
wil, in elk geval heeft de empirische methode, die tot dus- 
ver overal, waar zij op beperkt terrein werd toegepast, 
klaarheid, orde en samenhang heeft gebracht, er recht op, 
ten einde toe te worden doorgevoerd. Men bedenke ook, 
dat van die andere methoden tot dusver geene zich anders 
dan binnen enge grenzen van ruimte en tijd heeft kunnen 
handhaven, terwijl de empirische, overal waar zij eenmaal 



330 HET IK EN 't psychisch MONISME. 

hare intrede heeft gedaan , eene voortgezette , niet meer ge- 
stuite uitbreiding van kennis en inzicht heeft mogelijk ge- 
maakt. Redenen genoeg, naar het mij voorkomt, om be- 
langstelling te wettigen voor de vraag, wat er voor den 
dag komt, wanneer die empirische methode, met dezelfde 
zorgvuldigheid als binnen de bijzondere wetenschappen 
gebruikelijk is, op het geheele veld der ervaring wordt 
toegepast. 

Wordt nu dit, zooals ik vermoed dat het geval is, door 
Dr. Dèr Mouw toegegeven, dan blijft de vraag over, in 
hoever ik bij mijn onderzoek aan de eischen der empirische 
methode heb te kort gedaan. 

De bezwaren van den heer Dèr Mouw richten zich in 
hoofdzaak, direct of indirect, tegen de geringe plaats, die 
ik in mijne beschouwingen voor het Ikbegrip heb ingeruimd. 
„Het Ik komt niet tot zijn recht" (bl. 1); „het psychisch 
monisme kan geen rekenschap geven van het Ik, dat toch 
de helft is van een ieders wereld" (bl. 89); „we moeten 
rekenschap geven van het Ik, wanneer we een wereld- 
beschouwing willen hebben. Het begrip Ik en het begrip 
buitenwereld, als partieele oorzaak van /n///2 „waarnemingen" 
genoemde bewustzijnsinhouden of -bepaaldheden, zitten 
aan elkaar vast als de twee helften van mijn begrip: 
Wereld, en wie de representatieve waarde onderzoekt van 
het tweede, d. i. wie onderzoekt in welk stelsel van 
begrippen het begrip: buitenwereld moet uiteenvallen, om 
een bewustzijnspendant te kunnen zijn van de niet-bewuste 
Werkelijkheid, die moet evengoed onderzoeken of er nu 
misschien ook aan het begrip Ik iets beantwoordt, dat op 
de een of andere manier aan het Ik-begrip ten grondslag 
ligt" (bl. 10). 

Het komt mij voor, dat in deze plaatsen de verhouding 
tusschen de begrippen Ik en buitenwereld niet geheel juist 



HET IK EN 't psychisch MONISME. 331 

is weergegeven. De twee helften van ieders wereld zijn 
niet Ik en buitenwereld, maar eigen bewustzijn en buiten- 
wereld; daarvan is het eerste onmiddellijk gegeven, de 
tweede een noodzakelijke aanvulling van het gegevene op 
grond van het causaliteitsbeginsel. Het Ik (wanneer daar- 
mede althans iets anders wordt bedoeld dan het eigen 
bewustzijn) is niet onmiddellijk gegeven; en evenmin is 
duidelijk in te zien dat zijn bestaan door het causaliteits- 
beginsel zou worden gepostuleerd. Wij mogen dus met 
zekerheid zeggen: wanneer het causaliteitsbeginsel geldt, 
dan moet er behalve hel gegeven bewustzijn nog iets anders 
bestaan , dat ik buitenwereld noem ; maar wij mogen niet 
zeggen (althans ik zie niet in dat wij mogen zeggen) : wan- 
neer het causaliteitsbeginsel geldt, dan moet er nog een 
derde bestaan, dat als Ik zal worden aangeduid. On- 
getwijfeld eischt de wettelijke samenhang der bewustzijns- 
processen een reëelen grond ; maar hetzelfde geldt ook 
van den wettelijken samenhang der buitenwereldsprocessen , 
en men zou , door dien eersten grond het Ik te noemen , 
zonder reden een beslissing nemen over zijne zelfstandig- 
heid en afgeslotenheid tegenover den tweeden. Het komt 
mij derhalve geraden voor, deze beide zaken: het opsporen 
van feitelijke en wettelijke verhoudingen in bewustzijn en 
buitenwereld eenerzijds, en het nadenken over de gronden 
dier wettelijkheid aan den anderen kant, voorloopig ge- 
scheiden te houden, opdat niet de inzichten, die over de 
eerste te verkrijgen zi}n, worden verduisterd en vervaagd 
door de onzekerheid der tweede. Zoo stelt de natuurweten- 
schap hare wetten vast en breidt het gebied hunner geldig- 
heid hypothetisch uit ver buiten de grenzen der directe 
ervaring, ook wanneer zij op de vraag, waarom die wetten 
gelden, nog geenerlei bevredigend antwoord vermag te 
geven. 



332 HET IK EN 't psychisch MONISME. 

Ik vrees zeer, dat de heer Dèr Mouw zich hiermede niet 
zal laten afschepen. Door mij zelf, zoo voert hij mij te 
gemoet, worden telkens uitdrukkingen gebruikt als „ik 
weet", „ik neem aan", „mijn denken" enz,; in woorden 
als „dit", „nu", „hier", gelijk ook in de „volzinwoorden" 
van Hoogvliet, ligt het Ikbegrip opgesloten; voor het naïeve 
realisme staat tegenover de stoffelijke wereld het die stoffe- 
lijke wereld waarnemend Ik: een begrip, dat zulk een 
belangrijke rol in het denken speelt, mag niet van het 
onderzoek worden buitengesloten (bl. 2 — 7). — Ik zou 
hierop willen antwoorden , dat ik dit begrip , waar het zich 
in voldoend scherpe omlijning vertoont om althans eenigs- 
zins herkenbaar te zijn, ook niet van het onderzoek buiten- 
gesloten heb: aan de toetsing der zielshypothese van het 
dualistische realisme heb ik in mijn boek verscheidene 
paragraphen gewijd. Maar wat het Ikbegrip van het dage- 
lijksch leven betreft, ik vrees werkelijk, dat wij daaraan te 
veel eer bewijzen , wanneer wij er een hoogere wijsheid 
achter zoeken. Men zegt: „ik weet", „ik neem aan", maar 
ook „ik sta", „ik lig"; „mijn denken", maar ook „mijn 
longen", „mijn neus"; zou achter dit „ik" en „mijn" wel 
meer zitten dan het complex van werkelijkheden, dat voor 
het individueel bewustzijn, deels als zijn gegeven inhouden, 
anderdeels als een daarmede eng en duurzaam verbonden 
stuk buitenwereld, bijzondere waarde bezit? Ik geef gaarne 
toe, dat wij met het stellen van deze vraag niet van de 
zaak af zijn; in het bijzonder zal in de kennistheorie 
nader te onderzoeken zijn, of, blijkens de ervaring van het 
denken, met een of ander Ikbegrip synthetisch-apriorische 
oordeelen samenhangen; maar in de metaphysica, waar 
toch de begrippen van het dagelijksch leven slechts heuris- 
tische waarde kunnen bezitten als aanwijzers van problemen 
of hypothesen, behoeven wij ons, naar het mij voorkomt, 



HET IK EN 't psychisch MONISME. 333 

door dit begrip, juister gezegd door deze collectiefvoor- 
stelling ^), niet in ons onderzoek te laten ophouden. 

Dat dit zoo is, kan nog op eene andere wijze in het 
licht worden gesteld. Alle overwegingen namelijk, die voor 
de onderstelling van een Ik, van een substantieelen geest 
enz. plegen te worden aangevoerd, kunnen bij de behande- 
ling van het individueele bewustzijn veilig ter zijde worden 
gesteld, om eerst weer in het oog gevat te worden als het 
Wereldbewustzijn aan de orde komt. Wanneer b. v. voor 
bewustzijnsprocessen in het algemeen substantieele dragers, 
voor een tot eenheid verbonden complex van bewustzijns- 
processen een enkelvoudige geest als drager wordt gepos- 
tuleerd enz., dan is daarmede het bewustzijnsgebied , dat 
door een enkelen zoodanigen drager kan worden omspannen , 
nog geheel onbepaald gelaten. Vermag dus het psychisch 
monisme aan de hand der feiten waarschijnlijk te maken , dat 
de verhouding tusschen de verschillende bestanddeelen van 
een individueel bewustzijn alleen schijnbaar principieel, 
inderdaad echter bloot gradueel verschilt van die tusschen 
de verschillende individueele bewustzijnen , dan zal, door 
het aannemen van een Wereldgeest of Wereld-Ik, nog even- 
goed aan die postulaten voldaan kunnen worden, als bij 
andere uitkomsten door het aannemen van individueele 
geesten of ikheden had kunnen geschieden. In geen geval 
mag dus tegen het psychisch monisme worden aangevoerd, 
dat het de enkele voorstellingen en aandoeningen als zelf- 
standige dingen in de* lucht laat zweven, en daardoor de 



1) De heer Dèr Mouw heeft bezwaar tegen mijne definitie van begrippen 
als voorstellingen met scherp bepaalden inhoud (bl. 11—13); tot verduide- 
lijking moge dienen, dat ik met „scherp bepaald" niets anders bedoelde dan 
„bestaande uit een bepaald aantal preciese kenmerken", waardoor duister- 
heid (onmogelijkheid om zich van die kenmerken rekenschap te geven) niet 
per se wordt uitgesloten: men denke b. v. aan de getalbegrippen, die wij als 
kinderen niet door definities, maar door het gebruik hebben leeren kennen. 



334 HET IK EN 't psychisch MONISME. 

gegeven eenheid van het individueel bewustzijn onverklaar- 
baar maakt: het kan de instinctieve behoefte aan een 
substantieelen achtergrond voor 't psychische gebeuren al 
of niet laten gelden , zonder dat hierdoor in zijne empirische 
generalisaties ook maar 't allerminste behoeft te worden 
veranderd. 

Nu meent evenwel de heer Dèr Mouw te kunnen aan- 
toonen, dat de hypothese van individueele geesten reeds 
daarom door mij niet mag worden ter zijde gesteld, omdat 
zij in verscheidene door mij geconstateerde feiten of aan- 
vaarde opvattingen onmiddellijk ligt opgesloten: zoo in de 
erkenning der bewegingsgewaarwordingen als willekeurig 
voortgebracht, in het aannemen van duurzame individueele 
temperaments- en karaktereigenschappen, en in de onder- 
stelling van een niet-onmiddellijk vervloeien van het indivi- 
dueele in het omvattende bewustzijn, terwijl toch, 'naar mijn 
kritikus meent, met het wegvallen van den „producent der 
bewegingsgewaarwordingen" de ruimtelijkheid, en daarmede 
ongeveer de geheele bewustzijnsinhoud zou verdwijnen 
(bl. 26, 92). Wat het eerste en het laatste punt betreft, 
is naar ik meen de moeilijkheid met enkele woorden op te 
lossen : door te zeggen „wij brengen willekeurig bewegings- 
gewaarwordingen voort", heb ik geenszins hypothetische 
geesten of ikheden willen invoeren, maar alleen het nuchtere 
ervaringsfeit constateeren , dat het optreden van bewegings- 
gewaarwordingen in het bewustzijn regelmatig volgt op 
bewustzijnsinhouden van die soort, die wij wilsimpulsen 
plegen te noemen; en de ruimtevoorstelling kan na het 
wegvallen van die bewegingsgewaarwordingen even goed 
nog blijven bestaan als b.v. kleur- of geluidsvoorstellingen 
na verkregen blindheid of doofheid. Ernstiger is het tweede 
punt: door de aanwijzing hiervan heeft de heer Dèr Mouw 
inderdaad den vinger gelegd op eene der vele en belangrijke 



HET IK EN 't psychisch MONISME. 335 

lacunes, die in het verklaringsvermogen van het psychisch 
monisme nog overblijven. Maar laat ik er dadelijk mogen 
bijvoegen: het is eene lacune, waarover zich het psychisch 
monisme als stuk empirische wetenschap niet behoeft te 
schamen. Het is nu eenmaal een onomstootelijk feit: de 
intellectueele , emotioneele, moreele reactiewijzen van ver- 
schillende individuen vertoonen diepgaande en in hooge 
mate duurzame verschillen ; er bestaan m. a. w. verstandige 
en domme, aandoenlijke en niet-aandoenlijke, zelfopofferende 
en zelfzuchtige menschen, en in groote lijnen blijven de 
meesten ten aanzien van deze eigenschappen zich hun 
heele leven gelijk. Voor deze constante reactiewijze moet 
een grond bestaan , dien wij voorloopig door woorden als 
aanleg, temperament, karakter aanduiden, en waarvan wij 
mogen aannemen, dat hij in de aangeboren hersenorganisatie 
(evenals de enkele bewustzijnsprocessen in de verschillende 
hersenverschijnselen) tot zinnelijke verschijning komt; op 
gelijke wijze als de constante reactiewijze van andere 
stukken werkelijkheid zich in de bijzondere samenstelling 
der natuurobjecten, als hoedanig zij waargenomen worden, 
openbaart. Ligt nu, gelijk de heer Dèr Mouw wil, in het 
erkennen van zulk een grond een bezwaar tegen de door 
andere overwegingen waarschijnlijk gemaakte opvatting van 
het individu als een integreerend en alleen voorbijgaand 
afgescheiden bestanddeel van een meeromvattend bewustzijn ? 
Een antwoord op deze vraag zullen wij, daar aard en 
werkingswijze der te onderstellen gronden geheel in het 
duister liggen , weer niet anders kunnen verkrijgen dan door 
te zoeken naar verwante, ons toegankelijke feiten. Deze zijn 
schaarsch, maar zij ontbreken toch niet geheel. Vooreerst 
komt in aanmerking het feit der erfelijkheid : de individueele 
aanleg van ouders en voorouders wordt teruggevonden bij 
de nakomelingen ; hij strekt zich dus in elk geval uit buiten 

22 



336 HET IK EN 't psychisch MONISME. 

de sfeer van het individu, en in laatste instantie vermoedelijk 
tot al zijne voorouders met al hunne nakomelingen, dat wil 
zeggen tot de geheele menschheid en het geheele aardeleven. 
Vervolgens het andere feit van de „splitsing en de wisseling 
der ikheden": het duidelijkst uitgesproken in de uiterste 
gevallen, die wij pathologisch noemen, maar ook binnen 
de grenzen der gezondheidsbreedte, en ten slotte bij elk 
individu in meerdere of mindere mate, laten zich conflicten 
en wisselingen in de reactiewijze constateeren, die hare 
eenheid doorbreken , en somtijds geheel schijnen op te heffen. 
Wanneer nu, zooals ik geloof, uit deze feiten blijkt, dat het 
karakter in den ruimsten zin van het woord constant kan 
blijven buiten — , en wisselen binnen de grenzen van het 
individueele bestaan, dan ontbreekt m. i. een voldoende 
grond, om het afhankelijk te stellen van een individueelen 
geest. Soortgelijke opmerkingen gelden ten aanzien van een 
verdere grief van Dr. Dèr Mouw tegen het psychisch mo- 
nisme: deze n.1., dat het „de afgeslotenheid van de vele 
bewustzijnen , die even zooveel werelden zijn, onverklaard 
laat" (bl. 89). Ik geef volmondig toe, dat dit zoo is, en 
ik betreur het niet minder dan mijn kritikus; maar ook hier 
zou ik willen vragen: komt het niet telkens voor, en is het 
niet volkomen in den haak, dat wij feitelijke verhoudingen 
als zoodanig erkennen, en dan ook buiten de grenzen van 
het gegevene onderstellen, zonder nog in staat te zijn ze 
te verklaren, zonder zelfs nog in te zien, in welke richting 
die verklaring gezocht zou moeten worden? Het gegeven 
momentane bewustzijn (het kleine beetje, dat u of mij op 
dit oogenblik „voor den geest staat") is feitelijk een voorbl]- 
gaande afzondering uit een veel grooter complex, dat al 
onze herinneringen, alles wat wij „weten" zonder er op 't 
oogenblik aan te denken, omvat; het is er evenwel nauw 
mede verbonden, en kan elk oogenblik met bestanddeelen 



HET IK EN 't psychisch MONISME. 337 

ervan samenvloeien. In sommige gevallen wordt deze band 
zwakker: er vormen zich „sejuncties", complexen van voor- 
stellingen en aandoeningen, die zich betrekkelijk onafhankelijk 
van elkander hebben ontwikkeld, en zich moeilijk meer 
vereenigen; en deze sejunctie gaat weer geleidelijk over in 
de „verdubbeling der persoonlijkheid", waarbij alle weder- 
keerige afhankelijkheid en alle mogelijkheid van versmelting 
opgeheven schijnt. Ligt het nu, wanneer wij deze feiten 
overwegen, niet voor de hand, om ook de afgeslotenheid 
van wat wij individueele bewustzijnen plegen te noemen, 
op te vatten niet als iets essentieels, maar als iets betrekkelijk 
toevalligs, dat alleen op het ontbreken van directe wissel- 
werking berust? — om, met andere woorden, die indivi- 
dueele bewustzijnen te beschouwen als sejuncties binnen 
een hooger bewustzijn? Vraagt nu de heer Dèr Mouw: 
„hoe moeten we het verklaren, dat de voorstellingen, ge- 
voelens enz. in het wereldbewustzijn zich om bepaalde 
middelpunten groepeeren? gaat de aantrekking, of hoe men 
het wil noemen, van al aanwezige centra uit, of ontstaan 
de centra doordat de voorstellingen enz. bijeenkomen?" 
(bl. 94) — dan kan ik wel antwoorden: vermoedelijk vindt 
de groepeering plaats om centra , die in het geërfde complex 
van lichaamsgewaarwordingen en misschien nog heel wat 
meer gegeven zijn; maar liever antwoord ik niet, bepaal 
mij tot een beroep op de bovengenoemde en andere in de- 
zelfde richting wijzende feiten, en wacht verder op het 
licht, dat de toekomst zal ontsteken. En dit met de volle 
overtuiging, niet anders te handelen, dan in empirische 
wetenschappen overal te handelen gewettigd en gebruikelijk is. 
Evenwel, mijn recht om deze geresigneerde houding aan 
te nemen zou uit den aard der zaak onmiddellijk vervallen, 
wanneer reeds thans de gevraagde verklaring kon worden 
gegeven of benaderd; en zoo heb ik dan met verschuldigde 



338 HET IK EN 't psychisch MONISME. 

■ 

belangstelling kennis genomen van den mij door den heer 
Dèr Mouw (bl. 97 vgg.) gegeven raad, om ter wille van 
die verklaring in het psychisch monisme op te nemen de 
philosophie van Hartmann. Ik wil er graag nog eens over 
denken; maar voorloopig ben ik inderdaad geneigd, zooals 
de heer Dèr Mouw reeds onderstelt dat ik zal zijn, om „in 
dien onbewusten wil met die onbewuste voorstelling .... 
heel gewaagde en in de lucht hangende gedachten te zien" 
(bl. 89): anders gezegd hypothesen, die, door de veelheid 
der onbekende elementen die er in voorkomen, zich aan 
elke directe of indirecte verificatie onttrekken. Volgens een 
ouden en beproefden regel uit de methodologie moet een 
hypothese, om in aanmerking te komen, betrekking hebben 
óf op oorzaken die volgens bekende wetten, óf op wetten 
volgens welke bekende oorzaken werken; zijn daarentegen 
èn de bijzondere oorzaken èn de algemeene wetten, waar- 
mede zij opereert, hypothetisch, dan is zij waardeloos: 
immers men zou van elke oorzaak kunnen aantoonen, dat 
zij elke werking kan voortbrengen, wanneer men de wetten 
harer werkingswijze er vrijelijk bij mocht construeeren. Zoo 
nu schijnt het mij toe, hier gesteld te zijn: de ingevoerde 
oorzaak (het Wereldwezen) is hypothetisch; de werkings- 
wijze dier oorzaak (het voortbrengen van afgesloten bewust- 
zijnen en ikvoorstellingen) is evenzeer hypothetisch; wij 
kunnen dus de mogelijkheid, dat het zoo toegaat, niet ont- 
kennen, maar wij missen alle gegevens, om tusschen deze 
en honderd andere even mogelijke verklaringen een keus 
te doen. — Wanneer ik nu bedenk, dat de aangewezen metho- 
dische fout in de geschiedenis der wijsbegeerte alles be- 
halve op zichzelve staat; dat het veeleer is de fout der 
philosophen, en de hoofdoorzaak van het gemis aan conti- 
nuïteit, dat de ontwikkeling der philosophie kenmerkt; dat 
eindelijk, wanneer er in mijn boek iets eigens is, dit zeker 



HET IK EN 't psychisch MONISME. 339 

is geweest het constante , haast pijnlijke streven om die fout 
te vermijden, — dan kan ik mij moeilijk voorstellen hoe 
iemand, die mij over 't geheel zoo goed heeft begrepen 
als de heer Dèr Mouw, ook maar een oogeublik heeft kunnen 
gelooven , dat ik voor deze aanvulling van mijne denkbeelden 
te vinden zou zijn. 

Maar, meent de heer Dèr Mouw, langs methodisch- 
empirischen weg zal de gezochte verklaring van het feit 
der individuatie nooit gevonden kunnen worden: „de vol- 
ledigste analyse van den bewustzijnsinhoud kan, dunkt 
mij , nooit het juist niet analytisch zijn , het gesloten-geheel- 
zijn van mijn bewustzijns inhoud begrijpelijk maken" (bl. 
90). Ik zou zeggen: wanneer het zoo is, dan hebben wij 
er ons in te schikken. Nergens staat geschreven , dat wij 
overal tot de diepste gronden der verschijnselen zullen 
kunnen doordringen, en geen kennis is beter dan schijn- 
kennis. Maar is het werkelijk zoo, en wordt door den heer 
Dèr Mouw, als hij beweert dat het zoo is, niet gemeten 
met tweeërlei maat? De analyse kan toch, zou ik zeggen, 
in elk geval de empirische voorwaarden der synthese aan het 
licht brengen; en daarmede zou, vooreerst, reeds meer 
werkelijk inzicht zijn gegeven dan eene formule als die van 
Hartmann ooit kan verschaffen, en, vervolgens, de onmis- 
bare voorwaarde zijn geschapen voor het vinden en toetsen 
eener dieper reikende hypothetische verklaring. Men stelle 
zich slechts voor, dat de psychische ondergrond der natuur- 
verschijnselen opengelegd, de ontwikkeling van sejuncties 
in het individueel bewustzijn stap voor stap vervolgd, en 
de ontwikkeling der individualiteiten als daarmede even- 
wijdig loopend herkend ware (en niets van dat alles ligt 
in beginsel buiten het bereik der empirische methode), — 
zou dan van het feit der individuatie niet heel wat meer 
zijn begrepen dan wanneer men ons mededeelt, dat het 



340 HET IK EN 't psychisch MONISME. 

Wereldwezen de individueele wereldbeelden schept of bouwt, 
en dat deze scheppende of verbindende functie het bewust- 
zijnstranscendente correlaat is van de Ikvoorstelling (bl. 
97)? Ongetwijfeld zou een volledig begrijpen (d. w. z. een 
inzicht in de logische noodzakelijkheid) van de individuatie 
ook daarmede nog niet bereikt zijn; maar meent men 
misschien een inzicht te hebben in de noodzakelijkheid, 
waarmede het Wereldwezen functioneert? En hoeveel zou 
er, wanneer men dezen eisch van volledig begrijpen wilde 
stellen, van onze geheele wetenschap overblijven? 

Ik meen hiermede de voornaamste bezwaren van Dr. 
Dèr Mouw te hebben besproken ; ten aanzien van de overige 
nog slechts een enkel woord. Ik geef toe, dat het denk- 
beeld eener „Wereldbewustzijnsruimte" met secundair karak- 
ter volkomen in mijn gedachtengang past (bl. 38); ook, 
dat volgens dien gedachtengang ruimte- en tijdsvoorstel- 
ling niet op één plan liggen, in zoover de eerste de 
tweede reeds onderstelt (bl. 25 vgg.), waardoor evenwel 
eene gemeenschappelijke verklaring voor den inhoud onzer 
apriorische kennis van beide, daar deze alleen op formeele 
eigenaardigheden berust (Ges. *u. El. 243) niet wordt uit- 
gesloten. Op de vraag: „hoe hangen het begrip en zijn 
bewustzijnstranscendent correlaat samen, als er geen oor- 
zakelijkheid tusschen bestaat?" (bl. 19) antwoord ik: er 
bestaat tusschen hen wel degelijk eene indirecte oorzake- 
lijkheid, door tusschenkomst n.1. van de gewaarwordingen 
of andere bewustzijnsgegevens , waarvan onze begrippen 
oorzakelijk afhangen, en die wij oorzakelijk verklaren door 
correlaten van die begrippen in de buitenwereld aan te 
nemen; waardoor niet wordt uitgesloten, dat wij van den 
oorsprong van sommige dier begrippeu (zooals van het 
causaliteitsbegrip) ons geene volledige rekenschap vermogen 



HET IK EN 't psychisch MONISME. 341 

te geven , en dus hier alleen naar analogie een oorzake- 
lijken samenhang met de bewustzijnstranscendente werke- 
lijkheid kunnen vermoeden. De bezwaren van den heer 
Dèr Mouw tegen 't exceptioneel karakter der bewegings- 
gewaarwordigen (geen reacties op prikkels van buiten, 
maar eigen voortbrengsel: bl. 29) kan ik slechts beant- 
woorden met de opmerking, dat zoowel het voorkomen 
van die bewegingsgewaarwordingen als hunne afhankelijk- 
heid van voorafgaande wilsbesluiten nu eenmaal in de 
ervaring gegeven zijn; zijne verbazing over de omstandig- 
heid, „dat het Wereldwezen in zijn individueeringen voort- 
durend gewaarwordingen produceert, die het daarna door 
andere psychische processen, die ook tot zijn inhoud hooren, 
inhibeert" (ib.), met eene verwijzing naar analoge ver- 
houdingen binnen 't individueel bewustzijn (psychische 
remming) , en met een beroep op de onbetwistbare teleo- 
logische waarde dezer processen. „Dat in de vele waar- 
nemingswereldbeelden de localisaties, voorzoover we kunnen 
nagaan, zoo zuiver overeenstemmen" (bl. 27), onderstelt 
zeker „een analogon (van) de bewustzijnsruimte in de 
Wereldwerkelijkheid" (ib.), maar toch in geen anderen zin, 
als ook de overeenstemming tusschen de toonwaarnemingen 
van verschillende individuen een analogon van het toon- 
schema in de wereldwerkelijkheid onderstelt: een feit, dat wij 
reeds door de physische geluidsleer verleerd hebben als 
onverklaarbaar te beschouwen. En eindelijk: wat aangaat 
de kwestie van den oorsprong van het naieve realisme 
(bl. 104—138), onderstel ik zeker niet, dat bij den Veluw- 
schen boerenjongen de begrippen bewustzijn en bewustzijns- 
inhoud aanwezig zijn (bl. 115), maar alleen, dat hem 
allerlei ervaringen onmiddellijk gegeven zijn, die wij als 
zijn bewustzijnsinhoud qualificeeren, en dat hij op grond 
van de causaliteitsbehoefte daar andere dingen bij onder- 



342 HET IK EN 't psychisch MONISME. 

stelt, die wij weer zijn buitenwereld noemen. Dat er voor 
het naieve standpunt bij de waarneming „geen sprake (is) 
van eenig-e oorzakelijke inwerking, die verder gaat dan de 
oorzakelijke werking van iemand, die me iets aanreikt" 
(bl. 127), geef ik volgaarne toe: juist zoo ongeveer heb ik 
de zaak in mijne schets van het naieve realisme (Met. 43) 
voorgesteld. Dat evenwel practisch onoverwinnelijke over- 
tuigingen als die van het bestaan eener buitenwereld niet 
door onbewuste (maar in het oneindige herhaalde!) denk- 
processen zouden kunnen zijn tot stand gekomen (bl. 126) , 
is moeilijk vol te houden tegenover ervaringen, die wij 
dagelijks bij theoretisch weinig ontwikkelde, maar in het 
leven geschoolde menschen kunnen opdoen; en dat de 
oudste grieksche philosophen de omzetting van hun grond- 
stof in qualitatief verschillende ervaringsstoffen niet als 
zinsbedrog, maar als een natuurwetenschappelijk probleem 
zouden hebben beschouwd (bl. 134 — 136), acht ik met 't 
oog op hunne telkens herhaalde uitvallen tegen de zintuigen 
als „slechte getuigen" en dgl. weinig waarschijnlijk. Maar 
er is geen reden, over deze punten ons al te warm te 
maken. Immers ten slotte is de vraag, waarop het voor 
den opbouw eener wereldhypothese aankomt, niet deze: 
hoe een Veluwsche boerenjongen of hoe de oude grieksche 
philosophen hebben gedacht, maar hoe wij, ieder voor 
zich, volgens streng wetenschappelijke bewijsmethoden 
tot de erkenning van het bestaan en de eigenschappen 
eener buitenwereld kunnen komen. En op deze vraag zal, 
men moge over die andere denken zooals men wil, toch 
m. i. altijd weer geantwoord moeten worden: door toepas- 
sing van het causaliteitsbeginsel op de gegeven verschijnselen. 



DE OVERGANG VAN „GOTHIEK" 

TOT „RENAISSANCE" EN VAN REALISME 

TOT IDEALISME 

DOOR 

A. PIT. 



In het „Vierteljahrschrift für wissenschaftliche Philoso- 
phie", verscheen, in 1896, van de hand van Fr. Carstanjen, 
een merkwaardig artikel: „Entwicklungsfactoren der nieder- 
„landischen Frührenaissance. Ein Versuch zur Psychologie 
„des künstlerischen Schaffens", waarin opnieuw het vraag- 
stuk wordt behandeld, hetwelk de omwenteling in het 
aesthetisch produceeren bij het begin der \6^^ eeuw mede- 
brengt. 

Terecht merkte de schrijver op, dat de factoren tijdgeest 
en volkskarakter, bij het vormen van den kunstenaar een 
rol mogen spelen, maar, dat ook de individueele eigen- 
schappen, welke niet uit den tijdgeest verklaard kunnen 
worden, niet verwaarloosd mogen blijven. De van buiten 
komende invloeden gaan door het filter der persoonlijke 
waarneming. Niet alleen met maatschappelijke maar ook 
met zielkundige factoren hebben wij te maken. 

In tegenstelling met Schnaase, Burckhardt, Taine kiest 
Carstanjen de psychologische methode van onderzoek om 
tot zijn doel te geraken. 



344 DE OVERGANG VAN „GOTHIEK" TOT „RENAISSANCE" 

Elke wijziging in kunstsmaal<, elke verandering in kunst- 
voortbrenging wordt, zegt Carstanjen, voorafgegaan door een 
gevoel van verveling, van onlust, van ontevredenheid met 
het bestaande. Als tweede moment merkt hij dan op een 
„Lust zum Aendern" of „Lust zur Aenderung." Gevolg hiervan 
een „Suchen nach der Anderslösung", welk zoeken eindelijk 
bekroond wordt door een „Finden der Neulösung". Door 
deze vondst is de lust hersteld, men geniet van de zich 
baanbrekende gedachten en heel een wedergeboren kunst 
komt tot bloei. 

Voornamelijk aan de hand der miniaturen welke ons de 
middeneeuwsche geschriften te zien geven, toont de schrijver 
op zeer vernuftige wijze aan , dat het aanbrengen van bij- 
zonderheden in de nabootsende teekening, welke fijnere 
uitwerking dikwijls slechts het gevolg is van een gewijzigde 
techniek, van het gebruik van een ander penseel, als het 
ware door terugslag een juistere kennis der voorwerpen in 
de natuur veroorzaakt. 

Terwijl de oppervlakkige beoordeelaar licht geneigd is 
een fijn uitgewerkte kop voor een portret aan te zien 
en dan van realisme te spreken, en daarentegen bij een 
glad geteekend gezicht eer aan idealisme wordt gedacht, 
wijst hij er op , dat bij tallooze miniaturen dat zoogenaamde 
realisme alleen hierin bestaat, dat de kunstenaar lette op 
gelaatsrimpels enz., terwijl hij die elders achterwege liet. 

Inderdaad zijn deze opmerkingen niet onjuist. Men zoude 
kunnen zeggen , dat meestentijds de miniaturen in de midden- 
eeuwsche geschriften als niet veel meer dan hieroglyphen 
zijn te beschouwen ter verduidelijking van de letterteekens 
in den tekst en, aangezien de groote schilderkunst on- 
tegenzeglijk uit de kunst der miniaturen is voortgekomen, 
zijn de oorzaken van stijlverandering bij beide kunsten 
dezelfde. 



EN VAN REALISME TOT IDEALISME. 345 

De zoogenaamde bezieling van het genie, zoo ongeveer 
Carstanjen , was slechts een onmiddellijk gevolg van een 
meer ontwikkeld technisch kunnen. En, eindigende met het 
werk van Jan van Eyck, betoogt hij, dat indien alle vooraf- 
gaande kunstwerken tot ons waren gekomen , het zou blij- 
ken dat van het spontane, het geniale, het raadselachtige 
van Van Eycks kunst niets zou overblijven. 

„Ich betrachte also das Künstlerische als Endresultat 
eines ursprünglich handwerksmassigen Schaffens" enz. 

Gelijk gezegd , deze manier om de middeneeuwsche kunst 
te beoordeelen, bevat veel goeds. In de productiewijze van 
de middeneeuwen zoowel wat beeldhouwkunst als schilder- 
kunst betreft, speelt het werktuigelijk kunstvaardige een groote 
rol; maar dat op deze wijze iets meer bereikt had kunnen 
worden dan een voortbrenging van steeds getrouwer na- 
tuurnabootsingen in slechte oneindigheid zou nader over- 
wogen moeten worden. Zoo dringt zich al dadelijk de 
vraag op waarom een van der Weyden, een Bouts, een 
Memling, die in kunstvaardigheid toch niet bij Jan van Eyck 
ten achter stonden, zooveel minderwaardige kunstwerken 
maakten. Dat na het geniale werk van een buitengewoon 
kunstenaar het peil der kunst meestal plotseling daalt, is 
dit niet reeds een aanwijzing voor de meening, dat het 
ontstaan van dat geniale werk even zoo plotseling is geweest, 
en dat, indien wij niet kunnen aantoonen de werken 
welke Van Eycks genie verklaren, die werken er ook niet 
geweest zijn? 

Ik weet niet of Carstanjen het beroemde Turijnsche 
handschrift gekend heeft: „Les tres belles heures dejean de 
France, duc de Berry" (in photographie uitgegeven te 
Parijs in 1902) dat dan nog het dichtst staat bij van 
Eijcks kunst; zeker is het, dat deze wonderfraaie miniaturen, 
waaruit toch reeds zooveel gevoel voor het landschap en 



346 DE OVERGANG van „gothiek" tot „renaissance" 

het figuurlijke spreekt, verre achter staan bij van Eijcks 
minste werken en dit niet in eigenschappen van coloriet- 
of nabootsingskracht, maar in datgeen wat een kunstwerk 
tot iets altijd blijvend schoons maakt. 

En, om bij van Eijck zelf te blijven, waarom toont hij 
zich ongelijk in zijn scheppingen? Moet dat alleen aan 
een betere of minder goede luim worden geweten, waar- 
door hij handiger of minder handig werkte, of moeten wij 
hier denken aan de, bij alle vaagheid, toch zoo juiste 
atelier-uitdrukking, dat hij de natuur nu eens „mooi aan- 
zag", dan weer „bot" tegenover de natuur stond? En wat 
wil dat zeggen? 

Nog iets. Van Eycks wezenlijke grootheid moet juist niet 
gezocht worden in hetgeen hij dan zoo bijzonder trouw 
heet na te beelden. Zijn koppen , portretten , hoe knap die 
ook zijn mogen, hebben toch nog iets kleinzieligs; zij missen 
het breed karakteristieke van het Italiaansche 15^ eeuw- 
sche portret. Veeleer munt hij uit in het gewaarworden en 
in het weergeven van het atmosferische , hij , die voor het 
eerst geeft eene synthetische compositie. 

In de geschiedenis der beeldhouwkunst herhalen zich 
dezelfde verschijnselen. Ook de beeldhouwers in de midden- 
eeuwen verbeterden steeds hun techniek, letten steeds meer 
op onderdeden, kwamen er zelfs toe iets te maken wat 
men een portret zoude kunnen noemen, maar het samen- 
werken van kopuitdrukking en lichaamshouding en gebaren, 
de vonk die van het steenen beeld het levende kunstwerk 
maakte, kwam niet uit hen. Even plotseling als Hubert en 
Jan van Eijck kwam Klaas Sluter en evenmin als de op- 
volgers van van Eijck den meester konden evenaren, wisten 
de leerlingen van Sluter de kunst op zijn peil te houden. 

Niets anders ging het, wat den opbloei van de nieuwe 
kunst aangaat, in Italië. Wanneer de zienswijze van Cars- 



EN VAN REALISME TOT IDEALISME. 347 

tanjen gelijk heeft, dan waren voorzeker de Italiaansche 
beeldhouwers, door den steun der Romeinsche voorbeel- 
den , in bijzonder gunstige omstandigheden. Reeds in de 
dertiende eeuw zien wij de technische onkunde met vrucht 
en verbazingwekkende snelheid geschoold worden in het 
vrij copieeren van oude motieven. De werken van Giovanni 
Pisano voldoen beter aan onze moderne aesthetische behoeften 
dan het beste wat er ooit te Chartres of Reims werd gebei- 
teld, en toch zoude ook uit de Pisaansche school nooit de 
kunst haar wedergeboorte beleefd hebben, zonder het groote 
gebeuren van een persoonlijke scheppingsdaad. 

In Italië echter zal de nieuwe aesthetische idee zich rijker 
en volhardender toonen. 

In de 12^, 13^ en 14^ eeuw was de kunst symbo- 
lisch, gelijk de opvatting van de natuur symbolisch was. 
„L'étude des choses prises en elles-mêmes" , schrijft Emile 
Male in zijn „Art religieux du XIII^ siècle en France", 
„n'avait alors aucun sens pour les hommes de pensee. 
„Comment eüt-il pu en être autrement, puisque Ie monde 
„était congu comme un discours du Verbe, dont chaque 
„être était une parole? Discerner lés vérités éternelles que 
„Dieu a voulu faire exprimer a chaque chose, retrouver en 
„toute créature une ombre du drame de la chute et de la 
„rédemption, telle était alors la t^che du savant qui obser- 
„vait la nature. Roger Bacon, l'esprit Ie plus scientifique 
„du Xllle siècle, après avoir décrit les sept enveloppes 
„de Toeil, conclut que Dieu a voulu imprimer en nous 
„l'image des sept dons du Saint-Esprit." 

In de middeneeuwsche kunstwerken vinden wij de ver- 
zakelijking van voorstellingen welke de mensch zich van 
de dingen in de natuur maakte , als symbolen der goddelijke 
bedoelingen. Schilderingen en beelden vertelden, buiten en 
binnen de muren van Gods huis, de natuur die van God 



348 DE OVERGANG VAN „GOTHIEK" TOT „RENAISSANCE" 

getuigt, en zij leerden dat door teekenen, die ook voor 
ongeletterden verstaanbaar waren, door teekenen die dan 
min of meer de vormen dier dingen nabootsten, als uitge- 
werkte hieroglyphen. De vier boeken van het Speculum 
majus van een Vincent van Beauvais: de spiegel van de 
natuur, de spiegel van de wetenschap, de spiegel van de 
moraal en de spiegel van de geschiedenis, verklaren ons de 
beelden-reeks aan de Gothische kathedralen. 

De middeneeuwen vertoonen een vaste iconographie 
waardoor de aesthetische idee werd beperkt. Binnen die 
grenzen was haar leven een zelfvervorming zonder eigenlijke 
ontwikkeling. Het kwam hoogstens tot getrouwe nabootsing 
van uiterlijkheden, van voorwerpen, planten en dieren, van 
menschelijke gelaatstrekken en gebaren. De betrekkelijk 
weinige monumenten van ongewijde kunst welke tot ons zijn 
gekomen, waaronder dan de graftombe het belangrijkste is, 
bewijzen dat de kunstenaar, zelfs wanneer hij de trekken 
van een bepaald persoon had weer te geven, zich uit de 
conventie nog niet wist te bevrijden. De veertiende eeuwsche 
grafbeelden van Jan den Goede, Karel V en Karel VI te 
St. Denis, het merkwaardige grafmonument van Enrico 
Scrovegno, te Padua, of dat van Hendrik VII, in het 
Campo Santo te Pisa, door Tino di Camaino geven toch 
nog altijd versteende gezichten te zien; wij blijven daar 
altijd nog in de eerste plaats het materiaal voelen. 

Het fijn geteekende landschap in menig getijboek trekt 
ons door de aardige figuurtjes, de aardige bloempjes en 
vogeltjes en kleurtjes. Het doet mooi en maakt een onont- 
beerlijk deel uit van de geschreven bladzijde omdat het 
zelf een soort schrift is. Maar eene stemming van „buiten 
zijn", waartoe de evenredige samenwerking van alle fac- 
toren van een landschap ons opwekt, ondervinden wij nooit 
bij zoo'n verluchte bladzijde. 



EN VAN REALISME TOT IDEALISME. 349 

Beeldhouwkunst en schilderkunst in kerk en in boek, 
altijd min of meer als versiering gedacht, hebben het karakter 
van een dienende kunst. 

De aesthetische idee leeft, maar van vrije ontwikkeling 
is nog geen sprake. In zekere matheid van beweging merken 
wij, gedurende de 12de, 13'^^ en M^^e eeuw, de slingeringen 
van verschillende stijlen en scholen op. De krachtige aanloop 
waarmede de beeldhouwers te Chartres, St. Denis, Parijs, 
iets later in Arles en St. Gilles een jonge kunst beginnen, 
welke weliswaar veel aan de Byzantijnsche vormen had te 
danken, maar dan toch ook van directe studie naarde natuur 
getuigde en een zoo schoone toekomst beloofde , kwam in de 
13<^^ eeuw neer op de schepping der rustige, harmonische, 
bevallige, volgens een vasten regel beheerschte vormen, 
welke wij voornamelijk in Parijs, Amiens en Reims kunnen 
bewonderen. Het scheen dat het laatste woord gesproken 
was, dat voor altijd de algemeen geldende formule voor 
het schoone was gevonden. Met de Fransché bouwkunst 
werd ook de Fransché beeldhouwkunst over de oostelijke 
grenzen in zegepraal binnen gebracht en de Duitsche kunst, 
de mooie deftige Saksische school, met haar vermenschelijkt 
Byzantinisme, zag zich verdrongen en vrijwel verstikt. Van 
de heerlijke beelden te Hildesheim en te Halberstadt scheen 
het mooi afgekeken, de nieuwe Fransché mode werd ge- 
volgd. Slechts een groote zestig jaren hadden dus de Duitsche 
kunstenaars noodig gehad, om, uit volslagen barbaarschheid, 
het te brengen tot het vervaardigen van meesterwerken welke 
aan rustige, klassieke schoonheid doen denken, alleen ge- 
steund door eenige kleine Byzantijnsche bas-reliefs in ivoor. 
Toch bleek er geen leven van uit te gaan. Na een bloeitijd 
van een kleine eeuw zou ook de Fransché school op niets 
uitloopen, of erger nog, op een platte conventie-kunst 
welke ons thans door het karikaturale doet lachen. Na 



350 DE OVERGANG VAN „GOTHIEK" TOT „RENAISSANCE" 

, 1380 ongeveer, komt er dan een verjonging uit het Noor- 
den, hoofdzakelijk Vlaamsche beeldhouwers en schilders 
blazen de Fransche kunst nieuw leven in door ernstige 
studie naar de natuur. Een soort van naturalisme kwam 
op, waaruit het genie van Van Eyck en Sluter den vonk 
zou slaan, maar dat vóór dien tijd in wezen niet ver- 
schilde van de beste werken uit het begintijdperk van de 
12de eeuw. 

In Italië soortgelijke golvingen van korten bloei en van 
verval, vernieuwingen van stijl, verfrisschingen door on- 
middelijke navolging van natuur-vormen, maar geen onop- 
houdelijk stijgende lijn. 

De taak van den Italiaanschen beeldhouwer werd in niet 
geringe mate vergemakkelijkt door de menigte van antieke 
overblijfselen, waardoor hij omringd was. Wanneer in de 
2^^ helft der 13^^^ eeuw Nicola Pisano optreedt te Pisa, 
waar wij het vroegst gedateerde werk van zijn hand be- 
zitten (Preekstoel in het Baptisterium van 1260), dan inspi- 
reert hij zich op oud-Romeinsche sarkophagen. Wel is zijn 
kennis van het menschelijk figuur door onmiddellijke studie 
niet te miskennen, maar hij is er nog ver van af de antieke 
motieven behoorlijk te kunnen verwerken tot iets eigens. 
Ofschoon zijn figuren zich veel vrijer bewegen dan bij de 
Fransche gothieken het geval was , ontbreekt nog volkomen 
de rythmische samenwerking van de geledingen. 

In vergelijking met zijn vader is Giovanni Pisano een 
waar genie. Bij al het overdrevene van zijne houdingen 
moet toch zoozeer het vurig zoeken naar vrije beweging, 
bewonderd worden, dat de beoordeelaar van onze dagen 
meestal moeite heeft zich niet te laten meeslepen en dan 
te vergeten, dat achter gelukkige vondsten niet altijd zui- 
vere bedoelingen zijn te vinden. Voor een enkel van zijn 
figuren geeft men zich gewonnen, om dan bij de compo- 



EN VAN REALISME TOT IDEALISME. 351 

sities weer aan de voornaamste levensbron van zijn kunst 
herinnerd te worden: slechte Romeinsche bas-reliefs. Zijn 
beste stui<l<en, waarin wij het meest de toelcomstige weder- 
geboorte gevoelen, sommige onderdeelen van het preek- 
gestoelte te Pistoja en het portretbeeld van Enrico Scro- 
vegno waarvan hij, zoo het dan misschien door een leerling 
is uitgevoerd, toch het geestelijk vaderschap kan opeischen, 
vragen, als het ware, nog maar een laatste krachtsinspan- 
ning om tot de getrouwe afspiegeling te komen van samen- 
vattend voelen des kunstenaars. Maar het mocht nog niet 
gebeuren. 

Arnolfo di Gambio aan wien tegenwoordig o.a. het bekende 
bronzen Petrusbeeld in St. Pieter te Rome wordt toe- 
geschreven , brengt het niet verder dan tot een vrij slaafsche 
navolging der antieken, of tot een hoogst middelmatige 
gothiek. Tino di Camaino, één geslacht later dan Giovanni 
Pisano, beproeft weer het portret. In het Campo Santo te 
Pisa bevindt zich de graftombe van Hendrik VII. De kop 
is merkwaardig, boeit door eene zekere , nog niet gekende , 
vrije en sobere behandeling van de gezichtsplannen, waarbij 
wij glimlachend denken aan het fraaie borstbeeld van Isotta 
da Rimini, een paar passen verder in het Campo Santo 
tentoongesteld, borstbeeld, dat, met niet meer middelen, toch 
zoo trilt van leven. Want hier staan wij voor het geheimzinnig 
gebeuren. Waarom leeft het eene kunstwerk en waarom blijft 
het andere, bij al het verdienstelijk en aandoenlijk pogen, 
toch dood? Het komt mij voor dat de „Neulösung" en 
„Anderslösung" van Carstanjen dit vraagstuk niet oplossen. 

De man die meer dan een eeuw de Italiaansche schilder- 
kunst beheerschte, Giotto (1267—1337), wist, wat zijn 
onmiddellijke voorgangers, Cimabue, te Florence en Ducio, 
te Siena, nog niet gekund hadden, zijn kunst uit het By- 
zantijnsche hieratisme te bevrijden. Er zal moeilijk in de 

23 



352 DE OVERGANG VAN „GOTHIEK" TOT „RENAISSANCE" 

kunstgeschiedenis een tweede voorbeeld te vinden zijn van 
een zoo groote overwinning op de traditie. Op éénmaal 
was ook het hoogtepunt bereikt. Vergelijkt men Giotto 
met een Nicola en Giovanni Pisano, dan stelt hij ze on- 
getwijfeld in de schaduw. Noord-Europa kan niemand naast 
hem stellen. Met ongeloofelijke zekerheid en ingetogenheid 
weet hij passende uitdrukkingsvolle gebaren te beheerschen. 
Zijn kleur is van een rijpheid en harmonie, zooals die 
toen nog nooit vertoond was. Zijn draperie is grootsch 
en volkomen juist meegaand met de eenvoudige bewe- 
gingen. Maar vooral zijn compositie heeft reeds iets dat 
men eerst bij een Jan van Eijck terug zal- vinden en dat 
zelfs zijn beste leerlingen nooit vermochten te begrijpen. — 
Ik bedoel het geconcentreerde. Hier inderdaad vinden wij 
voor het eerst een trek welke getuigt van een synthetisch 
kijken, een trek waaraan wij den dageraad van een nieuwe 
kunst herkennen. Hij heeft echter blijkbaar geen behoefte 
gevoeld verder te gaan. De tijden vroegen dat ook nog niet 
van hem. Ook van hem verlangde men slechts, dat hij op 
de wanden der kerken met het penseel de bijbelsche ver- 
halen, de heiligen-legenden^ zoo duidelijk en sprekend 
mogelijk voor de ongeletterden vertelde. Zijn kinderlijkheid 
in het aanzien der dingen was nog volkomen. Het atmosfe- 
rische van de omgeving , het levende van de figuren boezemde 
ook hem nog geen belang in en de eigenschappen van 
rythme, vormen en gebaren, bekoorlijkheid van kleur, zou 
hij met zich in het graf nemen. Geen zijner leerlingen 
komt hem ook maar in de verte bij. En zoo zou zijn invloed 
betrekkelijk onvruchtbaar blijven. 

Het is wel merkwaardig, dat het, in Italië zoowel als 
in Noord-Europa, de beeldhouwers zijn die vóór gingen in 
het nieuwe leven: Klaas Sluter komt vóór van Eyck; della 
Quercia, Ghiberti, Donatello gaan aan Massaccio, Andrea 



EN VAN REALISME TOT IDEALISME. 353 

del Castagno, Philippo Lippi vooraf en het oudere geslacht 
met Gentile da Fabriano en Pisanello toonden zich voor- 
namelijk leerlingen van goudsmeden en beeldhouwers, waar- 
^ door hun eigenlijke talenten voor de schilderkunst wel wat 
op den achtergrond treden. 

Waar ik mij ten doel stelde het moment van overgang 
van gothiek tot renaissance waar te nemen, zal ik dus wel 
doen naar de beeldhouwers terug te gaan en even nog op 
die werken te wijzen welke onmiddelijk aan de wederge- 
boorte der kunst voorafgaan. Ik bedoel de professorengraven 
te Bologna. 

Aan het einde der \4^^ eeuw vinden wij te Bologna met 
de gebroeders delle Massegne verschillende andere Veneti- 
aansche beeldhouwers die voornamelijk aan de hoofdkerk, 
San Petronio, monumentale werken hebben nagelaten welke 
ons treffen door een ongedwongen forschheid van stijl. Vol- 
komen gothisch en conventioneel in de draperie, geven zij 
echter aan hun koppen een kracht van uitdrukking welke zelfs 
voor het leelijke niet terugdeinst. En als zich aanpassend aan 
die beeldhouwwerken zijn de grafmonumenten van professoren 
te beschouwen, waarvan de beste in het Museo Civico be- 
waard worden. Het fraaiste is ongetwijfeld dat van Barto- 
lomeo di Saliceto , vervaardigd door een navolger der delle 
Massegne, Adrea da Fiesole, in 1412. Een tegen den muur 
op consoles geplaatste sarkophaag vertoont, op het deksel, 
het liggende beeld van den afgestorvene en, aan de voor- 
zijde, een relief waarop de leeraar in zittende houding te 
midden van zijn leerlingen is afgebeeld. Zoo had de beeld- 
houwer gelegenheid zijn vaardigheid te toonen- in het com- 
poseeren van een groep figuurtjes en hun het gewenschte 
stille gebarenspel en de gelaatsuitdrukking van een pro- 
fessor te midden van luisterenden bij te brengen. Nu 
zien wij, om maar één ding te noemen, de gothische kun- 



354 DE OVERGANG VAN „GOTHIEK" TOT „RENAISSANCE*' 

stenaar in het euvel vervallen al de knapen-leerlingen als 
broertjes op elkaar te laten gelijken , doordat bijv. de oogen 
alle volgens een vast systeem gemaakt zijn ; ook de monden, 
ofschoon sommige gesloten andere open zijn, zijn van één. 
snit. Het was hem dan ook niet te doen individuen weer 
te geven, maar alleen om een leeraar voor zijn klas te 
laten zien. 

Hoe anders het vroegste werk van den eersten renais- 
sancist, een werk dat hoogstens een paar jaar later is 
ontstaan, misschien ook gelijktijdig, vervaardigd door 
Jacopo della Quercia! 

In 't Rijksmuseum, te Amsterdam, bevindt zich de nage- 
noeg levensgroote buste in stucco van een jonge vrouw. 
Door de vele overblijfselen der oude polychromie worden 
wij gemakkelijk in staat gesteld het wel wat beschadigde 
kunstwerk, zooals het er oorspronkelijk moet hebben uit- 
gezien, voor onze verbeelding terug te brengen. 

Het haar, van een warm bruine kleur, dekte het fijn ge- 
welfde voorhoofd, zachte, lichtbruine oogen beglansden het 
teer schoone gezicht, waarin de mooi gevormde roode lippen 
het gezonde rosé der wangen overstemden. Het eenigszins 
droomerig droefgeestige van dit jonkvrouwelijk kopje roept 
de Grieksche schoonheid van zekere Tanagrafiguurtjes in 
de herinnering en het verwondert ons ook niet, dat vorige 
bezitters er een madonnakop van gemaakt hebben, zooals 
uit de sporen van een latere blauwe verfstof op den mantel, 
en uit het ijzer, dat achter het hoofd den stralenkrans vast- 
hield, duidelijk blijkt. In dit borstbeeld hebben wij dejustitia 
van de bekende Fonte Gaja, te Siena, te herkennen. De 
trekken van de zeer verweerde marmeren figuur zijn in dit 
stucco voor ons bewaard gebleven. 

En wat voor ons nog meer beteekent, het borstbeeld is als 
een schets, een ontwerp van den kunstenaar te beschouwen 



EN VAN REALISME TOT IDEALISME. 355 

waaruit voor ons onmiddellijk zijn bedoeling spreekt. Jacopo 
della Quercia heeft blijkbaar een jonge vrouw of een meisje 
uit zijn omgeving laten poseeren ten einde een uitgewerkt 
model voor zijn marmeren Justitia-figuur te maken. 

Zoo ontstonden de onbeduidende kleine draperie over 
den linker schouder en het hemd, naief-weg glad gelaten, 
zonder eenig zoeken naar verfraaiende plooien, zoo ontstond 
de zachte, eenigszins zoete uitdrukking, te zwak vooreene 
Justitia, welke onderdeden Quercia bij het marmeren beeld 
alle zou wijzigen. Maar wordt ons, juist door het feit, 
dat de beeldhouwer zich allereerst door zijn model heeft 
laten bezielen, zonder te letten op de eischen der alle- 
gorische figuur welke hem besteld was, niet iets van het 
intieme doen-en-laten van den kunstenaar geopenbaard? 
Zien wij hier niet iets gebeuren dat wij vroeger, in de gothiek, 
nooit durfden vermoeden: — het gepast zinnelijke beeld 
dat hij van een vrouw behield, heeft de beeldhouwer weten 
te veruitwendigen tot een kunstwerk. 

In het ongeveer gelijktijdig ontstane grafmonument van 
Ilaria Caretto, te Lucca, gevoelt men, tengevolge der eischen 
van ingetogenheid der grafkunst nog zekere schuchter- 
heid, maar voor deze stucco buste dringt het zich aan ons 
op, dat Quercia geheel en al de toekomstige allegorische 
figuur vergeet en zich alleen geeft aan het vrouwelijke schoon 
dat hij dan begrijpt en verwerkt tot een zelfstandige schepping. 

Zoo vinden wij in de Middeneeuwsche kunst, die een 
dienende Kunst is, de aesthetische idee in aanleg, schuil- 
gaande achter het symbool. In dit tijdperk zijn de kunst- 
werken aanvankelijk slechts teekenen waardoor godsdienstige 
gedachten kenbaar worden gemaakt, langzamerhand zien 
wij ze vormen aannemen die als zoodanig reeds behagen. 

In de 12de, 13de en 14de eeuw wordt het hoogste bereikt 



356 DE OVERGANG VAN „GOTHIEK" TOT „RENAISSANCE" 

wat de midden-eeuwen vermogen te geven. Wat toen ge- 
wrocht werd, was verkregen door een geduldig uitwerlcen 
van de dingen in de natuur. De Vlaamsch-Fransche school 
in het Noorden , de laatste uitloopers der Pisaansche school 
in Italië brachten het hierin het verst. En al zoude en kon 
het daarbij niet blijven , ontegenzeglijk was een vruchtbare 
bodem ontstaan. Door voortdurende zelfonderscheiding had 
de kunstenaar zich ontwikkeld. „Toutes les écoles dégé- 
„nèrent et tombent par l'oubli de l'imitation exacte et 
„l'abandon du modèle vivant", zegt Taine ergens in zijn 
„Philosophie de l'art" en ofschoon hij zich geen rekenschap 
geeft, dat ook de studie alleen der natuur nog geen ware 
kunst vermag te geven, juist is het dat die studie bij 
alle kunstontwikkeling voorondersteld moet blijven. De per- 
soonlijkheid van den kunstenaar moet voortdurend gevoed 
en in stand gehouden worden door zelfonderscheiding aan het 
hem omringende. Bij elke „Neulösung", om weer eens met 
Carstanjen te spreken, hoe kinderachtig, hoe aanvankelijk ook, 
heeft een nieuwe studie der natuur plaats. Om het teeken, 
het hiëroglief te veranderen , moet weer even de natuur 
worden aangekeken. Toegerust met een schat van detail- 
kennis, met volmaakt technisch kunnen, zal eindelijk de 
kunstenaar zijn gesynthetiseerde waarneming tot voorstelling 
verwezenlijken, waarin alle veranderlijkheden en wisselval- 
ligheden van onderdeelen opgeheven worden tot bestendigde 
eenheid van vorm. 

Het beeld dat de geest zich aldus gevormd heeft, als 
begrip van het geziene, is, als zoodanig, nog maar een 
eenzijdigheid, die als levend begrip de bestemming (drang) 
heeft van zich ielf het andere te stellen, zich te veruit- 
wendigen. Als begrip is het een bloote ontkenning die haar 
bevestiging zoekt, in het andere van haarzelf. Het aesthe- 
tische begrip, als subjectivatie van den geest, objectiveert 



EN VAN REALISME TOT IDEALISME. 357 

zich in het andere van zich zelf, dat wil zeggen, in het 
voortgebrachte kunstwerk. 

De levende aesthetische voorstelling veruitwendigt en 
verzakelijkt zich door de, bij herhaling, zich getrouw 
blijvende herinnering, waarin de oorspronkelijke verhouding 
van subject tot object (van waarnemer tot het waarge- 
nomene) bewaard blijft. Zoo verschijnt in het kunstwerk 
in waarheid de aesthetische idee, gedragen door den kunste- 
naar die inderdaad dan ook scheppend kunstenaar is. 

In de middeneeuwsche kunst hebben wij na te gaan 
het zoeken van den geest naar eigen concrete waarheid. 
Tegelijk met het vinden van meer volmaakte vormen en 
van het synthetiseeren daarvan komt de geest tot eigen 
begrip. Het symbool van het goddelijke wordt doorzien 
als eigen geestes-product, als het andere zelf van den 
geest. De mensch kreeg macht over het symbool , herkende 
zich zelf in het symbool, kwam er vrij tegenover te staan. 
Het raadsel van de middeneeuwsche sphinx werd door den 
kunstenaar van de renaissance doordacht en opgelost. 

De sluimerende aesthetische idee heeft zich uit het syrti- 
bolische door eigen begrip gewekt. De zelfbewuste idee 
stelt nu in deze phase haar ideaal: het realistische kunst- 
werk. 

De mensch heeft gevoeld, dat het goddelijke niet buiten 
hem en tegenover hem staat, maar in hem schuilt, dat hij 
het goddelijke mee is en, dat hij in zoover oók vermag 
te scheppen. Het realistische kunstwerk, dat wil zeggen 
het kunstwerk waarvan de uiterlijke vormen en bestand- 
deelen hem uit phasen van onbewustheid waren eigen 
geworden en die voorondersteld blijven, is zijne daad- 
werkelijke schepping. 

Wij zien, dat de overgang van de symbolische tot de 
realistische of plastische kunst niet geleidelijk is, zooals 



358 DE OVERGANG VAN „GOTHIEK" TOT „RENAISSANCE" 

wijdde verbeteringen in de symbolische phase der midden- 
eeuwen zich geieideiijl< zagen ontwikkelen , maar plotseling. 

In de geschiedenis der beeldende kunsten beleven wi] 
telkenmale de bewustwording als moment bij elke schep- 
pingsdaad van een kunstenaar. Want wel is het 't voort- 
durend streven van den mensch één te worden met het 
andere van zich zelf, met de natuur, en daarin zijn vrijheid 
te vinden, maar van den anderen kant vooronderstelt zulks 
ook weer de tweespalt tusschen mensch en natuur, waarom 
de verzoening slechts moment blijft. 

De gothische kunst leert ons de aandoeningen kennen 
welke de mensch in alle aanvankelijkheid en voorloopig- 
heid, door het filter der godsdienstigheid heen, van de 
hem omringende natuur ontving. In de IS^e eeuw zagen 
wij die aandoening zich tot een gevoel verinnerlijken en 
de aesthetische idee zich afspiegelen in het realistische 
kunstwerk der renaissance. 

Hoe de aesthetische idee op en voor zich zelf werkzaam 
zal worden, om zich ten slotte te verkeeren, zullen wij 
thans nagaan. 

De renaissancekunst van het IS'^*^ eeuwsche Italië is 
eene Christelijke kunst. Het is een kunst die getuigt van 
de verzoening tusschen mensch en natuur, van het ver- 
gemeenzaam'de goddelijke. Het is een kunst die getuigt van 
vrede des gemoeds, van verinnerlijkt religieus gevoel. Het 
is de kunst gewijd aan het portret en aan de godmensche- 
lijke Madonna en het Christuskind. 

Wij zagen reeds Jacopo della Quercia voor zijne figuren 
der Deugden, te Siena, meisjes uit zijne omgeving laten 
poseeren en in zijne liefde voor zijn model portretten maken 
in den meest hedendaagschen zin van het woord. In Florence 
werkte Donatello met niet minder vuur, de natuur bestu- 



EN VAN REALISME TOT IDEALISME. 359 

deerende, om uit het gothische symbolisme vrij te komen; 
ook hij kwam onvermijdelijk tot het portret. Zijn profeten 
aan de campanile zijn bekende Florentijnen, aan wier ka- 
raktervolle trekken hij vooral niets veranderde om ze regel- 
matiger of zachter te doen schijnen. Het zijn grimmige lieden 
die ontzag inboezemen en niets meer gemeen hebben met 
de koude middeneeuwsche voorstellingen. Toen hij een 
Christusbeeld voltooid had, moest hij van Brunelesco het 
verwijt hooren, dat hij aan zijn god de gedaante van een 
boer had gegeven en, inderdaad, dat eerste kruisbeeld van 
Donatello is van een realisme zooals wij het nooit meer 
zullen ontmoeten. Brunelesco heeft ook een kruisbeeld gemaakt, 
waarvan Donatello de voortreffelijkheid erkende, het zelfs 
boven zijn eigen beeld stelde. Maar wij die thans nog 
beide kunstwerken kunnen vergelijken (Donatello's beeld 
hangt in Santa Croce en Brunelesco's in Santa Maria No- 
vella) geven zonder aarzelen aan het eerste de voorkeur. 
Het gevoel van bewondering dat den realist aangreep voor 
het beeld van zijn mededinger moet hem uit zijn jeugd zijn 
overgebleven , uit zijn gothische opvoeding. Hij zou er zich 
dan ook niet door van zijn weg laten brengen. Wij zien in zijn 
Christus de wel bestudeerde vormen van den krachtigen man 
die de geestkracht heeft kunnen hebben een bovenmensche- 
lijken strijd te strijden; het gelaat heeft niet den pijnlijk 
lijdenden trek, maar een uitdrukking van berusting waarop 
nog „het is volbracht" te lezen staat. Het hooge voorhoofd, 
waarop geen doornenkroon drukt, is dat van den triumfee- 
renden denker. Al mag hier nog niet aan idealisme gedacht 
worden , het is toch een realisme dat naar het hoogere wijst, 
een overbrugging van de klove die tusschen het goddelijke 
en het menschelijke had bestaan. 

Nog edeler zou Donatello, geleid door eenzelfde godsdienstig 
gevoel, in zijn scheppingen van de maagd Maria worden. Van 



360 DE OVERGANG VAN „GOTHIEK" TOT „RENAISSANCE" 

alle Madonna-voorstellingen getuigt het marmeren relief dat 
hij, tusschen 1420 en 1425, voor de Casa Pazzi maakte 
(thans in het Berlijnsche museum) van de meeste innigheid 
tusschen moeder en kind , van de meest teedere beduchtheid 
voor het gebaarde goddelijke wezen. Er moet heel wat in 
het gemoed van den kunstenaar gebeurd zijn, om zóó de 
Moedermaagd te zien. Hoever staat deze schepping niet 
verwijderd van de veertiende-eeuwsche Italiaansche Hemel- 
koningin, of van het verburgerlijkte Noord-Europeesche 
Maria-beeld! Hooge ernst en innige liefde, getemperd door 
droefgeestigheid bij de Moeder, overgegeven speelschheid en 
sluimerend bewustzijn van de fragische toekomst bij het 
Kind. Donatello is de eerste die het kind begrijpt, die niet 
alleen de lichaamsvormen, maar ook de uitdrukking van 
het kind geeft. Het gedrochtelijke oude-mannetjesachtige 
van het middeneeuwsche kind is overwonnen. Voor de 
middeneeuwen, die onder het teeken van de potentialiteit 
leefden, was van alle menschelijke natuurlijkheden het kin- 
derlijke het allervreemdst. Eerst de realist Donatello kreeg 
er heerschappij over. Zeer zeker heeft de kleine genius van 
den Romeinschen sarkofaag hem den weg gewezen, maar 
welk een nieuw leven weet hij niet aan het oude doode 
versteende motief te geven! Het kind wordt hem een 
lust; geen gebaar, geen houding ontgaat hem; het kind 
brengt in al zijn composities de bloem der naïveteit. Op 
het welbekende monument in Santa Croce beluisteren twee 
kindergroepjes, in onschuldige vroolijkheid van af de kroon- 
lijst de plechtige gebeurtenis van de Annunciatie. Men zou 
meenen de kleine broertjes te zien van de bevallige, schuchtere 
Maagd die nog kinderlijk verwonderd zich tot den hemel- 
schen boodschapper wendt. 

Maagd en kind, Donatello heeft, in alle menschelijkheid , 
er het goddelijke van begrepen, en dat ook aan anderen 



EN VAN REALISME TOT IDEALISME. 361 

geopenbaard. Jacopo della Quercia was het brein waarin 
het 'eerst de bewustwording plaats had , waarin wederom na 
eeuwen sluimerens, de aesthetische idee tot begrip kwam; dat 
kan niet genoeg gezegd worden. Uit Donatello kwam de 
geheele quattrocentoplastiek. Noch Luca della Robbia, noch 
Verrocchio zijn te denken buiten hem , en Michel Angelo 
voelde in hem een voorlooper. 

Intusschen ging Luca della Robbia een stap verder. Toen 
hij de opdracht voor een orgelbalustrade in den dom te 
Florence had gekregen, en hij daar een zingend engelen- 
koor op beitelde, brak hij met de overlevering die aan engelen 
vleugelen dacht, overlevering waar Donatello zich nog aan had 
gehouden. Door bovenmenschelijk schoone vormen en ge- 
laatsuitdrukking trachtte hij bij den toeschouwer de ge- 
dachte aan een bovenaardsch wezen op te roepen. In 
hoever hij hierin geslaagd is laat ik daar; zijn pogen zegt 
genoeg. Hij wilde boven het waargenomene uitgaan, uit 
eigen idee een ideaal scheppen en zien wij hem, als eenige 
zakelijke tegemoetkoming aan de voorstelling, nog wolkjes 
onder de voeten zijner engelen aanbrengen , dan bewijst dit 
een onvermogen zich geheel los te maken van de behoefte 
aan het attribuut, het in den letterlijken zin van 't woord 
hieroglyphische teeken van de middeneeuwen. 

In Verrocchio's kunst eindelijk zien wij den realist het 
hoogste bereiken dat hij als zoodanig bereiken kan. Zijn 
portretten, bij alle soberheid toch zoo doorgevoerd in het 
teruggeven van het karakteristieke, hebben het bezielde van het 
kras individueele en voor zijn bronzen David, in het nationale 
museum te Florence, zijn wij, zonder terughoudendheid, bereid 
te gelooven , dat de jeugdige held, welken de kunstenaar in zijn 
verbeelding gezien heeft ook werkelijk zoo geweest is. Ver- 
rocchio is er verre van het ideale type van den held te scheppen, 
maar de moedige, jonge Florentijn dien hij ons te zien geeft, 



362 DE OVERGANG VAN „GOTHIEK" TOT „RENAISSANCE" 

is er een van wien wij verwachten , dat hij het onmogelijlce 
aandurft. Zijn meesterstul<:, de groep van Christus en Thomas, 
aan Orsanmichele, te Florence, is tevens het voimaal<tste 
werlc van de quattrocento-plastiek. De herrezen Heiland, 
den twijfelaar het geloof gevend, is, bij al het wezenlijk 
menschelijke, toch zoo grootsch, dat elk ontvankelijk ge- 
moed, bij het genieten van deze natuurlijke schoonheid, 
ook geestelijk ontroerd zal worden. De tijdgenoot heeft 
lang zijn Christustype als hét type aanvaard. Zelfs Michel- 
Angelo vermocht het niet te overtreffen; waardoor wij 
misschien tot de overtuiging hebben te komen, dat de 
ideale mensch, als de goddelijke mensch, evenmin als de 
godheid zelve, door de kunst is af te beelden. De vleesch- 
wording der idee kan, bij verkeering, gedacht worden, 
maar door eene verzakelijking ontzinkt aan dit zuiver gees- 
telijke onmiddelijk de verhevenheid welke haar wezen is. 
Michel-Angelo schijnt dit dan ook begrepen te hebben. 

Gaan wij thans na hoe de schilders in die dagen van 
bewustwording zich tot de natuur verhieMen. 

Was het mijn doel hier een volledig geschiedkundig beeld te 
geven, dan zou dit het oogenblik zijn nader in te gaan op 
de beteekenis der gebroeders van Eijck wier invloed, 
vooral op de technische ontwikkeling der Italiaansche kun- 
stenaars , niet gering is geweest. Maar waar het mij te doen 
is de ontwikkeling in het kunstleven te bespreken, ge- 
loof ik te kunnen volstaan met hetgeen ik in het eerste 
gedeelte van dit opstel over de van Eijcken heb gezegd en 
mij- bij de Italiaansche kunst te houden welke, gelijktijdig 
met de Vlaamsche, ons de bedoelde evolutie laat zien. 

Te Florence, in het eerste vierde deel van de IS'^^eeuw, 
hebben eenige schilders van een zelfde bewuste vrijheid 
tegenover de natuur blijk gegeven, als de reeds besproken 
beeldhouwers. 



EN VAN REALISME TOT IDEALISME. 363 

In den dom van Florence, rechts en links van den ingang 
kunnen wij de twee condottiere-portretten van Nicolo Tolen- 
tino, door Andrea del Castagno en van John Hawkwood, 
door Paolo Ucello bewonderen, welke, nevens de getrouwe 
portretteering van de koppen, een samengaan in beweging 
van ruiter en paard vertoonen waardoor bewezen wordt, 
dat hier de pijnlijk getrouwe detailleering van de midden- 
eeuwsche teekening voorgoed te boven is gekomen, dat 
in deze synthetische schilderingen het eigen door herin- 
nering gevormde beeld zijn afschijnsel vindt. 

Masaccio toonde, niet minder dan de van Eijcken, het 
vermogen zich de voorwerpen in de ruimte te denken, en 
over niet minder technische vaardigheid te beschikken om 
die denk-beelden op een muurvlak te schilderen. En bezit 
hij een minder diep gevoel voor het atmospherische dan 
zijn noordelijke kunstbroeders, zijn opmerkingsvermogen 
van beweging is oneindig veel sterker. Vergelijken wij maar 
eens den Adam en Eva van het Gentsche altaar, waar wij 
zoo voortdurend aan vermoeide poseerende modellen herin- 
nerd worden, met de beroemde verdrijving uit het paradijs 
in de Brancacci-kapel te Florence, dan voelen wij bij de 
eerste voorstelling wel reeds de heerschappij over vorm 
en kleur, maar nog geen zweem van die hoogere vrijheid, 
welke naar een verhevener kunst wijst. Dit is inderdaad 
wat de Italiaansche realisten al dadelijk voor hebben boven 
de Noordelijke, wat ook een Jacopo della Quercia en een 
Donatello boven een Klaas Sluter verheft. Bij hun eerste 
bewustwording, na hun eerste kennismaking met de reali- 
teit, toonen zij onmiddelijk gevoel voor het hoogere te 
hebben; hun werken bevatten de belofte van een idealistische 
kunst. 

Want men vergete niet, bij de realistische kunst kan 
het niet blijven. De realistische kunstenaar vond zich zelf 



364 DE OVERGANG VAN „GOTHIEK" TOT „RENAISSANCE" 

in de natuur terug, wat dan toch zeggen wil, dat in zijn 
kunst een klove, een scheiding tusschen den ziener en 
het geziene voorondersteld blijft. Bij elke ontmoeting zal 
de moeitevolle zich eigenmaking van het object nog wéér 
moeten bevochten worden. De aanleiding tot het kunstwerk 
is altijd nog de verrassing ondervonden voor wat wij aan- 
vankelijk buiten ons wanen. Bij het zich terugvinden van 
den geest in de natuur, bleef die natuur voorondersteld als 
het andere van den geest. De éénheid en daarmede de 
hoogere vrijheid des geestes als eene door zich zelf be- 
paaldheid was nog niet gevonden. Wij staan in het realis- 
tische tijdvak van de Renaissance voor eene oogenblikke- 
lijke vrijheid, welke het spook der vervreemding nog altijd 
voor zich heeft. Bij het realistische kunstwerk blijft de 
natuur onmiddelijk bepalend moment. 

De aesthetische idee kwam tot begrip en stelde zich in 
de zakelijkheid van het kunstwerk. De idee had zich in 
den kunstenaar vereindigd en deze vereindiging stond tegen- 
over haar, uit den aard harer wording, zij had haar grond 
in de zakelijkheid van de natuur. Eerst wanneer het 
gebrek dezer eindigheid was opgeheven, zou het kunst- 
product de zuivere afspiegeling worden van de idee, van 
de ware idee, welke de eenheid is van het menschelijke en 
het goddelijke, van het eindige en het oneindige. Dit zien 
wij eerst gebeuren, wanneer de subjectiviteit van den kun- 
stenaar zich als totaliteit heeft begrepen, zich tot object 
heeft gemaakt, vóór zich zelf is komen te staan. Wanneer 
de ervaring volkomen gerijpt is, wanneer de kunstenaar 
de vormen en kleuren in de natuur tot volkomen eigendom 
heeft gemaakt, wanneer zijn geheugen vervuld is, zal op 
dien eigen grond de idee als het schoone verschijnen en 
rijpen en zich verwezenlijken. 

Zooals gezegd, de Italiaansche realist streeft dadelijk 



EN VAN REALISME TOT IDEALISME. 365 

boven het alledaagsche uit te komen, al is het waar, dat 
hij in den vormenschat van lang vervlogen tijden nieuwe 
bevrediging zoekt. Botticelli, zullen velen nog als het type 
aanmerken van den artist der renaissance. Maar ons is het 
duidelijk, dat het idealisme van een Botticelli slechts een 
schijnidealisme is, dat van het realisme alleen afwijkt in 
zooverre het niet op direkte waarneming van de natuur, 
maar op studie van het werk van anderen (de antieken) is 
gegrond. De aesthetische idee, die, onder andere benaming, 
de levensidee zelve is, gaat voort door altijd het beleefde 
in een vorigen toestand over te nemen en te blijven voor- 
onderstellen. In Botticelli's werk vinden wij het realisme 
slechts verkeerd in conventionalisme. Wij hebben het stre- 
ven ervan te onthouden, maar kunnen er slechts van genie- 
ten als van zeldzame droombeelden van een verfijnden 
enkele. 

Van veel wijdere strekking is de kunst van een Leonardo 
da Vinci. 

Da Vinci's kunst vat het aesthetische leven van zijn tijd 
samen. Hij beheerscht de realiteit en zoekt er met voorkeur 
het belangwekkende van. Het mooie en het leelijke, het 
ernstige en het belachelijke trekken hem gelijkelijk aan. Zijn 
wetenschappelijke aanleg verheft hem nu en dan zelfs boven 
het kunstzinnige. Hij is de humorist die aan het einde der 
15<^2 eeuw het realisme beheerscht, maar tot idealisme in 
den eigenlijken zin van het woord brengt hij het niet. 

Het zou hier de plaats zijn over Raphael te spreken, 
wiens persoonlijkheid zoowel kunstminnaars als kunsthistorici 
in buitengewone mate geboeid heeft. Hij dankt die belang- 
stelling aan de zuiverheid van zijn techniek, aan het over- 
wogene van zijn compositie, aan zijn zuiver gevoel voor 
licht en ruimte. De kunst van een Perugino, zijn leermeester, 
bracht hij tot volmaaktheid. Maar hij is gestorven op een 



366 DE OVERGANG VAN „GOTHIEK" TOT „RENAISSANCE" 

leeftijd waarin voor de mensclien van beteelcenis meestal 
een ontwikkeling begint, waarop de persoonlijkheid naar 
grootere beloften begint te wijzen. Zijn werk is het voort- 
brengsel van een vroeg rijp, hoogst bekwaam schilder die 
voortreffelijke voorgangers had en geen strijd gekend heeft. 
Waar wij ontwikkeling en strijd willen doordenken, kunnen 
wij hem buiten bespreking laten. 

Wij haasten ons te komen tot den man, in wien de aesthe- 
tische idee hoogtij viert, tot Michel Angelo. 

Michel Angelo's denken, in nog sterkere mate dan zijn 
groote realistische voorgangers , was doortrokken van gods- 
dienstige gevoelens, terwijl de tijd het meebracht, dat hij vrijer 
dan zij tegenover de kerkelijke leerstellingen kwam te staan 
en hij in den levenskamp den steun van de kerk moest 
missen. In zijn jeugd, toen hij in den uitgelezen kring van 
vernuftige lieden, vrienden en beschermelingen der Medici, 
verkeerde, bestudeerde hij Plato en was tegelijkertijd een 
hartstochtelijk toehoorder bij de prediking van den zuiveraar 
des geloofs, Savonarola. Hij heeft op rijpen leeftijd de ver- 
ontwaardiging gekend over de bandeloosheid van het pause- 
lijke hof. Zijn ouderdom werd bestraald door de mystische 
liefde voor Vittoria Colonna en hij genoot toen van de 
hoog-geestelijke gesprekken met mannen die het alleen aan 
de onaantastbaarheid van hunne plaats in de maatschappij 
te danken hadden , dat zij door de inquisitie niet verontrust 
werden. Zoo kon zijn geschoolde geest het tegenwicht vormen 
voor zijn onstuimig temperament. De sonnetten waarin hij 
gewoon was zijne gedachten neer te leggen, geven ons het 
beeld van zijn levensstrijd, van zijn bijna ziekelijk ontvan- 
kelijk gemoed, van het zich geven aan anderen en het zich 
weer terugtrekken in geestelijke afsluiting en verinnerlijking. 

Waar de mensch op den kunstenaar werkt, wordt bij 
Michel Angelo het ondervondene onmiddeiijk door zijn 



EN VAN REALISME TOT IDEALISME. 367 

godsdienstig gevoel opgeheven tot het ideëele. Zoo spoedig 
hij de leerjaren achter zich heeft en meester is van zijn 
techniek, zien wij hem, in den tijd dat hij schijnbaar al 
zijn aandacht aan de studie der antieken wijdt, zijn mar- 
meren Pietè scheppen (St. Pieter te Rome), de meest ver- 
hevene voorstelling van de treurende moedermaagd die er 
ooit gemaakt is. 

Onberispelijk in de uitvoering, zoowel van het naakte als 
van het gedrapeerde figuur, zooals dat van een gestudeerd 
ontleedkundige, als Michel Angelo was te verwachten, treft ons 
de groep door het ongewoon indrukwekkende van de nog zoo 
jeugdige Moedermaagd, tegenover het betrekkelijk kleine, 
lamentabele lijk van den Zoon. Condivi , de vriend en eerste 
biograaf van den beeldhouwer, vertelt ons, hoe Michel 
Angelo hem de uitlegging had gegeven, dat de kuische 
vrouw langer de schoonheid harer vormen bewaart dan de 
vrouw overgegeven aan zinnelijke lusten; hoeveel te meer 
moest dit dan niet het geval zijn bij de vrouw , die nimmer 
de zinnelijkheid gekend had. Zij moest altijd in de reinheid 
en in de kracht van de jeugd worden voorgesteld. De zoon 
daarentegen, die de zonden van de menschheid op zich 
had genomen, was bij het scheiden uit dit leven oud van 
lichaam. 

Ook zonder het verhaal van Condivi te kennen treft ons 
bij het aanschouwen van de Piëta de krachtige jeugd van 
de Maagd en zijn wij geneigd er de idee in te vinden van 
de eeuwig jong blijvende natuur, barende het vleeschge- 
worden goddelijke in het verenkelde, den mensch. En al 
moge Michel Angelo het zich zoo niet geformuleerd hebben, 
de zelfde idee heeft zich toch in zijn beeldhouwwerk ver- 
zakelijkt. 

Een niet minder diepe gedachte lezen wij in de voor- 
stelling van de schepping van Adam aan de zoldering der 

24 



368 DE OVERGANG VAN „GOTHIEK" TOT „RENAISSANCE" 

Sixtijnsche kapel. Ligt er niet in de overgegevenheid van 
dat gespierde lichaam, in de matheid van dien blik, iets 
van de loomheid der aan zich zelve overgelatene natuur, 
de melancholie van door den geest verlaten te worden, 
het drukkende voorgevoel van den komenden strijd, eer 
natuur en geest wederom verzoend zouden worden? Voor- 
zeker deze kunstenaar, die oneindig meer dan een van zijn 
voorgangers in de geheimenissen van de materieele lichame- 
lijkheid was doorgedrongen en ook nooit verzuimt de 
vormenpracht van zijn figuren te laten spreken, heeft toch 
de meest immaterieele kunst geleverd welke zich ooit in 
dienst van de Christelijke kerk heeft gesteld. Aan het uit- 
wendige van den eeredienst, zooals die in de gothiek en de 
vroeg-renaissance werd verricht, heeft hij nooit geofferd; 
hij had daar zelfs een hekel aan. Zijn werken zijn daaren- 
tegen doordrongen van de éénheid der Christelijke idee, 
van een mystiek , welke door zijn tijdgenooten niet begrepen 
werd en , laat ons het zeggen , misschien eerst door de 
kritiek van den laatsten tijd werd ingezien. 

Men kent de verontwaardiging der tijdgenooten toen 
eindelijk het „laatste oordeel" in de Sixtijnsche kapel te 
zien kwam. Die toornende Christus, voor wien de Moeder- 
Maagd zelfs bang schijnt te zijn, aan wien de martelaren, 
als om hem tot gestrengheid aan te sporen, hun martel- 
werktuigen toonen, was te schrikwekkend zelfs voor die 
tijden van twijfelzucht. 

Een brief van Vittoria Colonna aan Michel-Angelo geeft 
ons den sleutel tot het geheim van des kunstenaars ge- 
dachten. Voor hem was de Christus van de verzoening 
eerst gekomen, de Zoon, in naam des Vaders vrede bren- 
gende voor zondaren. Ten tweeden male komende, zal hij 
alleen zijn majesteit, zijn gerechtigheid, zijn macht toonen. 
Michel-Angelo was met vertwijfeling vervuld door het ver- 



EN VAN REALISME TOT IDEALISME. 369 

derf van zijn tijd. Hij oordeelde dat de liefderijke Christus 
vergeefs onder de menschen geleefd had; men had zijne 
liefde versmaad , er was nu ook geen heil meer te wachten , 
alleen straf en eeuwige verdoemenis. 

In zijn ongewijde werken scheen hij nog onbegrijpelijker; 
de uitleggingen die hij er zelf aan zijn tijdgenooten van 
gaf, en welke ons soms als lage vleierij toeschijnen, moeten 
beschouwd worden als ironische uitingen van iemand die 
rustig aan het werk gelaten wil worden en die zijn publiek 
te laag schat om in zijn gedachten te kunnen komen. Zeer 
wel mogelijk speelden hem verscheidene denkbeelden door 
het hoofd bij het scheppen van zijne allegorische figuren. 
Hij is zijn geheele leven lang gebukt gegaan onder de veel- 
heid van aandoeningen en van hartstochten, waarvan hij 
voelde maar al te zeer slaaf te zijn; zijn gansche leven is 
een strijd geweest tusschen zijn driften, zijn angsten en 
zijne geestelijkheid, tusschen zijn godsdienstig mysticisme 
en zijne wijsgeerige overdenkingen. 

De twee slaven, thans in het Louvre te Parijs, oorspron- 
kelijk bestemd voor het praalgraf van Paus Julius II, drukken 
voor ons de levensmoeheid uit en de oproerigheid tegen 
het noodlot, maar wie zal zeggen wat de beeldhouwer 
zelf er eigenlijk in gezien heeft? 

Over de grafbeelden der Medicikapel te Florence zijn 
de grootste dwaasheden gezegd en geschreven; thans komt 
als de meest aannemelijke verklaring voor die, welke het 
laatst Steinmann in zijn werk: „Das Geheimnis der Medi- 
ci-graber" gegeven heeft. Wat men als de verpersoonlijking van 
den dag, den nacht, den avond en den morgen beschouwde, 
zou met meer waarschijnlijkheid eene verpersoonlijking van de 
vier temperamenten zijn: het cholerische, het sanguinische, 
het phlegmatische en het melancholische. De levensidee 
zelve wilde Michel-Angelo in zijn kunst geven, de levens- 



370 DE OVERGANG VAN „GOTHIEK" TOT „RENAISSANCE" 

idee, die voor hem één was met de aesthetische idee: 

Come dal foco '1 cald' esser' diviso, 
Non puo, dal bell' ettern' ogni mie stima, 
Ch'exalta, ond' elia vien', chi piu '1 somiglia. 

Sonnet 92; edit: Frey. 

De man die vol van de godsdienstigheid en de wijsheid 
van zijn tijd was, zal zelf niet altijd geweten hebben wat hij 
wilde in zijn kunst; hij wilde de schoonheid die niet deze 
of gene gedachte in het bijzonder uitdrukte, hij wilde 
de schoonheid waarin de veeleenigheid van de idee scheen. 
Als kunstenaar heeft hij zich in de schilderkunst, welke van 
alle beeldende kunsten het meest de gedachte benadert, 
dan ook het minst in zijn element gevoeld; aan de beeld- 
houwkunst, waarbij hij voor goed afzag van de polychromie, 
heeft hij de voorkeur gegeven. Voor hem stond het onge- 
polychromeerde beeld verder van de realiteit dan het schil- 
derij, ook dan het bas-relief, dat hij na zijn leerlingtijd 
nagenoeg nooit meer beoefend heeft. 

En bij het stijgen der jaren, toen Michel Angelo meer 
en meer zich vergeestelijkte en, kunstenaar blijvende, toch 
de categorie van de kunst wilde overschrijden, werd hem 
ook het beeld een nog te sterke band met de natuurlijkheid 
en bepaalde hij zich tot de beoefening der bouwkunst in 
den dienst van het goddelijke. 

Wij denken ons aan de bouwkunst, de beeldhouwkunst 
en de schilderkunst, in de verhouding van potentialiteit, 
realiteit en idealiteit, opklimmende graden van geestelijkheid 
en van ingewikkeldheid in de openbaring der aesthetische 
idee. Historizeerend, merken wij ook op, dat, in de verschil- 
lende tijdperken van beschaving, de bouwkunst zich het eerst, 
vervolgens de beeldhouwkunst en de schilderkunst zich het 
laatst heeft ontwikkeld , en nu is het voorzeker merkwaardig 



EN VAN REALISME TOT IDEALISME. 371 

dat de persoon in wien de aesthetische idee in de hoogste 
mate werkzaam is geweest, zich slechts door nood ge- 
dwongen in de schilderlcunst heeft bewogen, in het marmeren 
beeld zijn schoonste gedachten heeft gegeven en eindelijk, 
toen hij neiging had tot eene hoogere categorie over te gaan, 
zich aan de bouwkunst wijdde. Zoo keerde de mensch, in 
zijn streven naar zuiverder geestelijkheid, in zijn verlangen 
de categorie der kunst te overschrijden, naar haar vorm van 
onontwikkeldheid terug. De zich verkeerende aesthetische 
idee zocht zich eerst nog te spiegelen in plastische vormen, 
zoo veel mogelijk vrij van gelijkenis met zakelijkheden, maar 
daarna in laatsten aanleg, in de wiskundige vragen, welke 
de bouw van het koepelgewelf meebrengt. 

Ne pinger, ne scolpir fie piu che quieti 

L'anima, volta a quell'amor divino 
C'aperse a prender noi 'n croce Ie braccia. 

(Edit. Frey. Sonnet 147). 
De aesthetische idee verkeerde zich in Michel Angelo; 
het duurt lang eer wederom een idealistisch kunstwerk 
voortgebracht wordt. 



BOEKBESPREKING. 



H. van Treslong, Civitas. Een inleiding tot de philo- 
sophie der gemeenschap II Dln. (Rotterdam 1906). 

Aan het einde van zijn droomgezicht verrees voor Johannes 
den Ziener, bijgenaamd den Theoloog, — nadat de eerste 
hemel en de eerste aarde vaaren voorbijgegaan — een nieuwe 
stad..., de heilige stad, met muren van jaspis, met poorten 
van paarlen , met straten van goud , niet door zon of maan ver- 
Ucht maar door de heerlijl<heid Gods. Augustinus beschreef het 
koningrijk der hemelen als de Civitas Dei; en zoo heeft ontel- 
bare malen het begrip „Staat" dienst gedaan als zinnebeeld 
voor een verheven voorstelling van menschelijk samenleven. 

De Heer H. van Treslong nu heeft de Gemeenschap (Societas) 
waarvan die Staat (Civitas) steeds het geijkte zinnebeeld is ge- 
weest, zich voorgesteld als de oorzaak en de voorwaarde van 
de hoogste geestontwikkeling, en die gemeenschap zelve, 
„Civitas" genoemd. Hij heeft daardoor eerstens een fout ge- 
maakt tegen den welstand, door een boek dat in 't Nederlandsch 
geschreven is met een opschrift uit den vreemde op te smukken ; 
een eerzame Germaansche te tooien met een Romaansche kap; 
maar tevens, zooals het daarbij meestal gaat, het verkeerde 
woord gekozen. Civitas zonder meer beteekent de burgerlijke 
gemeenschap en wat de Heer van Treslong bedoelt, gaat ver 
daarboven uit. 

Dit boek is een wonderboek. Het eerste deel, genaamd de 
wetten van het gemeenschapsleven is eigenlijk meer en hoofdzake- 
lijk een beschrijving van de ontwikkeling der gemeenschap van 
uit de schemering der zelfbewustheid, een zielkundige wordings- 
leer, terugkeerende zelfs tot voorhistorische tijden, — avant Ia 



BOEKBESPREKING. 373 

naissance du monde zou Racine zeggen, — gedragen door de 
thans alom en door een ieder als gangbaar erkende (katholieke) 
ontwikkelingsleer. 

Uit het natuurleven, uit de natuurdrift ontwikkelt zich ge- 
voel, gewaarwording, wil, en deze wil, eerst individueel, ver- 
vloeit later in een groepenwil en den gemeenschapswil, de 
wereldmacht waaruit dan ten slotte onze geheele beschaving te 
verklaren is. Le milieu! 

Het Darwinisme wordt, al is het dan ook niet in al zijn bij- 
zonderheden toch gereedelijk aanvaard , inzooverre de bestaans- 
strijd als verklaring wordt aangenomen van de vooronderstelde 
ontwikkeling; de zoogenaamde variabiliteit wordt echter niet 
voldoende geacht en daarom more majorum aangenomen dat 
de natuur nu en dan sprongen maakt om daardoor het ontstaan 
van nieuwe soorten te verklaren. 

„De menschenrasse/z zijn waarschijnlijk voortgekomen uit de 
mutatie van eene moedersoort". Die rassen hielden zich eerst 
standvastig bijeen , maar ook daarin komt ten slotte verandering 
en wel door de geestelijke heerschappij. De „intellectueele" 
leider treedt op den voorgrond en zoo ontstaat eindelijk onze 
samenleving. 

Deze laatste echter als gegrond op de idee van het „privaat 
eigendom" (zoo staat er) „den eenigen verderver van den 
menschengeest" kan geen stand houden en zal onherroepelijk 
moeten plaats maken voor eene geheele andere gemeenschap, 
het rijk der vrijheid, het rijk der eenige ware liefde, het koningrijk 
Gods (Civitas Dei). 



Het tweede deel heet, wonderlijk genoeg, de metaphysica der 
gemeenschap. De geleerde schrijver bedoelt met metaphysica 
een samenvatting van de uitkomsten aller wetenschappen tot 
een algemeene wijsbegeerte, In hoeverre deze nu, wat men toch 
zou veronderstellen, verschilt van hetgeen de schrijver in zijn 
hoofdtitel philosophie noemt, heb ik niet vermogen te ontdekken. 
Moest ook hier volstrekt een vreemde vlag geheschen worden 
dan zou m. i. het woord apocalypse verkieselijker geweest zijn. 

Eerst wordt beschreven de ellende der „illusies" waaraan de 
menschengeest zich overgeeft; dan de banden waarmede de ge- 



374 BOEKBESPREKING. 

meenschap dien menschengeest kluistert: de idealen, het geloof, 
en de Rechte und Gesetze die zich onwillekeurig vastzetten in 
de gemeenschap en daarin, zooals Goethe zegt, voortwoekeren 
als erfelijke ziekten. 

Schoonheid, deugd, ja zelfs de denkwetten worden uit de 
gemeenschap als vormen van geestesleven verklaard, maar met 
nadruk alle rationalisme veroordeeld dat als dogma of stelsel 
op grond van de katholiciteit der oordeelen zich zou willen 
vermeten een afgeronde wereldbeschouwing in begrippen vast 
te leggen. Daartegenover dreigt nu wel van den anderen kant het 
schrikbeeld van het Solipsisme. Doch ook dit wordt door den 
schrijver met beslistheid als ongerechtvaardigd en ongegrond 
afgewezen. 

Het gevoelsleven moet wezen de drijfkracht der gemeenschap, 
doch niet het gevoelsleven van den enkeling, maar van dèn 
mensch als „de gesynthetiseerde eenheid van menschelijk leven 
op aarde". Die mensch , eigenlijk „de ziel der Aarde" leert alle 
individualiteit verloochenen, leeft geheel het aardleven mee, 
ja tracht zich zelfs daarboven te verheffen en zoodoende te 
komen tot een samenleving met het Heelal. Het is de verschij- 
ning van den Aardgeest die zich eindelijk volkomen aan ons 
heeft geopenbaard. 

De godstempel is verrezen en geworden tot een „van liefde 
en van licht stralende stad". 

Maar is zoo eenmaal het hoogtepunt der ontwikkeling op 
onze planeet bereikt, dan zal, evenals al het bijzondere dat wij 
als sterfelijk moeten erkennen, ook dit ideale leven te gronde 
gaauv om weldra op andere wereldplekken weder te ontkiemen 
en heerlijker nog op te bloeien. 



Den rijkdom van gedachten in dit boek opgesloten en het 
dichterlijke, men kan bijna zeggen het profetische dat hier als 
een lichte maar doorzichtige sluier over elke uitdrukking en 
eiken gedachtengroep ligt uitgespreid, dat alles in een aankon- 
diging ook slechts bij benadering aan te geven , schijnt onmogelijk. 
Het zij slechts vermeld. 

Dit boek had in versmaat geschreven kunnen worden, deze 
„Inleiding" zou een „Voorzang" kunnen worden genoemd. 



BOEKBESPREKING. 375 

De Heer van Treslong heeft velen en veel te denken gegeven 
en een meesterstuk geleverd op het gebied dat ik voor mij in 
stilte altijd gewoon ben als de romantische wijsbegeerte te be- 
schouwen, de tweelingzuster der moderne biologie. 

Het einde van dit merkwaardige boek is een verklarende 
woordenlijst. 

Er is een tijd geweest en is nog dat men zich zeer weinig 
om omschrijving van begrippen bekommerde. Zulk een verzuim 
wreekt zich natuurlijk het meest op een gebied dat zich hoofd- 
zakelijk om begrippen beweegt: geen wonder dat aldaar een 
Babylonische spraakverwarring is ontstaan. Niet alleen in over- 
drachtelijken, ook in letterlijken zin. Gemakshalve toch nam 
men alle bijzondere begrippen nauwelijks en in hun vreemde 
kleedij van de groote denkers over. Ook onze schrijver heeft 
dit voorbeeld gevolgd en zoodoende zijn de meeste zijner be- 
grippen in een zeker Koeterwaalsch dat voor Latijn doorgaat 
gekleed, waardoor de lezing en het begrip van zijn boek niet 
weinig geschaad is. Zelf heeft hij dit gevoeld en daarom aan 
het einde een verklaring dier bastaardwoorden gegeven. 

Wij danken hem daarvoor maar zijn slechts ten halve voldaan. 

Wij hopen veeleer dat hij zich ten heele bekeeren zal en in 
den vervolge öf Nederlandsch öf Engelsch óf Latijn zal gaan 
schrijven — immers de wijsbegeerte heeft geen vaderland en 
dus ook geen eigen taal, — maar altijd in ééne taal tegelijk 
en niet in alle, gedachtig aan hetgeen daarover op den eersten 
Pinksterdag en later nog door Paulus in zijne brieven aan de 
Corinthiërs is gezegd. Dan eerst zal zijn gedachtengang ook 
voor de groote menigte toegankelijk worden en hij zelf niet 
meer zooals nu telkenmaal onnoodig in zijn woorden verstrikt 
geraken of struikelen op zijn pad. Tot proef zou ik hem willen 
aanraden eens een paar woorden als „milieu" en „motivatie" 
overal in den tekst door hun HoUandsche uitdrukking te vervan- 
gen. Het zal iemand die zoo gemakkelijk als deze schrijver met 
onze taal weet om te gaan en waar het pas geeft nieuwe 
woorden zelfs geestig weet te verdichten, met eenigen goeden 
wil niet lastig vallen in dit opzicht een groote verbetering aan 
te brengen door ongewenschte uitlanders over de grenzen 
te zetten. M. 



376 BOEKBESPREKING. 

Dr. Harald Höffding, Lehrbuch der Gescliichte der neueren 
Philosophie. (Leipzig. Reisland 1907). 

Höffding's opvatting van hetgeen een leerboek van de geschie- 
denis der wijsbegeerte moet inhouden, is anders dan de opvat- 
ting van bijv. Falciienberg's bekend boek. Voor H. is de geschie- 
denis der wijsbegeerte een gedeelte van de geschiedenis der 
kuituur, voor F. een geschiedenis van het denken. Ziehier zoowel 
hetgeen H's boek voor- als wat het tegen heeft. Hier wordt niet 
een geschiedenis der systemen gegeven, waarbij stuk voor stuk 
de denkers hun behandeling verkrijgen , maar bewegingen worden 
gekarakteriseerd. Voor een leerboek heeft dit groote aantrekke- 
lijkheid; een minder omvangrijke behandeling is mogelijk zonder 
dat de schrijver oppervlakkig wordt. Het boek van H. is dan 
ook veel minder vol en minder schoolmatig en de geheele behan- 
deling is lichter en enkelvoudiger dan die van Falckenberg's 
boek. Het komt er hoofdzakelijk op aan de grondgedachten 
eener filosofie aan te wijzen als teekenen van de stroomingen 
des tijds. 

Het werk van H. is in negen boeken verdeeld. Uit de titels 
van het eerste boek blijkt al aanstonds de behandeling. Hier 
wordt „die Philosophie der Renaissance" besproken (niet gelijk 
bij F. van Nic. Cusanus uitgegaan) in drie Hoofdstukken: „die 
Entdeckung des natürlichen Menschen"; „das neue Weltbiid"; 
„die neue Wissenschaft". In het zesde boek („die Philosophie 
der Romantik") wordt de Duitsche spekulatie behandeld, over- 
eenkomstig den aard van het boek zeer in 't kort, terwijl ook 
het wijsgeerig gedachtenleven der laatste tijden (Positivismus; 
neue Bearbeitungen des Daseinsproblems auf realistischer Grund- 
lage; neue Bearbeitungen der Probleme der Erkenntnis und der 
Wertung) een al te samengedrongen bespreking ontvangt. Het 
blijkt dat de methode der geschiedschrijving van de filosofie als 
geschiedenis der kuituur, slechts ten deele aan de wijsbegeerte 
recht doet. Maar voor een boek dat kort wil zijn en noch opper- 
vlakkig noch schematisch zal uitvallen, is zij misschien de 
eenig-mogelijke. B. de H. 

C. S. Adama van Scheltema. Levende Steden: Amster- 
dam, een wijsgeerig leerdicht. Uitgaaf van W. L. & J. 
Brusse, Rotterdam. 
In dit gedicht wordt de uitspraak bevestigd, dat de literaere 



BOEKBESPREKING. 377 

beweging, die in '80 ontstond, richting heeft genomen naar het 
beschouwelijke. Het woord is hier niet slechts beeldend , hoewel 
het aan beeldend vermogen niets heeft ingeboet. Er is in de 
beschouwelijke eindstrofen der zangen het geluid eener kalmte 
waarin de gedachte de zinlijkheid heeft oveewonnen. 

Wijsgeerig noemt zich dit leerdicht, niet omdat het de dich- 
terlijke vertolking van een wijsgeerig stelsel geeft, maar om de 
kontemplatieve wending welke in elk der zangen, waaruit dit 
gedicht bestaat, genomen wordt. De gedachte welke de tafereelen 
van „Amsterdam" verbindt is: dat een dichter, die met zichzelf 
in onrust kwam, in een leven met het geheel voor oogen zijn 
evenwicht hervindt. B. d. H. 



Dr. C. J. Wijnaendts Francken, David Hume (Haarlem 
Tjeenk Willink & Zoon). 

Hume volgt, zooals we dat van een rechtgeaard ervarings- 
wijsgeer mogen verv^^achten , een „miscellaneouswayof reasoning". 

Deze denkwijze (methode), hoe gemakkelijk ook voor den 
schrijver, is niet weinig geschikt om hem zelf en anderen het 
spoor bijster te maken. 

Meestal kenmerkt zij den ongeschoolden denker, hetgeen 
Hume dan ook inderdaad was. 

Nu is het zeer moeielijk zich van den gedachtengang van 
zulk een denker behoorlijk rekenschap te geven ; nog moeielijker 
daarvan „reeckeninghe te doen". 

Dr. Wijnaendts Francken heeft dit beproefd en is er voor- 
zoover wij oordeelen kunnen niet onverdienstelijk in geslaagd. 
Hij had zich voorgenomen 's mans denkbeelden volkomen zakelijk 
(objectief) den lezer mede te deelen, zijn eigen meening daar- 
over verzwijgende. 

En ofschoon hij zich nu niet altijd volkomen streng aan dezen 
opzet gehouden heeft, is hij er in geslaagd onder enkele los- 
of niet samenhangende opschriften de hoofddenkbeelden van 
onzen schrijver samen te vatten. De stijl is los en vlot, zooals 
wij dat van dezen letterkundige gewoon zijn ; ons schijnt Hume's 
beeld in dit boek met zorg te zijn geschetst. 

De slotsom waartoe wij komen na Hume's bespiegelingen te 
hebben gelezen, is die waartoe elke twijfelaar ons leidt: de 



378 BOEKBESPREKING. 

denker is het met zichzelf niet eens, sibi non constat. GevaarHjk 
zijn zulke overdenkingen dan ook niet, daar het onsamenhan- 
gende daarvan den lezer aanstonds in het oog springt. Het boek 
zal overigens zijnen weg gemakkelijk vinden, daar het nauw 
verwant is met den geest van onzen tijd. 

Francken kenschetst Hume als den vader van het „positivistisch 
agnosticisme". M. 



VEREENIGINGEN VOOR WIJSBEGEERTE. 



Aan welke behoeften moeten Vereenigingen voor Wijsbegeerte 
voldoen? 

Welke is haar reden van bestaan? 

Deze beide vragen willen we trachten te beantwoorden. 

Als algemeen erkende waarheden mogen wel vooropgesteld 
worden dat de mensch denkt en in zich voelt den drang om 
zijn bestaan te handhaven, een natuurdrift eigen aan al wat 
leeft. Uit deze twee beginselen volgt van zelf dat elk mensch 
die mondig of zich bewust wordt, er over nadenkt hoe hij zijn 
bestaan op de beste wijze zal hebben in te richten, m. a. w. 
een modus vivendi voor zich zelven zoekt. 

Zulk een levensrichting nu is de levenswijsheid die allen 
zich als denkende menschen hebben eigen te maken, wil men 
niet met eiken wind van leering stroomeloos rondzwalken op 
de levenszee als schepen zonder roer of zeilen op het kompas 
van den eersten welken men ontmoet, die zoo dikwerf achteraf 
blijkt juist niet altijd de beste te zijn. 

Zulk een levenswijsheid of Ethica, door Coornhert: Wellevens- 
conste geheeten , is een behoefte voor elkeen. Meer dan eenige 
andere kunst of wetenschap komt het voor ons op die conste 
aan en steeds blijft nog als waar erkend, dat qui proficit in 
artibus sed deficit in moribus plus deficit quam proficit. 

Nu was de levensbeschouwing der volkeren van Europa tot 
op het einde der 18de eeuw vrij wel eenvormig en algemeen 
(catjjoliek). Zij hing te zamen, ten nauwste zamen met het 



380 VEREENIGINGEN VOOR WIJSBEGEERTE. 

Christelijk geloof dat onze geheele maatschappij had door- 
drongen, evenals de samenleving van het Oosten door het 
Mohammedanisme, die van Azië door het Boeddhisme be- 
heerscht werd. 

Na 1800 is daarin evenwel groote verandering gekomen. Toen 
zijn velen van de leer der vaderen afgeweken, omdat de daar- 
mee onafscheidelijk samenhangende levensbeschouwing hun niet 
meer voldeed; anderen trachten zoo goed en zoo kwaad als 
het ging de oude leer met de nieuwere denkbeelden te verzoe- 
nen; een derde groep eindelijk predikte volstrekte onzijdigheid 
en meende het wel zonder beginselen te kunnen stellen, door 
hen meestal smalend dogmata genoemd. 

De laatst gemelde groep kreeg aanvankelijk de leiding in 
handen. Deze richting, in Holland de „vrijzinnige" genoemd, 
kende aan iedere meening „als zoodanig" gelijke waarde toe, 
liet ieder denken zooals hij verkoos, en voerde langs dezen 
weg tot een grenzenlooze laatdunkendheid, zelfgenoegzaamheid 
en bandeloosheid op het gebied der gedachte zoowel als in de 
republiek der letteren. 

De gevolgen daarvan bleven niet uit, — de reeks der ge- 
beurtenissen schaart zich altijd onherroepelijk en noodwendig 
naast de reeks der ideeën, zooals Spinoza leert — en deze 
gevolgen schenen velen in den lande zoo onheilspellend voor 
het huiselijk en maatschappelijk, voor het gemoeds-,gezins-en 
staatsieven, dat de volksmeening het laten-varen, varen liet 
en omzag naar een nieuwen maar bepaalden koers. 

Een gedeelte der vrijzinnigen keerde twijfelsmoede tot de 
leer der vaderen terug; een ander gedeelte echter, vastbesloten 
de oude wereldbeschouwing prijs te geven ziet thans ver- 
langend naar nieuwe beginselen uit, om de oude te vervangen. 
Doch, eenmaal ingezien hebbende, hoe onberaden, vruchteloos 
en noodlottig het is, in deze zaak van gewicht bij Jan en 
Alleman ter schole te gaan, (psychologie b.v. te studeeren in 
Fransche romans en levenswijsheid bij Jan Steen en dergelijke) 
slaat men thans den weg in dien men gewoon is op elk ander 
gebied te volgen, en wenscht men kennis te maken met de 
denkbeelden van hen die op dit gebied hebben uitgemunt of 
nog uitmunten, waarmede hier natuurlijk de wijsgeeren worden 
bedoeld. 



VEREENIGINGEN VOOR WIJSBEGEERTE. 381 

De zoogenaamde onzijdigheid is zelfbedrog gebleken. Een 
verstandig mensch, hij moge handelen op gezag van een ander 
in wien hij vertrouwen stelt, dan wel krachtens zelf gevormde 
overtuiging — gaat naar beginselen te werk, leeft niet op goed 
geluk of op hoop van zegen. 

De la doctrine il en faut, heeft Ds. Chavannes eens gezegd 
en dat woord is waar gebleken. Maar daarbij herinnere men 
zich tevens, dat pour savoir quelque chose il faut l'avoirappris; 
en daarvoor is het dat de Vereenigingen voor Wijsbegeerte de 
gelegenheid willen openstellen. 

Zij willen leerstoelen voor Hooger Volksonderwijs zijn. En 
als wij nu soms jaren studeeren voor ons maatschappelijk be- 
roep, ja wellicht jaren levens wijden aan een of andere lief- 
hebberij of spel, zouden er dan niet enkele uren kunnen 
overschieten voor de studie der Wijsbegeerte die ons de 
Wellevensconste leeren kan? 

Uit het voorgaande volgt onmiddellijk dat een Vereeniging 
voor Wijsbegeerte voor zeer verschillende geesten van belang 
kan zijn en nuttig werken kan. 

De rechtgeloovige heeft in den strikten zin van het woord 
aan haar geen behoefte. Toch treft men ook onder hen wien 
op bovennatuurlijke wijze de waarheid is geopenbaard, nog 
altijd velen aan, die er naar streven om datgeen wat zij ge- 
looven wijsgeerig te kunnen rechtvaardigen, evenals dit de 
Gnostiek deed in den ouden tijd, de Scholastieken in de 
Middeneeuwen, de moderne theologie in de tweede helft der 
vorige eeuw en in onzen tijd zelfs verscheidene orthodoxen. 
Ook voor hen heeft zulk een Vereeniging dus zekere beteekenis 
en waarde. 

Maar bovenal moet hij voldoen aan het verlangen van 
hen, wien het alleen om redelijke overtuiging te doen is, 
van dezulken die Dr. Kuiper „heidengenooten" of paganisten 
zou noemen. 

Van welke ontwikkeling hun kennis op ander gebied ook 
zij, hoe breed ook of bekrompen, zonder onderscheid moeten 
zij zich vrienden der wijsbegeerte betoonen; immers, geen 
kennis is zoo uitgebreid dat zij bevrediging kan schenken 
bij gemis aan levenswijsheid, geen ontwikkeling zoo gering, 



382 VEREENIGINGEN VOOR WIJSBEGEERTE. 

dat zij het stellen kan zonder de wetenschap des levens. 

Met het oog op deze groote verscheidenheid van geesten 
zal dus aan de Vereenigingen voor Wijsbegeerte de hooge 
eisch moeten w^orden gesteld , te spreken in algemeen verstaan- 
bare bewoordingen en met zorgvuldige vermijding van alle 
kunstwoorden ; en zal zij, kan het zijn, de gouden appelen der 
wijsheid hebben aan te bieden in de zilveren schalen der wel- 
sprekendheid ; juist omdat zij krachtens haar algemeen men- 
schelijk beginsel en doel, evenals Johannes de Deo niemand 

mag uitsluiten noch uitsluit, dan die zich zelven uitsluit 

omdat hij alles weet, omdat hij 't alleen weet. 

Ligt dit nu in den aard der Vereeniging dan laat zich verder 
gemakkelijk begrijpen waarover zij ons hoofdzakelijk hebben 
in te lichten. Zij moet trachten ons den aard der dingen om 
ons heen en den aard onzer kennis daarvan duidelijk te maken, 
om vervolgens door te dringen tot de kennis van ons eigen 
bewustzijn, terwijl aan het antwoord op deze leerstellige (theoreti- 
sche) vraagstukken dan ten slotte de beginselen moeten worden 
ontleend die ons zullen leiden tot de waardeeringsleer of toe- 
gepaste wijsbegeerte, welke ons de waarde der dingen en der 
begrippen doet kennen en zich splitst in Levensleer en Gevoels- 
leer, (Ethiek en Aesthetiek), waaronder 's menschen geheele 
maatschappelijk en gemoedsleven te begrijpen valt. 

Aan een dergelijke Wereldbeschouwing en Levensrichting is 
thans in Nederland behoefte. 

Ons land is nimmer een wijsgeerig land geweest. Integendeel. 
Al is op onzen bodem toevallig de nieuwere wijsbegeerte ont- 
kiemd, dit is alleen te danken geweest aan een bijkomstige 
omstandigheid, de gewetensvrijheid namelijk die onder Frederik 
Hendrik en Joan de Witt hier te lande geheerscht heeft en 
destijds nergens ter wereld dan alleen hier was te vinden; 
geenszins aan het vriendschappelijk onthaal dat haar door ons 
volk werd bereid. Zoolang de kerk oppermachtig of beter gezegd : 
het geloof overheerschend was, had men de wijsbegeerte niet 
van noode; versmaadde, wantrouwde en veroordeelde men haar 
veeleer (zie Col. 2 vs. 8). 

Maar Nederland is tevens altijd een ernstig land geweest. Dat 
bewijzen de heldendaden van den 80 jarigen krijg, dat bewijzen de 



VEREENIGINGEN VOOR WIJSBEGEERTE. 383 

getuigenissen der geloovigen in onze martelaarsboeken opgetee- 
kend. En daarom, nu de kerk blijkbaar niet aller leidsvrouw 
meer kan zijn, daarom wendt zich de volksgeest thans met 
aandrang tot de philosophie. 

Of wij het willen erkennen of niet, wij staan voor de anti- 
these. Aanvaarden wij haar! 

W. Meijer. 



Vereeniging voor Wijsbegeerte te 's-Qravenhage. 

In den afgeloopen winter zijn de volgende spreekbeurten 
gehouden : 

14 Maart, Dr. C. J. Wijnaendts Francken: David Hume. 

21 Maart, Dr. J. D. Bierens de Haan: De eenheid des Geestes 
in het moreel, aesthetisch en religieus bewustzijn. 

4 April, Dr. W. G. C. Bijvanck: De vernieuwing van het 
Geestesleven naar aanleiding eener passage van Goethe's Faust. 



ONTVANGEN BOEKEN. 



Dr. C. J. Wijnaendts Francken: David Hume (Haarlem H. D. 
Tjeenk Willink en Zoon). 

Dr. C. J. Wijnaendts Francken: 'Sociale Vertoogen (Ibid). 

H. van Treslong: Civitas. Een inleiding tot Philosophie der 
gemeenschap II Dln. (Rotterdam). 

Dr. Harald Höffding: Lehrbuch der Geschichte d. neueren 
Philosophie (Leipzig Reisland). 

Dr. Louis A. Baehler: Het Christendom (Uitgeversvereeniging 
Vrede , 's Gravenhage). 

C. S. Adama van Scheltema : Levende Steden 3 Dln. Amsterdam, 
een wijsgeerig leerdicht. Londen, een dramatisch gedicht. Dus- 
seldorp of de ontmoetingen van Petrus Cordatus, een satirisch 
dramatisch gedicht, (Rotterdam, Brusse). 

Max Stirner: de Eenige en z'n Eigendom, vertaald in het 
Nederlandsch (Antv^erpen, Keersouwken). 

A. J. de Sopper: David Hume's Kenleer en Ethiek. Eerste, 
inleidend deel. Van Bacon tot Hume. Academisch Proefschrift 
(Leiden, A. W. Sijthoff's Uitg. Mü.) 

Dr. W. Koster: Kant's Noumenale Wereld en de zinnelijke 
waarnemingen (Haarlem, Tjeenk Willink en Zoon). 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

DOOR 

Dr. Ph. KOHNSTAMM. 



§ 1. Men moge het betreuren of zich er in verblijden, 
men moge het bejammeren als een kenmerk van stumperig 
epigonendom , of het verheerlijken als het beste bev^^ijs van 
wetenschappelijke nauwgezetheid, het feit zelve laat zich 
niet ontkennen , dat in de wijsgeerige belangstelling van 
onzen tijd de vraag naar de methode der wijsbegeerte en 
van haar onderdeden op den voorgrond staat. En wij 
kunnen er bij voegen: in afzienbaren tijd zal blijven staan. 
Men behoeft niet tot de onvoorwaardelijke bewonderaars te 
behooren, om dit laatste zelfs te wenschen. Wie, zooals 
de schrijver dezer regels, in de wijsbegeerte een wetenschap 
ziet, en een wetenschap, wier resultaten niet minder zeker 
en algemeen geldig behooren te zijn dan die van welke 
„positieve" wetenschap ook, die kan niet wenschen, dat 
een vraagstuk, eenmaal aan de orde gesteld, weder uit de 
discussie verdwijne, zonder dat althans in hoofdtrekken 
daaromtrent eenstemmigheid zij verkregen. En van die een- 
stemmigheid zijn wij , ondanks alle scherpzinnigheid , die 
er aan besteed is, op dit punt nog ver verwijderd. Die 
omstandigheid moge het rechtvaardigen , — ook voor 
hem, die niet met mij van oordeel is, dat, althans in de 

25 



386 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

philosophie, de opvatting omtrent de methode, veelal de 
uitkomsten beheerscht, — dat evenals een vorig opstel/) 
ook de volgende bladzijden zich bezighouden met een 
vraagpunt van methodiek: het verschil tusschen logica en 
psychologie. Er is wellicht geen ander vraagstuk te noemen, 
waaromtrent de meeningen zoo diametraal tegenover elkaar 
staan. Hooren wij de meening der zoogenaamde „psycholo- 
gisten", dan kan er niet de minste twijfel bestaan of de 
logica is een deel der psychologie, dat dus ook op de 
wijze der psychologie, d.w. z. als een natuurwetenschap 
moet behandeld worden. Zoo lezen wij bij Mill: „De logica 
is niet een wetenschap, onderscheiden van en op een lijn 
staande met psychologie. Voor zoover zij een wetenschap 
is, is zij een deel of tak der psychologie, daarvan ver- 
schillende eensdeels, zooals een deel verschilt van het 
geheel , anderdeels ook , zooals een kunst (of kunde) van 
een wetenschap. De theoretische grondslagen der logica zijn 
geheel ontleend aan de psychologie, en zij behelzen zoo 
veel van die wetenschap als noodig is om de regels der 
kunst te rechtvaardigen." ^) 

In overeenstemming daarmede lezen wij bij Lipps: „De 
logica is een psychologische wetenschap, zoo zeker als 
kennis verwerven alleen in een psyche mogelijk is, en het 
denken , dat zich daarin voltooit een psychisch gebeuren is. ^) 



1) Dit Tijdschrift p. 24. 

2) Logic is not a science, distinct from and coordinate witli, Psychoiogy. 
So far as it is a science at all, it is a part, or branch of Psychoiogy, differing 
form it, on the one hand as a part differs from the whole, and on the other, 
as an Art differs from a Science. lts theoretic grounds are wholly borrowed 
from Psychoiogy, and include as much ot that science, as is required to 
justify the rules of the art. (An examination of Sir W. Hamilton's Philo- 
sophy p. 388.) 

3) Die Logilc ist eine psychologische Disziplin, so gewiss das Erkennen 
nur in der Psyche vorkommt, und das Denken, das in ihm sich vollendet, ein 
psychisches Geschehen ist. (Grundzüge der Logik p. 1.) 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 387 

Aan den anderen kant lezen wij bij Windelband: „Het is 
een levensvraag voor de logica als philosophische weten- 
schap, haar scherp af te scheiden van dit psychologisme. 
Maar al wordt ook door velen levendig gevoeld en uit- 
gesproken hoe noodzakelijk zulk een principieele scheiding 
van logica en psychologie is, toch mogen wij allerminst 
beweren , dat tot nu toe die scheiding op een volkomen 
afdoende wijze zou zijn voltrokken." ^) 

En, nog wel op grond van experimenteel-psychologische 
onderzoekingen, komt Marbe tot de conclusie: „De logica, 
die tegenwoordig op veel punten niets anders is dan een 
psychologie van het oordeel , zonder methode beoefend , zal 
in de toekomst zoo onpsychologisch mogelijk moeten be- 
handeld worden." ^) 

§ 2. Het ligt niet in mijn bedoeling in de volgende blad- 
zijden een volledig overzicht over den stand der quaestie 
te geven. In aanmerking genomen de uitgebreide literatuur 
zou zulk een overzicht vermoeiend , en , naar het mij voor- 
komt, weinig vruchtbaar zijn. De lezers van dit Tijdschrift 
zullen, naar ik hoop, beter gediend zijn door een samen- 
vattende uiteenzetting van de bezwaren tegen het psycholo- 
gisme, die mijn onderzoek mij heeft leeren kennen, dan 
met een opsomming van al de invloeden , die gedurende dat 
onderzoek op mij gewerkt hebben. Slechts voor den naam 
van Husserl's „Logische Untersuchungen" en van Meinong's 



k 1) Die feste Abgrenzung gegen diesen Psychologismus ist eine Lebensfrage 
für die Logilc als pliilosopliisclie Disziplin. Aber so lebhaft von vielen Seiten 
dies Bedürfnis nach einer principiellen Scheidung von Logik und Psychologie 
empfunden und ausgesprochen wird, so wenig dürfen wir heute behaupten, 
dass es in einer volikommen gentigenden Form erfüllt worden wSre. (Fest- 
schrift f. Kuno Fischer p. 170.) 

2) Die Logik, die gegenwSrtig in vielen Stücken nichts anderes als eine 
unmethodische Psychologie des Urteils ist, wird sich daher künftig so unpsy- 
chologisch als möglich zu gestalten haben. (Experimenteü-psychologische 
Untersuchungen über das Urteil p. 98.) 



3B8 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

werken over „Gegenstandstheorie" wil ik een uitzondering 
maken, om het vele, dat ik daaruit geleerd heb. 

Het valt mij te gemakkelijker mij aan het aldus afge- 
bakende plan te houden, omdat ik bij de ontvouwing van 
de redenen, die mij noodzaken de psychologistische op- 
vatting der logica te verwerpen, mij kan houden aan een 
uiteenzetting van die theorie, die door voor- en tegen- 
standers om strijd geroemd wordt om haar helderheid, 
scherpzinnigheid en consequentie, een uiteenzetting boven- 
dien, die ik bij de meeste lezers van dit Tijdschrift als 
■ bekend mag_ onderstellen , omdat zij neergelegd is in een 
van de weinige door een Nederlander geschreven werken 
over wijsbegeerte , die zich ver buiten onze grenzen een 
groote bekendheid hebben verworven. Ik bedoel natuurlijk 
Heymans' : Die Gesetze und Elemente des wissenschaftlichen 
Denkens. 

Het zijn voornamelijk drie punten, die mij belangrijk 
schijnen voor de karakterizeering van Heymans' opvatting 
van de kennisleer:^) 1" zijn meening over het object der 
logica, 2*^ zijn opvatting over haar natuurwetenschappelijke 
methode, speciaal den aard der wetten, die zij geeft, en 
3" zijn ontkenning van het waardemetende en waarde- 
beoordeelende karakter der logica. Ik zal bij elk dier punten 
dienen stil te staan. 

§ 3. Wat het object der logica is, vinden wij met alle 
scherpte bij Heymans uiteengezet: „De wetenschap be- 
schouwen wij uitsluitend als een complex van psychische* 
verschijnselen van een bepaalde soort, die wij eerst in ons 



1) Ik gebruik in het volgende de woorden logica en kennisleer (Erkenntnis- 
theorie) zonder vaste afgrenzing van elkaar, daarin het spraakgebruik volgende. 
Het moge voor sommige doeleinden wenschelijk zijn, tusschen beide een 
scheiding te maken, en vol te houden, zeker is het, dat zulk een scheiding nog 
nooit met afdoende scherpte is getrokken, laat staan als zoodanig algemeen 
zou worden erkend. 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 389 

zelf waarnemen, en naar analogie daarvan ook bij anderen 
veronderstellen. Weliswaar kunnen wij in zekeren zin ook 
de leerboeken der wetenschap , zoowel als de geschriften der 
ontdekkers en onderzoekers als verzamelingen van rhateriaal 
beschouwen, in dien zin n.1. dat zij in ons de voorstellingen 
en voorstellingsverbindingen te voorschijn roepen, welke 
het eigenlijke voorwerp van ons onderzoek vormen. Maar 
in elk geval zijn zeker niet de geschreven of gesproken 
woorden en zinnen, maar alleen de denkverschijnselen, welke 
associatief daarmede verbonden zijn, de objecten voor de 
kennistheorie." ^) 

En verder: „Als wij beproeven ons over den aard van 
ons materiaal van onderzoek wat nader te orienteeren, dan 
vinden wij gemakkelijk, dat dit uitsluitend uit oordeelen 
bestaat. Een oordeel toch noemen wij een denkverschijnsel, 
waarin de eene of andere voorstellingsverbinding als waar 
gesteld wordt. In zulke oordeelen nu beweegt zich het 
geheele wetenschappelijke denken, van de eenvoudigste 
constateering van een waarneming af tot de meest abstracte 
formule, of een de wereld omspannende theorie. Deze 
oordeelen vormen dus het eigenlijke voorwerp van ons 
onderzoek; het ontstaan der oordeelen in het bewustzijn te 
verklaren is de taak der kennistheorie." ^) 



1) Jene Wissenschaft aber betrachten wir ausschliesslich als einen Complex 
psyciiischer Erscheinungen bestimmter Art, welche wir zunachst in uns selbst 
wahrnehmen, und nach Analogie auch bei Anderen vermuthen. Alierdings 
l<önnen wir in einen bestimmten Sinne auch die Lehrbücher der Wissenschaft so- 
wie die Schriften der Entdecker und Forscher als Materiaisamnilungen bezeichnen: 
in dem Sinne namlich, dass dieselben in uns die Vorstellungen und Vorstellungs- 
verbindungen hervorrufen, welche den eigentlichen Qege»stand unserer Unter- 
suchung bilden. Jedenfalis sind aber nicht die geschriebenen odergesprochenen 
Worte und Satze, sondern ni^ die Denkerscheinungen welche associativ mit 
denselben verbunden sind, die Objecte der Erkénntnisstheorie. (p. 27). 

2) Wenn wir versuchen, uns über die Natur unseres Forschungsmaterials 
voriaufig etwas naher zu orientieren, so finden wir leicht dass dasselbe 
ausschliesslich aus Urtheilen besteht. Urtheil aber nennen wir eine Denker- 



39Ó PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

Ik voeg hier nog een derde, m. i. zeer karakteristieke 
plaats aan toe. Bij de bestrijding van een te duchten tegen- 
werping over het verschil van samengestelde en enkelvoudige 
oordeelen, die voor ons doel verder niet van belang is, 
lezen wij : „Maar wie zoo zou spreken , zou vergeten , dat 
wij de oordeelen niet als een objectief buiten ons bestaand 
iets, maar als individueele psychische verschijnselen zouden 
beschouwen. Wij hebben het in de theorie der kennis uit- 
sluitend met zulke individueel psychische feiten te doen. Uit 
deze individueel psychische feiten hopen wij — en wij mogen 
dit naar het voorafgaande hopen — algemeen menschelijke 
wetten en oorzaken van de vorming der oordeelen te leeren 
kennen." ^) 

Er behoeft, dunkt mij, ook voor hem, die Heymans' boek 
niet kent, nauwelijks iets toegevoegd te worden ter ver- 
duidelijking. Het object van de logica zijn zekere bewust- 
zijnsverschijnselen , juist zooals toorn, honger of leedvermaak 
bewustzijnsverschijnselen zijn. Van de laatste onderscheiden 
zich die bewustzijnsverschijnselen, die het object der logica 
uitmaken, alleen daardoor, dat ze gepaard gaan met zeker 
„overtuigingsgevoel",, gevoel van „overtuigd te zijn van de 
waarheid van een voorstelling of voorstellings-verbinding". 



scheinung in welcher irgend eine Vorstellung oder Vorstellungsverbindung als 
wahr gesetzt wird. In solchen Urteilen bewegt sich nun das ganze wissen- 
schaftliche Denken, vom einfachsten Wahrnehmungssatz an bis zur abstrac- 
testen Formel und bis zur weltumfassenden Theorie. Diese Urtlieile bilden 
demnach den eigentiichen Gegenstand unserer Untersuciiung; die Entstehung 
der Urtheile im Bewusstsein zu erklSren, ist die Aufgabe der Erkenntniss- 
theorie. (p. 28.) 

1) Wer aber so sprache, würde vergessen dass wir die Urtheile nicht als 
ein objectiv ausser uns Exstirendes, sondern als individuell-psychische Er- 

scheinungen zu betrachten uns vorgenommeir haben Wir haben es nun 

in der Erkenntnisstheorie ausschliesslich mit solchen individuell-psychischen 
Thatsachen zu thun ; aus diesen individuell-psychischen Thatsachen hoffen 
wir, und dürfen wir nach dem Vorhergehenden hoffen, allgemeinmenschliche 
Gesetze und Ursachen der Urtheilsbildung kennen zu lernen. (p. 32.) 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 391 

Waarin dit overtuigingsgevoel nader bestaat, wordt niet 
onderzocht, en ïk voeg er aan toe, het behoeft oolc m. i. niet 
nader onderzocht te worden. Voor de algemeene psychologie 
moge het een vraag zijn , uit te maken of dit gevoel zich 
terug laat brengen tot andere, meer elementaire, bewustzijns- 
processen, de logica, nu genomen in den zin der psycho- 
logisten, als deel der psychologie, heeft volkomen het recht 
zich te bepalen tot een groep van verschijnselen, die zij 
weliswaar niet met abstracte begrippen kan omgrenzen , 
maar die zij toch weet, dat in concreto volkomen genoeg- 
zaam bepaald is voor elk, tot wien zij zich wendt. Of 
m. a. w. : het gevoel van „overtuigd zijn", waarom het hier 
gaat, laat zich misschien zoo weinig nader omschrijven als 
het gevoel van „rood zien", maar de psychologist heeft 
volkomen het recht dat gevoel bekend te onderstellen bij 
elk, tot wien hij zich richt. En zoo min als de zooloog 
gehouden is bij den aanvang van zijn uiteenzettingen van 
het begrip „dier" een alleszins afdoende definitie te geven, 
omdat algemeen bekend is, wat hij in hoofdzaak onder dit 
woord verstaat , even zeer mag de psychologist zich beroepen 
op de bekendheid met v^at te verstaan is onder „gevoel van 
overtuigd zijn". 

Het derde citaat, dat ik gaf, legt op dit alles een zeer 
bepaalden klemtoon. Wij hebben ons in de theorie der kennis 
uitsluitend met individueele psychische feiten bezig te houden , 
niet met iets , dat buiten ons bestaat. Nemen wij een voorbeeld. 
In 1824 kwam Carnot, nadenkende over het vermogen van 
een machine tot praestatie van arbeid, tot de overtuiging , dat 
dit vermogen in de eerste plaats afhankelijk moet zijn van 
de temperaturen, waartusschen die machine werkt; in 1842 
kwam J. R. Mayer nadenkende over andere verschijnselen, 
die met ontwikkeling van warmte samenhangen , tot de over- 
tuiging, dat warmte en arbeidsvermogen equivalent zijn. 



392 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

Datgene nu „wat er omging" in Carnot of in Mayer toen 
zij tot de ontdekking kwamen van wat wij thans gewoon 
zijn te noemen de tweede en de eerste hoofdwet der ther- 
modynamica, is het object der logica. Om misverstand te 
voorkomen haast ik mij er bij te voegen: niet in volle 
individualiteit. Zoo goed als iemand weet Heymans, dat 
individuum est ineffabile ^) , en het ligt dus ver van hem te 
willen zeggen , dat deze individueele objecten in al hun 
bijzonderheid voorwerp der logica zouden zijn. Alleen datgene 
wat er algemeen aan is, datgene, waarin zij met hun klasse- 
genooten overeenkomen, is onderwerp eener algemeene 
natuurwetenschap; evenzeer als niet het branden van deze 
bepaalde gloeilamp voorwerp is van de lichts- en electrici- 
teitsleer, maar alleen datgene, waarin dat verschijnsel met 
andere soortgelijke overeenstemt. 

§ 4. Met het voorgaande is eigenlijk reeds beslist over 
het tweede punt, de methode van onderzoek en de aard 
der aldus gevonden uitkomsten. Wie individueel psychische 
verschijnselen in hun overeenkomst met hun klassegenooten 
tot onderwerp van studie kiest, kan zich niet onttrekken aan 
de beantwoording der vraag : Hoe ontstaan die verschijnselen , 
zijn zij veroorzaakt, en van welken aard zijn die oorzaken? 
Ik koos opzettelijk het voorbeeld van Mayer omdat wij 
misschien nergens in de geschiedenis der wetenschap het 
ontstaan van een belangrijke ontdekking zoo nauwkeurig 
kunnen nagaan als hier. Als Hollandsch scheepsarts naar 
Batavia gegaan, deed Mayer daar volgens de therapie 
dier dagen een groot aantal aderlatingen^); het trof hem 
daarbij hoeveel helderder het aderlijk bloed was dan hij in 



1) Versl. Kon. Akad. v. Wet. Afd. Letterk. (4) VIII. p. 188. 

2) Vgl. Riehl, Die Philosophie der Gegenwart. p. 132. 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 393 

Europa pleegde waar te nefiien. Over dit verschijnsel ging 
hij nadenken; de geringere blauwkleuring was het gevolg 
van de geringere stofwisseling in de tropen , en deze ging hij 
nu in verband brengen met de geringere warmteontwikkeling 
in de tropen. Gaat men aan de hand van Mayer's eigen 
mededeelingen de geschiedenis van zijn ontdekking na, dan 
kan men nauwelijks betwijfelen, dat er oorzakelijk verband 
bestaat tusschen Mayer's waarneming van het roode ader- 
lijke bloed en zijn ontdekking van het beginsel van het 
behoud van arbeidsvermogen. 

Misschien zullen indeterministen tegen deze meening op- 
komen. Maar — al ben ik zelf allerminst geneigd het con- 
ventioneele determinisme als het laatste woord der wijsheid 
te beschouwen — de bewering, dat overtuigingen niet ver- 
oorzaakt zouden kunnen zijn, laat zich m. i. niet volhouden. 
Ik kom straks op deze vraag kortelijk terug, een uitvoerige 
bespreking zou natuurlijk verre de ruimte overschrijden , die 
ik er in dit artikel aan kan geven. Evenmin is het mogelijk of 
noodig, in te gaan op de metaphysische vraag , van welken 
aard die oorzaken van overtuigingen, (als bewustzijnsver- 
schijnselen beschouwd), zouden moeten zijn ; of zij bijv. zelve 
noodzakelijk bewustzijnsverschijnselen zouden moeten zijn, 
en dergelijke. Ik constateer eenvoudig het feit, dat in velerlei 
gevallen iedereen, ook degene, die zich nooit opzettelijk 
met wijsgeerige vraagstukken heeft beziggehouden, een 
bepaalde overtuiging beschouwt als ontstaan te zijn ten 
gevolge van, veroorzaakt te zijn door zekere andere ge- 
beurtenissen. 

Welnu, als dit zoo is, dan heeft de wetenschap, die 
zich met die overtuigingen bezig houdt, misschien tot eenige 
taak, maar zeker mede tot taak, dit causale verband nader 
te onderzoeken, en vast te stellen wat de wetten zijn die 
het ontstaan van overtuigingen beheerschen. Die wetten zijn 



394 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

algemeene natuurwetten, of zij daarom op een lijn gesteld 
mogen worden met die der physica of chemie acht ik niet 
uitgemaakt. Maar dit is een vraag, waarop ik weder niet 
behoef in te gaan. 

Juist nu zooals ik het schetste redeneert Heymans, en hij 
komt tot dezelfde resultaten , behalve op het punt van de 
gelijkstelling met de wetten der natuur- of scheikunde, die 
voor hem van zelf sprekend is. Dit blijkt reeds uit het slot 
van een der citaten, die ik gaf: „Het ontstaan van de oor- 
deelen in 't bewustzijn te verklaren is de taak der kennis- 
theorie" ^). Een nadere bevestiging ervan vinden wij op de 
plaatsen, waar Heymans zegt: „Om ons over de methoden, 
welke tot oplossing van deze vraag kunnen leiden, voor- 
loopig te orienteeren kan misschien een korte herinnering 
van nut zijn aan de methoden der scheikunde, welke in 
't algemeen gesproken een dergelijke taak heeft" ^) , en 
waar hij van de kennistheorie zegt, dat: „men haar een 
scheikunde der oordeelen zou kunnen noemen"^); maar 
inzonderheid ook daar, waar Heymans den aard der ge- 
wonnen resultaten beschrijft. „Ons voorgaand onderzoek 
had uitsluitend betrekking op gegeven feiten van het denken. 
Wij hebben getracht deze feiten samen te vatten in empi- 
rische regelmatigheden, dan in algemeenere, op 't laatste 
in algemeenste wetten. Die wetten, die van de contradictie 
en het uitgesloten derde hebben wij als de grondwetten 
leeren kennen, juist in denzelfden zin, waarin bijv. de wet 
van de traagheid en van het parallelogram van krachten de 



1) Zie p. 389. 

2) Um sich über die Methoden, welche zurLösungdieser Aufgabeführen kön- 
nen, vorlaufig zu orientieren, Itaiin vieileiclit eine kurze Erinnerung an die For- 
schungsmetiioden der Chemie, welche im Grossen und Ganzen Shnliche 
Aufgaben zu lösen hat, Etwas leisten (p. 28). 

3) Die Erkenntnisstheorie, welche man eine Chemie der Urtheile nennen 
könnte (p. 30). 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 395 

grondwetten der mechanica zijn. De feitelijk gegeven orga- 
nisatie van het menschelijk denken vindt daarin haar meest 
algemeene en compleete uitdrukking: wij kunnen het men- 
schelijk denken definieeren als een denken naar de wetten der 
contradictie en het uitgesloten derde , zooals wij de mechani- 
sche beweging definieeren kunnen als een beweging naar 
de wetten der traagheid en het parallelogram van krachten." ^) 

§ 5. Over het derde punt, het a-teleologisch karakter 
van een zoodanige logica behoef ik thans nauwelijks meer 
uit te wijden. Zoo min als de physicus, wanneer hij het be- 
ginsel van het behoud van arbeidsvermogen formuleert, er 
aan* denkt aan de warmte een andere , hetzij hoogere of lagere 
waarde toe te kennen dan aan de electrische energie of 
het arbeidsvermogen van plaats, zoo min houdt degene, 
die de oorzaken van het optreden van overtuigingen op- 
zoekt, zich bezig met een teleologisch onderzoek. Het is 
zeker onnoodig daarbij langer stil te staan ; geen der eigen- 
aardigheden der natuurwetenschap heeft sinds een halve 
eeuw zoozeer de belangstelling getrokken, geen is zoo zeer 
gemeengoed geworden van alle wijsgeerige, half en kwart 
wijsgeerige denkers, als juist deze. 

Alleen zij het mij vergund door een citaat aan te toonen , 
dat Heymans dit a-teleogisch karakter ook uitdrukkelijk voor 
zijn logica opeischt. Het bedoelde citaat dat ook het reeds 



1) Die bisherige Untersuchung bezog sich ausschliesslich auf gegebene 
Thatsachen des Denkens, welche sie in empirische, dann in aligemcinere, 
zuletzt in allgemeinste Gesetze zusammenzufassen versuclite. Die Gesetze des 
Widerspruchs und des ausgeschlossenen Dritten haben wir als die Grund- 
gesetze des Denlcens kennen geiernt, in genau demselben Sinne, inwelchem 
etwa die Gesetze der TrSglieit und des Krafteparallelogramms' die Grundge- 
setze der Meclianik sind. Die thatsaclilich gegebene Organisation des menscli- 
iichen Denkens findet in denselben iiiren alJgemeinsten und erscliöpfenden 
Ausdruck: wir können eben das menscliliche Denken definiren als ein Denken 
nacii den Gesetzen des Widersprucfis und des ausgesciilossenen Dritten; 
sowie wir die meciianisciie Bewegung definiren können ais eine Bewegung 
nach den Gesetzen der Tragheit und des Krafteparallelogramms (p. 69). 




396 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

over object en methode der logica gezegde in het scherpste 
licht stelt, is van te meer gewicht om de plaats waar het 
staat: het maakt nl. den aanhef uit van Heymans' boek en 
het programma, dat hij in de eerste paragraaf ervan ont- 
wikkelt. De aanhef luidt als volgt: „Het wetenschappelijke 
denken verschijnt ons gewoonlijk uitsluitend als een object 
van teleologische beschouwing'. Wij beoordeelen het als een 
middel tot bereiking van een bepaald doel , hetzij dat dit 
doel in theoretisch inzicht gezocht worde of in practische 
beheersching van de werkelijkheid. Bij elk stuk weten- 
schappelijk werk stellen wij de vraag: waar of onwaar? 
juist of onjuist? en al naar het antwoord dat wij vinden, 
beslissen wij erover of de aangeboden uitkomsten aangenomen 
of verworpen moeten worden. Maar er is, naast deze tele- 
ologische, ook een zuiver theoretische beschouwing van het 
wetenschappelijk denken mogelijk. Wetenschappelijke over- 
tuigingen zijn bewustzijnsverschijnselen, juist zooals toorn, 
begeerte, smart, een wilsbesluit bewustzijnsverschijnselen 
zijn. Dat wetmatig werkende oorzaken het optreden van 
deze verschijnselen veroorzaken, is van te voren op zijn 
minst genomen zeer waarschijnlijk." ^) En het slot van de 



1) Das wissenschaftliche Denken erscheint uns gewöhnlich ausschliesslich 
als ein Object teleologischer Betrachtung. Wir beurtheilen dasselbe als ein 
Mittel zur Erreichung eines bestimmten Zweckes, — sei es dass dieser Zweck 
in der theoretischen Erkenntniss, oder in der praktischen Beherrschung und 
Nutzbarmachung der gegebenen Wirklichkeit gesucht werde. Bei jedem Stück 
wissenschaftlicher Arbeit erheben wir die Frage, ob wahroderunwahr?richtig 
oder unrichtig? — und je nach der Antwort welche wir finden, entscheiden 
wir darüber, ob die dargebotenen Ergebnisse angenommen oder verworfen 
werden mussen. 

Es ist aber, neben dieser teleologischen, auch eine rein theoretische, auf 
die Erforschung von Ursachen und Gesetzen gerichtete Betrachtung des 
wissenschaftlichen Denkens möglich. Wissenschaftliche Ueberzeugungen 
sind Bewusstseinserscheinungen, genau so wie Zorn, Begierde, Schmerz, 
ein Willensentschluss Bewusstseinserscheinungen sind. Dass gezetzmassig 
wirkende Ursachen das Auftreten dieser Erscheinungen bedingen, ist von 
vornherein mindestens sehr wahrscheinlich (p. 1). 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 397 

paragraaf, waarin het programma van het boek zoo kort 
mogelijk wordt geformuleerd, luidt: „De exacte vaststelling 
en verklaring van de causale betrekkingen, die het optreden 
van overtuigingen in 't bewustzijn beheerschen — een onder- 
zoek, dat alleen door empirische ontleding van het gegeven 
denken kan geschieden — is de taak der kennistheorie." ^) 
§ 6. Ik heb dezen geheelen opzet gegeven, zonder een 
woord van kritiek er tusschen te lasschen, omdat ik er 
prijs op stel den lezer te doordringen van het volmaakt 
logische van den gedachtengang, van de afwezigheid van 
alle willekeur bij de ontwikkeling. De geheele theorie is 
opgetrokken uit één stuk, en alle lof komt toe aan de 
helderheid, waarmede zij is ontwikkeld. Het meest treft mij 
die consequentie in § 12, waar aangegeven wordt, welke 
practische wetenschap zich op deze theoretische logica laat 
opbouwen. Wij lezen daar: „Naast de theoretische kennisleer 
staat een practische wetenschap, die handelt over de middelen, 
waardoor men overtuigingen tot stand kan brengen, een 
methodologie. Het feit, dat het bezit van vaste en heldere 
overtuigingen ons begeerlijk schijnt, het feit van den „drang 
naar kennis", voert noodzakelijk tot de vraag welke middelen 
men moet aanwenden om het doel te bereiken of te naderen , 
dus tot den eisch van een kunstleer van het denken." En 
verder: „Het doel van het denken is de vastheid van zijn 
resultaten; men moet dus het bewustzijn zulke voorstellingen 
geven , welke die zekerheid doen ontstaan ; maar van welken 
aard die voorstellingen moeten zijn om vastheid van over- 
tuiging te geven , dat kan slechts de theorie leeren." ^) 

1) Die exacte, durch empirische Untersuchung des gegebenen Denkens zu 
ermittelnde Feststellung und Eritlarung der causalen Beziehungen, welche das 
Auftreten von Ueberzeugungen im Bewusstsein bedingen, ist die Aufgabe der 
Erkenntnisstheorie (p. 3). 

2) Der theoretischen Erkenntnisslehre stellt sich eine praktische Wissen- 
schaft von den Mittein durch welche Ueberzeugungen zu Stande gebracht werden 



398 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

Inderdaad, dit is volkomen consequent. Op grond van 
een wétenschap, die opzetteiijic de vraag: waar of onwaar? 
ter zijde stelt voor deze andere: hoe komt overtuiging als 
individueel bewustzijnsverschijnsel tot stand? laat zich geen 
andere practische, technische, wetenschap opbouwen, dan 
eene, die de vraag beantwoordt: Hoe moet ik doen om 
vaste overtuigingen te wekken? Het beantwoorden van de 
vraag: Hoe moet ik doen om tot waarheid te komen? 
ligt geheel buiten haar gezichtskring. Tenzij men zich vleie 
met de hoop, dat het alleen ware oordeelen zijn, die in 
staat zijn dat gevoel van zekerheid , van subjectief over- 
tuigd zijn, te geven. Maar het droevig verhaal van Troje's 
ondergang heeft ons reeds op de schoolbanken het tegen- 
deel geleerd, en het: mundus vult decipi, bewijst, dat het 
niet alleen Trojanen zijn , bij wie de waarschuwingen van 
een Kassandra onmachtig zijn overtuigingen te wekken. En 
aan den anderen kant zien wij maar al te dikwijls, hetzij 
„zekere Juni-gebeurtenissen in 't zicht zijn", hetzij het geldt 
Holloway-pillen of Mindrinetti-aandeelen aan de markt te 
brengen, tastbare onwaarheden muurvaste overtuigingen 
wekken. 

Maar is het nu, naast consequent, ook houdbaar, een 
wetenschap voor logica uit te geven, die niet door den 
wetenschappelijken onderzoeker, maar veeleer door den 
demagoog en den oplichter met het meeste succes wordt 
in praktijk gebracht? Heeft niet, zoolang als er een logica 

können, eine Methodologie, an die Seite. Die Thatsache dass der Besitz 
fester und klarer Ueberzeugungen uns begehrenswerth erscheint, die That- 
sache des „Erkenntnisstriebes" führt nothwendig zurFrage, weiche Mittel 
angewandt werden mussen um das Ziel desselben zu erreichen oder doch 
demselben naher zu kommen: also zur Forderung einer Kunstlehre des 

Denkens Das Ziel des Denkens ist die Gewissheit seiner Ergebnisse; es 

mussen also dem Bewusstsein Vorsteliungen beigebracht werden weiche diese 
Gewissheit erzeugen; wie aber die Vorsteliungen beschaffen sein mussen um 
Gewissheit zu erzeugen, das kann nur die Theorie lehren (p. 37). 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 399 

bestaat, naast haar een rhetorica bestaan, die zich juist 
dat ten doel stelt, wat hier der logica als haar eigenst ter- 
rein wordt toegewezen : de vraag nl. : Hoe komt overtuiging 
als individueel bewustzijnsverschijnsel tot stand, en hoe 
moet ik doen om dit tot stand komen te verzekeren? En 
geldt niet ook hier Kant's woord : „Die Grenzen der Wissen- 
schaften verwischen heisst sie verunstalten , nicht sie ver- 
mehren"? 

Inderdaad, aan de vruchten kent men den boom, en 
naar het mij voorkomt bewijst niets duidelijker dan deze 
practische logica, de eenige, ik herhaal het, die zich op 
den grondslag eener psychologistische logica laat opbouwen, 
dat de laatste slechts in schijn den naam gemeen heeft 
met de wetenschap , van ouds met logica bedoeld ^). 

§ 7. Er moet dus een fout zijn in het zoo helder en 
consequent opgezette betoog, en het kan niet twijfelachtig 
zijn, waar die is te zoeken. Reeds in den wortel schuilt 
het kwaad, reeds bij den uitgang dwaalden wij. Keeren wij 
daarheen terug, en zoeken wij opnieuw onzen weg. 

Laat het zich inderdaad volhouden , dat bewustzijnsver- 
schijnselen het object der logica zijn? Zijn het bewustzijns- 
verschijnselen , die te samen de wetenschap uitmaken? 
Zeker, wetenschappelijke overtuigingen zijn bewustzijns- 
verschijnselen, evenals toorn, begeerte of de gewaarwor- 
ding van rood; maar de eerste hebben bovendien een be- 
teekenis, zij drukken iets uit; en datgene, wat er door 
uitgedrukt wordt , bestaat op een geheel andere wijze dan 
een b.ewustzijnstoestand, het is geheel onafhankelijk van 
het bestaan van eenig bewust wezen. Wanneer ik oordeel, 



1) Men spreekt graag met zekere geringschatting van terminologische vragen, 
en inderdaad, zij zijn niet de belangrijkste. Maar toch: gaat het wel aan een 
wetenschap kennisleer te noemen, die principieel en opzettelijk, afziet en 
voor haar doel moet afzien van het verschil tusschen kennis en onkunde? 



400 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

dat het standbeeld van Rembrandt te Amsterdam zich tegen- 
over Café Mille Colonnes bevindt, dan beleef ik een be- 
wustzijnstoestand, die als zoodanig deel uitmaakt van mijn 
individueel leven, maar dat dat standbeeld zich daar be- 
vindt, gaat uit boven mijn individualiteit, mijn subjectivi- 
teit, riet oordeel heeft betrekking op iets buiten mij , het 
bezit objectiviteit. Dit kan niet gezegd worden van den 
toorn, dien ik voel opkomen als een straatjongen mij met 
modder gooit, of het genot, dat ik heb van een glas 
goeden Bourgogne. Die zielstoestanden zouden er geen van 
alle zijn, als ik er niet was, en dit geldt natuurlijk ook 
van het oordeel, dat ik vel, maar het laatste staat boven- 
dien in betrekking tot een werkelijkheid , die blijft gelden 
geheel onafhankelijk van mijn individueel bestaan. 

§ 8. Wie dat ingezien heeft, kan onmogelijk meer zeggen, 
dat de wetenschap uit bewustzijnstoestanden bestaat. Nemen 
wij een voorbeeld, en denken wij ons een leeraar, die aan 
zijn klasse de stelling van Pythagoras uitlegt. Wij mogen 
aannemen, dat zich in korten tijd bij al zijn hoorders de 
overtuiging ontwikkelt, dat in een rechthoekigen driehoek 
het kwadraat der schuine zijde gelijk is aan de som der 
kwadraten der rechthoekszijden. Gaat het nu aan te zeggen, 
dat het deze — zeg 27 — overtuigingen zijn, de bewust- 
zijnstoestanden van de 26 leerlingen en den leeraar, wan- 
neer zij aan deze stelling denken, dat het deze bewust- 
zijnstoestanden zijn en vele dergelijke meer, die te samen 
de wiskunde uitmaken? De vraag stellen, is haar ont- 
kennend beantwoorden. Datgene, wat als stelling van Py- 
thagoras deel uitmaakt van de wiskunde bestaat niet 27 of 
meer malen op verschillende plaatsen en gedurende ver- 
schillende tijden , het is niet een aantal overtuigingen , be- 
wustzijnstoestanden. Die bewustzijnstoestanden, die over- 
tuigingen, zijn realiteiten, zij maken deel uit van de wer- 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 401 

kelijkheid , de werkelijk bestaande wereld , en wel zijn zij 
een psychische realiteit, maar van de stelling van Pytha- 
goras te zeggen, dat zij iets psychischs is, is even onjuist 
als te zeggen , dat zij iets physischs is. Zij bezit in 't ge- 
heel geen realiteit, maar idealiteit; zij behoort niet thuis 
in de sfeer der reëele dingen. Wie dat ingezien heeft, is 
het naturalisme in beginsel reeds te boven gekomen; hij 
ziet in, dat het niet aangaat te beweren, dat wij ons al- 
leen te bekommeren hebben om het vergankelijke en ver- 
anderlijke. Immers deze meening, als een overtuiging, die 
aanspraak maakt op waarheid, op geldigheid, wijst zelf 
reeds heen naar een sfeer van idealiteit , die boven de 
reëel bestaande dingen uitgaat. 

Dat nu elke waarheid, elke stelling, in welke wetenschap 
ook, aanspraak maakt op zulk een ideaal bestaan, is duidelijk. 
Immers van elke stelling geldt, dat zij als eenheid bestaat, 
niet even veelvuldig als er onderzoekers zijn , of in 't alge- 
meen menschen, die zich van haar bewust worden. Dat 
het tot volkomen ongerijmde conclusies leidt, dit anders op 
te vatten, blijkt verder, zoodra wij denken aan afwijkende 
overtuigingen. Het is zeer goed mogelijk, dat een der leer- 
lingen, met een half oor luisterende, het bewijs verkeerd 
begrijpt, en tot de overtuiging komt, dat het kwadraat der 
schuine zijde gelijk is aan het produkt der beide rechthoek- 
zijden. Deze afwijkende overtuiging heeft precies evenveel 
realiteit, zij bestaat precies even goed als de andere meening, 
en ware de logica een natuurwetenschap, een wetenschap, 
die op het werkelijk bestaande is gericht, dan zou die 
afwijkende overtuiging voor haar juist dezelfde beteekenis 
moeten hebben als de normale. Voor de psychologie, dat 
deel der natuurwetenschap , dat op de psychische werkelijk- 
heid zich richt, heeft dan ook inderdaad zulk een afwijkende 
meenig juist evenveel beteekenis, ja onder bepaalde om- 

26 



402 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

standigheden veel meer belang dan de normale. De psy- 
choloog moet het ontstaan der afwijkende meening even 
goed kunnen verklaren als dat der normale, en in sommige 
gevallen, speciaal psychopathologische, zal juist de af- 
wijkende meening alle aandacht op zich concentreeren. Zoo 
zal ook voor den leeraar, als hij zich verdiept in psycholo- 
gische vragen, het feit, dat juist die jongen tot juist die 
afwijkende meening kwam, van veel meer belang zijn, dan 
dat de anderen tot het andere inzicht kwamen. Maar voor 
de logica, zoowel als voor de wiskunde zelf, bestaat die 
afwijkende overtuiging in 't geheel niet, eenvoudig daarom, 
omdat noch afwijkende , noch normale overtuigingen voor 
haar bestaan. De wiskunde bestaat niet uit overtuigingen, 
maar uit stellingen, waarheden, die een geheel ander bestaan 
leiden dan overtuigingen , en de logica gaat na welk verband 
er bestaat in dit geheel van waarheden. 

§ 9. Het spreekt vanzelf, dat het hier niet de plaats is, 
nader na te gaan, welke de taak is, die zij daardoor op 
zich neemt én tegenover de wetenschap in 't algemeen, én 
tegenover elke bijzondere wetenschap. Hier dien ik mij te 
beperken tot de psychologistische theorie, en dan dien ik 
er nog op te wijzen, dat wanneer de stellingen, waaruit 
een wetenschap is opgebouwd, realiteiten, en wel psychische 
realiteiten van bepaalden aard, overtuigingen, waren, die 
stellingen ook een eindig bestaan moesten hebben als alle 
realiteiten. Laat het zich nu inderdaad verdedigen, dat de 
stelling van Pythagoras ontstaat en vergaat zooals een be- 
wustzijnstoestand. Zeker, het inzicht in die stelling was, 
wanneer wij de traditie mogen gelooven, vóór Pythagoras 
niet aanwezig, en het kost ons volstrekt geen moeite aan 
te nemen, dat er een tijd zal komen, waarop onze aarde 
in den toestand van de maan zal komen, en alle psychisch 
leven er zal zijn uitgebluscht. Maar dit beteekent toch niet. 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 403 

dat daardoor de stelling van Pythagoras zal opgehouden 
hebben te gelden. Een stelling is waar, en dan geldt zij 
voor alle tijden, of zij is onwaar, en dan geldt zij nooit. 
Het is mij natuurlijk niet onbekend, dat onder den invloed 
der heerschende positivistische strooming tegenwoordig vele 
natuuronderzoekers zijn gaan twijfelen aan de eeuwige, d.i. 
ontijdelijke geldigheid van misschien niet alle dan toch 
van vele natuurwetenschappelijke waarheden. Ik haalde een 
Duitsch staaltje aan in mijn vorig opstel , ^) slechts kort 
daarop had men ook in een ernstig Hollandsch boek ^) met 
instemming aangehaald kunnen vinden een uitspraak van 
Poincaré, dat de aarde eigenlijk pas draait sinds Copernicus 
het heeft uitgesproken. Toch kan ik in dergelijke beweringen 
niets anders zien dan afdwalingen van wat elk nuchter 
waarheidszoeker voor waar erkent, zoolang hij niet door 
een zonderlinge theorie zich van de wijs heeft laten brengen. 
En het komt mij hoogst onwaarschijnlijk voor, dat zij die 
zoo spreken, de consequenties van hun leer zouden aan- 
durven. Of zou men ook durven beweren , dat vóór Harvey 
het bloed der menschen stil stond, en eerst hij het in be- 
weging heeft gebracht, en dat vóór Leeuwenhoek (om in 
de termen onzer dagen te spreken) alle water steriel was, 
en eerst hij het met levende wezens heeft bevolkt. ^) Er 



1) Dit Tijdschrift, p. 35. 

2) L. E. J. Brouwer. Dissertatie, p. 104. Uit mondelinge mededeelingen van den 
Heer Brouwer is mij echter, sedert ik deze bladzijden schreef, gebleken, dat zijn be- 
doeling een gansch andere is, dan ik uit de aangehaalde woorden meende te 
moeten opmaken. 

3) Misschien zal het volgende voorbeeld nog duidelijker de onhoudbaarheid 
aantoonen van het standpunt, waarop alle „waarheid" wordt opgelost in „doel- 
matigheid". In Schmoller's Jahrbuch für Gesetzgebung, Verwaltung und Volks- 
wirtschaft deel 29 p. 106 deelt Weber mede, dat de Florentijnsche bankiers der 
Middeleeuwen ten gevolge van hun onbekendheid met het Arabisch cijferstelsel 
zich vrij geregeld verrekenden, en dat in de boekhoudingen van dien tijd bij 
de behandeling van groote sommen een volkomen juiste uitkomst bijna tot de 
uitzonderingen behoort. Meent men nu inderdaad te kunnen volhouden, dat 



404 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

zullen heel wat sterker argumenten vóór dergelijlke be- 
weringen moeten gegeven worden, dan tot nu toe, willen 
zij ernstige bestrijding verdienen. 

Eerder zou een andere klasse van stellingen den schijn 
wekken, alsof ook oordeelen een tijdelijk bestaan hadden. 
Ik bedoel stellingen als deze: „Frankrijk is een republiek", 
die wel geldig schijnt te zijn op 't oogenblik , maar het niet 
altijd geweest is, en het wellicht later weer niet zal zijn. 
Inderdaad wordt daarmede een uiterst belangrijke onder- 
scheiding tusschen oordeelsklassen aangewezen, een onder- 
scheiding, waaraan de oude logica, geheel in syllogistisch 
gepeuter verdiept, veel te weinig aandacht heeft geschonken. 
Maar die onderscheiding, die men misschien het beste als 
die tusschen kategorische en hypothetische, of tusschen 
historische en natuurwetenschappelijke stellingen aanduidt, 
kan hier blijven rusten. Immers op dit punt heeft Heymans 



weliswaar in onzen tijd zestien maal twintig driehonderd en twintig is, maar 
dat het onjuist zou zijn te zeggen, dat dit ook reeds voor vijf of zes honderd 
jaar waar was? Toch bestaat er tusschen dit geval en dat van Copernicus 
geen enkel essentieel verschil. Het is duidelijk, dat het voor die bankiers der 
Middeleeuwen zeer veel „doelmatiger" was desnoods toe te laten, wat wij 
foutieve boekingen zouden noemen, dan zich de voor hen ontzaglijke moeite 
te getroosten, die noodig ware geweest om die te voorkomen. Voor den heden- 
daagschen bankier daarentegen zou zulk een „afwijkende" boeking hoogst „on- 
doelmatig" zijn, al ware het ook alleen met het oog op sommige artikelen van 
het Wetboek van Strafrecht in verband met zekere andere uit het Wetboek van 
Koophandel, juist op dezelfde wijze als voor ons het Copernikaansche stelsel 
„doelmatiger" is, terwijl voor de astronomen van vroeger tijd het Ptole- 
mSische stelsel het „doelmatigere" was. Ik zie dan ook niet hoe de aanhangers 
van Mach's Oekonomie des Denkens aan deze ietwat zonderlinge conclusie 
over de arithmetische waarheden zouden kunnen ontsnappen — tenzij zij 
mochten verklaren, dat het voor hen hoogst ondoelmatig zou zijn zich bezig 
te houden met personen, die zoo lang geleden gestorven zijn, en daarenboven 
zoo vreemde gedachten hadden als de genoemde Florentijnsche bankiers, en 
dat dus volgens Mach's wetenschappelijk stelsel die bankiers nooit bestaan 
hebben. En voor dit laatste argument zal dan — deze bewering moge als een 
charge klinken, maar zij is geenszins als zoodanig bedoeld — een elk zich 
gewonnen moeten geven, die ernst tracht te maken met de in den tekst ge- 
noemde positivistische theorieën. 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 405 

ongetwijfeld gelijk, dat niet de gesproken of geschreven 
woorden of zinnen, object der logica zijn^), maar, zoo zeg 
ik in afwijking van Heymans: de stelling, die zij uitdrukken. 
En nu is het duidelijk, dat bij alle stellingen als de be- 
doelde een nadere tijdsbepaling meegedacht is, en mèt die 
tijdsbepaling geldt dan de aldus aangevulde stelling even- 
zeer voor altijd, als dit bij de stelling van Pythagoras het 
geval is. 

§ 10. Met het vooroordeel, alsof alle wetenschap zich op 
realiteiten zou moeten richten, valt tegelijkertijd het andere, 
dat alle wetenschap causaal verband zou hebben op te sporen. 

Het is duidelijk, dat causaal verband, verband tusschen 
oorzaak en gevolg, alleen kan plaats grijpen tusschen in 
den tijd bestaande grootheden, scherper gezegd, tusschen 
in den tijd verloopende gebeurtenissen. Het verband, dat 
tusschen waarheden of stellingen bestaat, is van geheel 
anderen aard. In de wiskunde wordt bijv. gehandeld 
over stellingen als deze: De zijden van driehoek ABC 
zijn gelijk aan de zijden van driehoek DEF, en: De 
hoeken van driehoek ABC zijn gelijk aan de hoeken van 
driehoek DEP. Tusschen die beide waarheden bestaat 
ongetwijfeld een zeker verband, immers de tweede geldt 
als de eerste geldt, maar de eerste behoeft niet te gelden, 
al geldt de tweede; maar even zeker is het, dat dit ver- 
band niet een causaal verband is, dat de eerste stelling 
niet de oorzaak van de tweede kan genoemd worden. Het 
verband , dat tusschen deze stellingen bestaat is van anderen 
aard; het is ontijdelijk, het is logisch verband. Logisch 
verband van anderen aard bestaat tusschen de stellingen: 
Twee zijden van driehoek ABC zijn aan elkaar gelijk, 
en : Twee hoeken van driehoek ABC zijn aan elkaar gelijk. 

2) Verg. p. 389. 



406 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

Evenzoo is het met de stellingen, die in andere weten- 
schappen voorkomen. Er is bijv. ongetwijfeld verband tusschen 
de trillingstheorie van het licht en de wet van Snellius 
omtrent de lichtbreking. Evenzoo onbetwijfelbaar is het, 
dat de trillingstheorie van het licht niet de oorzaak ge- 
noemd kan worden der wet van Snellius. 

De studie nu van dit logisch verband in den meest uit- 
gebreiden zin is de taak der logica. 

§ 11. Tegen deze opvatting, dat het verband, dat de 
logica op te sporen en te onderzoeken heeft, geheel iets 
anders is dan causaal verband , voert Heymans aan , dat 
er toch zoo iets als bewijzen bestaat: „Reeds de eenvou- 
dige overweging" — zoo lezen wij in de eerste paragraaf 
van zijn boek — „dat er zoo iets als bewijzen bestaan , 
pleit voor een causale opvatting van het denkproces. Want 
wat doet eigenlijk de man der wetenschap , als hij mij de 
waarheid van een stelling bewijzen wil? Hij beproeft door 
woorden en teekens, door verwijzing naar waarneembare 
of door vertelling van waargenomen feiten in mijn bewust- 
zijn voorstellingen en voorstellingsverbindingen in zulk een 
groepeering te voorschijn te roepen, dat zich daaruit met 
noodzakelijkheid de overtuiging van de waarheid der te 
bewijzen stelling bij mij ontwikkelt." Heymans spreekt dan 
verder over die noodzakelijkheid , en komt tot de conclusie, 
dat: „tusschen bewijs en overtuiging, beide als bewust- 
zijnsverschijnsel beschouwd, een causaal verband bestaat" ^), 



1) Schon die einfache Erwagung, dass es so etwas wie Beweise giebt, legt 
eine causale Auffassung des Denkprozesses nahe. Denn was heisst es eigentlicli: 
etwas beweisen? Was thut eigentlich der Mann der Wissenscliaft, wenn er 
mir die Wahrheit irgend eines Satzes beweisen will? Er versuclit durcli Worte 
und Zeiciien, durch Hinweisung auf wahrnehmbare oder durch Erzahlung 
wahrgenommener Tiiatsachen, in meinem Bewusstsein soicfie Vorstellungen 
und Vorstellungsverbindungen in solcher Gruppirung zu erzeugen, dass sich 
daraus mit Nothwendigkeit die Ueberzeugung von der Wahrheit des zu 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 407 

en daaruit concludeert hij dan verder, dat het de taak is der 
kennistheorie dit verband op te sporen. 

Nu heb ik tegen het eerste niets in te brengen ; ik ben 
met Heymans overtuigd, dat bewustzijnsverschijnselen , spe- 
ciaal overtuigingen, veroorzaakt kunnen zijn. Wanneer ik 
iemand met beslistheid hoor verklaren , dat sedert dezen 
zomer de laatste trein van Amsterdam naar den Haag het 
Centraalstation om 10.40 verlaat, nadat ik hem van te 
voren in een van de bekende roode boekjes heb zien 
kijken, dan neem ik aan, dat er tusschen het ontstaan van 
zijn overtuiging omtrent dien laatsten trein en de gezichts- 
waarnemingen, die hij een oogenblik te voren had, causaal 
verband bestaat, en ik acht dit in dit geval even gerecht- 
vaardigd, als in welk ander geval ook, waarin van oor- 
zaak en gevolg gesproken wordt. En met Heymans meen 
ik, dat elke poging om iets te bewijzen, zinledig wordt 
voor hen, die anders daarover denken. Moge dus, mis- 
schien, de meening dat overtuigingen veroorzaakt kunnen 
worden, geen conditio sine qua non zijn voor den waar- 
heidszoeker, zij is het wel voor den docent in den meest 
uitgebreiden zin , voor elk , die wenscht anderen zeker in- 
zicht mede te deelen. En zoo zal ook elk wetenschappe- 
lijk man, die overtuigd is dat wetenschap niet mogelijk is 
voor den enkelling, maar dat zij alleen ontstaan kan door 
samenwerking, die mogelijkheid moeten erkennen, wil hij 
niet zijn eigen streven, als zinloos, disqualificeeren. 

Maar het is gansch iets anders die mogelijkheid toe te 
geven, of, zooals Heymans doet, het naspeuren van dit 
verband aan de logica op te dragen , ja het als haar eenige 
taak te beschouwen. Die misgreep Is zelfs te verwonder- 



erweisenden Satzes bei mir entwickelt Offenbar muss demnach zwischen 

Beweis und Ueberzeugung, beide als Bewusstseinserscheinungen betrachtet, 
ein ursachliches VerhSltniss angenommen werden, (p. 2.) 



408 PSYCHOLOGIE EN LOGICA, 

lijker, omdat elk bewijs zelve ten duidelijkste doet zien, 
dat er naast causaal verband tusschen realiteiten nog een 
ander verband is, dat onze aandacht verdient: logisch ver- 
band tusschen waarheden. Tusschen de te bewijzen stelling 
en het onderstelde bestaat logisch verband; causaal ver- 
band bestaat tusschen het beamen, het overtuigd zijn van 
het onderstelde, en het beamen, het toegeven van het ge- 
stelde. Laat ik ook dit aan een voorbeeld verduidelijken. 
Schiller's Wilhelm Teil begint ongeveer met de volgende 
woorden : 

's Giebt Regen , Fahrmann , 

Meine Schafe fressen mit Begierde Gras 

Und Wachter scharrt die Erde. 

Ein Gewitter ist im Anzug. 

Dit is een bewijs in optima forma. De herder, die deze 
woorden zegt, wil bij den veerman de overtuiging doen 
ontstaan, dat een onweer in aantocht is. Om daartoe te 
geraken tracht hij voorstellingsverbindingen bij dezen op te 
wekken van zoodanigen aard, dat zij naar zijn meening de 
gewenschte overtuiging moeten doen ontstaan. Dat hij 
daarin slaagt, leert het verdere verloop van het drama. Tus- 
schen de waarneming van den veerman omtrent de schapen en 
den hond, en zijn daarna optredende overtuiging, dat een 
onweer zal losbarsten, mogen wij dan ook ongetwijfeld causaal 
verband aannemen. Maar even zeker is het, dat tusschen 
de stellingen , waarmede zijn bewustzijnstoestanden corre- 
laat zijn, in casu de stellingen: Op dit oogenblik handelen 
die schapen zoo, en die hond aldus, en: Binnenkort zal 
een onweer losbarsten, dat er tusschen die stellingen geen 
causaal verband bestaat, noch bestaan kan. Tusschen die 
stellingen kan verband bestaan; maar dan is dit niet causaal, 
maar logisch verband, bijv. het verband, dat ook bestaat 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 409 

tusschen de stellingen: De zijden van driehoek ABC zijn 
gelijk aan die van driehoek DEF en: De hoeken van drie- 
hoek ABC zijn gelijk aan de hoeken van driehoek DEF. 
Maar óf zoodanig verband bestaat, kan alleen de metereologie 
in verband met de zoöphysiologie leeren; het blijkt geenszins 
uit het meegedeelde feitenloop, dat daarentegen volkomen 
afdoende is om het causale verband tusschen de overtuigingen 
van den veerman waarschijnlijk te maken. 

Nog duidelijker wordt dit, wanneer men met dit bewijs 
uit het eerste bedrijf een ander bewijs, ditmaal uit het vijfde 
bedrijf, vergelijkt. Daar wil Stüssi Teil overtuigen, dat 
er binnenkort ernstige rampen en gruwelen te vreezen zijn, 
en om daartoe te geraken voert hij het volgende aan. 

Auch anderswo vernimmt man Wunderdinge: 
Ein Ritter wollte zu dem König reiten, 
Und unterwegs begegnet ihn 'ne Schaar 
Von Hornissen; die fallen auf sein Ross 
Dass es vor Marter tot zu Boden sinkt, 
Und er zu Fusse ankommt bei dem König. 

Uit het antwoord, dat Teil geeft, mogen wij opmaken 
dat het verloop van zijn voorstellingen inderdaad zoo zou 
geweest zijn, als de spreker verwacht, wanneer de mede- 
deeling geschied zou zijn voor Tell's ontmoeting met den 
landvoogd. Blijkbaar is dus de mededeeling van dien aard, 
dat zij geschikt was bij Tell's land- en tijdgenooten de 
overtuiging te veroorzaken: Er zal binnen kort een groot 
ongeluk in den lande plaats grijpen. Toch zijn wij over- 
tuigd dat hier geen logisch verband bestaat tusschen de 
stellingen , waarmede de bewustzijnstoestanden correlaat zijn , 
dat de stelling: Het paard van een ridder is door een 
zwerm paardevliegen overvallen en gedood, logisch geheel 
onafhankelijk is van deze: Binnenkort zal een groot ongeluk 



410 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

het land treffen. Het al of niet bestaan van logisch verband 
tusschen stellingen is dus een geheel ander iets dan het 
bestaan van causaal verband tusschen met die stellingen 
correlate bewustzijnstoestanden. 

§ 12. Ik moet straks nog nader terugkomen op dit verschil 
tusschen geldige en ongeldige bewijzen; vooreerst dien ik 
nog nader in te gaan op een ander punt, dat naar Hey- 
mans* eigen meening hoogst karakteristiek is voor zijn 
methode, en dat naar de mijne ten duidelijkste toont, tot 
hoe gedwongen en averechtsche opvattingen men komt 
door het miskennen van alle logisch verband, en de poging 
alle verband te beschouwen als causaal verband. Ik bedoel 
Heymans' opvatting omtrent den aard der zoogenaamde 
logische wetten. 

Volgens de psychologistische leer kunnen deze wetten 
natuurlijk niets anders zijn dan denkweiien , causale wetten 
omtrent de opeenvolging van bewustzijnsverschijnselen , en 
wel speciaal zulke, die van overtuigingsgevoel vergezeld 
gaan. Bij de beschouwing nu van deze „denkwetten", en 
van de wijze waarop zij gewonnen worden , treft ons iets , 
dat ons in den aanvang allerwonderlijkst voorkomt. Heymans 
behoort tot de ijverigste lofredenaars der empirische , natuur- 
wetenschappelijke methode; in geen enkele wetenschap 
erkent hij het recht van een andere richting. Wanneer hij 
dus zelf die methode moet gebruiken, zou men mogen 
verwachten haar in vollen omvang te zien toegepast. In ons 
geval, waar het er om gaat het tot stand komen van over- 
tuigingen bij het menschelijk ras te bestudeeren, zou men 
dus mogen verwachten een uitvoerig experimenteel onder- 
zoek , zich richtende op een groot aantal vertegenwoordigers 
van menschentypen , die zoo ver mogelijk uiteenloopen in 
de wijze , waarop overtuiging bij hen tot stand komt. Immers 
dat er in den afloop der bewustzijnsprocessen, die eindigen 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 411 

in de vorming van een overtuiging, verschillen zullen ge- 
vonden worden tusschen verschillende individuen en rassen, 
laat zich van te voren verwachten. Niemand betwijfelt, dat 
wanneer in stede van Tartarin de Tarascon bijv. Hermann 
von Helmholtz deel genomen had aan het beroemde gesprek 
met Gonzague Bompard , het den laatste niet gelukt zou zijn 
zijn hoorder te overtuigen , dat geheel Zwitserland in exploi- 
tatie genomen was door een Engelsche Maatschappij , die 
door haar voortreffelijke veiligheidsmaatregelen het beklimmen 
ook van de schijnbaar moeilijkste bergen tot een ongevaar- 
lijk en gemakkelijk tijdverdrijf had gemaakt. De wijze , 
waarop overtuigingen tot stand komen, schijnt nu eenmaal 
geheel anders te zijn bij een Duitsch natuuronderzoeker dan 
bij een rentenier uit Zuidelijk Frankrijk. 

Men zou dus recht hebben te verwachten, dat een aan- 
hanger der experimenteele methode rekening zou houden 
met dergelijke voor de hand liggende verschillen, en niet 
dan na een uitgebreid onderzoek der verschillende typen 
zou trachten een algemeene wet te formuleeren. Van een 
zoodanig onderzoek blijkt echter niets; er wordt slechts 
geëxperimenteerd op één enkel individu, den onderzoeker zelf, 
en de daarbij gevonden psychische regelmatigheden worden 
geproclameerd tot algemeen menschelijke denkwetten. Reeds 
dit feit op zich zelve bewijst, dat ook de vurigste psycho- 
logist toch in den grond zijns harten overtuigd is, dat de 
logische wetten iets anders zijn , en anders gevonden moeten 
worden, dan causale natuurwetten. Men stelle zich den 
chemicus voor, die uit den aard van één enkele reactie de 
algemeene wetten der affiniteit zou willen vaststellen, of 
den physicus, die den aard der moleculaire krachten zou 
willen bepalen op grond van één bepaling van de opper- 
vlakte-spanning van verdund zwavelzuur. Inderdaad , degene 
die gewend is op eigen gebied de natuurwetenschappelijke 



412 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

methode te hanteeren, kan niet anders dan verbaasd zijn 
over de wijze , waarop hier quasi langs natuurwetenschappe- 
lijken weg resultaten worden verkregen. 

§ 13. Maar zien wij af van de wijze, waarop de resul- 
taten verkregen zijn, en wenden wij ons tot die resultaten 
zelve. Als een natuurwet, die voor het denken even veel- 
omvattend is als de wet der traagheid en van het parallelogram 
van krachten voor de bewegingsleer, leeren wij de wet der 
contradictie kennen. Deze wet nu luidt, dat „bevestiging 
en ontkenning in 't denken elkaar uitsluiten, dat derhalve 
naast de overtuiging „A is B" de overtuiging „A is niet B" , 
en naast de overtuiging „Ais niet B" de overtuiging „A is B" 
in 't denken niet bestaan kan." ^) De lezer, die zich nog 
niet ingedacht heeft in Heymans' gedachtengang, zal daarbij 
allicht denken , dat bedoeld is de wet van logischen samen- 
hang: dat de geldigheid van een stelling: „A is B" de 
geldigheid der stelling: „A is niet B" uitsluit, en omgekeerd. 
Maar dat dit geenszins Heymans' bedoeling is, dat deze 
volkomen ernst maakt met zijn voornemen , niet logische 
regels voor idealiteiten , maar causale regels voor realiteiten 
op te stellen, blijkt afdoende uit de wijze, waarop Heymans 
zijn regel verdedigt tegen daartegen ingebrachte bezwaren. 
Opgevat als een causale regel van bewustzijnsverloop toch, 
en uitgedrukt in de daarvoor passende terrfiinologie , zou 
die regel eigenlijk moeten luiden: dat het bestaan van de 
overtuiging „A is B" het bestaan van den bewustzijnstoestand 
„A is niet B" onmogelijk zou maken. Toch leert ons de meest 
alledaagsche ervaring, dat niet alle menschen eenstemmig 



1) ... das Gesetz des Widerspruchs (principium contradictionis), welches 
besagt, dass Bejahung und Verneinung im Denken sich ausschliessen, dass 
also neben dem Urtheil „A ist B" das Urtheil „A ist nicht B", und neben dem 
Urtheil „A ist nicht B" das Urtheil „A ist B" im Denlcen nicht bestehen 
kann. (p. 67.) 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 413 

denken. Daartegenover is nu tweeërlei handelwijze mogelijk: 
óf men geeft den regel op als causale natuurwet, óf men 
beperkt hem zoodanig, dat hij met de werkelijkheid over- 
eenkomt. Heymans kiest den laatsten weg, en daaruit blijkt 
ten duidelijkste, dat het hem inderdaad om causale wetten 
van bewustzijnsverloop te doen is. Hij begint met de beper- 
king in te voeren, dat de twee overtuigingen bestaan moeten 
bij denzelfden persoon. Maar omdat het maar al te waar is, 
dat ook dezelfde persoon wel eens tegenstrijdige overtui- 
gingen heeft, gaat hij verder in die richting en zegt : „Inderdaad 
is toe te geven, dat de onwetenschappelijke mensch, en 
ook wel de wetenschappelijke, op verschillende tijden ver- 
schillende en met elkaar strijdige dingen volhoudt. Maar 
dan heeft hij zijn vroegere meening vergeten, of gelooft 
haar niet meer. Maar niet waar is de bewering van hen, 
die in de wet der tegenstrijdigheid geen natuurwet willen 
zien , in den eenigen zin waarin die bewering iets bewijzen 
zou: nl. als beweerd zou worden, dat gelijktijdig in één 
bewustzijn als tegenstrijdig ingeziene oordeelen naast elkaar 
bestaan kunnen. Zoolang zulk een geval , dus een met 
inzicht uitgesproken oordeel van den vorm: „A is B en 
niet B", niet bewezen is, zoolang mag de feitelijke geldig- 
heid van de wet der identiteit zoo weinig geloochend 
worden als bijv. de feitelijke geldigheid der chemische 
wetten , die zeggen dat waterstof en zuurstof een verbinding 
aangaan , geloochend mag worden omdat waterstof en zuur- 
stof, op verschillende plaatsen bewaard, zich niet verbinden. 
De onmiddellijke aanraking is in beide gevallen de nood- 
zakelijke voorwaarde voor het werken der psychische of 
chemische krachten." ^) 



1) Wahr ist (diese Behauptung) In dem Sinne, dass der natürliche (auch 
wohl einmal der wissenschaftliche) Mensch zu verschiedenen Zeiten Ver- 
schiedenes und Widersprechendes behaupten; nur deshalb aber, weil jetzt 



414 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

De wet der contradictie, die de grondwet is voor het 
denicen , zooals de mechanische wetten voor de beweging ^) 
moet dus, wel beschouwd, aldus luiden, dat de aanwezig- 
heid van de overtuiging „A is B" bij een bepaald persoon 
het onmogelijk maakt, dat bij denzelfden persoon en gelijk- 
tijdig de overtuiging: „A is niet B" bestaat. Wilden wij dit 
„gelijktijdig" streng opvatten, dan kwamen wij daarmede 
van Scylla op Charybdis. Omvatte de regel zooeven veel te 
veel, zoodat hij foutief werd, thans zou hij zoo beperkt 
worden, dat hij eigenlijk niets meer zegt. Want het bestaan 
van de overtuiging „A is B", d. w. z. het beleven van den 
met overtuigingsgevoel gepaard gaanden bewustzijnstoestand 
„A is B" sluit, voor dit oogenblik en dien bepaalden per- 
soon, niet alleen de overtuiging „A is niet B" uit, maar — voor 
zoover althans mijn ervaring reikt — tevens het bestaan 
van welke andere overtuiging ook, bijv. „C is D". En dus zou 
naar Heymans' nieuwe formuleering zijn „algemeenste natuur- 
wet" eigenlijk niets anders zijn dan een zeer bijzonder ge- 
val van deze psychologische waarheid, dat een mensch zijn 
volle aandacht slechts aan één ding tegelijk kan geven. 

Maar het is duidelijk, dat niet aldus het „gelijktijdig" 



andere Gründe vorliegen als früher, und er seine frühere Behauptiing sowie 
die Gründe derselben jetzt nicht melir anerlcennt oder auch vergessen iiat — 
Unwahr ist dagegen der Göringsche Satz in der einzigen Bedeutung, in 
welcher derselbe etwas beweisen würde: wenn es namlich heissen soll,dass 
gleichzeitig, in einem Bewusstsein, als widersprecliend erkannte Urtheile neben- 
einander bestehen können. Solange ein solcher Fall, also ein mit3ewusstsein 
ausgesprochenes Urtheil von der Form: A ist B und nicht B, nicht nachge- 
wiesen worden ist, solange darf die thatsachliche Geltung des Identitatsatzes 
ebensowenig geleugnet werden, wie etwa die thatsachliche Geltung der che- 
mischen Gesetze, weil Wasserstoff und Sauerstoff, an verschiedenen Orten 
aufbewahrt, keine Verbindung eingehen. Der unmittelbare Contact ist eben in 
beiden Pallen die nothwendige Bedingung für das Wirksamwerden der psy- 
chischen oder chemischen Krafte (p. 12). 
1) Vgl. p. 395. 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 415 

bedoeld is. Er moet bedoeld zijn „gelijktijdig" in den zin van 
het practische leven, d. v^. z. „binnen zekeren niet al te 
langen tijd", die verder onbepaald wordt gelaten. Nauwkeu- 
rig geformuleerd zou dus Heymans' wet der contradictie 
aldus moeten luiden: „Het optreden van de overtuiging „A 
is B" bij een bepaald persoon maakt het optreden van de 
overtuiging „A is niet B" bij dien persoon binnen zekeren 
niet nader bepaalden termijn onmogelijk." 

§ 14. Nu schijnt mij zelfs in deze beperkte formuleering de 
regel foutief, als in strijd met de feiten. Mij althans is het 
herhaaldelijk voorgekomen, dat ik bij het optellen van een 
lange reeks cijfers bij eerste telling tot de overtuiging kwam : 
„Die som is (bijv.) 3776" terwijl de tweede telling mij de 
overtuiging gaf: „Die som is 3766". Ware inderdaad de 
regel van Heymans een algemeene wet van bewustzijnsver- 
loop, dan zou de tweede overtuiging zich niet baan hebben 
kunnen breken, zoo kort nadat de eerste overtuiging 
had bestaan. Toch durf ik te zeggen, dat ik in deze niet 
alleen sta. En gelukkig, dat dit zóo is. Hoe zou men ooit 
iemand van dwaling kunnen overtuigen, wanneer werkelijk 
het bestaan van een overtuiging voor korter of langer tijd 
het opkomen van tegengestelde overtuigingen onmogelijk 
maakte. Iedereen, die inziet, „dat hij zich vergist heeft" is 
een levend getuige tegen den aldus geformuleerden regel 
van bewustzijnsverloop. Ja, dat er zoo iets als „problemen" 
bestaan, berust, zooals Heymans zelf op een andere plaats 
toegeeft, uitsluitend daarop, dat men langs zekeren weg tot 
de overtuiging komt „A is B," en onmiddellijk daarop langs 
anderen weg tot de overtuiging „A is niet B". 

Nu voere men hiertegen niet aan, dat men in zulk een 
geval, bijv. in het geval van de rekensom die eenmaal 
3776 en de tweede maal 3766 oplevert, onmiddellijk de 
overtuiging voelt opkomen: „Ik heb gedwaald in minstens 



416 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

één dier gevallen." Immers wie zoo zou spreken, zou too- 
nen, nog volstrekt niet te begrijpen waarom het gaat, nl. 
om het constateeren van causale betrekkingen tusschen 
reëele bewustzijnstoestanden. Mijn overtuiging: „Die som is 
3776" is één feit; mijn daarna optredende overtuiging : „Die 
som is 3766" is een ander feit. Dat nu deze beide feiten, 
kort op elkaar volgende , te zamen oorzaak zijn van een der- 
den bewustzijnstoestand: „Ik moet gedwaald hebben", of 
iets dergelijks, moge op zich zelf weder aanleiding geven een 
wet van bewustzijnsverloop te formuleeren, dit kan nooit het 
feit, dat die beide overtuigingen bestaan hebben, ongedaan 
maken. Een causale wet, die de mogelijkheid van het op- 
treden van den tweeden bewustzijnstoestand onder die om- 
standigheden loochent, kan niet juist zijn. 

Men kan beproeven door een andere formuleering aan 
dit bezwaar te ontkomen, en aldus een aequivalent van 
Heymans' regel formuleeren : Wanneer kort na het ontstaan 
van een overtuiging „A is B" bij denzelfden persoon een 
daarmede strijdige overtuiging ontstaat, dan volgt daarop 
onmiddellijk en met noodzakelijkheid het optreden van 
het oordeel : „Een van mijn beide vorige oordeelen was on- 
juist". Het komt mij voor, dat daarin eigenlijk de quintessens 
besloten is van wat Heymans bedoelt. 

Helaas, ook dan nog schijnt mij de regel foutief. Men 
moge zoo weinig als ik zelf geneigd zijn de juistheid der 
leer van de coincidentia oppositorum toe te geven, daarom 
te loochenen, dat aanhangers van die leer geleefd hebben, 
en nog leven, gaat toch moeilijk, heden ten dage nog 
heel wat moeilijker dan toen Heymans zijn boek schreef. 
En wie in de gelegenheid is, na te gaan hoe onze jong- 
Hegelianen op dit punt denken, zal spoedig ontwaren, 
dat, om een enkel voorbeeld te noemen, bij hen de over- 
tuiging: „Denken is zijn", optredende onmiddellijk na de 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 417 

overtuiging: „Denken is niet zijn"^), volstrekt niet leidt 
tot liet optreden van het oordeel : „Ik moet mij vergist 
hebben" , maar veeleer töt het optreden van gansch an- 
dere oordeelvellingen, bijv.: „Ziehier opnieuw een bewijs 
voor de juistheid van Hegel's leer". Nog eens, men moge 
dezen gedachtengang al of niet kunnen billijken, het feit 
zelve, dat hij bestaat, laat zich niet loochenen. 

§ 15. Op geenerlei wijze dus schijnt het mij mogelijk 
een formuleering van de door Heymans bedoelde wet te 
geven , die niet met de feiten in botsing komt. Maar zien 
wij af van deze tegenwerpingen en de daaraan geknoopte 
pogingen tot andere formuleering, en houden wij ons aan 
Heymans' regel zelf. Ook dan moeten wij uit den aard van 
dien regel zelf reeds tot de overtuiging komen, dat hier 
geen sprake kan zijn van een natuurwet, laat staan van de 
hoogste natuurwet van een gansche groep verschijnselen 
zooals de wetten der traagheid of van het parallelogram 
van krachten, maar dat in het beste geval slechts ge- 
sproken kan worden van een empirische regelmatigheid in 
den zin ongeveer van de regels, die opgesteld zijn om 
den samenhang van zonnevlekken en weersgesteldheid aan 
te geven. 

Immers wat ons aan Heymans' regel allereerst treft, is 
zijn vaagheid. Heymans zelf legt er nadruk op, dat men 
de tijdsbepaling niet uit den regel mag weglaten. De regel, 
dat bij éénzelfden persoon het bestaan van de overtuiging 
„A is B" het bestaan van de overtuiging „A is niet B" 
voor altijd zou uitsluiten, zou foutief zijn, zooals hij uit- 
drukkelijk toegeeft. De tijd is dus een factor, waarmede 
voor de toepassing van dezen regel nauwkeurig rekening 
moet gehouden worden. Welnu, dan zou ook, wanneer het 



I) Verg. Bolland. Zuivere rede p. 46 en passin. 

27 



418 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

hier een echte natuurwet betrof, die invloed van den tijd vol- 
komen ondubbelzinnig moeten zijn bepaald. D. w. z. — steeds 
aangenomen , dat de regel juist is — er zou nauwkeurig 
aangegeven moeten worden, hoe lang de termijn is, ge- 
durende welken het optreden der tweede overtuiging wordt 
uitgesloten door het bestaan hebben der eerste, en, mocht 
die termijn niet voor alle individuen dezelfde zijn, dan zou 
in een algemeene natuurwet, die vergelijkbaar ware met 
physische of chemische wetten, moeten zijn geformuleerd 
van welke eigenaardigheden van het individu die termijn 
afhangt, en op welke wijze hij ervan afhangt. Of, mathe- 
matisch gesproken, om ooit voor een natuurwet als die 
van het parallelogram van krachten te kunnen worden ge- 
houden , zou de regel moeten luiden : Bij een individu van 
de eigenaardigheden a, b, c, etc, maakt het optreden van 
de overtuiging „A is B" gedurende ƒ (a, b, c, etc) se- 
conden het optreden van de overtuiging „A is niet B" on- 
mogelijk. Dat de psychologie van het bepalen van zooda- 
nige afhankelijkheid nog zeer ver verwijderd is , zal ieder 
toegeven, ook al mocht hij geen oogenblik betwijfelen, dat 
zij op den duur tot zulke regels zal kunnen en dus zal 
moeten komen; ^) 

Wie ingezien heeft, wat met de voorgaande opmerking 
werd bedoeld, zal thans geheel anders dan wij zooeven 
deden, oordeelen over de wijze, waarop Heymans tot zijn 
regel komt. Wij wraakten het boven, dat aan het opstellen 
van dien regel niet een uitvoerig empirisch onderzoek naar 
de eigenaardigheden van de meest uiteenloopende typen was 
voorafgegaan. Wjj wezen er op, dat personen als Tartarin de 

1) Ik voor mij twijfel ernstig op dit punt. Ik lioop op deze quaestie binnen 
niet al te langen tijd uitvoeriger terug te kunnen komen. Dan zal tevens 
blijken, waarom ik wel aanneem, dat overtuigingen veroorzaakt kunnen 
zijn (p. 393) en toch niet met het determinisme in zijn gewoonlijk voorge- 
dragen vorm kan meegaan. 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 419 

Tarascon en Hermann von Helmholtz zeer ver uiteenloopen in 
de wijze , waarop hun overtuigingen ontstaan , en wij leidden 
daaruit af, dat een algemeene natuurwet over liet ontstaan 
dier overtuigingen alleen mocht opgesteld worden op grond 
van uitgebreid empirisch, liefst experimenteel onderzoek. 
Thans is het duidelijk, waarom Heymans voor het opstellen 
van zijn regel zulk een onderzoek kon ontberen. Immers 
het is duidelijk, dat de verschillen der individuen voor- 
namelijk daarin zullen bestaan, dat bij den een gansch 
andere processen zullen verloopen vóór hij tot een nieuwe 
overtuiging komt dan bij den ander, dat zij dus ook aan- 
merkelijk zullen verschillen in den tijd, die verloopt tusschen 
het bestaan van de overtuiging „A is B" en van de daarmede 
strijdige overtuigingen. Of, mathematisch uitgedrukt: Deindivi- 
dueele verschillen zullen zich — aangenomen , dat de regel 
voor allen geldt — openbaren in de waarde der parameters 
fl, b, c, etc. en den vorm der functie ƒ. Voor het opstellen 
van een exacte wet zou dus zeker diepgaande studie van 
vele individuen vereischt zijn, voor de vage algemeenheid 
echter, die ontstaat, wanneer men den aard dier afhankelijk- 
heid volkomen in 't midden laat, mag zulk een experimenteel 
onderzoek overbodig geacht worden. 

Zondigt dus door zijn vaagheid Heymans' regel tegen den 
eersten eisch, die aan een natuurwet te stellen is, hij doet 
het ook in een ander, zij het ook nauw daarmede samen- 
hangend opzicht: hierin n.1. dat hij niet ondubbelzinnig den 
afloop der gebeurtenissen bepaalt. De regel : Bij een persoon , 
die de overtuiging „A is B" heeft beleefd, kan niet binnen 
zekeren termijn de overtuiging „A is niet B" optreden, 
bepaalt alleen wat er niet gebeurt; hij laat ons geheel in 
het duister, als wij vragen, wat er wei gebeurt als iemand 
de overtuiging „A is B" bezit. Daardoor onderscheidt hij 
zich ten eene male van elke werkelijke natuurwet. Een 



420 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

t 

natuurwet geeft volkomen exact aan, welke bepaalde ge- 
beurtenissen op deze bepaalde moeten volgen; zij leert ons 
nauwkeurig berekenen wat op een tijdstip /g gebeurt, als 
op het tijdstip t^ die en die toestanden heerschen. Daarop 
berust immers juist ook haar waarde voor de practijk. Om 
met zulk een wet vergelijkbaar te zijn zou een psychologische 
wet, die nog wel aanspraak maakt te behooren tot de 
meest algemeene natuurwetten, ons in staat moeten stellen 
uit zekere eigenaardigheden van een individu , dat op het 
tijdstip tl de overtuiging „A is B" heeft, te berekenen, 
welke overtuiging dit individu zal hebben op het tijdstip t^. 
De regel, dat hij op het tijpstip t^ niet de overtuiging „A is 
niet B" zal hebben — zelfs al liet zich de grens van dit 
tijdstip volkomen exact aangeven — kan even weinig als 
meest algemeene natuurwet van een groep verschijnselen 
gelden, als bijv. de regel: „Wanneer twee krachten van 
zekere grootte onder zekeren hoek op een lichaam werken, 
zal dit lichaam op den duur niet in rust blijven", de plaats 
zou kunnen innemen van de mechanische grondwetten. *) 
§ 16. Golden onze voorafgaande bezwaren de vraag: of 
Heymans' psychologische regel wel juist is, en zoo ja, of 
hij als een natuurwet in den zin der mechanische wetten 
mag beschouwd worden, mijn laatste bezwaar geldt de 
poging dezen regel in de plaats te stellen van het logische 
principium contradictionis. En dit bezwaar blijft bestaan, 
ook al zou men toegeven, èn dat Heymans' regel juist, èn 
dat hij een natuurwet is. Ik bedoel, dat niet alleen om 
de reden, die ik reeds noemde, — dat nl. een regel van 
causaal verband tusschen realiteiten nooit een regel van 
logisch verband tusschen stellingen kan vervangen, — 



1) In beide opzichten zou zelcer de boven (p. 416) geformuleerde regel — 
gesteld, dat hij juist ware — zeer veel beter voldoen aan de aan een natuurwet 
te stellen eischen dan de regel van Heymans. 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 421 

maar ook nog om een andere reden het ook voor den 
meest overtuigden psychologist duidelijk moet zijn, dat 
het gebied van aanwending dier beide regels geheel ver- 
schillend is. Heymans zelf wijst uitdrukkelijk op het feit, 
dat het bestaan van de overtuiging, „A is B" bij zekeren 
persoon volstrekt niets beslist over het bestaan van de 
overtuiging „A is niet B" bij een anderen persoon. Zijn 
regel van causaal verband wil alleen iets zeggen over het 
bestaan van overtuigingen bij denzelfden persoon. Wanneer 
dus de heer A meent, dat Amsterdam's prise d'eau zal ver- 
zouten door diepe draineering, en de heer B daarentegen 
dat daartoe niet de minste kans bestaat, dan laat zich 
omtrent die feiten uit Heymans' regel verder niets afleiden; 
die regel is op dit geval niet van toepassing, omdat de 
voorwaarde van toepasselijkheid ontbreekt. Het principium 
contradictionis, als regel van logisch verband daarentegen, is 
wel degelijk op die beide stellingen van toepassing, en het 
zegt, kort en krachtig, dat als de heer A gelijk heeft, B zich 
vergist. 

§ 17. En daarmede zijn wij genaderd tot ons derde hoofd- 
punt: het teleologisch karakter der logica. Immers wat be- 
teekent die laatste uitspraak eigenlijk. Niets anders toch 
dan dit, dat het logisch principium contradictionis een regel 
van waardebeoordeeling is, een teleologische regel. Het 
zegt, dat van twee tegenstrijdige stellingen altijd maar één 
waarde heeft voor de bereiking van waarheid. En zooals 
deze regel, zoo is elke logische regel teleologisch, en de 
logica is een teleologisch onderzoek, dat zich ten doel stelt 
te bepalen welke waarde aan elke wetenschap in 't bijzon- 
der, en aan de wetenschap en de bestanddeelen, waaruit zij 
bestaat, in 't algemeen, toekomt voor de realiseering van 
het ideaal der waarheid. 

Laat ons thans zien, hoe Heymans staat tegenover deze 



422 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

opvatting, met name of het in den aanhef van zijn boek 
zoo Icrachtig op den voorgrond gestelde a-teleologisch karak- 
ter van zijn logica door hem zelf kan worden gehandhaafd. 
Hierbij nu treft het ons in de eerste plaats, dat Heymans 
zelf voortdurend erkent, en moet erkennen, dat er naast 
causaal verband nog een geheel andersoortig verband be- 
staat. Zelfs Heymans wordt hier inconsequent, en hij moet 
het worden, want reeds de formuleering van zijn hoofdwet 
zou onmogelijk worden, zoodra hij ernst zou willen maken 
met de loochening van logisch verband. Immers wat wordt 
er van die hoofdwet: „dat een persoon op hetzelfde oogen- 
blik niet overtuigd kan zijn van twee tegenstrijdige stellingen", 
wanneer men logisch verband loochent. Door die formu- 
leering zelf is immers reeds logisch verband erkend. Hey- 
mans' geheele regel toch komt hierop neer, dat wanneer 
twee stellingen in het logische verband van uitsluiting staan, 
een bewustzijnstoestand correlaat met de eene daarvan, op- 
tredende bij een bepaald individu, gedurende zekeren tijd 
bij dat individu het optreden onmogelijk maakt van een 
bewustzijnstoestand , die correlaat is met de andere stel- 
ling. Maar wat beteekent dit voor iemand, die niet weet, 
dat zoo iets als logisch verband bestaat? Wel verre van 
in de plaats te treden van logische regels kan Heymans' 
regel eerst geformuleerd worden door hem, die logisch 
verband erkent. Reeds om aan te wijzen op welk ma- 
teriaal die regel toepasselijk zal zijn, dient men, wel niet 
abstract, maar althans intuïtief ^), logisch verband van 
stellingen te kennen. En dit ligt geenszins aan Heymans' 
formuleering. Ook in onze gansch andere formuleering lag 
opgesloten de erkenning van logisch verband; ook wij ge- 



1) Over het verschil van abstracte en intuïtieve kennis zie Spruyt, Gesch. 
der Wijsbegeerte, p. 181 seq. 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 423 

bruikten logische regels, en moesten ze gebruiken, tot aan- 
duiding van het materiaal van onzen causalen regel, toen 
wij spraken van het ontstaan van een overtuiging „A is B" 
en een daarmee strijdige overtuiging in hetzelfde bewustzijn ^). 

En zooals in dit geval , zoo staat het ook in het reeds 
besproken geval van de mogelijkheid van bewijzen. Heymans 
voert die mogelijkheid, en de daarmede samenhangende 
causale gedetermineerdheid van het optreden van overtui- 
gingen , aan , om zijn meening te staven dat de kennistheorie 
niets anders te zoeken heeft dan causaal verband. Maar wel 
verre er vandaan de uitsluitende beteekenis van causaal 
verband in 't licht te stellen, krijgt deze geheele gedachten- 
gang eerst zin voor hem, die logisch verband erkent. Immers 
het feit, waarop Heymans zich beroept, komt alleen hierop 
neer, dat, wanneer twee stellingen in zoodanig logisch ver- 
band staan, dat de geldigheid van de eerste de geldigheid 
van de tweede insluit, een bewustzijnstoestand, die correlaat 
is met de eerste, oorzaak kan worden van een bewustzijns- 
toestand, die correlaat is met de tweede. Hij, die logisch 
verband tusschen stellingen ontkent, kan zelfs niet het 
karakteristieke moment aangeven, waardoor zich een bewijs 
(hier bedoeld als opeenvolging van bewustzijnstoestanden) 
onderscheidt van welke willekeurige opeenvolging van over- 
tuigingen ook. 

§ 18. Wie hierop attent geworden is, zal in Heymans' 
boek niet éénmaal , maar tallooze malen afwijking vinden 
van den in het programma gestelden eisch, dat de wetenschap 
uitsluitend met causaal verband rekening houde, en dat alle 
waardebeoordeeling buiten de zuivere theorie blijve. Zoo 
vinden wij reeds in § 2 deze formuleering van het probleem, 
dat aanleiding geeft tot de kennistheorie: „Onderzoeken wij de 

1) Verg. p. 416. / 



424 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

feitelijk gegeven wetenschap, dan vinden wij tot onze ver- 
bazing, dat zij op alle gebied oneindig meer inhoudt dan 
onze ervaring schijnt te Icunnen waarborgen." ^) En op 
pag. 9 lezen wij : „De verschijnselen van het wetenschappelijk 
denken , welke wij in de vorige paragraaf hebben leeren 
kennen , zijn ons daarom onverstaanbaar en ondenkbaar, om- 
dat wij , ieder voor zich , er vast van overtuigd zijn , dat we 
redelijke , naar toereikende gronden oordeelende wezens 
zijn." ^) Terwijl wij reeds op pag. 6 vonden : „Wij beschou- 
wen, in overeenstemming met het voorgaande, ervarings- 
gegevens en overtuigingen uitsluitend als causaal verbonden 
bewustzijnsverschijnselen, en constateeren geheel empirisch 
het feit, dat in deze overtuigingen veel opgesloten ligt, wat 
wij in die gegevens niet vinden. Dit feit verdient, als alle 
feiten, onze achting, maar het eischt tevens, zooals vele 
andere, een verklaring. Want als wij er ons goed indenken, 
dan schijnt het ons onbegrijpelijk, ondenkbaar, dat wij van 
iets overtuigd zouden zijn, zonder dat we op een of andere 
wijze toereikende gronden daarvoor hebben." ^) 

Die verbazing verbaast mij , die onbegrijpelijkheid is mij 
onbegrijpelijk. Let wel, op Heymans' standpunt. Wie erkent, 



1) Untersuchen wir aber... diethatsachlich gegebene Wissenschaft, so finden 
wir zu unserem Erstaunen, dass dieselbe auf allen Gebieten unendlich mehr 
enthalt als die vorliegende Erfahrung gewahrleisten zu können scheint. (p. 4.) 

2) Die Erscheinungen des wissenschaftlichen Denkens welche wir im vorigen 
Paragraphen kennen gelernt haben, sind uns darum unverstandlich und 
undenkbar, weil wir, jeder für sich, fest davon überzeugt sind, dass wir ver- 
nünftige, nach zureichenden Gründen urtheilende Wesen sind (p. 9). 

3) wir betrachten, dem Vorhergehenden gemass, Erfahrungsdaten und 

Ueberzeugungen lediglich als ursachlich verbundene Bewusstseinserschei- 
nungen, und constatiren rein empirisch die Thatsache, dassindiesen Ueber- 
zeugungen Manches enthaiten ist was wir in jenen Daten nicht entdecken. 
Diese Thatsache verdient, wie alle Thatsachen, unsere Achtung; zugleich 
aber erfordert sie, wie manche andere, eine Erklarung. Denn wenn wir uns 
recht in dieselbe hineindenken, so erscheint es uns unverstandlich, undenkbar, 
dass wir etwas für wahr halten soUten, ohne dass wir dazu in irgendwelcher 
Weise im Gegebenen die genügenden Gründe gefunden hatten. 



PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 425 

dat met elke overtuiging, als bewustzijnstoestand, realiteit, 
beschouwd, een stelling correlaat is, en dat er tusschen 
stellingen logisch verband bestaat, die kan ook zijn onder- 
zoek beginnen met de vooropgezette meening , dat twee 
bewustzijnstoestanden , die in het causale verband van oorzaak 
en gevolg staan, steeds nog op andere wijze, nl. door een 
bepaald soort van logisch verband tusschen de correlate stel- 
lingen, zijn verbonden. Misschien kan hij zelfs die voorop- 
gevatte meening met goede argumenten verdedigen. Maar 
Heymans' boek is immers juist geschreven om aan te toonen , 
dat er, voor den wetenschappelijken onderzoeker althans, 
geen ander dan causaal verband bestaat, en dat overtuigingen 
bewustzijnstoestanden zijn , die door den beoefenaar der 
logica juist zoo beschouwd moeten worden , als bewegings- 
toestanden door den beoefenaar der mechanica of warmte- en 
lichtverschijnselen door den physicus. En plaats ik mij op 
dit standpunt, dan is het mij ten eenen male onbegrijpelijk, 
wat een „toereikende grond" is, hoe in overtuigingen iets 
„opgesloten" kan liggen, hoe onze ervaring iets zou kunnen 
„waarborgen". Gegeven, dat vastgesteld is dat een over- 
tuiging een andere veroorzaakt, hoe kan men haar dan 
qualificeeren als „ontoereikend", toch niet als ontoereikend 
om die tweede te veroorzaken? En hoe kan van zuiver 
natuurwetenschappelijk-psychologisch standpunt in een over- 
tuiging, d. w. z. een bepaalden bewustzijnstoestand iets anders 
„opgesloten" liggen dan de bewustzijnstoestanden, die er de 
facto de gevolgen van zijn , geheel onafhankelijk van de vraag , 
hoe die laatste er uit mogen zien? Wat zijn de psychologische 
eigenaardigheden van een overtuiging, die iets anders zou 
kunnen „waarborgen" ? Gegeven twee paar overtuigingen , 
waarvan telkens de eerste de tweede veroorzaakt, terwijl in 
het eerste geval de oorzaak wèl „toereikende grond" is, in 
het tweede geval niet, door welke met de middelen van 



426 PSYCHOLOGIE EN LOGICA. 

een zuiver causale natuurwetenschap aan te geven eigen- 
schappen onderscheiden zich dan die twee paren? Het 
behoeft immers niet nader verduideliji^t te worden , dat al 
die uitdrukkingen een waardebeoordeeling inhouden , een 
meten met een idealen maatstaf. Men gaat er van uit, dat 
datgene, wat er is, er slechts behoort te zijn als hel voldoet 
aan zekere eischen , dat speciaal een overtuiging (bewust- 
zijnstoestand) alleen dan behoort te bestaan, wanneer hij 
zekere eigenaardigheden vertoont, waardoor hij in logisch 
verband staat met andere, voorafgaande overtuigingen. 

Ook hier, bij de formuleering van het probleem van het 
psychologisme vindt men dus hetzelfde als bij de forrnu- 
leering van zijn einduitkomst en van de argumenten, die 
er voor pleiten: dat die formuleeringen nl. eerst mogelijk 
worden door het erkennen van , het zich beroepen op logisch- 
teleologisch verband. Zoo treft dan ook het psychologisme, 
de leer, dat de logica causaal verband heeft op te sporen, 
omdat het opsporen van ander dan causaal verband onmo- 
gelijk, althans onwetenschappelijk is, het lot van alle on- 
juiste philosophische theorieën : het heft zich zelve op. Ook 
Heymans treft het lot van Hume: Wil hij consequent zijn, 
dan moet hij zwijgen^), want om het meest essentieele van 
zijn leer te kunnen formuleeren, moet hij zich bedienen 
van woorden , op wier vermeende zinledigheid die leer is 
gebouwd. 



1) Spruyt. Qesch. der Wijsbegeerte p. 47L 



DE WEG TOT DE IDEE. 

(EEN DENKEN DAT ZICHZELF DENKT) 



DOOR 



Dr. J. D. BIERENS DE HAAN. 



(I— III. ONMISBAARHEID VAN EEN WEG TOT DE IDEE). 

I. Het is der wijsbegeerte te doen om een verstaan van 
de ervaring; immers de ervaarbare wereld is liet groote 
voorwerp, dat altijd voorhanden is en steeds weer ons 
noodigt zijn raadsel op te lossen. Maar dit „verstaan" ge- 
schiedt op bizondere manier. De wijsbegeerte komt niet met 
de natuurwetenschap in konkurrentie, die ook een weten- 
schap van de ervaring is. Het is ook niet in eerste plaats 
de natuur wat men onder „ervaarbare wereld" heeft te ver- 
staan, maar de geheele inhoud der zelfervaring als een 
ervaring van het menschengeslacht. 

Er is een menschengeslacht, dat waarneemt, voorstelt, 
denkt en redeneert, goed- en afkeurt, schoon- en leelijk 
vindt, en vereert. Dit menschengeslacht heeft logika, zedelijk 
bewustzijn, schoonheidszin, religie; het lijdt en geniet, 
begeert en streeft; het vertoont zich op verschillende hoogten ; 
het arbeidt, schept, handelt... in één woord: er is het 
ervaarbare geestesleven met al zijn inhoud. De ervaarbare 
wereld is (behalve de objektieve natuur) een veelheid van 



428 DE WEG TOT DE IDEE 

geestelijke verschijnselen. Zij moeten wijsgeerig doorgrond 
worden. De natuur is daarbij wijsgeerig verstaanbaar niet 
in het opzicht harer bepaalde toedrachten en processen 
(het gebied der natuurwetenschappen) maar in haar alge- 
meen verband met de wereld des geestes. 

De wijsbegeerte nu wil de ervaring (ervaarbare wereld) 
verstaan in een systeem der ervaring. D. i. zij wil niets uit 
de ervaring verstaan '(gelijk de natuurwetenschap de natuur 
uit ervaring kent, d. i. voorstelt als onder wetten staand); 
maar zij wil de ervaring verstaan, d. i. zij wil haar door- 
zien in haar Princiep, zooals zich dit in de ervaring orga- 
niseert tot stelsel : de ervaring wordt verstaan uit het andere 
dat niet ervaarbaar is: zooals het cirkelvlak niet uit het 
vlak, maar van uit het middelpunt begrepen wordt. Dit 
andere (Princiep) is de Idee. Het systeem der ervaring be- 
staat in een systeem der Idee. Wij hebben het systeem 
der Idee vast te stellen en daarmee is het systeem der 
ervaring vastgesteld, want het wordt niet als pure ideologie 
los van de ervaring, maar aan deze ontwikkeld. De denker 
ziet aan de ervaring de Idee in haar organisatie. 

II. Nu dus de wereld begrepen wordt uit de Idee, moet 
er een weg tot de Idee zijn , zal een wijsbegeerte mogelijk 
wezen. Er moet zijn een eigen weg des denkens tot de 
Idee; een methode om zich op haar te bezinnen. 

Want de Idee heeft een zijn op zichzelf. Zij is niet maar 
een bepaald opzicht aan de ervaringswereld. Zij is niet maar 
dit opzicht aan de ervaringswereld, dat deze een grens 
heeft , of een algemeene voorwaarde veronderstelt — in welk 
geval de Idee moest genaderd uit de ervaring door opsporing 
der voorwaarde, waarop een ervaringswereld mogelijk is 
(transcendentale methode). Alsdan ware van geen eigen weg 
des denkens tot de Idee sprake. 



DE WEG TOT DE IDEE. 429 

Een natuurwet is wel een opzicht aan de ervaring (ervaarbare 
wereld), nl. het opzicht der algemeenheid; en daarom is 
er geen andere manier om een natuurwet vast te stellen 
dan door van de ervaring uit te gaan ; maar deze vaststelling 
is geen wijsgeerige doorgronding. Wanneer velen evenzoo 
de Idee als een opzicht der ervaringswereld aanzien, geschiedt 
dit tot voorkoming van een dualisme, volgens t welk Idee 
en ervaringswereld als gescheiden gebieden tegenover elkaar 
lagen. Dit dualisme moet vermeden; maar het kan ook ver- 
meden zonder dat de Idee tot een mathematisch punt wordt 
ontledigd. Het monisme, dat men op deze wijze verkrijgt, is 
ten nadeele der Idee; er is ook een monisme mogelijk, dat 
ten voordeele van de Idee uitvalt; en waarbij niet de ervarings- 
wereld hoofdzaak en de Idee bijzaak wordt , doch andersom. 
De Idee is niet het denkbeeldig punt waar de ervaring eindigt , 
maar de ervaring is het voorstelbaar punt waar de Idee 
eindigt. De verhouding tusschen ervaring en Idee moet zoo 
gesteld, dat de nadruk op de Idee en niet op de ervaring 
valt: niet de Idee is een opzicht aan de ervaring, maar 
de ervaring is een opzicht aan de Idee; nl. dit opzicht der 
Idee dat zij in verschijning treedt. 

In de verhouding Idee-ervaringswereld heeft de Idee den 
voorrang. 

De Idee heeft een zijn in zichzelf, en zij treedt in ver- 
schijning aan het Niet-zijn. De verschijning der Idee is de 
ervaringswereld en is als een konvexe buitenzijde harer 
konkave zelf-natuur. Om deze verhouding in te zien moeten 
wij dus het denkspook verjagen van een Idee die aanhangsel 
ware aan de ervaring. Juist andersom is er geen ervaring 
dan krachtens de Idee. 

Op deze wijze is een dualisme afwijsbaar. De Idee is 
nu evenmin zonder de ervaarbare wereld denkbaar als deze 
zonder gene; een van elkaar losgemaakt bestaan van twee 



430 DE WEG TOT DE IDEE. 

grondzakelijkheden , is nu afgewezen. Maar de afwijzing is 
geschied ten bate der hoofdwaarde. Zoo wordt de Idee ais 
waarheid der werl^elijlcheid erlcend. 

Maar dan kan dus uit de ervaring geen weg tot de Idee 
leiden; evenmin als in het omgekeerd geval (zoo de Idee 
slechts een bepaald opzicht ware van de ervaringswereld) 
de ervaring kan gekend worden uit de Idee. Over deze 
laatste onmogelijkheid zullen de empiristen u gaarne inlich- 
ten; over de eerste lichten wij in. 

III. Veelal heeft het geloof gegolden als een weg der kennis 
tot het onervaarbare. Maar ziehier een term die meer ver- 
warring sticht dan wetenschap. Men mag niet van „geloof" 
spreken zonder zakelijke bijvermelding van wat men daar- 
mee wil verstaan. Meestentijds wordt bij dien term bijge- 
dacht een openbaring van hetgeen boven de rede is, en 
welke door het geloof wordt aangenomen.* Daar het inzicht 
te kort schiet moet de aanname op vertrouwen zijn. Geloof 
is dan niet een (eigen) inzicht, maar een ontkenning van 
inzicht, dus een blindheid. Toch wordt in de diepzinnigste 
definitie die ooit van het begrip „geloof" gegeven is, de 
zaak anders gevat. In het Hoofdstuk XI van -den Brief aan 
. de Hebreeërs heet het geloof een verzekerdheid aangaande 
* het onzienlijke, waarbij blijkbaar aan eene openbaring niet 
wordt gedacht. Maar hier is een handeling van het menschelijk 
bewustzijn aangeduid , die ook anders moet kunnen benaamd 
worden, en die nadere bepaling behoeft. 

De bewustzijnshandeling hier bedoeld is daar, waar een 
denken (een bewustzijn) niet het objekt denkt, maar zich 
denkt; d. i. waar niet een objekt, maar het subjekt zelf 
inhoud van denken is: een denken dat zichzelf denkt, is de weg 
tot de Idee. De mogelijkheid van dezen weg bespreken wij 
weldra, in afwijking van de ontkenners. Indien het begrip 



DE WEG TOT DE IDEE. 431 

der Idee' zin heeft , moet een denken dat zichzelf denkt 
daartoe de weg zijn. ^ 

Want de Idee is grond der verschijning of grond der 
ervaarbare wereld , en de ervaarbare wereld heeft haar vol- 
komenheid in het geestesleven, en het geestesleven heeft 
zijn zuiveren vorm in de denkverrichting: zoo is dan 
deze de verschijning in haar voorbeeldigsten vorm. En zoo 
is de Idee, grond der verschijning zijnde, grond van de 
denkverrichting. Zoodat een denken, om de Idee te bereiken, 
tot zijn grond moet wederkeeren. 

Een denken dat zich denkt, is een denken dat tot zijn 
grond keert. 

Een denken dat de ervaring denkt, heeft zijn objekt voor 
oogen en stelt dit aan zich tegenover. Zoo ik den samen- 
hang onderzoek tusschen een stormwind en gekonstateerde 
temperatuurverschillen, of een associatie van voorstellingen 
overweeg, denk ik een objektief, aan 't subjekt tegenover- 
staand verloop. Een denken, dat tot zijn grond keert nu, 
is als een terugkeer van de objekten , die ik overdacht 
heb, tot het denken zelf, dat de objekten denkt. Het richt 
zich tot zijn uitgangspunt ; d. i. niet tot eenig bepaald uitgangs- 
punt; maar tot de Idee als uitgangspunt aller ervaring in 
het algemeen. 

(IV-V. EEN DENKEN DAT ZICHZELF DENKT, ALS OERHANDELING 
DES BEWUSTZIJNS). 

Een denken dat zich denkt is geen mystische, maar een 
logische handeling van het bewustzijn. Een mystische han- 
deling is bijv. in Cartesius' spreuk: „cogito, sum" vervat. 
Deze spreuk beduidt: ik bedenk dat ik denk; nu weet ik 
dat ik besta. In de eerste helft der spreuk is het denken 
gericht. op zich; Cartesius bedenkt zijn denken (hoewel hier 
niet op den grond der denkverrichting, maar op de ver- 



432 DE WEG TOT DE IDEE. 

richting zelf de aandacht is gewend). En dit op zich gerichte 
dfnl^en heeft een hoogere beteel^enis, geiiji^ ook het „denken 
dat zichzelf denkt" een beteekenis heeft als weg tot de Idee. 
Maar bij Cartesius heeft het de beteekenis van erkenning 
eener substantie als werkelijkheid („ik" besta). 

Deze aanwending van het denken, waarmee ik weet dat 
ik denk, is mystisch omdat hier iets bereikt wordt, dat inde 
handeling des denkens niet is meebegrepen. In het denken 
is wel het subjekt meebegrepen , maar het substantieele be- 
staan , gelijk Cartesius wil , is niet meêvervat. Zoo wordt 
er in Cartesius' spreuk een sprong uitgevoerd, naar hetgeen 
transcendent boven het denken ligt, een sprong over de 
tegenstelling van denken en werkelijkheid heen. Deze sprong 
is bij hem zoo klein mogelijk en veel geringer dan in het 
ontologisch bewijs, dat leert: ik denk God, dus God be- 
staat; Cartesius is tevreden indien maar eenige substantieele 
werkelijkheid is vastgesteld : zoo kiest hij de ik-substantie 
als het vaststelbare werkelijkheidspunt . . . maar zonder sprong 
komt hij hier niet, want de handeling des denkens sluit 
deze substantialiteit niet in. Het denken van Cartesius stort 
zich één oogenblik van het cogito af als in den blinde, en komt 
gelukkig in het sum terecht. Dit is mystische denkhandeling. 

Maar een denken dat zich denkt is een logische handeling 
van het bewustzijn , daar het geen ander principe van erken- 
ning aanvaardt dan de denknoodwendigheid : het blijft strikt 
bij zichzelf, zooals een rechte weg. 

V. Hoe is nu een denken dat zich denkt mogelijk? Het is 
mogelijk als zuivere handeling van het bewustzijn; nl. als 
de oerhandeling, waarop alle aktueele verrichtingen van het 
menschelijk bewustzijn steunen. Aan geheel de hiërarchie des 
denkens, van zinnelijk, over verstandelijk tot redelijk denken, 
ligt deze zelfde oerhandeling ten grondslag. Het ware ook 



DE WEG TOT DE IDEE. 433 

onmogelijk dat het denken deze drieërlei hoogte had, zoo niet 
één oer-kracht door de drie heenging, die ze alle tot denken 
stempelt. De oerhandeling is het denken in zijn pure enkel- 
voudigheid. 

Het denken in deze drie hoogten vertoont een bepaalde 
lijn: in de zinnelijkheid (voorstellingsprocessen) richt het 
zich naar het objekt en verliest zich in de veelheid; in de 
verstandelijkheid stelt het de veelheid op regel en keert 
zich dusdoende van de zinnelijkheid af; het verstandelijk 
denken bestrijdt de veelheid door het algemeene. In de 
redelijkheid richt het zich (na de verstandelijke scholing) tot 
de eenheid der Idee. Dit is een koncentratie na de expansie 
der zinnelijkheid en een verdieping na de vervluchtiging. 

Deze bewegingslijn nu is mogelijk, doordat aan heel 
het denken ten grondslag ligt de oer-handeling; het zich- 
denken, de bij zichzelf blijving. Deze oer-handeling houdt 
het denken in zijn richting vast en beweegt het door de 
tegengestelden heen tot zijn doel. Het doel is de Idee bewust 
te worden aan eenen in de voorstelling opgenomen erva- 
ringsinhoud, Dit is mogelijk doordat reeds de oer-handeling 
een richting is welke het denken neemt tot de Idee. Immers 
het zich-denken gaat tot zich , tot het subjekt , tot het uitgangs- 
punt, tot de Idee zelve, die het subjekt der wereld is; ziehier het 
Wereld-denken dat in mij denkt. De Idee is datgene dat denkt 
in volstrekten zin genomen ; niet dalgene dat gedacht wordt. 

Dat waarlijk een denken , dat zichzelf denkt, als oer-hande- 
ling des bewustzijns moet aangenomen worden , blijkt uit een 
onderzoek van den aard des bewustzijns zelf, zoowel van 
het praktische als van het theoretische bewustzijn. Want 
beide zijn van normatieve natuur. Het theoretisch bewustzijn 
is evenzeer norm-bewustzijn als het praktische. Wij er- 
kennen de stelling van Pythagoras als waar. Wij achten 

28 



434 DE WEG TOT DE IDEE. 

de stelling , dat de hoeken van een driehoek te zamen zoo 
groot zijn als drie rechte en dat zij samen zoo groot zijn 
als twee rechte met elkaar in strijd: noch waarheid noch 
strijdigheid ware mogelijk, zoo niet het theoretisch bewust- 
zijn norm-karakter had. 

Nu dan : een denken dat niet op zich , maar op 't objekt 
gericht is, kent slechts feitelijkheid, en heeft geen norm- 
karakter. Buiten verband met het subjekt beschouwd, ob- 
jektief genomen, zijn medelijden en moordzucht gelijkwaardig; 
zij zijn beide „feitelijk" en niets meer. „Twee maal twee is 
zeventien" is een meening die, als zij voorkomt, even feitelijk 
is (vergissing, rekenfout) als „twee maal twee is vier". Of dui- 
delijker: dat zeventien maal zeventien honderd negen en 
zeventig is, kan gemeend worden en is alsdan een even feitelijke 
meening als dat zeventien maal zeventien honderd negen 
en tachtig bedraagt. Tegenstrijdigheid , onwaarheid is slechts 
op grond van norm-bewustzijn mogelijk. Piet heeft Paul 
bestolen is, objektief beschouwd, van gelijke waarde als 
Piet heeft Paul gezegend. Malaise en energie staan als 
feitelijkheden gelijk: voor het objektsbewustzijn is geen 
waarde-onderscheid. 

Daar nu het menschelijk bewustzijn normatief van aard 
is, tegenstellingen maakt, en waarheid onderscheidt van 
onwaarheid, moet daaraan ten grondslag liggen een han- 
deling, die niet op het objekt is gericht, maar op het sub- 
jekt; een denken dat niet het andere, maar zich zelf denkt. 

Deze oer-handeling dan is de wortel-handeling, waarvan 
Kant het bestaan vermoed heeft, zonder haar te durven er- 
kennen ^). Zij is de intellektueele aanschouwing als een nog- 



1) In de bekende passage van de Kr. d. r. Vern. Einl. VII, alwaar van de 
„zwei Stamme der menschlichen Erkentnisse" gezegd wordt, dat zij „vielleicht 
aus einer gemeinschaftlichen, aber uns unbekannten Wurzel entspringen." 



DE WEG TOT DE IDEE. 435 

niet onderscheiden eenheid van aanschouwelijke kennis (of 
onmiddelijkheid) enalgemeenheids-kennis(of inteilektualiteit). 
De aanschouwde algemeenheid is niet de abstrakte alge- 
meenheid van het soortgelijke, maar de konkrete algemeen- 
heid van het oorspronkelijke bestaan. Niet het objekt maar 
het subjekt; niet eenig ding maar de Idee. 

Zoo is dan een denken dat zichzelf denkt, mogelijk, ja 
noodwendig als oer-handeling of fundamenteele handeling 
des bewustzijns. 

Is dit zekerlijk zoo? Dat wij de oer-handeling uitvoeren 
is zeker; maar het kon zijn dat zij alleenlijk implicite uit- 
voerbaar ware , d. i. als veronderstelde kern van het nor- 
matieve denken , en niet afzonderlijk. Dan strekte de oer- 
handeling tot het praktisch effekt der waarde-onderscheiding, 
maar een weg tot erkenning der Idee ware zij niet. Zij 
ware slechts in het waardebewustzijn aanwendbaar, gelijk 
ook de verstandskategorie geen andere werking heeft dan 
in toepassing op de ervaring. 

Dat echter de oer-handeling niet slechts in deze ver- 
heimelijking en dienstbaarheid werkt, maar zijn eigen wer- 
king uitoefent en dus een weg des denkens tot de Idee is, 
blijkt reeds uit het feit der erkenning van het transcendente. 
Het feit van den godsdienst is hier bewijs genoeg. De 
drang naar het transcendente zou niet mogelijk (laat staan 
onuitroeibaar!) zijn, zoo niet een „orgaan" voor het trans- 
cendente bestond ; d. i. zoo niet in den aanleg van ons be- 
wustzijn een diepste handeling ware, die naar het tegen- 
gestelde der ervaring is heengericht. Het begrip van het 
transcendente zou nooit zijn opgekomen. 

Dit bewijs voor de mogelijkheid van een denken dat zich 
denkt, als zelfstandige handeling des geestes, is een bewijs uit 
het ongerijmde : een rechtstreeksch bewijs moet hierin bestaan 



.436 DE WEQ TOT DE IDEE. 

dat het begrip van dat denken zelf naar zijn inlioud ontwilc- 
keld wordt; want daarin biijkt dit denken als mogelijklieid. 
Hoe zouden wij een denken begrijpen zoo liet niet mogelijk 
ware? 

(VI— VII EEN DENKEN DAT ZICHZELF DENKT, NAAR ZIJN INHOUD). 

VI. Wij hebben een denken dat zichzelf denkt als oer- 
handeling van het menschelijk bewustzijn begrepen: begrijp 
nu deze oer-handeling naar haar inhoud. Deze inhoud is de 
Idee. Als hoedanig wordt in een denken dat zichzelf denkt 
de Idee gedacht? 

Wat is het „zich" in een denken dat „zich" denkt? Niet 
zoo maar de verrichting van het denken zelf. „Ik denk" — 
dit is een psychische verrichting, een empirische werk- 
zaamheid. Evenals: ik fantaseer, ik geniet, ik droom, 
zulke verrichtingen zijn, is ook een denken een psychische 
verrichting. Wanneer nu een denken zich denkt, overdenkt 
het dan de psysiche verrichting, de empirische werkzaam- 
heid van te denken? Ware dit het geval, dan beklom zoo'n 
denken dat zichzelf denkt, een eindelooze ladder, of geraakte in 
een eindeloos wisselspel van kaatsen en terugkaatsen. Immers, 
wanneer een denken (ö) in dien zin zich {b) denkt, dan ware dit 
„zich" {b) een denken dat opnieuw tot zich {a) terugkeert enz. 
De uitslag van dit krijgertje spelen kan niet afgewacht. Er zou 
inderdaad een eindelooze werkzaamheid moeten verricht wor- 
den, om deze handeling uit te voeren. Het lijkt op dien schilder, 
die een schilder schilderde, welke bezig is met het schilderen 
van een schilderenden schilder. Een zoodanig denken denkt 
niets , en het is beter daarmee niet aan te vangen ^). In den 
Charmides voorziet Plato de moeilijkheden verbonden aan 
een begrip van een weten des wetens, en wijst dit begrip 

1). Cf. Schuppe Grundriss d. Erkenntniss-theorie u. Logik. Berlin 1894 §27 
••■„dds Gespenst der steten Wiederholung der Reflexion des Ich auf sich selbst." 
Spinoza Ethica II Prop. XXI Simulac enim quis aliquid scit etc. 



DE WEG TOT DE IDEE. 437 

■* 

af door verwijzing naar de onbestaanbaarlieid van een zien 
dat niet de l<leur, maar het gezichtsvermogen zelf tot objei^t 
had , of een hooren dat het hooren hoorde en niet het geluid ^). 

Een denken als denkverrichting is een psychisch ver- 
loop, een objektieve toedracht, een ervaarbare gesteldheid, 
zooals deze door het bewustzijn wordt voorgesteld , even 
objektief als een materieel proces, hoezeer dan ook van 
psychischen aard; geheel en al verschijning, en tot de 
verschijning behoorende. De óenkverrichting is hei gedachte 
denken, evenals elk verschijningsverloop een objekt van 
denken en dus een gedacht verloop is. 

Maar het „zich", waarvan de oer-handeling weet, is het 
denkende denken; niet een verloop of toedracht, maar prin- 
ciep, grond van denken zelf; niet resultaat maar uitgangs- 
punt, subjekt. Een denken als gedacht denken is een objektief 
verloop — een denken als denkend denken is subjekt. [Het 
subjekt is niet een substantie of Ding dat denkt, Cartesi- 
aansch; maar het is de Daad van het denken zelf: het 
denkende Denken]. 

Een denken dat zich denkt, denkt zich als denkende 
Denken (Idee); d. i. als vrij van alle objektiviteit, ervaar- 
baarh^id, empirisch karakter, vrij van alle psychologie, 
want vrij van alle gedachtheid. Het denkende Denken is niet 
de individualiteit, want deze is een ervaarbare gesteldheid, 
en dus een empirische bestaanswijze van den geest. Het 
denkende Denken is het subjekt als zoodanig, in zijn strikt 
zuivere en oorspronkelijke Algemeenheid. 

Het denkend Denken is de Idee of Geest (Wereldrede, 
Wereldprinciep). Een denken dat Zich denkt, aanziet het 
Wereldprinciep. Een denken dat tot Zich terugkeert, komt 
niet tot zijn verrichting maar tot den wereldgrond. 

1). Charm. 167. 



438 DE WEG TOT DE IDEE. 

Men zal te berde brengen , dat nu eerst recht de on- 
uitvoerbaarheid van dit denl^en blijkt; immers, zoodra de 
Idee inhoud van ons denken is, is zij een objekt dat ge- 
dacht wordt, en niet het subjekt meer. Een denken dat 
Zich denkt, is dus toch geen weg om van de objekten- 
wereld (de ervaring) af te komen. Het subjekt, als uitgangs- 
punt van denken, is in dit denken voorgoed verlaten, want 
gij zijt ervan uitgegaan. 

Deze redeneering echter is niet meer houdbaar dan de 
objektivistische beschouwingswijs, waarvan zij deel uit- 
maakt: leert het objektivisme dat wij slechts met feiten en fei- 
tenverband te doen hebben — het denken zelf weerlegt deze 
theorie elk oogenblik door bevestiging en ontkenning, welke 
beide een overschrijding zijn der objektiviteit van feit en 
feitverband. In elke bevestiging en ontkenning is een an- 
dere dan de objektiveerende kenhandeling aangewend. 
Toch is in genoemde oppositie op een belangrijk punt 
in het Idee-begrip gewezen. 

Immers, al is* het waar, dat wij het subjekt kunnen 
denken , het is ook waar dat wij , op elk oogenblik dat wij 
het subjekt denken, het subjekt objektiveeren en dus niet 
meer denken ; het verdwijnt zoodra het is gedacht ; ja maar 
om op nieuw gedacht te worden en te verdwijnen. Ten 
onrechte maakt men hieruit op, dat het niet gedacht wordt. 
Het verdwijnen is echter een ander opzicht van het Idee- 
begrip dan het gedacht-worden ; het is niet een o/zfkenning 
der Idee, maar een erkenning aangaande haar inhoud: de 
Idee is naar haar inhoud Mysterie. Het subjekt verdwijnt 
eerst zoodra wij zijn inhoud overdenken, overwegende 
hoedanig het is. Het feit van het subjekt is onwegdenkbaar. 

Het Mysterie is niet een negatieve onkenbaarheid , zooals 
Kant's Ding an Sich, waarbij met de onkenbaarheid van 
den inhoud niet slechts de kenbaarheid, maar ook de er- 



DE WEG TOT DE IDEE. 439 

kenbaailieid van het heele begrip te niet gaat, en van in- 
houdsbegrip tot inhoudloos grensbegrip verijlt. Het Mysterie 
is een positieve onkenbaarheid; zoodat het Mysterie-begrip 
een positieve aanwijzing van de Idee is. 

Een denken dat Zich denkt, heeft dus een weg afgelegd 
tot een ander Zijn dan der ervaarbare wereld : uit het denken 
zelf is nu dit andere verzekerd, en het is niet meer voor- 
werp van vrome wenschen. De Idee is de waarheid aller 
werkelijkheid, de waarheid der verschijning, de waarheid 
der ervaringswereld; en de wijsbegeerte heeft aan de er- 
varing de organisatie , d.i. het systeem , der Idee te ont- 
wikkelen. Dit zal het stelsel der waarheid zijn. 

Wordt nu de oer-handeling door lederen mensch her- 
haaldelijk implicite uitgevoerd — de wijsgeerige bezinning 
voltrekt haar met helderen toeleg en klaar inzicht. De wijs- 
geer weet wat hij doet. Om tot het stelsel zijner filosofie 
te komen bezint hij zich op zijn denken zelf. 

Deze handeling is de strikte lijn der waarheid ; de smalle 
weg der wijsbegeerte, gelijk ook het geloof zijn smallen 
weg heeft; de enkelvoudige daad der zelfkoncentratie; de 
wederkeer des geestes uit het schitterende en verblindende 
velerlei der zinnenwereld tot de eenheid van het Princiep. 
De filosofie met al haar samengesteld en zich vertakkend 
ragwerk van overweging veronderstelt deze zuivere enkel- 
voudigheid in aanvang, deze van de wereld afgewende 
oer-handeling onzes geestes: de erkenning der Idee, 

Het realisme begint bij de veelheid en het velerlei der 
ervaring en komt nooit tot eenheid ; het naief realisme gaat 
zelfs van de zinnelijke ervaring uit om waarheid te vinden ! 
Het idealisme na de onzinnigheid hiervan te hebben aan- 
gewezen , verkondigt zijn rechtten weg tot de Idee , die het 
hart is der werkelijkheid. 



VERWEER 

DOOR 

K. J. PEN. 



Zonder strijd geen vooruitgang. Ook tot de ontwikkeling 
der wetenschap behoort de strijd, als redetwist, en eerst 
als de wetenschap ophoudt, is 't ook met den redetwist 
gedaan. Behoort de pennestrijd tot de wetenschap, dan 
moet hij — dat spreekt haast van zelf, zou men zeggen, — 
wetenschappelijk, zakelijk zijn; zaak en persoon dient men 
scherp te scheiden. Dit is echter betrekkelijk juist, want de 
zaak is niet zonder de persoon: zij is uit den schrijver 
voortgekomen , die zich zelf in de zaak heeft gelegd. Wie 
zoo zakelijk mogelijk is, is toch in aanleg persoonlijk, en 
noemt de beoordeeling de eene of andere opvatting plat, 
en een inhoud onzin, dan kan de schrijver terecht aannemen, 
dat de beoordeelaar hem, al is 't niet uitgesproken, min 
of meer plathoofdig vindt. 

Toch is er weer persoonlijk en persoonlijk. Het gaat de 
wetenschap niet aan , of een schrijver een onzelfzuchtig 
eerlijk man is, wien de zaak alleen, voor zoo ver dit mo- 
gelijk is, ter harte gaat, dan wel een met allerlei bijoog- 
merken werkend eerzuchtige, die meent, dat zijne bijzon- 
derheid de spil moet zijn, waar het algemeene om draait; 
nog veel minder heeft zij er mee te maken , hoe hij zich 



VERWEER. 441 

buiten de wetenschap in zijn bijzonder leven gedraagt; be- 
treedt hij deze gebieden, dan wordt de strijd onwetenschap- 
pelijk persoonlijk. Voor de wetenschap geldt alleen wat in 
haar voor den dag komt; waarom 't zoo gedaan werd zal 
in 't tweede geval de zoo gaarne moralizeerende , dadelijk 
minwaardige beweegredehen vooronderstellende kleinzielige 
nijd ras ontdekken , en in 't eerste geval is de goede wil 
en bedoeling, hoe lofwaardig op zich zelf, nog niets. Is 
echter de inhoud van een geschrift armoedig, dan heeft de 
critiek den duren plicht dat openlijk uit te spreken, zonder 
aanzien des persoons. Dit laatste acht men zeer ten onrechte 
ook wel „persoonlijk", doch 't is 't noodzakelijk , door de 
zaak meegebracht persoonlijke. 

Zoo is er dan , om vooruit te komen , geen beter gave 
van God dan een flink vijand; wanneer iemand tegen de 
wijsheid in 't krijt treedt, is dat voor haar een geluk te 
noemen, want het juiste in de polemiek wordt dankbaar 
aanvaard, en het verkeerde laat men liggen. Doch er is 
onderscheid. De wijze , waarop de polemiek de te bespreken 
punten heeft aangevat, en over de zaak hare meening uit- 
eenzet, doet al gauw den maatstaf aan de hand, waarmede 
zij zelf is te meten: wie oordeelt, stelt zichzelf ten oordeel ! 
Zijn de vraagpunten juist begrepen , heeft de tegenpartij 
zich op het standpiyit van den verdediger kunnen plaatsen 
en door ontwikkeling van diens onderstellingen het stelsel 
van binnen af uiteengewerkt , of de onhoudbaarheid van 
bepaalde deelen aangetoond, dan is daardoor juist de weg 
gebaand tot een nieuw en hooger standpunt, tot een betere 
opvatting. Zoo doet de vruchtbare, zakelijke, vernietigende 
èn opbouwende polemiek, — die evenwel weinig voorkomt. 
De tweede, in de wijsbegeerte meest gewone, stelt zich 
niet op 't standpunt van den aangevallene , midden in diens 
sterkte, maar begint, zonder zijne tegenpartij te hebben 



442 VERWEER. 

doorzien , van uit eigen stellingen in 't wilde weg te scher- 
men met allerlei aanhalingen , met min of meer weten- 
schappelijk en geleerd gebaar met 't oog op de tribune , 
en doet denken aan een tweegevecht op den degen met een 
ouderlingen afstand van een kilometer. 

Hiermede zich bezig te houd'en, is de onvruchtbaarste 
tijdverspilling die er bestaat; en waar de eerste polemiek 
met innige belangstelling wordt ontvangen, hangt 't bij de 
laatste van de plaats af , van waar ze wordt uitgesproken , 
of men zich toch nog daarmede heeft af te geven , dan wel 
of men ze in haar onbenulligheid vergeten kan laten weg- 
slinken. Verschijnt ze in het „Wijsgeerig Tijdschrift", dat, 
naar mijn inzicht, niet maar de plaats kan zijn, waar allerlei 
min of meer wijsgeerig lijkende overdenkinkjes zich mogen 
verheugen in een kortstondige bekendheid onder vriendjes, 
maar krachtens zijne roeping, — waaraan het zich niet kan 
onttrekken , omdat de leiders van het „Tijdschrift" ook reeds 
voor zich de keuze hebben te doen onder verschillende 
stukken — een openlijke gezaghebbende rechtbank is, of er 
anders toe moet worden gemaakt, dan zal het niet-weer- 
spreken de goede zaak schaden , want zoo'n polemiek heeft 
van daar door hare plaats reeds invloed , en de menschen 
nemen aan op gezag, — ten kwade en ook ten goede. 

Wanneer men dan de verdrietige er^ ondankbare taak op 
zich neemt, dergelijke de zaak niet rakende polemiek in 
hare armzalige machteloosheid op de kaak te stellen, zou 
men gaarne zich daarvan ontslagen willen zien, als men, 
aangetoond hebbende, dat de schrijver zijne tegenpartij 
noch zich zelf verstaat , hem met een of anderen behar- 
tenswaardigen wenk naar huis kon zenden. 

Doch deze manier gaat alleen op, als 'tonder vieroogen 
wordt afgehandeld. 

Staat 't woord op 't papier, dan is het gemeen goed 



VERWEER. 443 

geworden en niet meer van den schrijver: de eigen, of 
aan leidslieden ontleende redeneeringen worden weer wa- 
pens in de hand van derden, die met „onweerlegde argu- 
menten", al komen ze niet uit eigen arsenaal, zelfs al 
weten zij ze zelfs in 't geheel niet te hanteeren, graag brallend 
optreden. Zooals hij dus verdient, mag hij niet eens worden 
behandeld: hoe stumperachtig hij ook is, hij moet voor vol 
worden aangezien , en — waar hij , die leeraren wilde , 
volstrekt geen recht op had, — hij krijgt gelegenheid om 
te worden ingelicht; want de verdediger kan dan alleen 
rekenen op aandacht bij de lezers, wanneer deze ook iets 
meer vernemen dan louter terechtwijzigingen ; mogelijk dat 
zoo door het kwaad iets goeds wordt uitgewerkt. 

In de „Beschouwingen over de schoolsche logika bij 
Hegel en bij de nieuwere Duitsche logici" (blz. 271—315 
van dit Tschft.) hebben we 'n dergelijke polemiek: zij heeft 
de strekking te moeten aantoonen , dat met Hegel niet 't 
laatste woord gezegd is in de wijsbegeerte (vgl. 272), dat 
daarom de Nieuw-Hegelianen, die op de hoogte van hun 
tijd willen zijn, een dieper ingrijpende omwerking dienen 
te leveren (vgl. 283), terwijl de schrijver, die bij geduldige 
en doorzettende studie naar eigen getuigenis Hegel niet zoo 
onbegrijpelijk vond (vgl. 278), een hooger, of dieper, in- 
zicht heeft opgedaan bij „hedendaagsche richtingen van 
wijsgeerig denken" (272), onder welker vertegenwoordigers 
in 't bijzonder Christoph von Sigwart verre boven Hegel is 
te verkiezen (283). 

Dat de wijsbegeerte van Hegel , zooals ze is neergeslagen 
in de gezamenlijke werken, niet het laatste woord der wijs- 
heid zou zijn, en er onderscheid te maken valt tusschen 
de letter en den geest, wist Hegel zelf reeds heel goed: 
„Niemand kan over zijn tijd heenspringen : de geest van 
„zijn tijd is ook zijn geest" (XIV: 242); „Wat het individu 



444 VERWEER. 

„betreft, is.... ieder een zoon van zijn tijd, zoo is ook 
„de wijsbegeerte haar tijd in gedachten neergelegd" (VIII: 
18); „De enkeling mag zich opblazen, zooveel hij wil, hij 
„kan niet waarlijk boven zijn tijd uit, zoo min als uit zijne 
huid" (XIII: 59); „geen wijsbegeerte [gaat] boven haren 
„tijd uit (XV: 618), „ieder enkeling is de zoon van zijn 
„volk en tegelijk.... de zoon van zijn tijd" (IX: 65); 
„Hoe zou ik kunnen meenen , dat de methode, die ik in 
„dit stelsel der logika heb gevolgd, — of liever die dit 
„stelsel in zich zelf volgt — niet nog voor veel vervol- 
„making, veel doorwerking in afzonderlijkheden vatbaar is, 
„maar ik weet meteen , dat ze de eenige ware is" (III : 39). 
Wie de wording van de logica heeft nagegaan van de door 
Rosenkranz besproken eerste opvatting van de logika als 
een stelsel van driehoeken, door de „Propaedeutik", de uit- 
gaven der „Groote" en die der „Kleine logika" heen , weet , dat 
dat lang niet zonder ingrijpende veranderingen is geschied, 
en een week voor zijn dood schreef Hegel aan 't einde van 
de voorrede tot de tweede uitgave van de Groote logika, 
dat hij gaarne voor een werk als deze moderne logika den 
vrijen tijd had willen hebben haar zeven en zeventig maal 
door te werken (Vgl. III : 23). Daarom is ze echter niet uit den 
tijd. Oogenschijnlijk lijkt het een bezwaar, in de wijsbegeerte 
der natuur bij oppervlakkige kennismaking het meest geuit, 
dat de natuurwetenschappen in 1830 lang niet zoo ontwik- 
keld zijn als in 1907; daar het in de wijsheid niet dadelijk 
over feiten , maar over kategorieën gaat , en 't om inzicht , 
niet om kennis is te doen , weegt dit veel minder dan men 
zoo wel denkt, en de hoofdidee staat onaangetast; in 't 
bijzonder is voor eene „diepere" omwerking der logika, die 
veroorloven zou , de oude onbestudeerd te laten, voorshands 
zeker geen reden , integendeel : èn wijsbegeerte der natuur èn 
„hedendaagsche richtingen van wijsgeerig denken" (272) 



VERWEER. 445 

hebben nog het eerste besef van redelijkheid daarin op te 
doea, en nergens anders; om dit aan „hedendaagsche men- 
schen" onder 't oog te brengen wordt dit stuk geschreven. 

Het woord van Rickert, dat de schrijver in 't begin 
aanhaalt , en waarmede hij , in verkorten vorm , zijn stuk 
besluit (273 en 315), leert ons hem kennen als iemand, die 
niet alleen doet aan theorie der kennis, — waarom niet? — 
maar er op dóód blijft: „De moed des wetens is ons nu 
„eenmaal gebroken , althans de moed in dien zin , als Hegel 
„hem bezat. Kennis-theorie is voor ons een gewetenszaak 
„geworden, en we willen naar niemand luisteren, die ver- 
„zuimt zijn gedachten door haar te rechtvaardigen. Mis- 
„schien zal dit aan latere — en gelukkiger — tijden voor- 

„komen als een teeken van zwakte ! Ook onze weg 

„moet ten slotte tot een omvattende levens- en wereld- 
„beschouwing leiden. Dit is een taak, waaraan geen tijd 
zich mag onttrekken" (273). 

Wat hebben we aan de theorie der kennis? 

Toen, dadelijk bijna, na Kant als datgene, wat de ver- 
nielde metaphysika en de onttroonde logika, die zich verder 
alleen met waardeloosheden mocht bemoeien, terecht moest 
bevatten de logika van Hegel kwam , die in zijn en wezen , 
en begrip, — ontologie en logika in éénen was; toen als 
vervulling van de belofte der Kritiek der zuivere Rede 
het Stelsel der zuivere Rede , waarvan Kant spreekt , was 
ontbloeid , hebben de zwakken , tragen en kleinmoedigen 
de zevenmijlsstappen van den geest niet kunnen bijhouden; 
ze zijn 't spoor bijster geraakt en na eenig gedwaal hebben 
ze den kreet geslaakt van „terug naar Kant!", om verder 
eene afwachtende houding aan te nemen. Al ging men dus 
niet geheel tot Kant terug , al was die kreet meer een ver- 
zuchting in den nood dan eene aansporing tot een werke- 
lijken terugtocht, aan den anderen kant werd zelfs veel 



446 VERWEER. 

van het oude voorkritische denken weer levend: men kon 
niet mee, men wilde niet terug en heeft daarvoor een 
woord gevonden als leuze voor zijns gelijken. „Gewoonlijk," 
zegt Hegel (XI : 54), „wanneer de menschen een inval 
„krijgen, dien ze voor erg verstandig houden, zijn ze er Ifet 
„ergst aan toe, en de voldoening bestaat daarin, dat ze 
voor hunne dwaasheid en onwetendheid eene voortreffelijke 
„wending hebben gevonden. In het algemeen zijn ze onuit- 
„puttelijk in wendingen, wanneer het er op aankomt, hun 
„geweten te sussen vanwege hunne traagheid en zich van 
„zaak af te maken." Een van die draaien, van die leuzen 
is in de wijsbegeerte het woord „kennistheorie." Kennis- 
theorie wil niet meer onbevangen eene Kantiaansche kritiek 
der rede zijn , wil ook niet flinkweg of „stormenderhand" (274) 
het hoogste grijpen en wetenschap van het weten, het op 
zich zelf gerichte of (o, schrik!) absolute weten heeten: de 
kennistheorie is tusschen de kritiek en het weten bij de 
pakken gaan neerzitten. 

Aanknoopende aan de gewone voorstelling zullen we, 
waar het denken eene onderstelling vormt over eenige wetten 
te zamen, zoo'n onderstelling eene theorie noemen; overal 
waar men van theorieën spreekt, heeft men vermoeden 
v|n samenhang, dien men bij gelegenheid door proeven 
tracht aan te toonen. Kennistheorie is als theorie, — en 
nog niet weten — der kennis, nog niet de ware kennis 
der kennis, maar een met subjectief acceftt geuit vermoeden , 
eene vermeende kennis der kennis; een van vooronder- 
stellingen uitgaand in den blinde tasten naar het , ware , 
wat ze niet kan krijgen : wat ze zich dus verbeeldt te weten , 
is geen kennis der ware kennis. Dat dergelijke jacht naar 
een onmogelijk iets, juist daardoor zelf een onmogelijk 
iets, de leege ijdelheid zelf is, zegt ze zich echter niet. 
Integendeel: bij allen deemoed in de benaming steekt, ge- 



VERWEER. 447 

lijk bij meer openlijke nederigheid, de aanmatigende hoog- 
moed in 't stemmige kleed, want: haar nederige „theorie" 
is eerst je. ware „kennis" ; de ongegronde vooronderstellingen , 
de kategorieën, die ze zonder dat ze zich daarvan bewust 
is, meebrengt bij haar geredeneer, zijn vastheden, waaraan 
zich vast te klampen ze zich tot een gewetenszaak maakt. 
Toch heeft reeds Kant, op wien ze zich zoo gaarne be- 
roept, gezegd, dat de wijsbegeerte geen vaste vooronder- 
stellingen kan hebben; ieder afzonderlijk vak van weten- 
schap heeft ze , zelfs de zoo zeer om hare klaarheid geroemde 
wiskunde stelt het niet buiten hare axiomata. Eerst de 
wijsbegeerte maakt ze doorzichtig en bewijst ze door die 
kategorieën hare plaats in 't denken te geven (K. Log. § 121 
Toev.). Ze hebben daar hun betrekkelijk recht, waar men op 
ervaring uit is, bijzondere vakken heeft, maar niet in 't wéten ; 
theorie is voor het weten eene voorloopigheid : wie weten 
heeft, heeft de theorie niet noodig, al heeft men kennis 
van theorieën gebruikt om tot weten te komen. 

Al hebben ze dus theorie, en niet kennis, de ware 
theorie hebben ze niet eens: de ware theorie is de eigen 
theorie der waarheid, de zelfbeschouwing der waarheid, 
die zelfkennis van het weten is: de ware theorie is geen 
theorie meer. 

Ook de mensch , die zich te midden van de onwaarheden 
zoo behaaglijk voelt, heeft in zijne betere oogenblikken een 
gevoel voor het ware hoogere. Dat religieuze gevoel, dat 
Kant het ideaal liet opstellen, hebben zij voor het stelsel. 
Nu is het weten wezenlijk stelsel; ontkenning hiervan kan 
alleen komen van de zijde van het op zich zelf gestelde 
ijdele subjectieve denken, want bij bevestiging heeft het 
zijne subjectiviteit op te geven; daarom heeft de kennis 
theorie het stelsel als — „ideaal". „Systeem , stelsel , dit is 
„ten slotte, wat als ideaal allen wetenschappelijken arbeid 



448 VERWEER. 

„moet bezielen. De vraag, aan welke eischen onze weten- 
„schappelijke redeneeringen moeten voldoen; een onderzoek 
„naar ons oordeelen , moge onontbeerlijk zijn — het ideaal 
„van een gesloten stelsel moet ons even goed voor den 
„geest staan, wil alle wetenschappelijke arbeid niet ijdel 
„worden. Even goed als in de ethiek het plichtbesef eener- 
„zijds een punt van uitgang vormt, maar ze toch anderzijds 
„het begrip van een Hoogste Goed tot aanvulling behoeft, 
„aldus ook verlangt onze logika het Ideaal des Systeems" (273) 

Een stelsel, dat buiten de logika staat, is onlogisch ; verlangt 
deze evenwel het stelsel als aanvulling, dan voelt de logika 
dat ze zelf een onwetenschappelijke warwinkel is, en dat in 
't stelsel, om het werkelijk te maken, logika moet zijn: de logika 
is een halfheid en onwerkelijk is het „Ideaal des Systeems". 

„Ideaal des Systeems". Prachtig juist uitgedrukt: daar 
't ideaal is, zullen ze het nooit krijgen, want een bereikt ideaal 
is ideaal èf; nog erger: een streven naar dat ideaal, dat tot 
bereiken zou leiden, zou de kennistheorie tot weten willen 
maken , en de kennistheorie zou zich zelf vermoorden : daarom 
moet het ideaal een schoone droom blijven, want 't is een 
ideaal als een hongerige wolf dat is voor een schaap , of 
een graf voor een man der kennistheorie. Die vurige geest- 
drift voor 't ideaal , „waaraan geen tijd zich mag onttrek- 
ken" (273) , is dus theoretische huichelarij ; voor zoover de 
„hedendaagsche denkers" simpel genoeg zijn om het pro- 
gram te gaan uitwerken (315) zijn ze als de stomme dieren 
des velds, die bij den leeuw op bezoek gingen, en niet 
meer terugkwamen, omdat hij ook . . . 'n aanvulling noodig had. 

„Ideaal des Systeems". „De wijsbegeerte slooft zich niet 
„af met zulke leegheden, die alleen aan de overzijde zijn" 

„(K. Log. § 94 Toev.) „Het is juist deze verhou- 

„ding der wijsbegeerte tot de werkelijkheid, die de 
„misverstanden betreffen, en ik keer hiermede tot datgene 



VERWEER. 449 

„terug , wat ik te voren heb opgemerkt , dat de wijsbegeerte , 
„wijl ze het doorgronden van het redelijke is, juist daar- 
„mede het grijpen van het tegenwoordige en werkelijke, 
„niet het opstellen van iets aan den overkant is, dat God 
„weet waar moest zijn — of waarvan men inderdaad wel 
„weet te zeggen, waar het is, nl. in de dwaling van een 
„eenzijdig, leeg geredeneer" (VIII : 16). — „De waarheid 
„is geen hersenschim .... Het ware ideaal móét niet wer- 
„kelijk zijn, maar is werkelijk en alleen het werkelijke; als 
„eene idee voor het bestaan te goed moet zijn , dan zou 
„dat veeleer een gebrek van het ideaal zelf zijn, waarvoor 
„de werkelijkheid te goed is.... Wat werkelijk is,isrede- 
„lijk" (XIV: 241— 2). 

Aan 't standpunt zijn echter, zooals ze zeer goed voelen, 
voordeelen verbonden; het weten is één, en de dood van 
alle meening, maar de theorie laat speelruimte voor „eigen" 
opvattingen : welk geleerde broedt niet gaarne een theorietje 
over eigen vak uit, waarmede hij wat bijzonders, al is het ook 
eene bijzondere domheid, voor den dag brengt, en welkNieuw- 
Kantiaan heeft niet zijne eigen meeningen, die hij zich niet kan 
laten nemen omdat er anders niets van hem zou overblijven? 
Zelfs meent men allen vooruit te zijn door te beweren, 
dat ieder slechts een eigen kijk kan hebben , „theoretisch" 
eenzelvig moet zijn: solipsisme. Dit is niet zonder zijne 
aanleiding, maar vindt zijne waarheid en zijn einde reeds 
in het woord; daarom is het solipsisme een uiting van in 
zijne ontwikkeling gestuit denken. 

Daar een kennistheoreticus niet kan weten, en toch' wil weten, 
moet hij waar hij over iets zijn oordeel heeft te vellen, in 
geleerd bargoensch de manier van zeggen beoefenen, die 
de oude loods Hallema bij Weruméus Buning heeft: als 
men hem vraagt of 't goed weer zal zijn , is 't best mogelijk , 
dat we 't mooie weer nog een tijdje mogen houden , maar 

29 



450 VERWEER. 

't kan even goed wezen, dat 't omslaat, en bi] elke voor- 
komende vraag op den man af, houdt hij in zijne half- 
slachtigheid een slag om den arm. „Het hoogst bereikbare 
„is de waarschijnlijkheid" is het shibboleth van deze mo- 
derne halfheden. 

Als staaltjes van de wijze waarop zoo'n weet-niet met 
zijne woorden , di» gedachten moeten uitdrukken, omspringt, 

neme men eens de volgende monstertjes van zuivere 

fijne zegging: 

„De gedachte, dat ieder ding is, wat het is, of in 't prin- 
„cipium contradictionis (als Hegel het noemt, § 119 al. 4) 
„uitgedrukt, dat een ding geen tegenstrijdige eigenschappen 
„kan bezitten , schijnt in eenige zeer fundamenteele begrippen 
„te worden weersproken. Reeds Zeno van Elea betoogde, 
„dat een vliegende pijl zich in rust moet bevinden. En sinds 
„Kant ons de moeilijkheid van het begrip verandering, of 
„liever van de daarmee samenhangende moeilijkheden van 
„de oneindig-deelbare en oneindig-uitgestrekte ruimte en 
„tijd door zijn antinomieën weer heeft ingeprent, zullen 
„we dit niet spoedig weer vergeten" (292 — 3). 

„De gedachte, dat ieder ding is, wat het is schijnt 

„in eenige zeer fundamenteele begrippen te worden weer- 
„sproken." 

Zonder ons te stooten aan de barbaarschheid een begrip 
een ding te noemen, vragen we: Is er nu weerspreking, 
of is er géén weerspreking? 

„Reeds Zeno van Elea betoogde, dat de vliegende pijl 
„zich in rust moet bevinden". „Betoogde". Te récht of ten 
onrechte ? 

Hegel: „De beweging is de bestaande tegenstrijdigheid" 
(IV : 67). 

En wat zal de theorie der kennis niet weer zoo gauw 
vergeten? Dat haar door Kant iets is ingeprent? Dat er 



VERWEER. 451 

antinomieën zijn en dat Kant hierin gelijk heeft, of dat het 
een dwaalbegrip van hem is? 

Hegel : „Kant's dialektielc in de antinomieën der zuivere 
„rede verdient .... wanneer ze nader wordt beschouwd .... 
„geen grooten lof" (111:41); „de antinomieën der rede van 
„Kant zijn niets anders, dan dat uit een begrip eerst de 
„eene bepaling daarvan ten grond wordt gelegd ; de andere 
„maal echter even zoo noodzakelijk de andere" (V:125); 
„ . . . . de bewijzen, die Kant voor zijne stellingen en tegen- 
„stellingen aanvoert [zijn] als louter schijnbewijzen te be- 
„schouwen, daar datgene wat moet worden bewezen , altijd 
„reeds in de vooronderstellingen is vervat, van welke 
„wordt uitgegaan" (K. Log. § 48 Toev.). Dit voor hem, 
die zich dóór de „bewijzen" van Kant, die uitvoerig worden 
behandeld in 111:208 — 220, mocht overtuigd voelen. 

Maar al deugen de „bewijzen" niet, „die hoofdzaak, die 
„is op te merken, is, dat niet alleen in die vier bijzondere 
„uit de kosmologie genomen onderwerpen zich de antinomie 
„bevindt, maar veeleer in alle voorwerpen van alle soorten, 
„in alle voorstellingen, begrippen en ideeën. Dit te weten 
„en de voorwerpen in deze eigenschap te leeren kennen, 
„behoort tot het wezenlijke der wijsgeerige beschouwing" 
(K. Log. § 48). „In ieder begrip zijn antinomieën, daar het 
„niet enkelvoudig, maar concreet is, dus onderscheidene be- 
„paaldheden bevat, die tegelijk tegengesteld zijn" (XV : 523). 
„Wat de wereld beweegt, is de tegenstrijdigheid" (K. Log. 
§ 119, 2e Toev.). 

Verder zou „ieder ding is, wat het is," hetzelfde zijn als : 
„een ding kan geene tegenstrijdige eigenschappen bezitten." 
Om bij de boven gegeven voorbeelden te blijven : is de 
verandering niet de verandering, al „schijnt" er van tegen- 
strijdigheid sprake te kunnen zijn bij dit begrip? 

Maar dit is eene bewering, die de theorie der kennis 



452 VERWEER. 

zegt ook te hebben gevonden bij Hegel (KI. Log. § 119 
al. 4). — Nu het hier aankomt op het gewoon nauwkeurig 
weergeven van eene gedachte bij Hegel , zullen we de 
sloddervospolemiek in haar slordigheid leeren kennen. 

Men lette op de loopend gedrukte woorden in mijne ver- 
taling, die nu volgt: 

„Terwijl vergeten wordt, dat identiteit en tegenstelling 
„zelf tegengesteld zijn, wordt de stelling der tegenstelling 
„ook voor die der identiteit in den vorm van de stelling 
„der tegenstrijdigheid genomen, en een begrip, waaraan 
„van twee met elkaar strijdige kenmerken geen een of 
„alle twee toekomen , voor logisch verkeerd verklaard , ge- 
„lijk bijv. een vierhoekige cirkel". 

Nu laat ik hierop de vertaling volgen van iemand, die 
geduldig en volhardend alle knoesterige plaatsen in Hegel 
heeft bestudeerd, en er nooit tegen opziet, hier of daar 
eene moeilijke passage zóó voor zich te vertolken (vgl. 278) , 
dat daardoor de voor hem onoverkomelijke hinderpalen 
verdwijnen in ... . onzin van hemzelf : 

„Terwijl vergeten wordt, dat identiteit en tegengesteld- 
„heid (oppositie) zelf tegenstrijdig (lees: tegengesteld) zijn, 
„wordt de stelling der tegenstelling (princ. tertii exclusi) 
„ook genomen als stelling der identiteit, in den vorm der 
„tegengesteldheid (lees : stelling der tegenstrijdigheid) en een 
„begrip, waaraan geen van twee contradictorische keu- 
rmerken of beide toekomen, voor logisch valsch verklaard 
„als bijv. een vierkante cirkel." 

Eerst wordt „tegenstrijdig" gezet, waar „tegengesteld" 
moest staan; dan staat „tegengesteldheid," waar de tekst 
„tegenstrijdigheid" heeft, en „de stelling der tegenstelling" 
wordt „verduidelijkt" door „(princ. tertii exc.)"! 

Is tegengesteld en tegenstrijdig 't zelfde, of is het wat 
anders ? 



VERWEER. 453 

Hegel: „De bepaling der tegenstelling is eveneens tot 
„eene stelling gemaakt, het zoogenaamde principium exclu- 
„si tertii. Iets is A of niet A; er is geen derde. 

„Deze stelling bevat ten eerste, dat Alles iets tegengestelds 
„is, iets als positief of als negatief bepaalds. Eene gewich- 
„tige stelling, die daarin hare noodzakelijkheid heeft, dat 
„de identiteit in verschil , en deze in tegenstelling overgaat. 
„Maar men pleegt ze niet in dezen zin te verstaan , doch ze 
„moet gewoonlijk zooveel beteekenen als dat aan een ding 
„van alle gezegden of dit gezegde zelf of zijn niet-zijn toe- 
„komt. Het tegengestelde beteekent hier slechts het ontbreken 
„of vereleer de onbepaaldheid ; en de stelling is zoo onbe- 
Jeekenendy dat het niet de moeite waard is, haar te zeggen. 
„Wanneer de bepalingen zoet, groen, vierhoekig genomen 
„worden , — en alle gezegden moeten worden genomen — 
„en nu van den geest wordt gezegd: dat hij zoet of niet- 
„zoet, groen of niet-groen is, enz., dan is dat eene tot 
„niets leidende platheid. De bepaalheid , het gezegde , wordt 
„op iets betrokken; het iets is bepaald, zegt de stelling; 
„nu moet zij wezenlijk dit bevatten , dat de bepaaldheid 
„zich nader bepale, tot bepaaldheid aan zich, tot tegen- 
„stelling worde. In plaats daarvan gaat zij echter in genen 
„trivialen zin van de bepaaldheid slechts over tot haar 
„volstrekt niet-zijn, terug tot de onbepaaldheid (IV : 64—5). — 
„In plaats van volgens de stelling van het uitgesloten 
„derde (dat de stelling van het afgetrokken verstand is) te 
„spreken , ware veeleer te zeggen : Alles is tegengesteld. Er 

„is inderdaad nergens zulk een afgetrokken of — of, 

„als het verstand beweert," staat in dien eigen 11 9^" pa- 
„ragraat in het tweede toevoegsel.... en: 

Tegenstrijdigheid is „tegenstelling in zich zelf" (II : 121). 

Zóó maakt men in zijn waanwijsheid van fijnfe opmer- 
kingen onzin, om eigen onzin door het gezag van een 



454 VERWEER. 

naam te steunen ; als het te pas komt trekt men met eigen 
onzin ook tegen den eigen in Hegel ingesloddervosten onzin 
van leer; zóó vecht rnen dan tegen eigen spookgestalten 
in zijnen door „wijsgeerige" nachtmerries verontrusten 
geestelijken slaap. 

En in dezen trant gaat het door. Bij den invloed , dien 
Hegel zou gehad hebben op de taaistudie , krijgen we weer 
'n orakelspreuk : 

„En ofschoon men gewis meer en meer zal inzien, dat 
„de drieledige taaiclassificatie voorbarig is geweest, en men 
„hier langs empirischen weg verder moet komen . . . . , zoo 
„is het anderzijds toch de vraag .... of men in de Indo- 
„Europeesche linguïstiek het denkbeeld dezer drie stadiën 
„zal opgeven" (277). 

Die classificatie is „voorbarig" geweest: deugde ze nu of 
deugde ze niet? Indien ze niet deugde, waartoe dan niet 
aangestipt, dat het dwaas is, „dat men ze niet zal op- 
geven"? Een van de vóórdeelen van Hegel's stelsel was 
zijn appreciatief , beoordeelend karakter (vgl. 274); prijst 
de kennistheorie dat, wat ze zelf niet heeft? 

Een zelfde doorzichtigheid biedt ons de bespreking van 
Hamilton's logische studiën; bij dezen wordt de sluitrede 
„beschouwd (als bij de oplossing van meerdere algebraï- 
„sche vergelijkingen) als de „eliminatie" van een gemeen- 
„schappelijken derden term, waardoor de beide overige 
„termen met elkander in verband worden gebracht en hun 
„omvangsverhoüding wordt vastgesteld". „Ofschoon het zich 
„niet laat ontkennen", heet het dan, dat het syllogistisch 
„redeneeren in zulk een algebraïsch formuleschrift kan 
„worden omgezet, zoo blijkt deze richting toch overi- 
„gens niets dan een zinledig en overbodig geknutsel te 
„zijn" (283). 

Het laat zich niet ontkennen, dat het kan; de omvangs- 



VERWEER. 455 

verhouding wórdt dus vastgesteld; op blz. 310 echter bij 
de besprelcing van de eerste en derde Aristotelische figuur 
wordt tweemaal gezegd: „indien vergelijking van begrips- 
omvangen mogelijk is". Hier schijnt, kennistheoretisch uit- 
gedrukt, te worden betwijfeld, wat bij Hamilton niet viel 
te ontkennen. (Over „omvang" zie V : 57 !). 

Nu is Hamilton iemand , naar wien tegenwoordig iedereen 
gerust met steenen kan gooien; hij doet toch niets terug; 
maar als je zelf in een glazen huis woont, past dat toch 
niet: het quantificeeren van het gezegde is even dom en 
kortzichtig als het terugbrengen van de oordeelen op identi- 
teit, of van de sluitrede op den grond (284), of van de 
principia der contradictie, der dubbele ontkenning als be- 
vestiging, van het uitgesloten midden, op de ontkenning 
(296—7); of Sigwarfs geknoei op blz. 312 en 313. (Verg. 
Hegel V:55, 136, 141—3.) 
— Het een is al kwalachtiger dan het ander! 
• Hegel had gezegd: „de vorm van den zin, waarin de 
„stelling [der identiteit] is uitgedrukt, is reeds met zich 
„zelf in strijd (lees : hem , den zin , zelf; „Die Form des Satzes 
„widerspricht ihm schon selbst" zegt Hegel , gelijk ten over- 
„vloede al uit den nu volgenden bijzin blijkt; de man ver- 
„staat niet eens het Duitsch ! P.) , daar een zin ook een 
„onderscheid tusschen onderwerp en gezegde doet ver- 
„wachten, deze stelling of zin echter niet volbrengt, wat 
„zijn vorm verlangt" (287; KI. Log. § 115 al. 4). 

Hegel zegt dus, dat een oordeel niet verloopt volgens 
het schema A = A van de wet der identiteit van het verstand. 

Lotze zegt: „alle categorische oordeelen van den vorm 
„S is P (of A = B; P.) zijn valsch en ongerechtigd. Daar 
„nu zulke oordeelen nochtans zeer veelvuldig voorkomen 
„en wij van hun geoorloofd zijn geheel en al overtuigd 
„zijn, zoo kan hunne fout slechts daarin bestaan, dat ze 



456 VERWEER. 

„eene juiste meening formeel onvolkomen uitdrukken .... 
„doordat ze nu eens van het ware subject, dan weer van 
„het ware praedicaat slechts enkele deelen vermelden" (290). 

Lotze zegt dus: ze schijnen A = B, maar in waarheid 
is 't A = A. 

Wat zegt de theorie der kennis daarop? Ja, of neen? 
hou maar! — „Het is mij allerminst in deze uiteenzetting 
„duidelijk, waarom we in het oordeel „goud is geel" er een 
„bezwaar tegen moeten hebben, geel als eigenschap aan het 
„goud toe te kennen.... en hoe dat bezwaar daarentegen zou 
„vervallen , waar deze toekenning .... van een praedikaat 
„tot eene attributieve bepaling is geworden" [Goud is geel 
goud] (291). 

Het is hem „allerminst duidelijk"! Dat zullen velen hem 
kunnen nazeggen, maar we verlangen in iemand, die ons 
wat komt leeren , dat hem de juistheid of onjuistheid van 
iets duidelijk is, niet, dat hij ergens geen begrip van heeft 
gekregen: zoo ver waren we in de wieg ook al! • 

Wat is het oordeel nu toch, in 's hemelsnaam ? A = A 

of A=:B? 

De denkreus Christoph von Sigwart daagt op. Nu zullen 
we 'thooren: de onklaarheden , de nevelen zullen optrekken , 
de sluier zal worden opgelicht! 

Neen, zegt von Sigwart, A = A is volslagen leeg, en 
streng logische identiteit is er daarom niet (296); zinnen, 
die oogenschijnlijk aan den vorm A == A beantwoorden, 
meenen inderdaad met het subjects- en het praedikaats- 
woord iets verschillends: in „kinderen zijn kinderen" is het 
eerste „kinderen" wat anders dan het tweede (296). — Net 
het omgekeerde van Lotze's bewering dus: 

Lotze: A:=A is je ware, maar 't schijnt A:=B. 

V. Sigwart: A == B is je ware, al schijnt 't soms zelfs 
A = A. 



VERWEER. 457 

„Streng logische identiteit is er niet". Hoe streng logisch 
klinkt dat! De identiteit der kennistheorie (291) is dus eene 
identiteit, die zonder een stevige scheut onlogische identi- 
teit niet kan bestaan? Och, zegt v. Sigwart dan, praat 
me toch niet verder over die identiteit; dat wóórd is al 
zoo hm ! zoo afgezaagd : kiezen we liever een an- 
deren term in plaats van den traditioneelen term (293); ik 
stel u voor: „overeenkomst". 

Zoo tracht v. Sigwart ons tusschen de vingers door te 
glibberen; maar we houden hem vast. Is de „identiteit" nu 
overeenkomst, of is ze wat anders? Is ze het wèl; waartoe 

dan een nieuw woord? Is ze het niet, dan ontloopt de 

groote voorlichter de „moeilijkheid", gelijk dat gewoonlijk 
gebeurt, wanneer de ongevormde denkers over een begrip 
spreken; ze denken wat anders dan die kategorie zelf en 
praten er over héén. 

Teleurgesteld keeren we weer terug tot hem , die ons 
voor de identiteit naar Sigwart verwees ; „we weten 't nog 
niet," zeggen we hem. Dan zal hij ons uit de onzekerheid 
helpen op blz. 296: . 

„de uiteenzettingen van Sigv^Siri grenzen voor zooverre 't het 
„ontologische principium identitatis geldt, nauw aan Hegel's 
„beschouwingen" (óf: ze dekken zich vr/yw/ (291)); „alleen 
„opmerkingen van den laatste, als, „dat het principium 
„identitatis, in een zin uitgedrukt, A is A, in strijd is met 
„de eischen van den zin en daardoor zich zelf weerlegt, 
„als ook, dat het principium identitatis en het principium 
„indiscernibilium, „alles is identiek met zich zelf" en 
„„alles is verschillend" met elkaar tegenstrijdig zijn , worden 
„bij Sigwart begrijpelijkerwijze niet vermeld. Anderzijds 
„waarschuwt Sigwart er ons terecht voor om in de ver- 
„standslogika .... het oordeel uit te leggen als eene iden- 
,,tificatie van subject en praedicaat". 



458 VERWEER. 

Vatten we dit eens samen. Sigwart vermeldt niet, dat 
A =: A in strijd is met de eischen van een zin ; we schijnen 
hier, blijkens het woord ,, begrijpelijkerwijze" te kunnen 
mogen aannemen , dat de zin dus loopt volgens de formule 
A = A. Mooi ! Eindelijk een gevoel als van lang ontwen- 
den vasten grond! Doch „anderzijds waarschuwt Sigwart 

„er ons terecht voor het oordeel uit te leggen als eene 

„identificatie van subject en praedicaat". Het schema van 
het oordeel is dus niet A=:A, — en we zitten weer diep 
in den kennistheoretischen modder. 

Aan 't eind zijn we even wijs als aan 't begin! „Begrijpe- 
lijkerwijs" is het oordeel A = A, en „terecht" is het niet 
A = A: men stuurt ons met een kluitje in 't riet! 

Hoe zit 't toch met 't oordeel? is onze vraag nog altijd — 
Misschien dat we von Sigwart te snel hebben verlaten, 
misschien hadden we bij de „overeenkomst" het ware te 
hooren gekregen; vooruit dan ! In plaats van den traditioneelen 
term „identiteit" koos Sigwart „overeenkomst" (293), en nu 
zullen we ons dat principe der overeenkomst eens laten 
verhelderen. 

„Daar het nam. het doel van alle menschelijk [!] denken 
„moet zijn, te komen tot noodwendige en algemeengeldige 
„oordeelen, zal dit slechts bereikt kunnen worden, wanneer 
„bij het tot stand komen der benoemingsoordeelen alreeds 
„bestaat: vooreerst overeenkomst met het taalgebruik; verder 
„overeenstemming in de wijze van waarneming — ; overeen- 
„komst van de individueele, waargenomen zaak met de 
„algemeene voorstelling, door de taal aangeduid. Dit alles 
„is slechts mogelijk, indien er in den menschelijken geest 
„ook een constantie van voorstellingen bestaat, zoodat we 
„een voorstelling van nu voor dezelfde kunnen houden als 

„een voorstelling van vroeger (293—4) „dit principe 

„van de constantie der voorstellingen" zou men „desnoods" 



VERWEER. 459 

„een principe van identiteit mogen noemen" (295) — , en 
van deze vergunning zullen we gebruik maken. 

De overeenkomst is dus .... als er driemaal overeenkomst 
is, en alle overeenkomst hangt af van het principe [van de 
constantie der voorstellingen =] der identiteit, dat ... . „niet 
„tevens de vereeniging van subject en praedicaat in het 
„oordeelen [kan] willen rechtvaardigen" (295). 

Zie zoo ! von Sigwart is huiverig voor de identiteit, spreekt 
daarom over overeenkomst, die geen identiteit is, maar in 
laatsten aanleg hangt zijne overeenkomst af van de weg- 
gemoffelde identiteit .... en daarover spreken de „heden- 
daagsche richtingen" liefst niet meer, dat is tè afgezaagd; 
heeft ze misschien „louter antiquarische waarde" (vgl. 279)? 

Als we 't nu nog niet inzien , hebben we er zeker geen 
gewetenszaak van gemaakt onze gedachten te laten recht- 
vaardigen door de theorie der kennis, en is onze moed tot 
weten, helaas, nog niet gebroken. Daarom pluizen we nog 
even verder; misschien dat we bij het ontologische princi- 
pium identitatis wijzer worden ! 

Bij V. Sigwart is het principium identitatis uiteengevallen 
in een ontologisch princ. identitatis, en in een logisch 
principe van de constantie der voorstellingen, dat als een 
soort identiteits-principe — van wege de afgezaagdheid — , 
minderwaardig is, maar in modernen, meer bespreekbaren 
vorm principe van overeenkomst heet. We zagen immers 
reeds, dat de overeenkomst afhing, hóé hooren we niet, 
maar laat ons zeggen „ten nauwste", of „ten innigste", of 
„in onmiddelijk verband" van het principe van de constantie 
der voorstellingen, dat we „desnoods" een principe van 
identiteit konden noemen. Het principium identitatis bij 
V. Sigwart splitst zich dus in een ontologisch , en in een 
logisch, waarvan de overeenkomst afhangt, en in zooverre 
de overeenkomst het één-zijn van verschillenden is, een 



460 VERWEER. 

uitwendige gelijkheid van onderscheidenen , hebben we hier 
een één-zijn van onderscheidenen, die zelfstandig blijven 
gelden. Bij het ontologische principium identitatis, waar 
't oordeel buiten moest staan (295) , wordt alle verschil 
opgeborgen in het woord „schijn", — en welk beschaafd 
mensch hecht nog aan „schijn"? Jammer is maar, dat die 
schijn schijn is des wezens, wézenlijke schijn, een schijn 
zonder welken het wezen niet het wezen ware. En gelijk 
het wezen schijn is aan 't zijn (de overeenkomst, die niet 
vertoond wordt) is 't zijn aan 't wezen schijn (alle verschil 
is schijn in 't ontologische princ. id.); de waarheid is, dat 
terwijl zijn en wezen beiden schijnen, het het wezen is 
dat in zich schijnt; alles is schijn. 

„Een rechte in 't water gestoken stok lijkt gebroken ; dit 
„kan niet, er is „schijn" in 't spel" (292). Zeker is, dat die 
rechte stok recht is, al schijnt hij gebroken; even zeker 
is 't , dat ons verstand zich zeer verwonderd voelen zou 
(292), wanneer die rechte stok in 't water recht leek; 
dadelijk zouden we zeggen, dat daar iets achter stak: de 
schijn hoort er bij, is wezenlijk, zelfs schijnt op deze wijze 
ons alles, en uit dien schijn maken we het wezen op. 

Den na jaren scheidens ontmoeten ouden vriend zullen 
we voor denzelfden persoon houden, ondanks de ver- 
anderingen (292). Ondanks? Al die veranderingen zijn 
bij een wezen zoo wezenlijk, dat ons verstand aan zich 
zelf zou gaan twijfelen als iemand, dien we als knaap 
verlieten, na jaren nog net zoo'n knaap was. De „schijn is 
„objektief en noodzakelijk" (11:41). 

Wat is nu „dezelfde", de identiteit? Bij de kennistheorie, 
om met Heine te spreken, wacht een gek op antwoord. 

Bij opmerkingen tegen de vermufte logika van zijn tijd 
zegt Hegel: „De eenvoudige grondbepaling of gemeen- 
„schappelijke vormbepaling der verzameling van zulke vormen 



VERWEER. 461 

„is de identiteit, die als wet, A = A, als stelling van de 
„tegenstrijdigheid in de logika van deze verzameling wordt 
„staande gehouden. De gezonde rede heeft haar eerbied 
„voor de school, die in het bezit van zulke wetten der 
„waarheid is, en waarin ze nog altijd worden voortgezet, 
„zoo zeer verloren, dat ze deze daarom uitlacht, en iemand, 
„die volgens zulke wetten waarlijk weet te spreken: de 
„plant is eene — plant, de wetenschap is — de wetenschap, 
„enzoovoort in 't oneindige, voor onuitstaanbaar houdt" 
(III : 18). „Het is van groot gewicht, zich over de ware 
„beteekenis der identiteit behoorlijk te verstaan, waartoe dan 
„voor alles behoort, dat deze niet alleen als afgetrokken 
„identiteit, d.w.z. niet als identiteit met buitensluiting van 
„het onderscheid, worde opgevat. Dit is het punt , waardoor 
„zich alle slechte wijsbegeerte van datgene onderscheidt, wat 
„alleen den naam van wijsbegeerte verdient..,; voor alles.... 
„komt het hierbij daarop aan , de ware, het zijn en zijn bepalin- 
„gen (qualiteit, quantiteit, maat) „als opgeheven in zich 
„bevattende identiteit niet met de afgetrokken, slechts for- 
„meele identiteit te verwisselen. Al die ... . aan het denken 
„zoo menigmaal gemaakte verwijten van eenzijdigheid, 
„hardheid, leegheid, enz. hebben hunnen grond in de ver- 
„keerde vooronderstelling, dat de werkzaamheid van het 
„denken slechts die van het afgetrokken identiek stellen is, 
„en de formeele logika is het zelf, die deze vooronder- 
„stelling van de ... . naar gezegd wordt hoogste denkwet 
„bekrachtigt. Wanneer het denken verder niets ware, dan 
„die afgetrokken identiteit, moest het voor de meest over- 
„bodige en vervelendste bezigheid worden verklaard" (KI. 
Log. § 115 Toev.). Bij opmerkingen tegen de identiteit van 
begrip en object: „Gelijk overal, is de speculatieve identiteit 
„niet die platte, dat begrip en objekt op zich zelf identiek 
„zijn eene opmerking, die dikwijls genoeg is herhaald. 



462 VERWEER. 

„maar niet dikwijls genoeg zou l<unnen worden herhaald,... 
„om aan de ... . misverstanden over deze identiteit een eind 
„te maken" (Ki. Log. § 193). „Zeer zeker zijn het begrip 
„en verder de idee met zich zelf identiek, maar slechts in 
„zooverre die tegelijk het onderscheid in zich bevatten" 
(KI. Log. § 115 Toev.). 

Identiteit in redelijken zin is volstrekt negatieve identi- 
teit, en geen ononderscheiden zijn van het ongescheidene, 
maar wederkeerige onscheidbaarheid van onderscheidenen, 
die hetzelfde zijn. „Het principe van het verstand is de 
„abstrakte identiteit met zich, niet de concrete, dat onder- 
„scheidene in een zijn" (XII : 236). 

„De identiteit met het absolute, als subject vau een zin, 
„verbonden — luidt: het Absolute is het met zich zelf 
„identieke. Zoo waar deze stelling is, zoo dubbelzinnig is 
„het, of zij in haar waarheid is bedoeld: zij is daarom in 
„hare uitdrukking ten minste onvolledig; want het is niet 
„uitgemaakt, of de afgetrokken verstandsidentiteit, d. i. in 
„de tegenstelling met de andere bepalingen van het wezen 
„of de identiteit als in zich concreet is bedoeld." (KI. Log. 
§ 115). — In het toevoegsel van § 116: „wie de identiteit 
„van het onderscheid tracht te scheiden, heeft in plaats 
„van de identiteit, het onderscheid voor zich"; bij § 118 
wordt herhaald dat we bij het onderscheid de identiteit, 
bij de identiteit het onderscheid verlangen, en dat de 
wetenschappen voor het een soms het ander vergeten, — ge- 
lijk we boven zagen , dat de kennistheorie eerst bij „ontolo- 
gische identiteit," en dan bij „overeenkomst" doet. — 

Omdat men op dit punt niet duidelijk genoeg kan zijn, 
haal ik uit het kostbaarste kleinood dat de vorige eeuw 
heeft geleverd : de kleine Logika , nog eenige plaatsen aan : 

Bij de identiteit van denken en zijn maakt Hegel de op- 
merking, dat zij, 'die eeuwig tegen de wijsgeerige idee 



VERWEER. 463 

herhalen, dat denken en zijn verschillend zijn, eindelijk 
eens moesten vooronderstellen, dat dit den wijsgeeren even 
eens niet onbekend is; alledaagscher wetenschap is niet 
mogelijk. Hij spreekt dan tegen 't einde van den paragraaf 
van eene volstrekte onscheidbaarheid van de gedachte Gods 
van z'n zijn (Vgl. § 51). 

Daar de speculatieve identiteit dus de afgetrokken ver- 
standsidentiteit èn het onderscheid beide is, „[kan] een 
„speculatieve inhoud... daarom ook niet in een eenzijdigen 
„zin worden uitgesproken : zeggen we bijv. : „het absolute is 
„de eenheid van het subjectieve en het objectieve", dan is 
„dit weliswaar juist, echter in zooverre eenzijdig, als hier 
„slechts de eenheid is uitgesproken en op deze nadruk 
„wordt gelegd, terwijl toch inderdaad het subjectieve en 
„het objectieve niet alleen identiek maar ook onderscheiden 
„zijn" (KI. Log. § 82 Toev.), „Er is echter nog op te 
„merken, dat de uitdrukking: zijn en niets is hetzelfde, of 
„de eenheid van zijn en niets — even als alle andere zulke 
„eenheden, van het subject en object enz. terecht aanstoo- 
„telijk zijn, omdat het scheeve en onjuiste daarin ligt, dat 
„de eenheid er uitgelicht, en het verschil wel daarin ligt 
„(wijl het bijv. zijn en niets is, welker eenheid is gesteld), 
„maar dat verschil niet tegelijk is uitgesproken en erkend, 
„daarvan dus slechts op onpassende wijze is geabstraheerd, 
„het niet schijnt te zijn bedacht. Inderdaad laat zich een 
„spekulatieve bepaling niet in den vorm van een zin juist 
„uitdrukken: de eenheid moet in het tegelijk voorhanden 
„en gesteld verschil worden begrepen (KI. Log. § 88). 
„Wanneer men na de gemaakte beschouwing van de nietig- 
„heid van de verstandelijke tegenstelling van het eindige 

„en het oneindige ook hier gemakkelijk tot de uit- 

„drukking kan vervallen, dat het oneindige en eindige 
„hiermede een is, dat het ware, de waarachtige oneindig- 



464 VERWEER. 

„heid als eenheid van het oneindige en eindige bepaald 
„en uitgesproken wordt, dan bevat zulk een uitdrukking 
„weliswaar iets juists, maar ze is even zeer scheef en ver- 
„keerd, als vroeger van de eenheid van het zijn en het 
„niets is opgemerkt" (KI. Log. § 95). „Wanneer van den grond 
„wordt gezegd, dat hij de eenheid van de identiteit en het 
„onderscheid is, dan is onder deze eenheid niet de afge- 
„trokken identiteit te verstaan , daar we anders slechts eene 
„andere benaming, naar de gedachte evenwel slechts weer 
„de als onwaar ingeziene identiteit van het verstand zelf 
„hadden. Men kan daarom , om dat misverstand te voor- 
„komen, ook zeggen, dat de grond niet alleen de een- 
„heid , maar evenzoo ook het onderscheid van de identi- 
„teit en het onderscheid is." (KI. Log. § 121 Toev.). — 
„ . . . Subjectiviteit en objekt (zijn) hetzelfde. Even juist is 
„echter, dat ze verschillend zijn. Terwijl het een even juist 
„is als het ander, is daarmede juist het een even onjuist 
„als het ander; zulke uitdrukkingswijze is niet in staat, de 
„de ware verhouding weer te geven" (KI. Log. § 193; 
Vgl. verder bijv. III: 84, 424; KI, Log. § 118, §215; VIL 1 : 18). 

De theorie der kennis tracht nu de speculatieve, werke- 
lijke identiteit zoo uiteen te snijden, dat de afgetrokken 
identiteit in de ontologie , en het even afgetrokken onder- 
scheid als de overeenkomst van zelfstandig blijvendén in 
de logika, twee bij haar van elkaar gescheiden gebieden, 
worden geplaatst, zonder dat haar dit gelukt, want de 
schijn in de ontologie is het niet weg te werken onder- 
scheid in de eenheid, en in overeenkomst bij de logika 
hebben we de bleeke krachtelooze eenheid in het onder- 
scheidene. De ware speculatieve identiteit spot met alle 
verstand, ook met de taal, die verstandig is opgebouwd. 

Voordat ik nu overga tot eene bespreking van de wijze 
waarop de theorie der kennis haspelt met methode, kate- 



VERWEER. 465 

gorieën, en oordeel, waarin ik in samenhang de overige 
zinloosheden behandel, moet nog even worden afgerekend 
met twee opmerkingen, die meer afzonderlijk staan, maar 
daarom niet aan den vuilnisbak mogen ontkomen : een lof- 
tuiting en een afkeuring. 

Het „historisch" karakter der leer van Hegel zou daaraan 
een groote beteekenis geven; wat daaronder verstaan wordt 
zullen we opmaken uit een paar aanhalingen. Dat „historisch 
karakter" is af te leiden uit „de groote beteekenis, die voor 
haar de geschiedenis bezit" (274) en „Nog in andere op- 
„zichten komt het historisch karakter van de Hegelsche 
„wijsbegeerte uit; men behoeft slechts te denken aan de 
„groote beteekenis, die de geschiedenis der wijsbegeerte 
„voor dit stelsel zelf bezit" (275). 

Het is juist, dat Hegel een wijsbegeerte van de geschiedenis 
heeft geschreven , (waarvan P. Barth noch E. Bernheim veel 
hebben begrepen); het is juist, dat de geschiedenis der 
wijsbegeerte door Hegel tot iets levends is geworden, in 
plaats van eene verzameling van mummies te blijven (Vgl. 
KI. Log. § 86 1^ Toev.); heeft de leer daarom een historisch 
karakter? Eene wijsbegeerte der natuur is voor 'teerst ge- 
komen in Hegel's onsterfelijke Encyclopaedie; een wijsbe- 
geerte van den geest, van het recht, van de kunst, van 
den godsdienst liggen voor ons in de gezamenlijke werken ; 
heeft Hegel's wijsbegeerte daarom een natuurkundig, ziel- 
kundig, rechtsgeleerd, kunstzinnig, godsdienstig karakter? 
Wat 'n onzin! Voor den dooien boel der historie heeft 
Hegel niet veel eerbied gehad; zoodra bijv. eene opvatting 
van den godsdienst dezen tot een verhaal , tot een kale 
historie maakt, met welker juistheid de waarheid zou staan 
of vallen, is voor hem alle belangwekkendheid er af: „de 
^ware christelijke geloofsinhoud is te rechtvaardigen door 
„de wijsbegeerte , niet door de geschiedenis" (XII ; 36). 

30 



466 VERWEER. 

^Het overwegende zich bezighouden met het historische 
„van voorwerpen, die eeuwige waarheden van den geest 
„voor zich zelf zijn, is af te keuren, want het is slechts al 
„te zeer eene voorspiegeling, waarmede men zich over zijne 
„belangstelling misleidt" (XIII : 399—400). „De ontwikkeling 
„uit historische gronden moet niet worden verwisseld met de 
„ontwikkeling uit het begrip en de geschiedkundige verklaring 
„en rechtvaardiging moet niet worden uitgestrekt tot de be- 
„teekenis van een op en voor zich geldige rechtvaardiging" 
(VIII: 26). „Zulk een aantoonen en (pragmatisch) leeren kennen 
„uit de dichterbij gelegen of meer verwijderde historische oor- 
„zaken noemt men dikwijls : verklaren of nog liever begrijpen, 
„in de meening, alsof door dit aantoonen van het historische 
„alles of veeleer het wezenlijke, waarop het alleen aankomt, 

„geschiedt, om te begrijpen; terwijl veeleer het waar- 

„achtig wezenlijke, het begrip der zaak, daarbij geheel en 
„al niet ter sprake is gekomen" (VIII : 27). 

In de historie vond hij den geesf, dien hij zelf had, en 
deze geest van het stelsel is de eeuwige , die niet in den 
tijd is verloopen : de wijsbegeerte heeft met het tegenwoor- 
dige te maken" (IX: 98; KI. Log. § 86 Toev.; Verg. III: 
20—21). En wanneer de theorie der kennis soms nog 
mocht meenen, dat de encyclopaedie ook historisch is op 
te vatten , gelijk zij dat schijnt te doen door hare aanhaling 
daar van § 159, dan is — hoogstwaarschijnlijk — hier weer 
gebeurd, wat Michelet in 1838 de handen deed ineen slaan : 
„Nauwelijks is het te vreezen , ofschoon ik voor niets wil in- 
„staan, dat men Hegel zoo verstaat, alsof hij meende, dat 
„de logische gedachten een tijd lang in afzondering hadden 
„geleefd, tot het hun op een morgen was ingevallen, de 
„natuur en den eindigen geest te verwekken" (V. K. t. H. 11:651). 

De blaam , van hetzelfde gehalte als de lof van zoo even , 
betreft KI. Log. § 85 : een reeds van elders bekende opmer- 



VERWEER. 467 

king. Ik geef hiervan de woordelijke vertaling: „Het zijn 
„zelf, gelijk de volgende bepalingen niet alleen van het 
„zijn , maar de logische bepalingen in 't algemeen (über- 
„haupt), kunnen als definities van het absolute, als de 
„metaphysische definities van God , worden aangezien: nader 
„echter altijd slechts de eerste eenvoudige bepaling eener 
„sfeer, en dan de derde, welke de terugkeer uit de dif- 
„ferentie tot de eenvoudige betrekking op zich is. Want 
„God metaphysisch definieeren, wil zeggen diens natuur in 
„gedachten als zoodanig uitdrukken; de logika echter om- 
„vat alle gedachten , zooals ze nog in den vorm van ge- 
„dachten zijn. De tweede bepalingen, welke een sfeer in 
„hare differentie zijn, daarentegen zijn de definities van het 
„eindige" (KI. Log. § 85). In het verdere gedeelte van den 
paragraaf hooren we, dat zulke zinnen als: het Absolute 
is dit of dat, overbodig en onwaar zijn: veel gewicht heeft 
men er dus niet aan te hechten (Verg. 11:17—18). 

Hier staat dus, dat tlle logische kategorieën definities van 
't absolute kunnen opleveren: het is nl. de eigenaardigheid 
van het Begrip, dat een bepaalde verbijzondering van het 
Begrip op een oogenblik het Begrip is. — Enkele gelijk- 
luidende plaatsen zullen, als 't nog noodig mocht zijn, dit 

versterken : „De logika is als het stelsel der zuivere 

„rede, als het rijk van de zuivere gedachte te begrijpen. 
„Dit rijk is de waarheid, gelijk ze zonder omhulling op en 
„voor zich zelf is. Men kan zich daarom zoo uitdrukken, 
„dat deze inhoud de uitlegging van God is, gelijk hij in zijn 
„eeuwig wezen voor de schepping der natuur en van een 
eindigen geest is" (111:33); gelijk omgekeerd tegen Hegel bij 
een feestje te zijner eer door leerlingen werd gezegd, dat 
de kategorieën de nieuwe goden waren, die hij had in- 
gevoerd. „Verder is dit de wijsgeerige beschouwingswijze, 
„dat alles , wat voor zich wordt genomen , als iets beperkts 



468 VERWEER. 

„verschijnt, daardoor zijne waarde verkrijgt, dat het aan 
„het geheel toebehoort en moment der idee is. Zoo is het, 
„dat we den inhoud [der lo'gii<a] hebben gehad, en wat 
„wij nog hebben , dat is het weten , dat de inhoud de 
„levende ontwikkeling der idee is en deze eenvoudige terug- 
„blik is in den vorm vervat. Een ieder van de tot na toe 
„beschouwde begrippen is een beeld van het absolute, maar 
„eerst in beperkten vorm" (KI. Log. § 237 Toev.). Als dan 
't Absolute in zijne ontwikkeling als het met zich identieke wordt 
begrepen, laat Hegel daarop volgen : „Het is in de eerste plaats 
„niet in te zien , waarom slechts deze eenvoudige bepalingen 
„der reflexie in dezen bijzonderen vorm moeten worden gevat, 
„en niet ook de andere kategorieën , gelijk alle bepaaldheden 
„van de sfeer van het zijn. Dat zou zinnen leveren als bijv. : 
„alles is , alles heeft een bestaan — enz. of alles heeft eene 
qualiteit, quantiteit enz. Want zijn, bestaan enz. zijn als lo- 
„gische bepalingen in 't algemeen gezegden van alles (IV : 27). 
Met deze plaatsen voor oogen , is 't niet te begrijpen , dat 
na noeste Hegelstudie iemand 't Hegel als inconsequentie 
aanrekent, dat het Absolute het Niets is (§ 87) en dat 
't Absolute het Object is (§ 194). — Wie de kleine Logika 
er op na gaat zien, zal nog meer definities van 't absolute 
vinden met tot praedikaat een „tweede" bepaaldheid : Hegel 
heeft ook niet gezegd, dat de tweede bepalingen eener 
sfeer moesten worden uitgesloten , maar dat ze minder er 
voor gebruikt werden, omdat daarbij de antithese 't sterkst 
werd gevoeld; altijd echter worden slechts de eerste bepa- 
lingen en de derde er voor gebruikt. 



In het tweede hoofdstuk van den „Leiddraad der ontdek- 
king van alle zuivere verstandsbegrippen" [Kritiek der zui- 
vere r£de; uitg. Adickes blz. 115] lezen we het volgende: 



VERWEER. 469 

„Wanneer we van allen inhoud van een oordeel in 't alge- 
„meen abstraheeren , en slechts op den blooten verstands- 
„vorm daarin acht geven, vinden we, dat de functie van 
„het denken daarin onder vier hoofden zou kunnen worden 
„gebracht, waarvan elk drie momenten onder zich bevat" 
(blz. 115); en op blz. 122 volgt dan: „dezelfde funktie, 
„die aan de verschillende voorstellingen in een oordeel 
„eenheid geeft, geeft ook aan de bloote synthese van ver- 
„schillende voorstellingen in eene aanschouwing eenheid, 
„welke, algemeen uitgedrukt, het zuivere verstandsbegrip 

„heet" Op zulke wijze ontspringen juist zooveel zui- 

„vere verstandsbegrippen, welke a priori op voorwerpen 
„der aanschouwing in 't algemeen slaan, als er in de vo- 
„rige lijst (die dadelijk hieronder volgt, P.) logische functies 
„in alle mogelijke oordeelen waren: want het verstand is 
„door gedachte functies volledig uitgeput, en zijn ver- 
„mogen daardoor geheel uitgemeten. Wij willen deze be- 
„grippen, Aristoteles volgend, kategorieën noemen.... 
Deze twee lijsten, die der oordeelen en die der katego- 
rieën, worden hier nu naast elkaar afgedrukt: 

A. B. 

I. 

Quantiteit dier oordeelen. Kategorieën der Quantiteit. 



algemeene 
bijzondere 
enkele 



alheid 

veelheid 

eenheid 



II. ^ 

Qualiteit der oordeelen. Kategorieën der Qualiteit. 



bevestigende 
ontkennende 
oneindige 



werkelijkheid 

ontkenning 

beperking 



470 VERWEER. 

III. 

Relatie der oordeelen. Kategorieën der Relatie. 

kategorische ' | inhaerentie en subsistentie 
hypothetische i causaliteit en dependentie 
disjunktieve | gemeenschap (wisselwerking) 

IV. 
Modaliteit der oordeelen. Kategorieën der Modaliteit. 



problematische 

assertorische 
apodictische 



mogelijkheid — onmogelijk- 
heid 

bestaan — nietzijn 

noodwendigheid — toeval- 
ligheid 



„Deze indeeling is stelselmatig uit een gemeenschappe- 
„lijk beginsel, nl. het vermogen te oordeelen (dat juist zoo 
„veel is, als het vermogen te denken) voortgebracht, en 
^ „niet onsamenhangend, uit een op goed geluk ondernomen 
„opsporing van zuivere begrippen ontstaan .... Het was 
„een scherpzinnig man waardige onderneming van Aristoteles, 
„deze grondbegrippen op te zoeken. Daar hij echter geen 
„beginsel had, raapte hij ze op, zooals hij ze ontmoette, 
„en haalde er eerst tien bijeen, die hij kategorieën (prae- 
„dicamenten) noemde. Daarna geloofde hij er nog vijf te 
„hebben gevonden, die hij onder den naam postpraedica- 
„menten er bijvoegde. Maar zijne lijst bleef nog altijd ge- 
„brekkig . . . . Nog is op te merken, dat de kategorieën, als 
„de ware stambegrippen van het zuivere verstand, ook 
„hare juist zoo zuiver afgeleide begrippen hebben, die in 
„een volledig Stelsel der Transscendentaalphilosophie in 
„'t geheel niet kunnen worden voorbijgegaan , met welker 
„vermelding alleen echter ik in een slechts kritische proeve 
„tevreden kan zijn .... Wanneer men de oorspronkelijke 



VERWEER. 471 

„en primitieve begrippen heeft, kan men de afgeleide en 
„ondergeschii^te er gemakkelijk bijvoegen, en de stamboom 
„van' het zuivere verstand volledig uitteekenen." Men kan 
ze dan gemakkelijk vinden in ontologische leerboeken, zegt 
hij daarop; definities van kategorieën zal hij opzettelijk niet 
geven, want 't is in de Kritiek niet noodig: „in een stelsel 
„van de zuivere rede zou men ze terecht van mij kunnen 

„eischen" Intusschen is het gemakkelijk: de vakjes 

zijn er reeds; het is slechts noodig, ze te vullen, en een 
stelselmatige topika, als die hem voorzweeft, laat niet ge- 
makkelijk de plaats ontbreken, waarheen elk begrip in 
't bijzonder hoort, en tegelijk die gemakkelijk bemerken, 
die nog leeg is (123 — 4). (Kant's lijst der kategorieën is 
dus onafgewerkt, een voorloopigheid, gelijk zijn geheele 
„stelsel.") Voor ons doel hebben we ook nog de vol- 
gende opmerkingen noodig: „Over deze lijst der kate- 
„gorieën laten zich aardige beschouwingen maken, die 
„misschien belangrijke gevolgen ten aanzien van den weten- 
„schappelijken vorm van alle redelijke kennis zouden kunnen 
„hebben. Want dat deze lijst... onontbeerlijk is, tot het 
„volledig ontwerpen van het plan tot het geheel eener weten- 
„schap , in zoo verre ze op begrippen a priori berust .... 
„blijkt reeds van zelf daaruit, dat gedachte lijst.... zelfs 
„den vorm van een stelsel daarvan in het menschelijk ver- 
„ stand bevat .... 

„Overal [zijn] een gelijk getal der kategorieën van iedere 
„klasse, nl. drie, wat eveneens tot nadenken uitnoodigt, 
„daar anders alle indeeling a priori door begrippen deeling 
„in tweeën moet zijn. Daarbij komt echter nog , dat de derde 
„kategorie overal uit de verbinding der tweede met de eerste 

„harer klasse ontspringt Men denke echter toch niet, 

„dat daarom de derde kategorie een slechts afgeleide en 
„geen stambegrip van het zuivere verstand is. Wantjdever- 



472 VERWEER. 

„binding van de eerste en de tweede, om het derde begrip 
„voort te brengen , eischt een bijzondere daad van het ver- 
„stand die niet met die eenerlei is, die bij het eerste en 
„tweede wordt gedaan" (126). 

Dit heeft de lezer van Kant noodig, om zich met oor- 
deel partij te kunnen stellen, want de heele zenuw der 
redeneering bij de kennistheorie is volgende, wis niet uit door- 
zettende studie in Hégel ontsproten vooronderstelling, die 
zij, om zich zelf moed in te spreken zeker, eenige malen 
herhaalt: Hegel zou in zijne beschouwingen over oordeel 
en sluitrede steunen op Kant's oordeelsgroepeering, en of- 
schoon hij hierin belangrijke wijzigingen heeft gebracht en 
er bovenal een dialektisch verband in heeft willen leggen, 
blijkt ze toch even onhoudbaar als deze te zijn (298, vgl. 
280; 284); als hij de lijst der oordeelen van Kant heeft 
laten „vallen", „valt óók die van Hegel, die daarop ge- 
„heel en al is gebaseerd" (305). 

Dit is volstrekt uit de lucht gegrepen. 
. Omtrent deze opvattingen van Kant zegt Hegel : „Als 
„een.... gebrek dezer wijsbegeerte is het te beschouwen, 
„dat deze slechts eene historische beschrijving van het 
„denken en een kale opsomming van de momenten van 
„het bewustzijn geeft. Deze opsomming is nu weliswaar in 
„de hoofdzaak juist, maar er is daarbij van de noodzake- 
„lijkheid van het zoo empirisch opgevatte geen sprake" 
(KI. Log. § 60: 1^ Toev.). En lezen we nu den tekst na, 
dan is toe te geven, dat het „dan vinden we", een op- 
rapen is als dat, wat aan Aristoteles wordt verweten. „Zoo- 
„als bekend is, heeft de Kantische wijsbegeerte het zich 
„met de opsporing der kategorieën zeer gemakkelijk ge- 
smaakt. Ik, de eenheid van het zelfbewustzijn, is geheel af- 
„getrokken en volledig onbepaald ; hoe is dus tot de bepa- 
„lingen van het Ik, de kategorieën te komen? Gelukkiger- 



VERWEER. 473 

wijze zijn in de gewone- logika de verschillende soorten 
van- het oordeel reeds empirisch gegeven te vinden. Oor- 
deelen is echter denken van een bepaald voorwerp. De 
verschillende reeds gereed opgestelde oordeelswijzen leveren 
dus de verschillende bepalingen van het denken. Aan de 
wijsbegeerte van Fichte blijft de diepe verdienste, daaraan 
te hebben herinnerd . dat de denkbepalingen in hare nood- 
zakelijkheid waren aan te wijzen, dat ze wezenlijk waren 
af te leiden. Deze wijsbegeerte had op de methode de lo- 
gika te behandelen ten minste toch die werking moeten 
hebben gehad , dat de deftkbepalingen in 't algemeen , of 
het gewone logische materiaal, de soorten van begrippen, 
oordeelen , sluitredenen , niet meer maar uit de empirie ge- 
nomen en zoo slechts empirisch opgevat, maar uit het 
denken zelf moesten worden afgeleid. Wanneer het denken 
in staat moet zijn iets te bewijzen, wanneer de logika moet 
eischen , dat bewijzen worden gegeven , en wanneer ze het 
bewijzen leeren wil , dan moet ze toch voor alles in staat 
zijn haar eigen inhoud te bewijzen, de noodzakelijkheid 
daarvan in te zien" (KI. Log. § 42). 

„de wijsbegeerte van Kant .... laat de kategorieën en 
„de methode van het gewone kennen geheel onaangetast" 
(KI. Log. § 60; blz. 92—3 v/d uitg. Bolland). — In den 
boven aangehaalden tekst heeft Kant reeds de vakjes ge- 
reed , die de zuivere verstandsbegrippen hebben op te 
nemen ; de kategorieën worden niet op zich zelf beschouwd. 
Bij de antinomieën echter komen de kategorieën, de inhoud 
voor den dag, als noodzakelijk de tegenstrijdigheid opleverend. 
Dit is een juist inzicht, de verklaring deugt echter niet: 
de antinomie is overal, niet in 't denken alleen. 

„Evenmin is, nadat de Kantiaansche, eerst door het in- 
stinkt teruggevondene , nog doode , nog onbegrepene drie- 
voudigheid tot haar volstrekte beteekenis verheven is, en 



474 VERWEER. 

daarmede de waarachtige vorm in zijn waarachtigen inhoud 
tegelijlc opgesteld en het begrip der wetenschap te voor- 
schijn is gekomen — dat gebruilc van dezen vorm voor 
iets wetenschappeliji<s te houden, waardoor we ze tot een 
levenloos schema, tot een eigenlijke schim, en de weten- 
schappelijke organisatie tot tabel vernederd zien" (II : 37). „De 
uiteenzetting van datgene echter, wat alleen de ware me- 
thode der wijsgeerige wetenschap kan zijn, valt in de be- 
handeling der logika zelf; want de methode is het bewust- 
zijn over den vorm van de innerlijke zelfbeweging des in- 
houds. — Het eenige om den v^etenschappelijken voortgang 
te verkrijgen, en om welks heel eenvoudig inzicht men 
wezenlijk moeite moet doen, is de kennis van de logische 
stelling, dat het ontkennende evenzeer stellend is, of dat 
het zich weersprekende niet ii] nul , in het volstrekte niets 
zich oplost, maar wezenlijk slechts in de ontkenning van 
zijn bijzonderen inhoud, of dat zulk eene ontkenning niet alle 
ontkenning, maar de ontkenning der bepaalde zaak is (Verg. 
1:249), die zich oplost, dus bepaalde ontkenning is; dat 
dus in het resultaat wezenlijk dat is vervat, waaruit het 

resulteert Terwijl het resulteerende , de ontkenning, 

bepaalde ontkenning is, heeft ze een inhoud. Ze is een nieuw 
begrip, maar een begrip dat hooger, rijker is dan het 
voorafgaande; want het is de ontkenning daarvan of het 
tegengestelde rijker geworden; bevat het dus, maar ook 
meer dan dat, en is de eenheid van zich en zijn tegen- 
gestelde. Langs dezen weg heeft zich het stelsel der be- 
grippen in 't algemeen te vormen, — en in niet te stuiten, 
zuiveren, van buiten niets naar binnenhalenden gang zich 
te voleindigen" (III : 38—9) „Ik weet , dat (deze me- 
thode) de eenige ware is. Dit blijkt op zich zelf reeds 
daaruit, dat ze van haar voorwerp en inhoud niet is onder- 
scheiden; — want het is de inhoud in zich, de dialektiek , 



VERWEER. 475 

die hij aan zichzelf heeft, die hem voortbeweegt" (III : 39). 

„Het diaiektische moment is het eigen zich opheffen van 

eindige -bepaaldheden en haar overgaan in haar tegenge- 
stelde (K. Log. § 81). De „dialektiek is dan niet uitwendig doen 
„van een subjectief denken, maar de eigene ziel van den inhoud, 
„die organisch haar twijgen en vruchten voortbrengt" 
(VIII : 63). Zich van het eigen invallen in den immanenten 
rhythmus der begrippen ontslaan; daarin niet door de wille- 
keur, en anders verworven wijsheid ingrijpen, deze ont- 
houding is zelf een wezenlijk moment van de opmerkzaam- 
heid op het begrip" (II : 45). Zoo „kan er slechts eene me- 
thode in alle wetenschap zijn" (XI: 59): de methode der 
volstrekte ontkenning. Raakt het verstand deze echter aan, 
dan valt ze uiteen in den „drieslag" van „thesis, antithesis en 
synthesis" (Verg. K. Log. § 79) en 't wordt een „handigheid" ; 
„het voortreffelijke kan het noodlot niet ontgaan, zoo ont- 
zield, en ontgeest te worden, en zoo gevild zijne huid 
door het levenlooze weten en zijn ijdelheid te zien omge- 
slagen Het met tabellen werkende verstand behoudt 

voor zich de noodzakelijkheid en het begrip van den in- 
houd, dat, wat het concrete, de werkelijkheid en levende 
beweging der zaak uitmaakt, die het rangschikt; of veeleer 
het behoudt dit niet voor zich, maar kent het niet, want 
wanneer het dit inzicht had, zou het dat wel laten zien. 
Het kent niet eens de behoefte daaraan; anders zou het 
zijn schematizeeren nalaten of ten minste zich niet meer 
daarop laten voorstaan, dan op eene inhoudsopgave; het 
geeft slechts de inhoudsopgave, den inhoud zelf echter 

levert het niet De hoofdzaak er bij te voegen , laat het 

formeele verstand aan anderen over. In plaats van in den 
immanenten inhoud der zaak in te gaan, overziet het altijd 
het geheel , en staat boven het enkele bestaan , waarvan het 
spreekt, d. w. z. het ziet het in 't geheel niet. Het weten- 



476 VERWEER. 

schappelijk leeren kennen eischt veeleer, zich aan het leven 
van het objekt over te geven, of wat hetzelfde is, de in- 
nerlijke noodzakelijkheid daarvan voor zich te hebben en 
uit te spreken. Zich zoo in zijn objekt verdiepend , vergeet 
het dat overzicht, dat slechts de spiegeling van het weten 
uit den inhoud in zich zelf is" (11:41). — Hierin is uitge- 
sproken, dat de methode niet buiten de wetenschap kan 
worden gegeven (Vgl. 11:44). — „Voor diegenen, die de 
strengheid van het denken in een formeel schematisme 
stellen , en dat zelfs polemisch tegen eene andere wijze van 
philosopheeren wenden, kan nog worden opgemerkt, dat 
Hegel zoo weinig aan de eens gemaakte onderafdeelingen 
vasthield, dat hij bij iedere voordracht daaraan veranderde" 
(IX : XXIII). — Wie de begrippen dus ter schematiseering 
voor zich heeft liggen, en de dialectische methode „toe- 
past", gelijk een werkman mozaïek in een vloer legt, doet 
als Kant, niet als Hegel, staat buiten de zaak. 

Keeren wij nu tot de kennistheoretische opmerkingen 
terug. 

Het is „de vraag, of wij dien dialektischen denkgang, 
„in de eigenlijke beteekenis, die we er naar de strekking 
„van Hegels systeem aan dienen toe te kennen, kunnen laten 
„gelden. Zelfs al konden we aan den geheelen dialectischen 
„categorieën-cirkel met zijn voortgang door thesis, antithesis 
„en synthesis iets meer dan een louter antiquarische waarde 
„toekennen — zelfs dan nog voelen we in de uiteenzetting 
„van dezen trichotomischen voortgang zoo vaak willekeur, 
„stroefheid en inconsequentie,' dat we weliswaar den draad 
„niet kwijtraken, maar toch allerminst ons overtuigd gevoe- 
„len. En sterker nog wordt dit gevoel van willekeur, wan- 
„neer we, leerlingen en volgelingen van Hegel naast het 
„origineel leggende, telkens nieuwe verschuivingen en wijzi- 
„gingen zien aangebracht, en aldra na eenige oefening 



VERWEER. 477 

„ons zelf eveneens tot zulke veranderingen in staat gevoelen" 
(278—9). 

Al dadelijk kunnen we hier dus vaststellen, dat zijne 
schematizeering van de wezenskategorieën , dat heen-en- 
weer gegoochel met de botten van een skelet, dat rang- 
schikken van de potjes en busjes in een vakjeskast, 
zooals hij dat wil doen (280) , omdat de andere van Hegel 
hem niet bevalt uit een oogpunt van symmetrie en inwen- 
dige (feitelijk: uitwendige. P.) harmonie, volgens eigen 
getuigenis, — zonder 'n kennistheoretisch „misschien" of 
„hoogstwaarschijnlijk" — , een willekeurige handigheid is, 
die hij na eenige „oefening" heeft verkregen, en voor hem 
is ook de rangschikking van Hegel en latere leerlingen en 
volgelingen „willekeurig, zichzelf ontrouw, gewrongen, gril- 
„lig en kunstmatig" (Vgl. 315). 

In den band der noodzakelijkheid ben ik, waar ik afhang 
van iets anders; vrijheid is daar, waar niet iets anders tegen- 
over mij is, wat ik niet zelf ben; de vrijheid heeft de nood- 
zakelijkheid in zich opgeheven. Het denken is de vrijheid: 
„terwijl ik denk, geef ik mijne subjectieve bijzonderheid op, 
verdiep me in de zaak, laat het denken begaan, en ik 
denk slecht, als ik van het mijne er wat bij doe." (KI. Log. 
§ 24, 2^ Toev. ; vgl. § 23). Het ware denken is een denken 
mét, en dér noodzakelijkheid. — 

Nu heeft de kennistheorie ter wille van de tribune moeten 
zeggen, dat zij weliswaar den draad niet kwijtraakte, doch 
zich niet overtuigd voelde, willekeur opmerkte. Uit dit 
laatste volgt, dat zij den draad leelijk kwijt is (Alsof zij 
hem ooit had gehad!); want die willekeur, die aan den 
draad van het denken zou zitten, zou de noodzakelijke 
vrijheid van 't denken , en geen willekeur zijn ; die niet on- 
gebonden vrijheid kan alleen voor hem, die het spoor bijster 
is, willekeur heeten. 



478 VERWEER. 

Voor iemand, die de logika heeft bestudeerd, en er 
anders van opstond, dan hij was toen hij er voor ging 
zitten, is de wijze, waarop de theorie der l<ennis ons in 
„eigen woorden" (285) de icategorie van het wezen voor- 
toovert, al héél vermakelijk om het waks van ongerepte 
pedanterie, dat op den onzin ligt; ook den lezer, die op- 
zijn eer en geweten kan verklaren zich nooit te voren te 
hebben bezondigd aan wijsbegeerte , moet 't hier wel dui- 
delijk worden, dat deze polemiek hare krachten reusachtig 
heeft overschat, en dat hier 't woord van Mephisto geldt: 
„Jij bent nog niet de man, om den duivel vast te houden!" 
Wel beseft zij , dat er bij eigen vertolking gevaar is (285) , 
maar moedig begeeft zij zich op 't broze , gladde ijs. 
Laten de kennistheoretische bokkesprongen daar, ons een 
beetje opvroolijken ! 

„'k Zou dan in eigen uitdrukkingswijze het Wezen aldus 
„willen omschrijven, dat deze categorie uitdrukt, hoe de 
„menschelijke (!) wetenschap er noodwendig (!) toe komen 
„moet (!), om achter de onmiddellijke waarneembaarheden 
„een waarlijk Wezen te zoeken, dat er den grond van 
„vormt." (Dat zal de lezer — „hoogstwaarschijnlijk" — 
nooit hebben vermoed, als hij „het wezen" zegt.) „Dit 
„Wezen nu , dit óViwg elva" (als je 't in 't Hollandsch niet 
begrijpt, wordt het je zéker duidelijk door Grieksch, of 
Sanskriet), „zoo kunnen we verder redeneeren of dialecti- 
„seeren, moet (!) in de allereerste plaats hierdoor geken- 
„merkt worden, dat het met zich zelf identiek blijft. Dit 
„geeft alvast (!) de categorie der Identiteit. Maar alleen ge- 
„loovende (zóó!) in een identiek Wezen zouden we niet tot 
„een begrip kunnen komen van de wereld der verschijnse- 
„len, daar moet (!) iets verschillends zijn van dit identieke 
„wezen; dat identieke wezen mo*et(!) al identiek blijvende, 
„zich tevens differentieeren; aldus is de categorie Identiteit 



VERWEER. 479 

overgegaan in de categorie Verschil." (De noodzakelijlcheid 
laat niets te wenschen over: het móét, móét!) „Maar deze 
„categorieën Identiteit en Verschil zijn achteraf beschouwd 
„van dien aard , dat de een de ander vooronderstelt , dat de 
„een slechts dank zij de andere gedefinieerd en begrepen 
„kan worden" [en omdat het niet anders kan , is het hier — nièt 
gedaan] ; „ze reflecteeren zich in elkander. Doch nu — we 
„volgen de groepeering van de Kleine Logika — doet zich 
„de vraag voor (bij U ook, lezer?), welke is de synthesis 
„van Identiteit en Verschil: het antwoord luidt: de categorie 
Grond." (Bij den lezer, die zijn verstand wél heeft, doet 
zich hier een heel andere vraag voor!) (285 — 6). Daarna 

komt zij aandragen met een voorbeeld van de kategorie 

oorzaak!; grond of oorzaak, 't is immers 't zelfde? 

Na de lezing van het bovenvermelde over de methode, bij 
Hegel, hoop ik , dat de lezer kan inzien, dat dit me té machtig 
is geweest, 'k Heb tranen zitten lachen, en wil nu ook 
een voorbeeld van redeneeren of dialectizeeren geven, 
dat bij bovenstaand gedialectizeer in de schatting van 
iedereen ten achter moet staan , omdat er nog . . éénig ver- 
band in is te vinden; de volgende aanschouwelijke toepas- 
sing van den „drieslag van thesis, antithesis en synthesis, 
die — met luttel handigheid en, — na een weinig oefening — 
ook door den eersten den besten kan worden toegepast, 
betreft een keukenrecept van erwtensoep. 

'k^ou dan in eigen uitdrukkingswijze Erwtensoep aldus cf- 
willen omschrijven, dat dit begrip uitdrukt, hoe de men- 
schelijke wetenschap er noodwendig toe komen moet, om 
achter de onmiddellijke waarneembaarheden van split- of 
groene erwten, water, en varkenspootjes een waarlijke 
Erwtensoep te zoeken , die er het ware in is. Deze Erwten- 
soep nu, deze waarlijke ^wfiös óQó^ivog, zoo kunnen we 
verder redeneeren of dialectiseeren, moet in de allereerste 



/ 



480 VERWEER. 

plaats hierdoor gekenmerkt worden, dat ze water bevat. 
Dit geeft al vast de kategorie Water. Maar alleen geloovende 
in een soep van enkel water zouden we niet tot een be- 
grip kunnen komen, waartoe die erwten en die varkens- 
pooten in de wereld zijn; daar moet dus iets anders zijn 
dan dit water: dit soepbegin moet, water blijvend, tevens 
^pliterwten en varkenspootjes laten aanschouwen ; geef hier 
dus die erwten en die pootjes! Maar deze begrippen water 
en erwten en varkensvleesch zijn achteraf beschouwd van 
dien aard, dat (in een Waarlijke C«^ós óQó^ivog) het een 
het andere noodwendig vooronderstelt ; want wie lust nu erw- 
tensoep zónder varkenspootjes, en wat zijn varkenspootjes 
alléén, zónder erwtensoep?; ze reflecteeren zich in el- 
kander. Doch nu — we volgen de groepeering der Kleine 
Logika van de keukenmeid — doet zich de vraag voor, 
wat of er ontstaat, als ik erwten enz. in water kook, 

synthetiseer : het antwoord luidt : een waarlijke Erwtensoep 

die men verder op dezelfde wijze zijn maag in kan „dialectisee- 
ren". — Dergelijk keukenmeidengedialectizeer levert de soep, 
die, voor de tribune, een voortbrengsel van noeste dóórzettende 
studie in de werken van Hegel en zijne „volgelingen" moet 
lijken; dergelijk „redeneeren of dialectiseeren" kan zwetsen over 
„zoogenaamde" moeilijkheden dezer leer (271), waarin het 
zich thuis voelt (272); hoe voor hem, den geduldigen en 
dóórzettenden lezer, de technische moeilijkheden zich ge- 
stadig oplosten (278); over de spijt, dat men zich onthouden 
moet van een vergelijking met Hegel's groote logika en anderer 
uiteenzettingen (315; 279 noot); het was van plan in anderen 
geest dan de Nieuw-Hegelsche school dat gewoon is, over 
zijn onderwerp te spreken (271), maar in dezen geest van 
verwaande onwetendheid kan iedere kruk, over drieslag en 
methode den mond vol nemend, den staf breken over Hegel, 
als hij maar het noodige geleerdigheidsvertoon kan maken. 



VERWEER. 481 

Wanneer we bij doordenking van het begrip substantie 
hebben bemerict, dat de toevalligheden, die het stelsel der 
substantie vruchteloos tracht weg te werken, niet van de 
substantie zijn af te snijden, maar de substantie méé zijn, 
zijn we door de gedachte der oorzakelijkheid , — waarbij oor- 
zaak en uitwerksel reeds zoo elkaar eischen, dat, wanneer 
men de oorzaak hier, het uitwerksel daar zet, men buiten 
de oorzakelijkheid staat — , gekomen aan de zich nu sterk 
opdringende gedachte van het wezen, dat eigen oorzaak èn 
eigen uitwerksel is, de zich in zelfstandighedén stellende 
en daarin zich gelijk blijvende zelfstandigheid. Tot deze 
gedachte ook is het stelsel der substantie ondanks zichzelf 
opgedrongen, al tracht het uit de causa sui de werkzaam- 
heid te weren: zóó staat het voor de poort der wijsheid. 

Het onmiddellijke zijn en het middellijke wezen zijn nu 
ondergegaan èn bewaard in de volstrekte ontkenning van 
beider begrip, in het begrip. Dit begrip is hiermede eerst 
nog als mogelijkheid gedacht, zwevende gehouden, en is 
nog niet in de werkelijkheid en de bepaaldheid getreden; 
in het begrip, waarin het wezen door zelfontkenning weer 
tot het zijn is teruggekeerd , zoodat de schijn van het wezen 
nu werkelijke en werkzame schijn is, schijnen ook de kate- 
gorieën van het wezen, niet als begripsparen, waarin het 
eene wezen verdeeld ligt, maar als bepaalde begrippen, 
waarvan het een onmiddellijk het ander is: de identiteit, 
het onderscheid en beider ontkennende eenheid of de grond 
schijnen in 't«begrip aan de algemeenheid , de bijzonderheid 
en de enkelheid zóó, dat ze lachen met iedere onderschei- 
ding, die ze afzonderlijk tracht vast te houden. „Algemeen- 
heid, bijzonderheid en enkelheid zijn nu de drie bepaalde 
begrippen, wanneer men ze n.1. tellen wil. Het is reeds 
vroeger aangetoond, dat het getal eene onpassende vorm 
is, om begripsbepalingen daarin te begrijpen, maar het 

31 



482 VERWEER. 

minst past dit voor bepalingen van het begrip zelf; het 
getal, daar het de een tot principe heeft, maakt de getelden 
tot geheel afgescheidene en elkaar geheel onverschillige 
dingen: de verschillende bepaalde begrippen [zijn] vol- 
strekt veeleer slechts een en hetzelfde begrip, dan dat ze 
in het getal uit elkander vallen (V:50— 1), wat bijv. V: 14 
aan het Ik wordt aangetoond (Verg: V : 60 — 61). 

Gewoonlijk weet men op 't eerste gehoor niet veel weg 
met de algemeenheid, die hier wordt bedoeld; men maakt 
zich de een of andere doode veralgemeende voorstelling, 
waardoor men zich van den beginne af den weg tot het 
rechte begrip verspert. 

Met het begrip van dit begrip is het heel slecht gesteld; 
toch begint daarmede eerst de ware wijsheid. Men make 
zich dit goed duidelijk uit de nu volgende aanhalingen, 
want het oordeel bij Hegel, dat niet zonder begrip is, 
onderstelt het begrip, is het zich stellende begrip, is het 
begrip in zijn gestelde bepaaldheid ; wie 't oordeel bij 
Hegel met de behandeling van 't oordeel bij anderen , met 
kennis van zaken wil „vergelijken", moet het begrip heb- 
ben, om begrip van 't oordeel te hebben. Zoo zal dan blij- 
ken, dat, voor eene vergelijking tusschen Sigwart en Hegel, 
bij 't oordeel evenmin voldoende aanknoopingspunten zijn 
als bij 't begrip (vgl. 284). 

„Het is niet zoo gemakkelijk, dat te ontdekken, wat 
anderen van de natuur van het begrip hebben gezegd. 
Want meestal houden ze zich met deze opsporing in 
't geheel niet op, en vooronderstellen, dat ieder het reeds 
van zelf verstaat, wanneer men van het begrip spreekt" 
(V:13). „Bij het begrip in 't algemeen, en bij het bepaalde 
begrip is opgemerkt, dat datgene, wat men zoo pleegt te 
benoemen, in geen opzicht den naam van begrippen ver- 
dient" (V : 68). „Wanneer van het begrip wordt gesproken, 



VERWEER. 483 

is het gewoonlijk slechts de afgetrokken algemeenheid, die 
men daarbij voor oogen heeft, en het begrip pleegt men 
dan ook wel als eene algemeene voorstelling te bepalen. 
Dienovereenkomstig spreekt men van het begrip kleur, 
plant, dier enz., en deze begrippen moeten daardoor ont- 
staan, dat, bij weglating van het bijzondere, waardoor zich 
de verschillende kleuren, planten, dieren enz. van elkaar 
onderscheiden, het daaraan gemeenschappelijke wordt vast- 
gehouden. Dat is de manier, zooals het verstand het begrip 
opvat, en het gevoel heeft gelijk, wanneer het zulke 
begrippen voor hol en leeg, voor schimmen en schaduwen 
verklaart. Nu is echter het algemeene van het begrip niet 
alleen iets gemeenschappelijks, waartegenover het bijzon- 
dere zijn afzonderlijk bestaan heeft, maar veeleer het zich 
verbijzonderende (specificeerende) en in zijn andere in onge- 
troebelde klaarheid bij zich zelf blijvende. Het is van het 
grootste gewicht, voor het inzicht en voor ons praktisch 
handelen dat het alleen gemeenschappelijke niet met het 
ware algemeene, het universeele, worde verwisseld. Alle 
verwijten, welke men tegen het denken in 't algemeen, en 
dan nader het wijsgeerige denken, van het standpunt van 
het gevoel pleegt te richten,.... hebben hunnen grond in 
die verwisseling" (K. Log. § 163 1^ Toev. ; vgl. V: 19, 46, 
68', 94). Wat ook begrippen, en wel bepaalde begrippen 
worden genoemd, bijv. mensch, huis, dier enz., zijn enkel- 
voudige bepalingen en afgetrokken voorstellingen, — afge- 
trokkenheden , die van het begrip slechts het moment der 
algemeenheid nemen en de bijzonderheid en enkelheid weg- 
laten, dus niet aan zich ontwikkeld zijn en daarmede juist 
van het begrip abstraheeren" (K. Log. § 164; vgl. § 162). 
„Van het begrip in speculatieven zin is dat, wat gewoon- 
lijk begrip is genoemd, te onderscheiden. In den laatsten, 
eenzijdigen zin is het, dat de bewering opgesteld en dui- 



484 VERWEER. 

zend en nog eens duizendmaal is herhaald en tot vooroor- 
deel gemaakt, dat het oneindige niet in begrippen zou 
kunnen worden begrepen" (K. Log. § 9). „In de verstandige 
logika pleegt men het begrip als vorm alleen van het den- 
ken en nader als eene algemeene voorstelling te beschou- 
wen, en deze ondergeschikte opvatting van het begrip is het 
dan, waarop de van den kant van het gevoel en het hart 
zoo dikwijls herhaalde bewering betrekking heeft, dat de 
begrippen als zoodanig iets doods, leegs, en afgetrokkens 
zijn. In werkelijkheid is de verhouding intusschen juist 
omgekeerd, en is het begrip veeleer het beginsel van alle 
leven.... de oneindige scheppende vorm, die de volheid 
van allen inhoud in zich sluit en tegelijk uit zich laat 
gaan" (K. Log. § 160 Toev.). „Het begrip als zoodanig fis) 
niet, gelijk het verstand meent, zonder proces bij zich 
blijvend, maar veeleer, als inwendige vorm, volstrekt werk- 
zaam, als het ware, het punctum saliens van alle leven, 
en dus zich van zich zelf onderscheidend" (K. Log. § 166 
Toev.). „Weliswaar is het in nieuweren tijd geen begrip 
slechter gegaan dan aan het begrip zelf, het begrip op en 
voor zich: want onder begrip is men gewoon eene afge- 
trokken bepaaldheid en eenzijdigheid van het voorstellen 
of het verstandige denken te verstaan, waarmede natuur- 
lijk de totaliteit van het ware [niet] denkend tot het 

bewustzijn kan worden gebracht" (X, 1:118; daar heet 
zoo'n begrip „abstractie van het verstand"). — „Het begrip 
(is) veeleer het ware eerste, en de dingen zijn dat, wat 
ze zijn, door de werkzaamheid van het daarin levende en 
zich openbarende begrip" (K. Log. § 163 Toev.). „Het begrip 
leeft in de dingen zelf; daardoor zijn ze hetgeen ze zijn, 
en een voorwerp begrijpen beteekent dus zich van het 
begrip daarvan bewust worden; gaan we dan tot de beoor- 
deeling van het voorwerp over, dan is dat niet ons sub- 



VERWEER. 485 

jektief doen , waardoor aan het objekt dit of dat praedikaat 
wordt toegekend, maar wij bescliouwen het objekt in de 
door zijn begrip gestelde bepaaldheid" (K. Log. § 166Toev.). — 

Om eens een voorbeeld te nemen; men meent, dat de 
som van vele enkelen eene algemeenheid vormt: vele hui- 
zen vormen een stad , eenige soldaten eene compagnie enz ;. 
grondslag van zoo 'n algemeenheid is elk huis, iedere 
afzonderlijke soldaat. We gaan hier van de enkelen uit, 
als zelfstandigheden , die blijven ; eerst hebben we de enkelen , 
en dan de algemeenheid. De algemeenheid van het begrip 
is geene som, geen voortbrengsel van de enkelen, maar 
brengt zelf de enkelen voort; ze is in 't begrip eerder dan 
de enkelen; 't Nederlandsche volk bestaat in de Neder- 
landers, die door dat volk, dat zij uitmaken, zelf worden 
gevormd. — 

Het kenmerkt de kennistheorie, dat deze „de leer van 
het begrip onvermeld [heeft] gelaten, daar deze voor eene 
vergelijking tusschen Hegel en Sigwart geen voldoende 
aanknoopingspunten bood" (284). Een Hegeling lacht, als 
hij dit leest, lacht zijn bekenden waanwijzen tergenden glim- 
lach , dien zoo 'n heer maar nooit kan afleeren : er is geen 
aasje begrip in de wijsheid der „hedendaagsche moderne 
richtingen", en wat ze zich tot gewetenszaak maken. ... de 
wijsheid zeker niet! — 

Van Kant's „aardige opmerkingen" over de lijst der oor- 
delen heeft E. Adickes gezegd, dat ze „systematische 
grapjes zonder wetenschappelijke waarde" waren. Voor een 
Kantiaan, die nog tegen Kant opziet, heeft dat reeds bij 
Kant zijne geldige redenen; voor de kennistheorie moet 
Hegel 's bewuste wijsheid , nog veel meer dan 't onbewuste 
voorspel van Kant, een spel met begrippen zijn, dat een 
ernstig man volstrekt onwaardig is. 

Toch heeft zij nog gelegenheid gevonden eene opmer- 



486 VERWEER. 

king over de regeling van de lijst der oordeelen te plaatsen , 
die weer kant noch wal raakt. „In den Zusatz van § 171 
„merkt Hegel namelijk op, dat de oordeelsvormen in hun 
„ontwikkeling wederom denzelfden voortgang moeten ver- 
„toonen, als die door de hoofdrubrieken zijn (qualiteit), wezen 
„(reflectie) en begrip wordt aangeduid. Maar, wordt door 
„hem opgemerkt, in de wezensleer is de „spiegeling" typisch, 
„derhalve krijgen we van de wezensoordeelen een dubbel 
„drietal, het drietal der reflecüeoordeelen (d.w.z. oordeelen 
„met praedikaten, die eene betrekking aanduiden als nuttig, 
„zwaar, enz., en vervallende in 't singuliere, het bizondere 
„en het algemeene oordeel) en de zoogenaamde noodzake- 
lijk heidsoordeelen (categorisch oordeel enz., uitdrukkende 
„eene betrekking tusschen genera en species). De lezer had 
„zeker wel recht te vernemen, waarin deze spiegeling tus- 
„schen de reflectieoordeelen en de noodzakelijkheidsoordeelen 
„bestaat!" (281—2). 

Reeds meer dan eens heb ik 't gehad over den in Hegel 
ingeslodderden onzin, die tegen een onbegrepen Hegel 
dienen moest; hier hebben we weer een kras staaltje. 
Hegel zegt in het toevoegsel van § 171, na te hebben opge- 
merkt dat, hoewel Kant 's oordeelslijst , èn naar vorm èn 
naar inhoud niet aan den eisch beantwoordt, hij toch van 
't juiste inzicht uitging, dat het de algemeene vormen van 
de logische idee zelf zijn, waardoor de verschillende soor- 
ten van het oordeel worden bepaald: „wij verkrijgen dien- 
overeenkomstig eerst drie hoofdsoorten van het oordeel , 
welke overeenkomen met de trappen van het zijn, het 
wezen en het begrip. De tweede dezer hoofdsoorten is dan , 
overeenkomstig het karakter van het wezen als de trap der 
differentie, nog weer in zich verdubbeld. De innerlijke 
grond van deze systematiek van het oordeel is daarin te 
zoeken, dat, daar het begrip de ideëele eenheid van het 



VERWEER. 487 

zijn en het wezen is , zijne in liet oordeel tot stand komende 
ontvouwing ook eerst deze beide trappen in een omvorming 
overeenkomstig het begrip heeft weer te geven 

Dit staat er werkelijk en de lezer heeft zeker wel recht 
te vernemen, zeg ik op mijne beurt, waar iets van die 
beweerde spiegeling tusschen de reflectieoordeelen en de 
noodzakelijkheidsoordeelen in dit toevoegsel van § 171 te 
lezen staat! Hoe men aan het bovenstaande dan gekomen 
is? Door gedachtelooze samenstelling van dit in zich dub- 
bel moeten zijn van de oordeelen, en de „spiegeling" die 
in 't wezen hoort; dan „moeten de oordeelen zich ook 
spiegelen" en „heeft de lezer recht om te vernemen enz. 
enz. enz."! 

Die oordeelen hebben zich niet te spiegelen; het wezen 
is in 't begrip niet meer met huid en haar te herhalen; er 
staat, — en dat moest iemand toch opvallen al begrijpt hij 
overigens niets van alles, — toch in den tekst, dat deze beide 
trappen in eene vervorming overeenkomstig het begrip, 
waarin de spiegeling, die in 't wezen hoort, is opgeheven, 
is weer te geven, en 't eind van § 171 luidt: „met betrek- 
king tot de beide voorafgaande sfeeren van het zijn en het 
wezen zijn de bepaalde begrippen als oordeelen weerge- 
vingen van deze sfeeren, maar in de eenvoudige betrekking 
van het begrip gesteld; en dit is voor den kritikus van den 
kouden grond abracadabra geweest. ... als hij het gelezen 
heeft!" Welke veranderingen er ook in de leer van be- 
grip, oordeel en sluitrede door Hegel zelf reeds, en door 
lateren als Rosenkranz, Erdmann, Bolland zijn voorgesteld, — 
en 't zijn er vele, — nooit is dergelijke dwaasheid bij 
hen opgekomen. — Ook de Groote logika laat op menige 
pl?iats zien , wat hiermede is bedoeld : „In de sfeer van het 
zijn verandert zich het eindige, het wordt tot iets anders; 
in de sfeer van het wezen, is het verschijning en gesteld, 



488 VERWEER. 

dat het zijn daarin bestaat, dat iets anders daaraan schijnt, 
en de noodzalcelijkheid is de inwendige, nog niet als zoo- 
danig gestelde betrekking. Het begrip echter is dit, dat 
deze identiteit is gesteld, en dat het zijnde niet de afge- 
trokken identiteit met zich , maar de concrete is , en onmiddel- 
lijk in zich zelf het zijn van iets anders. Het hypothetische 
oordeel kan door de reflexieverhoudingen in nadere bepaald- 
heid worden genomen, als verhouding van grond en gevolg, 
beperking en het beperkte, oorzakelijkheid enz. Als in het 
kategorische oordeel de substantialiteit, is in het hypothetische 
de samenhang der causaliteit in haren begripsvorm. Dit en 
de andere verhoudingen staan gezamenlijk daaronder, zijn 
echter hier niet meer als verhoudingen van zelfstandige 
zijden (dat is spiegeling. P.), maar deze zijn wezenlijk slechts 
als momenten van een en dezelfde identiteit" (V:101). 

De korte inhoud van 298—309, waarin weer de wer- 
kelijke ernst zich in een groote zaak in te denken, afwezig 
is, maar de lichtzinnigheid, die 't hoogste voor zich niet 
te eerbiedwaardig acht, in 't wilde weg er op los oordeelt, 
is als volgt: Volgens v. Sigwart is de classificatie der oor- 
deelsvormen — niet eene onderverdeeling van de oordeelen 
in een aantal gecoördineerde klassen, maar eene schets hoe 
men tot noodwendige oordeelen tracht te komen (dus géén 
classificatie. P.), waarbij als opmerking ook van v. Sigwart 
dan staat, dat de schoollogika het belangrijkste verbergt: 
nl. den overgang uit een empirisch-algemeen tot een nood- 
wendig-algemeen oordeel (302), waaraan Kant's lijst niet 
doet; Kant heeft verder geheel noodeloos het oneindige 
oordeel aan de bevestiging en de ontkenning van het oor- 
deel toegevoegd, terwijl 't maar eene grammatisch zonder- 
linge omschrijving is van het ontkennende oordeel; de ver- 
deeling in kategorische , hypothetische, disjunktieve oordeelen 
is nóch oorspronkelijk, nóch gerechtvaardigd; 't zijn alweer 



VERWEER. 489 

slechts grammatisch verschillende uitdrukkingen; hypothe^ 
tische en disjunktieve oordeelen bevatten reeds den katego- 
rischen vorm , en zijn dus niet gecoördineerd. — Met de 
lijst van Kant, die — naar aanleiding dezer opmerkingen — 
„valt", „valt" nu ook „die van Hegel, die daarop geheel 
en al is gebaseerd" (305), — als een tak aan een boom 
die is omgehakt. — Eigenlijk zelf verbaasd, dat hij dat op 
deze middellijke wijze zoo knapjes heeft geleverd , en inwen- 
dig, wed ik, een beetje ongerust, of 't wel zóó gemakkelijk 
had kunnen gaan, ook omdat men, zelfs op de tribune, dat 
niet kan aannemen, daar dat toch wel eerder in een of 
andere hersenkas zou zijn opgelicht, geeft dan hij, die er 
zich niet verder mede heeft af te geven, nog een, paar 
opmerkingen om hen wegwijs te maken, die zich met het 
door hem zoo handig ontzielde nog verder willen inlaten, 
't Ziet er dan wonderlijk uit, en er is veel „opmerkelijk" 
(305) of „bovenal opmerkelijk" (309); hetgeen eene term is 
om aan te duiden dat hier verwondering, maar geen begrijpen 
is. „Een groote rol spelend", eigenlijk alles omvattend is 
het werken met de termen algemeen, bijzonder, en enkel 
(305), en bovenal in 't oog te houden is „eene alwel zeer 
belangrijke opmerking, die den sleutel levert voor het ver- 
staan van Hegel's geschriften, over de termen „waar" en 
„juist" (308—9). In de wijsbegeerte der kennistheorie is dit 
verschil minder bekend en de waarheid blijkbaar een vreemde 
eend in de bijt. 

De waarheid en het juiste begrip van algemeenheid, 
bijzonderheid en enkelheid is alles in de leer van het 
oordeel bij Hegel, zegt zij zelf; nu hebben we voor de 
kennis-theorie naar aanleiding hiervan een klein vraagje, 
waarop zij 't antwoord eens niet moest schuldig blijven : Laat 
Kant in zijne lijst der oordeelen die begrippen ook zoo'n 
groote rol spelen, zelfs 'n rol spelen?; en is bij de uitleg- 



490 VERWEER. 

ging van Kant's klassificatie der oordeelen sprake van het 
groote verschil tusschen „waar" en „juist"? 

Krijgt de kennis-theorie nóg geen kleur over hare manier 
van doen? 

Na eene uiteenzetting van eene schets der oordeelen naar 
Sigwart, volgen dan de opmerkingen op Kant's lijst (303 — 5), 
dïe ook Hegel omver moeten werpen (305). — Dit geldt 
echter niet van de eerste opmerking, en daar ons doel is 
aan te toonen, dat de bewering van gelijkstelling van 
Kant en Hegel, behalve al het andere, niet deugt, en we 
hier hooren, dat bij Hegel het onderscheid tusschen een empi- 
risch-algemeen en een noodwendig-algemeen oordeel „beter" 
tot zijn recht komt dan bij Kant, kunnen we, al is het weer 
slap en vaag uitgedrukt, overgaan tot de tweede. 

2^. „Aan de bevestiging en de ontkenning van het oor- 
„deel is geheel noodeloos het oneindige oordeel toegevoegd ; 
„dit is inderdaad niets anders dan eene (grammatisch zonder- 
Jingé) omschrijving van het ontkennende oordeel." 

Het onmiddelijke oordeel zegt: het enkele is het bijzondere: 
de roos is rood. Is evenwel het enkele het bijzondere ? Het 
enkele is niet het bijzondere: de roos is niet rood. Het 
ontkennende oordeel ontkent echter gedeeltelijk, niet alle 
kleur, maar een kleur, het „rood" zijn, niet het „kleurig" 
zijn. Het derde oordeel hier is nu , dat het enkele niet het 
algemeene, en het enkele het enkele is; het oneindige en 
het identische oordeel: de roos is geen ster; de roos is de 
roos; beiden zijn ze in nietszeggendheid verloopen. 

Deze oordeelen zijn niettemin de waarheid vaft het on- 
middellijke oordeel, — het zoogenaamd qualitatieve, omdat het 
praedikaat een afgetrokken qualiteit is, — en liggen dus in 
de rede; zijn noodwendig, niet noodelóós, al zijn 't geen 
oordeelen. 

In 't toevoegsel tot den 173sten paragraaf zegt Hegel, dat 



VERWEER. 491 

het weliswaar als eene zinlooze curiositeit in de formeele 
logika wordt aangehaald, maar het toch het oordeel is, „waarin 
de eindigheid en onwaarheid van het positieve en het negatieve 
oordeel uitdrukkelijk aan den dag komt" (K. Log. § 173 Toev.). 
Hegel laat ons ook zien, dat er onderscheid is tusschen 
het ontkennende en het oneindige oordeel, wat de kennis- 
theorie niet inziet, daar ze het onbegrepen onderscheid alleen 
weet te vinden in een „zonderlingheid" van uitdrukking: 
woorden hebben daar dus niet altijd zin. 

30. De verdeeling „in categorische..., hypothetische... en 
„disjunctieve oordeelen. ., is noch oorspronkelijk, noch iaat 
„ze zich als eene afdoende indeeijng der oordeelsvormen op 
„eenige wijze rechtvaardigen. Let men op de strekking der 
„bewering, zoo zijn categorische en hypothetische, hypo- 
„thetische en disjunctieve oordeelen vaak slechts gramma- 
„tisch verschillende uitdrukkingen van dezelfde gedachte; 
„houdt men zich aan de grammatische uitdrukking, zoo kunnen 
„hypothetische en disjunctieve oordeelsvormen reeds daarom 
„geen gecoördineerde soorten van den oordeelsvorm in 't 
„algemeen zijn, daar ze den categorischen oordeelsvorm in 
„zich bevatten...." (303—4). — 

Dat die verdeeling niet oorspronkelijk is, is alleen een geldige 
reden om ze te verwerpen voor hem , die de mode in de wijs- 
begeerte binnenhaalt: maar veel oorspronkelijks is domheid, 
en veel van 't oude is beproefd; terwijl de rechtvaardiging 
van de kategorische, hypothetische en disjunktieve oordeelen in 
dat stelsel is geschied, waarin het kategorische oordeel uit zich- 
zelf in de andere blijkt over te gaan. — Waarom is de kennis- 
theorie hier nu eens niet begonnen met eene uiteenzetting 
van hare bezwaren tegen § 176, waarvoor hare vergelijking 
met geschriften van Hegel's leerlingen en volgelingen haar 
zoo veel materiaal heeft kunnen verschaffen ? En de bewering, 
dat kategorische en hypothetische, hypothetische en dis- 



492 VERWEER. 

junktieve oordeelen grammatisch verschillende uitdrukkin- 
gen zijn van dezelfde gedachte, kunnen wij haar zeker 
dadelijk toegeven , daar voor ons de heele wijsbegeerte 
hetzelfde is, dat voortdurend anders wordt gezegd; maar 
juist hij weet wat hij zegt, die het andere anders zegt; voor 
hem is grammatisch verschil een teeken van wezenlijk ver- 
schil, en het zinvolle woord is voor hem geen leege klank: 
„slechts grammatisch anders" echter beteekent zinloos onder- 
scheid. 

Het kategorische oordeel is een oordeel der noodzake- 
lijkheid. Hierin hebben we eene substantiëele identiteit 
van onderwerp en gezegde, van het bijzondere en het ware 
algemeene , niet van het empirisch-algemeene, wat niet het 
ware algemeene is, want „de ervaring teekent wel desnoods 
ontelbaar vele gelijke waarnemingen op , maar de algemeen- 
heid is nog heel iets anders dan de groote menigte. Eveneens 
levert de ervaring wel waarnemingen van op elkaar volgende 
veranderingen of van naast elkaar liggende voorwerpen , maar 
niet een samenhang der noodzakelijkheid" (K. Log. §39). — 
„Een empirisch-algemeene zin, want er worden er toch opge- 
steld, berust nu op de stilzwijgende overeenkomst, dat wanneer 
slechts geene tegenwerping van het tegendeel kan worden 
aangehaald, de meerderheid der gevallen voor alheid moet 
gelden; of dat de subjectieve alheid, nl. die der ter kennis 
gekomen gevallen, voor eene objectieve alheid mag worden 
genomen" (V : 95). „De natuur toont ons eene oneindige 
menigte van enkele gestalten en verschijningen, wij hebben 
de behoefte in deze menigvuldigheid eenheid te brengen; 
wij vergelijken daarom en zoeken het algemeene van elk te 
leeren kennen. De individuen worden geboren, en vergaan; 
de soort is het blijvende daarin, het in allen terugkeerende, en 
slechts van het nadenken is datvoorhanden"(K. L. §21 Toev.). 

De soort als gezegde bij het enkele als onderwerp toont 



VERWEER. 493 

ons de objektieve algemeenheid, geen doode algemeenheid, 
maar de begripsalgemeenheid met het gestelde onderscheid 
in zich. Het gezegde is hier de inwendige natuur, de sub- 
stantie van het onderwerp. Twee zinnen als: „de man is 
klein," en „de man is een levend wezen" laten duidelijk 
een verschil in de verhouding tusschen gezegde en onder- 
werp zien, dat de kennistheorie over 't hoofd ziet, al heeft 
ze 't nóg zoo over noodwendige oordeelen. 

De noodzakelijkheid is hier echter nog inwendig: er zijn 
ook andere levende wezens dan mannen. Bij het hypothetische 
oordeel doordringt de noodzakelijkheid ook de bijzonderheid 
van het onderwerp, en wordt, gelijk in het wezen bij de 
causaliteit, een wezenlijk verbonden zijn van onmiddellijk- 
heden gesteld, dat we in 't kategorische oordeel nog niet 
hadden. Als ik zeg, dat „als A is, ook B is", dan is hierin 
gezegd, dat het zijn van A niet zijn eigen zijn, maar het 
zijn van iets anders is. — In het kategorische oordeel heb 
ik eene bijzonderheid en de algemeenheid, in het hypothe- 
tische twee bijzonderheden, die in noodzakelijkheidsverhou- 
ding staan, niet zoo, dat ze als zelfstandigen gelden, maar 
als momenten van de eene identiteit der noodzakelijkheid. 

Gelijk in het kategorische het enkele in het subjekt het 
algemeene enkele is, welke algemeene enkelen in het hypo- 
thetische oordeelen in het noodzakelijkheidsverband als 
momenten worden opgeheven , geeft het disjunktieve oordeel 
het algemeene als de kring van zijne door de algemeenheid 
doortrokken enkelheden op verstandig uiteenhoudende wijze. 
Trekt men nu het disjunktieve oordeel weer in de empirie 
terug, dan vervliegt het begrip. 

Wie het disjunktieve en het hypothetische oordeel weer 
alleen grammatisch verschillende uitdrukkingen vindt van 
een zelfde gedachte, heeft nog niet scherp genoeg leeren 
zien, om het wezenlijk onderscheid der wezenlijke eenheid 



494 VERWEER. 

te kennen, en ziet daarom géén van beiden: hi] ziet niet, 
dat bij het disjunktieve het onderwerp het algemeene, het 
gezegde de soorten daarvan is, terwijl bij het hypothetische 
de onderlinge onscheidbaarheid van twee afzonderlijkheden 
wordt gesteld. 

Dat kategorische , hypothetische en disjunktieve oordeelen 
geen gecoördineerde soorten zijn , mag niet als aanmerking 
tegen Kant gelden ; want 't is Kant's eigen opmerking , gelijk 
we reeds zagen, en wie 't bovenstaande heeft begrepen, 
weet ook hoe Hegel ze heeft gedacht. Om nog eens aan te 
dikken, dat deze van vakjeskasten voor begrippen niets 
moest hebben, al is het stelsel niet dan in zelfordening, 
volgt nu eene aanhaling uit V : 55 : „Verder worden de 
begrippen in gesubordineerde en gecoördineerde ingedeeld; — 
een onderscheid, dat de begripsbepaling nader aangaat, 
n.1. de verhouding van algemeenheid en bijzonderheid. Doch 
pleegt men ze gewoonlijk eveneens als geheel vaste ver- 
houdingen beschouwen, en hierna meerdere onvruchtbare 
zinnen daarover op te stellen Die manier deze bepalingen 
te vergelijken zonder te denken aan hare dialektiek en aan 
de voortschrijdende verandering harer bepaling, of veeleer 
aan de daarin voorhandene verbinding van tegengestelde 
bepalingen, maakt deze geheele beschouwing, wat daarin 
eenstemmig is of niet, alsof deze eenstemmigheid of niet- 
eenstemmigheid iets afgescheidens en blijvends ware, tot 
iets slechts onvruchtbaars zonder inhoud". 

Dat verder de oordeelen van het begrip , de assertorische , 
problematische en apodiktische oordeelen, er nog slechter 
afkomen dan de kategorische , hypothetische en disjunktieve , 
is te begrijpen; in de hoogere streken van 't begrip, van 
de wijsheid, is de lucht te ijl voor de kennistheorie; daar 
kan men zich bovendien niet vastklampen aan „natuurweten- 
schappelijke uitkomsten" en „historische feiten". 



VERWEER. 495 

Toch levert het assertorische oordeel eerst in waarheid 
een oordeel. Als een kunstkenner van een beeld zegt, dat 
het van marmer is, is dat een oordeel. Het zegt ons echter 
niets en we hebben den kunstkenner daarvoor niet noodig; 
eerst als hi] het beeld schoon , den vorm in overeenstemming 
met het begrip vindt, hebben we een waarlijk oordeel. 
Gegrond is het assertorische, zooals het zich ons aanbiedt, 
niet; het tegengestelde oordeel heeft gelijk recht; het asser- 
torische, is het problematische oordeel. Hierin is de inhoud 
van het gezegde de vaste betrekking van het subjekt op 
het begrip; het problematische van het oordeel valt dus in 
het koppelwoord en het subjekt is toevallig. Het gezegde 
wil dat het begrip van het subject gesteld wordt in betrek- 
king tot zijne enkelheid : de objektieve bijzonderheid wordt 
de hoedanigheid van het subjekt, en dit bevat den grond 
waarom aan het geheele subjekt een gezegde van het be- 
gripsoordeel al of niet toekomt (Apodiktisch oordeel). Sub- 
jekt en gezegde hebben denzelfden inhoud; het moment van 
overgang vormt de in de zaak zelf liggende hoedanigheid 
als koppelwoord , de weer verschijnende eenheid van het 
in het oordeel verloren gegane begrip ; het oordeel is sluit- 
rede geworden. 

Deze sluitrede, formeel E-B-A (het enkele als het bij- 
zondere is het algemeene) , is de tegenstrijdigheid , dat het 
midden de bepaalde eenheid der uitersten moet zijn , echter 
niet als deze eenheid , maar als eene van die eenheid welke 
zij moet zijn, qualitatief verschillende bepaling is. Omdat 
de sluitrede deze tegenstrijdigheid is , is zij dan in zich zelf dia- 
lektisch, uit zich zelf overgaande in haar andere [haar „ander- 
heid" zou quasi diepzinnig de kennistheorie zeggen. Zie 288 en 
de noot aldaar]. Zoo zijn de derde en de tweede Aristotelische 
figuur niet verschillende soorten van figuren, die naast de 
eerste staan; „het zijn vervormingen, waarin die eerste ab- 



496 VERWEER. 

strakte vorm noodzakelijk overgaat, en zich dadelijk verder 
tot totaliteit bepaalt" (V:120: daardoor komt hij dan aan 
zijn einde). 

Deze sluitrede E-B-A zegt dat E-A is. Is daarom de 
sluitrede een oordeel?; of, indien dit niet dadelijk wordt ont- 
kend, — is dan de sluitrede uit drie oordeelen samen- 
gesteld ? De sluitrede E-B-A zegt dat E-A is , is dus een oor- 
deel, maar niet op de wijze van het onmiddellijke oordeel 
door het leege koppelwoord, maar door het inhoudsvolle 
midden" der bijzonderheid. Zoodra men de sluitrede uit drie 
oordeelen laat bestaan, hebben we weer een oppervlakkige 
beschouwing, die de verhouding der bepalingen, waarop 
het in de sluitrede aankomt, niet vermeldt. „En terwijl nu 
verder nog de qualitatieve vorm E-B-A als het laatste en 
volstrekte geldt, valt de heele dialektische beschouwing 
van de sluitrede geheel weg, en de overige sluitredes 
worden dan niet als noodzakelijke veranderingen van dien 
vorm, maar als soorten beschouwd" (V : 140). 

Evenals bij het oordeel, is ook bij de „behandeling" van 
het syllogisme tusschen het doode uittreksel, dat we als 
alle andere excerpten zullen laten zooals het is, weer een 
kennis-theoretische opmerking verdwaald: „Waarom... in 
„de tweede figuur de beide uitersten in de volgorde A-B; in 
„de derde figuur in de volgorde B-E is genomen, isgeens- 
„zins duidelijk. We moeten wel aannemen, dat de keuze 
„dezer volgorde geheel toevallig en willekeurig is" . . . (310). 
Kinderlijke lui toch! Bij al hun zieken twijfel hebben ze 
toch nooit getornd aan hun waan, dat dat onbegrijpelijk 
is, wat zij niet inzien, dat zij fijner koppen zijn dan die 
„ouderwetsche" denkers! 

De Kleine Redeleer geeft als schemata voor de figuren: 
I. E-B-A; II. A-E-B; III. B-A-E. Waar de aandacht bij haar 
uitsluitend op den terminus medius valt, ontgaat haar, wat 



VERWEER. 497 

Hegel er toe kan hebben geleid, dat hier anders te doen 
dan in de Groote Logilca, waar we I. E-B-A; II. B-E-A; en 
III. E-A-B vinden. Als de kennistheorie eens de moeite had 
genomen, Hegel er op na te lezen, in plaats van te meenen, 
dat het haar wel zou aanwaaien, had haar dit niet duister 
behoeven te blijven. 

„De objectieve zin van de figuren der sluitrede is in 't 
algemeen deze, dat al het redelijke zich als eene drie- 
voudige sluitrede vertoont, en wel zoo, dat elk van zijne 
leden evengoed de plaats van een uiterste, als ook die 
van het bemiddelende midden inneemt" (K. Log. § 187 Toev.) 
„Terwijl ieder moment de plaats van het midden en de 
uitersten heeft doorloopen, heeft zich hun bepaald onder- 
scheid tegenover elkaar opgeheven," (K. Log. § 188); „hier- 
door (door de quantitatieve sluitrede A-A-A) is ten eerste 
aan den vorm tot stand gekomen 1": dat elk moment de 
bepaling en plaats van het midden, dus van het geheel, in 
't algemeen verkregen.... heeft; dat 2^* de bemiddeling is 
voleindigd ... nl. als een kring van elkaar wederkeerig 
vooronderstellende bemiddelingen. In de eerste figuur E-B-A 
zijn de beide praemissen E-B en B-A nog niet bemiddeld; 
gene wordt in de derde, deze in de tweede figuur bemid- 
deld" (K. Log. § 189). 

Zoo langzamerhand hebben we nu, geloof ik, een ander idee 
gekregen van de noeste Hegelstudie, en de spijt om de Groote 
logika en de werken der leerlingen en volgelingen niet te 
kunnen aanhalen wegens redenen van zelfbeperking: de Kleine 
Logika is niet eens gelezen, laat staan bestudeerd en 
begrepen! Als op dezelfde manier de vertaling van Kant 
met aanteekeningen door B. v. Loen en dr. A. Faddegon 
aan 't licht moet komen , zal dat een samenflanserij worden , 
waarvoor 't slechtste papier te goed is! 

En men moge nu voor „het traditioneele geknutsel van 

32 



498 VERWEER. 

Felapton, Dariï en hoe het verder moge heeten" (311) den 
neus minachtend ophalen .... „zoo zeer het daarom voor 
niets meer dan onbeschaafdheid is aan te zien, de kennis 
der vormen van de rede in 't algemeen te verachten, zoozeer 
is toe te geven , dat de gewone uiteenzettingen van de sluit- 
rede en van zijne bijzondere vormen niet een redeliji<e kennis, 
niet eene uiteenzetting daarvan als van vormen der rede is" .... 
(V:39J — waar men evenwel de redefiguren niet als noodzake- 
lijke elkaar vooronderstellende vervormingen kent, maar ze alle 
terugbrengt tot een hypothetischen vorm, en ze dus ontzielt, 
ware het beter dat men „barbara, celarent, darii, ferioque" 
enz., die onschuldige en onnoozele schoollogika, maar kende. 
Bij Sigwart nl. hebben we de opvatting van de logika als 
teleologische wetenschap, aldus geformuleerd: „welke waarde 
„bezitten de drie Aristotelische figuren voor het menschelijk 
„denken, als strevende van twijfel en vraag tot zekere en 
„algemeen-geldige beslissingen" (312). De vraag is dus niet, 
wat of ze op zich zelf waard zijn, maar de figuren zijn 
middel tot een doel, dat haar eerst waarde zal geven; en 
het doel wordt gegeven in den vorm van de eerste sluit- 
rede E-B-A, of in den onderstellenden vorm, die al heeft 
zij waarheid, de waarheid niet kan bevatten. Wat heeft 
men dan aan die wijsheid ? 

Wanneer we nu na afloop der behandeling ons oordeel over 
het in naam van het moderne denken tegen de Hegelarij 
te berde gebrachte in 't kort onder woorden brengen , luidt » 
dit: de hedendaagsche richtingen hebben geen begrip van 
wat ze zeggen, en in plaats van béter te weten, moesten 
ze beginnen met te wéten. Hegel is een hoogte, onze 
moderne wijsheid is een inzinking, en eerst wie zich aan 
hem wil, en kan opwerken, zal kunnen zien, in welk 
moeras van onzin onze wetenschappelijke wereld ver- 
zinkt. En de woordvoerders en leidslieden zijn als blind- 



VERWEER. 499 

geboren blinden, die de andere blinden voorgaan — 't 
moeras in ! — al verhelen zij niet, dat ze de Elyseesche 
velden der wetenschap anders verwachten. Maar .... hun 
„is de moed tot weten gebroken"; hun particuliere meenin- 
gen zijn hun tot „gewetenszaak" geworden en ze willen naar 
niemand luisteren, die hun zegt, dat de wijsheid geen 
meeningen en theorieën, maar het begrip der zaak zelf wil: 
wat heeft dan de wetenschap met hén , wat hebben zij met 
de wétenschap van doen? 



DE NATUUR. 

DOOR 

J. CLAY. 



Naar aanleiding van de vele ontdekkingen en de belang- 
rijke uitkomsten van proefondervindelijk en theoretisch onder- 
zoek, spreekt men in natuurkundige kringen gaarne, en met 
recht, met zekeren eerbied over het trotsche gebouw der 
Natuurwetenschappen. 

Natuurkundigen en buitenstanders, die mede onder den 
indruk zijn gekomen, hebben echter hun eerbied wel eens 
overgebracht op de natuur zelve, en de velen in onze 
dagen, die hun religieuse gevoelens hebben gehecht aan 
onbegrepen blinde natuurkrachten, zijn daarmede een stap 
achterwaarts gegaan in de richting der oude natuurvolken. 
Want een vereering van de natuur is iets anders dan 
van de natuurwetenschap. En wanneer ik gaarne deel in 
een groote bewondering voor de ontwikkeling en de uit- 
komsten der laatste, dan vereer ik daarin meer de weten- 
schap dan wel de natuur. 

Laat mij om de bovengenoemde opvatting duidelijk te 
maken nader ingaan op de vraag: „Wat is de natuur."^) 



1) Tot de uitwerking van deze vraag ben ik^ in lioofdzaak gekomen naar 
aanleiding van enkele opmerkingen in mijn st\ik over „Natuurphilosophie en 
AtomJstiek" (Ie aflevering van dit tijdschrift). Wanneer ik daar zeg, dat de 
natuur op zichzelf chaotisch is , dan blijkt 't mij , dat dit zeer gemakkelijk de 
tegenspraak van natuurkundigen opwekt. De opname van deze bladzijden, die 
aan genoemde opvatting aansluiten, in dit tijdschrift, is tot mijn spijt wat vertraagd. 



DE NATUUR. 501 

Het is een vraag, die in de natuurwetenschappen weinig 
of nooit ter spralce komt. Het is een vraag die zóó zeer 
voor de hand ligt, dat ze door elk voorbijgegaan wordt en 
ten slotte onbeantwoord blijft. 

We kunnen haar om te beginnen zóó opvatten: welke 
dingen , welke verschijnselen die wij waarnemen , die wij 
ondervinden, vatten wij in het woord „natuur" samen. 
Want dat wij in eersten aanleg met natuur igts bedoelen, 
dat buiten ons ligt^ dat aan de andere zijde van het be- 
wustzijn valt is duidelijk. „Ueberhaupt bedeutet Natur das 
ohne Vermittelung des Intellects wirkende, treibende , schaf- 
fende" zegt Schopenhauer '). Willen wij echter op de vraag 
een volledig antwoord geven, dan kunnen wij niet vol- 
staan met natuur te noemen , wat wij op 't oogenblik 
zelf waarnemen, maar wij zullen daarin moeten samen- 
vatten ook wat wij ons herinneren waargenomen te 
hebben en wat wij ons voorstellen te zullen waarnemen. 
En 't is niet voldoende de enkele waargenomen verschijn- 
selen , de herinneringen en voorstellingen op te sommen , 
maar het algemeene in dezen en de gemeenschappelijke 
elementen waaruit ze bestaan moeten worden inbegrepen. 

We zullen moeten komen tot een begrip van de natuur. 

Wat vatten we samen, wat begrijpen we met „natuur"? 

Onwillekeurig zijn wij van de natuur, zooals zij daar 
buiten ons ligt, opgeklommen tot de natuur in het begrip. 

Zoo wijdt Aristoteles in zijne Metaphysica een hoofdstuk ^) 
aan de kategorie natuur, en hij komt in zijne uiteenzetting 
tot de slotsom : „17 (péal^ oéala tig èoxiv ," „de natuur is iets 
wezenlijks", en dan wel „het wezen van die dingen die 
het bewegingsbeginsel in zich zelven hebben." 



1) Schopenhauer. Werke II. biz. 314, ed. Reclam. 

2) Aristoteles Metaphysica V. 4, of 1014, b. 



502 DE NATUUR. 

Het ligt nu voor de hand na te gaan hoe wij de 
zooeven aangeduide uitersten in de werkeliji<heid onder- 
scheiden vinden, en hoe wij die in natuur kortweg samen- 
vatten. 

Reeds in het speculatieve denken der Ouden werd een 
scheiding gemaakt tusschen een natura naturans en een 
natura naturata , een voortbrengende en een voortgebrachte 
natuur, en aan de hand daarvan kunnen wij beginnen de 
natuur uiteen te denken in twee elementen: het gezarne- 
lijke der bijzondere verschijnselen, die bestaan en ge- 
beuren en die de oorzaak zijn van onze gewaarwordingen, 
en het algemeene overal werkende en scheppende beginsel 
dat nergens bestaat, maar zich overal laat gelden. 

Laat mij om dit duidelijk te maken een enkel voorbeeld 
geven. 

Een lichaam kan ergens op zeker oogenblik in bewe- 
ging zijn, maar de regelmaat der beweging en de wetten 
die op de beweging betrekking hebben, hebben een idëeel 
bestaan en kunnen slechts werkelijk worden in een waar- 
nemend en herinnerend bewustzijn. De wet van het behoud 
van arbeidsvermogen is als een zuiver quantitatieve betrek- 
king, een onstoffelijke en onwaarneembare band, die de 
qualitatief verschillende natuurkundige verschijnselen in hun 
optreden verbindt en beheerscht. De drang tot voortplan- 
ting en tot zelfbehoud der levende wezens zijn ontastbare 
en onzichtbare oorzaken , die de soortelijk bepaalde indivi- 
duen doen geboren worden en duur geven. 

Al zal tenslotte de natuur weder een eenheid zijn, het 
ontwikkelde denken begrijpt dat er een snede moet worden 
gemaakt, dat er noodwendig een onderscheid is tusschen 
het voortgebrachte zakelijke, het bestaande en het voort- 
brengende onzakelijke , het werkzame , het ideëele. 

Uit deze dubbelzijdigheid der natuur is te begrijpen dat ver- 



DE NATUUR. 503 

schillende denkers en schrijvers al naar mate zij in meerdere 
mate de eene of andere zijde der natuur in hunne gedachten 
hebben gehad op verschillende wijze beschrijven wat zij 
onder natuur verstaan. 

Zoo wordt er door Kant op de meeste plaatsen den na- 
druk opgelegd dat de natuur de orde en regelmaat is, die 
wij in de verschijnselen leggen. 

„Die Ordnung und Regelmassigkeit an den Erscheinungen, 
die wir Natur nennen bringen wir selbst hinein, und wür- 
den sie auch nicht darin finden können hatten wir sie nicht 
die Natur unseres Gemüths ursprünglich hinein gelegt." ^) 
Op een andere plaats zegt hij, „Natur ist das Dasein der 
Dinge so ferne es nach algemeinen Gesetze bestimmt ist. ^) 
In denzelfden zin zegt Rickert b.v. „Die Natur ist die Wirk- 
lichkeit mit Rücksicht auf das Algemeine." ^) 

Beiden hebben op deze plaatsen het oog op de alge- 
meene zijde der natuur, de natuurwet, het scheppende, 
de natura naturans. Daartegenover staat de opvatting der 
materialisten, positivisten en realisten. 

Zoo b.v. Lewes: „I speak of nature as the pure Existence , 
the ultimate Reality, believed by all except idealists to exist 
independently, though only feit and known under subjective 
conditions." Hij komt hier op voor de natuur als het onaf- 
hankelijk bestaande* maar doet reeds in het tweede ge- 
deelte van de zin een kleine concessie, die noodzakelijk is 
om eigen spreken over dit zuivere onafhankelijke bestaan te 
rechtvaardigen. Hij wischt dit echter weer onmiddellijk uit 
en vervolgt: „Nature is the Sum of Things as logically 



1) Kant, Kritik. Werke. Ed. Rosenkranz II. blz. 112. / 

2) Kant, Prolegomena. Werke Ed. Rosenkr. III blz. 53. 

3) H. Rickert. Ueber die Grenzen der Naturwissenschaftliche Begriffsbildung 
blz. 112. 



504 DE NATUUR. 

distinguished from that portion which is comprised in our 
feelings." ^) 

In den zelfden geest spreekt E. v. Hartmann zich uit, 
wanneer hij opkomt tegen de meening dat zijne beschou- 
wingen van Schopenhauer zouden stammen. Tegenover 
de opvatting van Schopenhauer, die op de aangehaalde 
plaats analoog met die \an Kant (zie boven) luidt, zegt hij: 
„Zu dieser Naturphilosophie steht die meinige in diame- 
tralen Gegensatze, indem sie die Natur, wie die Wissen- 
schaft sie mehr und mehr erkennen laszt, als eine objectiv- 
reale, raum-zeitliche Erscheinung, als eine van jeder be- 
wussten Perception unabhangige Manifestation des Welt- 
wesens aufrecht erhalt. ^) 

De laatstgenoemden hebben hier de zijde der Natuur 
voor oogen, die wij de natura naturata kunnen noemen. 

Hiermede ben ik ondertusschen op een punt gekomen dat 
ik eerst 't gebruik van het woord natuur in 't algemeen iets 
wil verhelderen. 

Kant heeft er in zijne „Metaphysische Anfangsgründe der 
Naturwissenschaft" op gewezen dat natuur in twee betee-* 
kenissen gebruikt wordt, en onderscheidt zelf een formeele 
en een materieele beteekenis. 

„Wenn das Wort Natur blos in fonmaler Bedeuting ge- 
nommen wird, da es das erste innere Princip Alles dessen 
bedeutet, was zum Dasein eines Dinges gehort, so kann 
es so vielerlei Naturwissenschaften geben, als es specifisch 
verschiedene Dinge gibt, deren jedes sein eigenthümliches 
inneres Princip der zu seinem Dasein gehörigen Bestim- 
mungen enthalten musz. Sonst wird aber auch Natur in 
\ 

1) Lewes. Problems of Live and Mind. II blz. 124. 

2) E. V. Hartmann. Phil. Fragen der Gegentwart, blz. 28. 



DE NATUUR. 505 

materielier Bedeutung genommen , nicht als eine Beschaffen- 
heit sondern als der Inbegriff aller Dinge , sofern sie Gegen- 
stande unserer Sinne, mithin auch der Erfahrung sein 
Hönnen." ^) 

Dat dit tweeërlei gebruik bestaat zal ieder onmiddelijk 
toegeven, maar het zal noodig zijn het verband daarvan 
duidelijker aan te geven dan door .een „Sonst aber auch." 

Hetzelfde treft ons bij J. St. Mill, die wel minstens twee 
beteekenissen onderscheidt en terecht zegt dat het nagaan 
van deze onderscheidingen veel misvatting en verwarring 
kan voorkomen, maar niet aangeeft hoe nu de beteeke- 
nissen in het woord samenhangen. „It thus appears that 
we must recognize at least two principal meanings in the 
word Nature. ^) 

Het objectieve , materieele, onwillekeurige, natuurlijke zijn 
en het subjectieve, onzakelijke, bewuste, ideëele zijn, zijn 
twee kanten aan alle werkelijkheid. 

Het ligt ons zoo zeer voor de hand in alles deze twee 
elementen te onderscheiden, dat wij zeer licht ieder als een 
afzonderlijk deel van de werkelijkheid gaan beschouwen, 
en zoo het natuurlijke zijn der dingen kortweg als de na- 
tuur nemen. 

St. Mill drukt ditzelfde iets anders uit door te zeggen. 
„Nature in this its; simplest acceptation is a collective 
name for all facts, actual und possible: or a name for the 
mode, partly known to us and partly unknown, in which 
all things take place." ^) 

Dat deel der wereld, waarin het natuurlijke zijn over- 
heerscht en het geestelijke ideëele schuil gaat, zullen wij 



1) Kant. Metaph. Anfgr. der Nat. Werke ed. Rosenkranz III blz. 305. 

2) J. St. Mill. Nature, blz. 8. 

3) J. St. Mill. Nature, blz. 6. 



506 DE NATUUR. 

bij uitstek natuur noemen. Maar zelfs deze natuur heeft 
haar immaterieele, haar ideëele zijde, zooals ook de geest 
haar natuurlijke zijde heeft. 

„Der Begriff der Natur ist also anwendbar auf alle d^ 
Erfahrung zuganglichen Objecte, da wir ja nur psychische 
and physikalische Vorgange in der Erfahrung kennen. Es 
bleibt gar nichts anderes mehr übrig als dass es die Wirk- 
lichkeit unter einem bestimmten Gesichtspunkt bezeichnet, 
und dies dürfte in der That auch dem Sprachgebrauch am 
meisten entsprechen." zegt Rickert. ^) 

Terwijl dus het analyseerende denken aan alle werke- 
lijkheid een natuurlijk bestaan ziet, wordt deze bestaans- 
wijze een hoofdkenmerk van een deel der wereld, dat wij 
met voorbijzien van andere zijden eenvoudig natuur noemen. 

In aanvulling van de beschouwing van St. Mill, die.de natuur 
„an ambiguous term" noemt, zou ik derhalve willen zeggen 
dat de beide beteekenissen in nauw verband met elkaar 
staan en in elkander overgaan. Van de formeelebeteekenis, 
zooals Kant haar noemt, tot de materieele overgaande, 
maken wij een abstractie tot iets concreets, maken wij een 
betrekkelijkheid tot iets volstrekts. 

Want al heeft de Natuur in hoofdzaak een natuurlijk be- 
staan er schuilt een ideëel moment in , zelfs in het meest 
stoffelijke der natuur. 

Zoo heeft omgekeerd de geest een natuurlijke kant, welke 
echter in normale omstandigheden bij den mensch door het den- 
ken en willen beheerscht wordt en in het bewuste zijn schuil gaat. 

Reeds de onderlinge zwaarte der lichamen naar een ge- 
meenschappelijk, onverstoorbaar, meetkundig massamiddel- 
punt wijst op een onstoffelijke ideëele band tusschen de 
doode voorwerpen. ^) 

1) H. Rickert. U. d. Gr. d. Nat. Begr., blz. 211. 

2) Vergl. G. J. P. J. Bolland. Collegium Logicum, blz. 898. 



DE NATUUR. 507 

De chemische affiniteit wijst op een individueele voor- 
liefde of c. q. aflceer, die altijd weer aan een stoffelijke of 
een numerieke verklaring ontsnapt. De ééne ziel , die de 
^rganen van het levende wezen bindt en ze doordringt, 
is door geen plaatselijke bepaling gebonden. De hand- 
having der soort legt een onzichtbare band tusschen een 
aantal onderling in kleinigheden afwijkende vertegenwoor- 
digers. 

Het moge duidelijk zijn dat deze korte uitwijding opnieuw 
de vraag doet opvatten , hoe verhouden zich in die wereld , 
die wij bij uitstek natuur noemen , het overheerschende, na- 
tuurlijke, objectieve element tot het ideëele element dat er 
in schuilt. 

Het is niet te verwonderen dat het irreligieuse en het 
wijsgeerig onontwikkelde bewustzijn den positivist en den 
realist gelijk geven, die zeggen dat de natuur het bij uit- 
stek objectieve is, datgene wat onafhankelijk van elk 
waarnemend bewustzijn bestaat. En er is een scherp kri- 
tisch of een meer idealistisch denken voor noodig dit te 
negeeren, en om met Kant of Fichte te zeggen, dat eigenlijk 
de natuur de subjectieve orde is, die in de dingen heerscht. 

Beide richtingen hebben half gelijk, men kan ze eenvoudig 
op elkaar wijzen , om hun gedeeltelijk ongelijk te bestrijden. 
Maar men zou den vertegenwoordigers van een van de beide 
richtingen in vele gevallen onrecht aandoen, als men ze 
volstrekt eenzijdig beschouwde. Ze hebben zichzelf meestal 
in dit opzicht, misschien ondanks zichzelf, bestreden en 
hebben hierdoor de tegenoverliggende zijde van hunne 
beschouwing erkend. Dit komt kijken bij Lewes in zijn toe- 
voeging, „though only feit and known under subjective 
conditions." (Zie boven). 

Het baart verwondering als het bij den transcendenteel- 
realistischen v. Hartmann te voorschijn komt op een plaats 



508 DE NATUUR. 

waar hij zijn groot verschil met Schopenhauer niet behoeft 
aan te toonen en zegt: „die Wirkiiche Natur ist ja nichts ais 
die indui^tiv erschlossene hypothetische Ursache unserer sub- 
jectiv idealen Bewustseinserscheinungen." ^) Het klinkt tegen* 
strijdig met „die von jeder bewuszte Perception unabhangige 
Manifestation des Weltwesens." 

Werkelijk heeft de natuur twee zijden, v. Hartmann heeft 
gelijk, zij is een eenheid van tegendeelen. 

Uit het voorgaande blijkt dat een onderscheid niet alleen 
logisch gemaakt moet worden, maar ook historisch gemaakt 
is. Om ten slotte de ééne Natuur van de werkelijkheid in 
hare volheid te begrijpen, kan deze onderscheiding niet 
duidelijk genoeg gemaakt worden. 

De natuur opgevat als de orde in de verschijnselen, de 
eeuwige oorzaak die alles voortbrengt, staat tegenover de 
natuur als het inbegrip van waarneembare dingen, het zijn 
twee zijden, die tegenover elkaar staan als natura naturans 
en natura naturata, twee zijden die niet los van elkaar te 
maken zijn maar die onderscheiden moeten worden door 
het bewustzijn, reeds door de afwisseling van gewaarworden 
en denken. 

Nemen we deze twee kanten te samen, dan wordt de na- 
tuur voor ons, het ideëele, wettelijke, werkzame, dat zich 
in een eindeloosheid van afzonderlijke verschijnselen op 
onduidelijke wijze vertoont, zoodat het zoo onmiddellijk, 
dat is door ondoordachte waarneming, nog niet, maar pas 
in tweeden aanleg door oplettend denken daarin ontdekt 
wordt. 

De eindelooze ongeordende wereld der verschijnselen, 
zooals wij die zonder aandachtig in te grijpen gewaar worden, 



1) E. V. Hartmann. Die Weltanschauung der Modernen Physik biz. 216. 



DE NATUUR. 509 

krijgt pas door den bespiegelenden oorzaken zoekenden geest 
in zijn herinneren, voorstellen en begrijpen een ordelijk en 
noodzakelijk werkzamen achtergrond. 
. Deze wereld der natuurlijke, zinnelijk waarneembare re- 
aliteit heeft zelve geen zuivere regelmatigheden, geen atomen, 
zij is een wereld van feiten, van voorbijgaande plaatselijke 
bijzonderheden, die door de eindeloosheid van onderlinge 
betrekkingen onmachtig zijn zelve in orde en harmonie te 
zijn en te blijven. Het is een wereld die in hare broosheid 
en vergankelijkheid en beperktheid, slecht beantwoordt 
aan het zuivere, ordelijke, werkzame beginsel van wetten en 
krachten, dat haar voortdurend schept. 

Die Gestalten der Natur sind in ihrer Erscheinung, als 
das dem Gedanken Unangemessene , oft Verzerrungen und 
Caricaturen des Gedankens und darin besteht ihre End- 
lichkeit. 

Das, was in der Idee der Natur eine zusammenfassende 
Einheit ist, ist in der realen Natur in die Unendlichkeit 
des Aussereinanders zersplittert, und also Wesen und Erschei- 
nung in der Natur einander ausserlich. ^). ' 

In de uitdrukking dat de Natuur op zichzelve chaotisch 
is, heb ik slechts den nadruk willen leggen op die zijde 
van de natuur, waarmee de natuurkundige in hoofdzaak 
wil te doen hebben n.m. de materieele wereld der ver- 
schijnselen zooals deze onafhankelijk van de werkzaamheid 
van ons bewustzijn tot gewaarwordingen en indrukken 
aanleiding geeft. „lm Begriffe der natura naturans ist die 
Einsicht enthalten, dasz hinter den so sehr verganglichen 
und rastlos wechselnden Erscheinungen der Natura naturata 
eine unvergangliche und unermüdliche Kraft verborgen 



1) C. L. Michelet. Das System der Philosophie II. Werke III biz. 18. Cursi- 
veering van mij. 



I 



510 DE NATUUR. 

liegen müsse, vermöge deren jene sich stets erneuerten, in 
dem Untergange derseiben sie selbst nicht mitgetroffen 
würde. Wie die Natura naturata der Gegenstand der Pliysik 
ist, so ist die Natura naturans der der Metaphysik. ^) 

Het zijn afzonderlijke dingen, datgene wat onafhankelijk 
van ons gebeurt en ons aandoet, en datgene wat wij ons in 
verband met eigen gesteldheid als redelijke en begrijpelijke 
werkzaamheid achter deze dingen kunnen voorstellen en 
denken. 

Wanneer ik in den beginne sprak van den eerbied voor 
de natuurwetenschappen, dan moet men bedenken dat de 
natuurgeleerde, die met gerechtvaardigde verheffing voor 
zich ziet het trotsche geheel van zijn werk, onder den 
indruk is, niet van die natuurlijke dingen, (Jie buiten hem 
bestaan , maar van het geestelijk beginsel dat hem door die 
natuurlijke dingen den weg deed vinden. 

Het onzichtbaar werkende in de natuur komt in de on- 
volmaakte eindige verschijnselen niet tot uitdrukking, maar 
wordt pas werkelijk in een denkend bewustzijn. 

Dit wil volstrekt niet zeggen dat datgene , wat de natuur 
schept, bloot uit onzen individueelen geest voorkomt en van 
hem afhangt, maar dat het met ons verwant is, dat het in 
zijne algemeene geldigheid tevens het beginsel van onzen 
geest is , datgene is , wat ook ons voortbeweegt. Het is dat- 
gene, wat in de natuur niet uitkomt maar wat ontdekt en 
verwerkelijkt wordt in en door den geest. 

We hebben nu ten slotte aan de natuur haar onstoffe- 
lijke , ideëele zijde gevonden die aan haar moet worden on- 
derscheiden en waarvan zij niet te ontdoen is. 

Deze zijde is het, die den mensch tegen haar doet opzien , 
omdat hij aan haar zijn beter Ik herkent. 



1) Schopenhauer. Werke IV Reclam. biz. 137. 



DE NATUUR. 511 

Dit is het teeicen dat de natuur van één stam is met 
den geest zelve , dat zij beiden onderling samenhangende 
bestaanswijzen zijn van één «beginsel, dat Hegel de Idee 
genoemd heeft. De Idee is het absolute dat zich in twee- 
ërlei vorm verwerkelijkt, als natuurlijke bijzonderheid en als 
geestelijke verenkeling. 

Natuur en geest zijn hetzelfde op onbewuste en bewuste 
wijze. 

Als geest is de Idee de bewuste samenhang van het al- 
gemeene en bijzondere, waarin het natuurlijke en eindige 
bestaan , dat zij niet ontberen kan , moet bedacht en over- » 
heerscht worden, op straffe van natuurlijk, onnoozel en 
dierlijk te zijn. • 

Als natuur is de Idee de onbewuste wereld, waarin het 
begrip verborgen is en verborgen werkt. 

„Die Natur", zegt Hegel, „ist die Idee in Ihrer ausser- 
sich-sein. Die Natur ist der sich entfremdete Geist, der 
darin nur ausgelassen ist, ein bacchantischer Gott, der sich 
selbst nicht zügelt und faszt." ^) 

Er wordt daarbij onwillekeurig een verband duidelijk met 
de opvattingen van de kerk, waar God wordt voorgesteld 
als de scheppende Idee en de natuur als de schepping 
Gods, die niettemin als het booze, als het rijk van den 
duivel, van hem vervreemd is. 

Laat mij eindigen met een enkel woord over het onder- 
linge verband van geest en natuur zooals wij dit in de wer- 
kelijkheid vinden. 

Door waarneming met de zintuigen komen wij meer en 
meer van de bijzonderheden der natuur te weten en in 
deze bijzonderheden trachten wij steeds opnieuw het alge- 
meene te erkennen en te begrijpen, al blijft er altijd een 



1) Hegel. Encyclopaedie der Phil. Wissensch. ed Bolland blz. 302. 



512 DE NATUUR. 

klove tusschen de zuiverheid en regelmaat van het denken 
en het onwillekeurige natuurgebeuren. Immers onze gedach- 
ten kunnen zich nimmer nret de feiten vereenzelvigen al 
betreffen zij de feiten. 

De wereld der verschijnselen blijft voor ons altijd een 
vreemde rest overhouden. „In der Natur verbirgt sich die 
Einheit des Begriffes" ^) , luidt het scherpzinnige woord van 
Hegel, dat zich zoo goed aansluit aan dat van Aristoteles: 

'Ev Tolg êlóeoi zoig diad-r^iotg ia vorjut èoriv. ^) 

Het begrip schuilt in de waarneembare dingen maar is 
. het niet zelve. ^) 

Met dat al blijft de geest doorgaan de duisternis der 
natuur, dit vreemde bekende, binnen te dringen, zij tracht 
in de natuurwetenschappen altijd weer zoo goed mogelijk 
door waar te nemen de onbekende X op te lossen. De na- 
tuurwetenschap heeft echter geen zuiver doel, zij wil 
eenvoudig meer en steeds meer te weten komen, soms 
voor een practisch doeleinde. De natuurphilosophie gaat 
bewust op haar doel af, zooals Kant dit in zijne „Meta- 
physische Anfangsgründe der Naturwissenschaft" scherp 
uiteenzet. Voor hem is de tweede „eigentliche Natur- 
wissenschaft" terwijl hij de eerste „uneigentliche Natur- 
wissenschaft" noemt. Immers zegt hij „Eigentliche Wissen- 
schaft kann nur diejenige genannt werden deren Gewisz- 
heit apodiktisch ist;. Erkenntnisz, die blos empirische 
Gewiszheit enthalten kann, ist ein uneigentlich sogenanntes 
Wissen. *) 
ƒ/ De natuurphilosophie wil in de natuurverschijnselen de 
' * wetten en het werkende beginsel als eigen natuur erkennen. 



1) Hegel. Ene. d. Phil. Wiss. ed. Bolland blz. 302. 

2) Aristoteles. De Anima Hl 8. 

3) College van Professor Bolland. 

4) Kant. Metaph. Anfangsg. d. Naturw. ed. Rosenkranz. III 305. 



DE NATUUR. 513 

„Sie will das gedankenmassige in der Natur aufsuchen. ^) 
Niet meer maar oolc niet minder. 

Maar hoe dit zij, beiden vereenigen zich om alles wat 
in de veelheid der Natuur versplinterd en ongeordend door- 
eenligt door de zintuigen waar te nemen en in de ge- 
dachte in eenheid saam te vatten. 

Deze activiteit des geestes is het bewuste, subjectieve 
correlaat van den natuurlijken, onbewusten drang en ont- 
wikkeling der natuur tot bewustwording. 

De natuur en de geest verhouden zich als het onbewust 
zich ontwikkelende en het bewust zich (c.q. /efs) ontwikkelende. 

In dien zin zegt Wundt: „Die Stetige Entwicklung 
des Geistigen Lebens , wie sie uns empirisch in den Uilter- 
schiede der Bewusstseinsgrade entgegen tritt, verlangt, dass 
nicht blosz gewisse materielle Substanzverbindungen , 
sondern dass schon die letzten begrifflich erreichbaren 
Einheiten der Materie gleichzeitig als Ausgangspunkte der 
geistigen Entwickelung gedacht werden. Da nun aber 
von einem geistigen Geschehen im engerer Sinne des 
Wortes nur geredet werden kann , wenn dasselbe unmittel- 
bar in der inneren Erfahrung oder mittelbar in seinen aus- 
zeren Wirkungen für uns nachweisbar ist, so wird durch 
diese Betrachtung erst die Thatsache verstandlich , dass der 
Geist aus der Natur sich entwickelt. Das Problem der Ent- 
stehung des Geistes findet so seine metaphysische Lösung 
in der durch den angedeuteten Fortschritte logisch gerecht- 
fertigten Voraussetzung, dass die Natur Vorstufe des Geistes, 
also in ihren eigenen Sein Selbstentwickeiung des Geistes sei ^). 

Bei mir ist die Natur die teleologische Vorstufe und der 



1) L. C. Michelet. Das System der Phil. Wissensch. II Werke III blz. 16. 

2) W. Wundt. System der Philosophie. blz. 570. Cursiveering van mij. 

33 



514 DE NATUUR. 

Sockel des Geistes, der Naturproces providentisch Mittel 
für den Lebensproces ^) zegt v. Hartmann in gelijken zin. 

Het is de eeuwige en noodzakelijke evolutie in de na- 
tuur die Hegel in zijne Natuurphilosophie op onvolmaakte 
maar onovertroffen wijze ontwikkeld heeft. Het is de alge- 
meenste en zuiverste evolutie der natuur zich te verinner- 
lijken in het bewustzijn en zoo terug te keeren tot de Idee 
die haar als natura naturans geschapen heeft, 

Dieses wird zuletzt uns darauf führen, dasz auch wir 
selbst zur Natur gehören, und folglich sowohl von natura 
naturata als von natura naturans nicht nur das nachste und 
deutlichste sondern sogar das einzige uns auch von innen 
zugangliche Specimen an uns selbst besitzen. ^) 

In den mensch vereenigen zich natuur en geest, deze beide 
zijden van den wereldgeest. In ons voeren deze tegendeelen 
hunnen strijd. 

Wij kunnen dezen strijd niet ontvluchten, op straffe in 
natuurlijke dierlijkheid te verzinken of in lichamelijke afsterving 
geheel te gronde gaan. 

Wij hebben tot zelfkennis in te keeren, om begrijpende 
deze tegenstrijdigheid op te lossen. 

Leiden, Mei '07. 

1) E. V. Hartmann. Phil. Fragen der Gegenwart. blz. 29. 

2) Schopenhauer. Werke IV Reclam. blz. 138. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 



Zeitschrift für Philosophie and philosophische Kritik 
(Dr. H. Schwarz, Liepzig Eckardt). 

Bd. 131 Heft 1. 

R. Falckenberg, Nachruf auf Ludwig Busse. 

A. Muller, Ueber Atomismus und Mechanismus. 

E. Mally, Das Mass der Verschiedenheit. 

E. Dutoit, Bericht über die Erscheinungen der französischen 

philosophischen Litteratur im Jahre 1903. 
Frischeisen Koehler, Die Historische Anarchie der philosophischen 

Systeme und das Problem der Philosophie als Wissenschaft. 

Archiv für Philosophie (L. Stein, Berlin, Reimer) I Abteilung: 
Archiv für Geschichte der Philosophie. 

Bd. 20 Heft 3. 

K. Weidel, Schopenhauers Religionsphilosophie. 

A. Tumarkin, Zu Spinoza's Attributenlehre. 

O. Baensch, Die Entwicklung d. Seelenbegreffs bei Spinoza als 

Grundlage für d. Verstandnis seiner Lehre vom Parallelismus 

der Attribute I. 
A. E. Haas, Antike Lichttheorien. 
E. Appel, Leone Medigos Lehre vom Weltall und ihr Verhalt- 

niss zu griechischen u. zeitgenössischen Anschauungen. 

Vierteljahrsschrift für wissenschaftliche Philosophie und Sozio 
logie (Paul Barth; Leipzig, Reisland). 

31 Jahrg. Heft 3. 

Georg Wernick, Der Wirklichkeitsgedanke. 
Julius Pikler, Beschreibung und Einschrankung. 



•^i't. 



516 INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

Kantstudien (Vaitinger und Bauch; Berlin Reuther und Reichard). 
Bd. 12 Heft 1. 

E. Cassirer, Kant und die moderne Mathematik. 

F. Medicus, Kant und die gegenwartige Aufgabe der Logil<. 

O. Ewald, Die grenzen des Empirismus und des Rationalismus 

in Kant's Kr. d. reinen V. 
H. Staeps, Das Christusbild bei Kant. 
W. B. Waterman, Kants critique of judgement. 

Philosophisches Jahrbuch (Gutberlet. Fulda , Al<tiendruci<erei). 

20 Bd. Heft 2. 

L. Dressel, Die neuere Entwicklung des Massenbegriffs. 

K. Krings, Darf der Mensch nach den Prinzipien Herbarts erzogen 

werden ? 
L. Baur, Der gegenwartige Stand der Philosophie. 
J. Meier, Robert Boyle's Naturpiiiiosophie. 

Revue de Métaphysique et de Morale (Léon, Paris). 

15e année. No. 5. 

M. Calderoni, La prévision dans la theorie de la connaissance. 
P. Lacombe, De l'esprit classique dans la Révolution frangaise 

(selon Taine). 
Charles Rist, Economie optimiste et économie scientifique. 
L. Weber, L'évolution créatrice par Herfii Bergson. 
C. Bougie, Les syndicats de fonctionnaires et les transformations 

de la puissance publique. 

Revue Philosophique de la France et de VEtranger (Ribot, Paris). 

32e année. No. 4. 

Palante, Anarchisme et individualisme. 
Sageret, De l'esprit magique et de l'esprit scientifique II. 
Bauer, La transformation des idees et Ie public. 
Franconnet, The origin and development of moral ideas, d'après 
Westermarck. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 517 



No. 5. 



Bourdon, La perception du temps. 

Duprat, La spatialité des faits psychiques. 

Ribot, Sur une forme d'illusion affective. 

De Fussac, Notes de psychologie religieuse: les conversions. 

Revue de Philosóphie (Peillaube; Paris, Chevalier et Rivière). 

7e Année. No. 5. 
James, Le Courant de la Conscience. 
Boucaud, L'histoire du droit et la philosóphie de l'action. 
Gomer, Autonomie de l'activité volontaire II. 
Pesloüan, Sur les fondements de l'arithmétique. 

Mind (Stout; London Williams and Norgate). 

New Series No. 62. 

Bradley, On thruth and Copying. 
Spearman, An „economie" theory of spatial perception. 
Doan, The phenomenal sanctions of the moral life. 
Bodkin, The subconscious Factors of mental process considered 
in relation to thought. 



ONTVANGEN BOEKEN. 

(Bespreking later). 



Dr. R. P. Mees R.Azn., Wetenschappelijke Karakterkennis 

('s Gravenhage M. Nijhoff). 
Fr. Ch. Sharp, Shakespeare's Uitbeelding van het zedelijk leven, 

vertaald door J. Wuite, met een voorrede van Prof. I. J. de 

Bussy (Amsterdam P. N. van Kampen). 
Dr. A. H. de Hartog, De redelijkheid der religie (Amersfoort 

P. Dz. Veen.) 
Dr. F. Pijper, Erasmus en de Nederlandsche reformatie (Leiden 

E. J. Brill). 
G. H. van Senden, De beteekenis der Mystieken voor onzen 

tijd (Utrecht P. den Boer). 



B Algemeen Nederlands 

8 tijdschrift voor wijs- 

D8M begeerte 

jg.1 



PLEASE DO NOT REMOVE 
CARDS OR SLIPS FROM THIS POCKET 

UNIVERSITY OF TORONTO LIBRARY